WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 10: UIT: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.


den langen weg,

Van jeugd tot manzijn en van manzijn tot grijsheid, hoe fier

zij waren in hun liefde, hoezeer elkaar genegen en getrouw,

Dan word' ik stil—ik ga haastig voort vervuld van den

bittersten nijd.



SOMS, IN MIJN LIEFDE


Soms, in mijn liefde, word ik vervuld van wanhoop, uit vrees

liefde uit te storten over een die mijn liefde niet beantwoordt,

Maar nu denk ik, dat elke liefde beantwoord wordt, en dat

op een of andere wijs het loon zeker is,

(Eens had ik vurig lief en werd mijn liefde niet beantwoord,

Nu, door die liefde heb ik deze zangen geschreven.)





UIT: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG




1.


Te voet en blijmoedig neem ik den open heirweg,

Gezond, vrij, heel de wereld voor mij uit,

De onafzienbare bruine weg voor mij uit, die mij brengt

overal waar ik wensch te gaan.


Voortaan zal ik nimmer naar geluk vragen, ik heb geluk in

mijzelf,

Voortaan zal ik niet meer klagen, niets meer verdagen,

voortaan zal ik mij niets voelen ontbreken,

't Is gedaan met in huiszitten en klagen, met boekenwijsheid,

met het nutteloos oordeel over anderen,

Sterk en tevreden ga ik den open heirweg op.


De aarde is mij voldoende,

Ik begeer mij de sterren niet nader,

Ik weet, wáár zij zijn is 't goed dat zij zijn,

Ik weet, dat zij genoegzaam zijn hun wier leven van hun

leven is.


Maar ook hier draag ik mijne oude lieve lasten met mij,

Ik draag ze mee, mannen en vrouwen, ik draag ze mee overal

waar ik ga,

Ik zweer U: 't is onmogelijk ze van mij af te schudden,

Zij leven in mijn leven, en ik wil hun leven vervullen van

het mijne.



2.


Gij heirweg, dien ik nu betreed en waarover ik mijn oog

laat ronddwalen, ik geloof dat hier meer is dan het zichtbare,

Ik geloof dat hier ook veel onzichtbaars is.

Gij leert de moeilijke les van Al-ontvankelijkheid, gij kent

voorkeur noch uitzondering;

De zwarte met zijn wollig hoofdhaar, de uitgestootene, de

melaatsche, de ongeletterde worden door U niet geweigerd;

De geboorte, het haastig halen van den doctor, de strompelende

bedelaar, de waggelende dronkaard, de vroolijke

troep werklieden,

De uitgelaten jeugd, de karos van den rijkaard, de pronker,

het vluchtende paar,

De vroeg ter markt gaande man, de lijkwagen, de verhuiskar

naar stad, de wagen die uit de stad terugkomt,

Zij gaan voort, aldus ga ook ik voort, geweerd wordt er

geen,

Allen deelen in dezelfde ontvangst en mij zijn allen lief.



3.


Links en rechts wijdt de aarde zich uit,

Een levend beeld van leven, alles in zijn beste licht,

Natuurmuziek gehoord waar men haar wenscht te hooren en

onhoorbaar als de ziel aanschouwen wil,

De blijde stem van den open heirweg en de blijmoedige,

frissche ziel van dien weg.


O, heirweg dien ik nu heb ingeslagen, zegt gij mij:
verlaat

mij niet?

Zegt gij mij:
Waag U niet—gij zijt verloren indien gij mij

verlaat?

Zegt gij mij:
Reeds ben ik welgebaand en drukbeloopen, geen

die mij niet roemt, houd U aan mij?

O heirweg, ik antwoord U: niet bevreesd ben ik U te verlaten,

maar ik heb U lief,

Gij, beter dan ik 't doen kan, verklaart wat in mij is,

Gij zult mij meer zijn dan mijn gedicht.


Ik denk: alle heldendaden en alle vrije gedachten hebben

hun bezieling gevonden in de open lucht,

Ik denk: hier toevende zou ik wonderen kunnen doen,

Ik denk: wat ik ook op den heirweg ontmoete zal mij welkom

zijn en ieder die mij ziet zal mij liefhebben,

Ik denk: ieder dien ik zie moet gelukkig zijn.



4.


Van dezen stond af verklaar ik mij los van limieten en

gedachte grenzen,

Ik ga waar 't mij lijkt, geheel en volkomen mijn eigen

meester,

Luister naar anderen, overweeg wat zij zeggen,

Denk na, onderzoek, neem in mij op, bepeins,

Maar ik maak mij vriendelijk doch met onwrikbaren wil los

uit den greep die mij zou willen vasthouden.


Ik adem de ruimte met lange teugen in,

Ik bezit Oost en West en ik bezit Noord en Zuid.


Ik ben grooter, beter dan ik dacht,

Ik wist niet, dat ik zoo rijk aan goedheid was.


Alles lijkt mij schoon,

Ik kan tot mannen en vrouwen zeggen en herhalen: gij hebt

mij zooveel goed gedaan, ik woû U hetzelfde doen,

Wat ik op mijn weg zal vinden zal gelijkelijk voor U en voor

mij zijn,

Op mijn weg zal ik aan mannen en vrouwen geven van

mij-zelf,

Ik zal nieuwe vreugde en onstuimigheid in hen werpen,

Wie mij verloochene, het zal mij niet bedroeven,

Wie mij aanvaarde, hij of zij zal gezegend zijn en mij

zegenen.



5.


Indien thans een duizendtal volmaakte mannen verscheen

zou mij dat niet verbazen,

Indien thans een duizendtal schoone vrouwengestalten verscheen

zou dat mij niet verwonderen.


Thans ken ik het geheim om voortreffelijke menschen te

gewinnen:

Het is te leven in de open lucht en te eten en te slapen

met de aarde.


Hier heeft een groote persoonlijke daad ruimte,

(Zulk een daad legt beslag op de harten van heel het menschelijk

geslacht,

De uitvloeiing van haar kracht en wil breekt de wet en

bespot alle gezag en redenen die zich tegen haar mochten

willen kanten).


Hier is de toetssteen der wijsheid,

Wijsheid wordt niet in de scholen getoetst,

Wijsheid kan niet worden overgedragen van den een die

haar bezit op den ander die haar niet bezit,

Wijsheid is ziel, wijsheid laat zich niet toetsen, maar toetst

zelf,

Zij doordringt zich van alle tijden, dingen, eigenschappen en

is voldaan,

Zij is de zekerheid van wat waar en onvergankelijk is in

't leven en van wat volkomen is in 't leven,

Er is iets in de veelheid der zichtbare dingen dat haar

oproept uit de ziel.


Nu onderzoek ik opnieuw de religiën en de wijsbegeerten,

Zij kunnen voortreffelijk zijn in collegiezalen en toch niets

bewijzen onder de uitgestrekte wolken en langs het landschap

en de vloeiende stroomen.


Hier is werkelijkheid,

Hier is een mensch—hier openbaart hij wat er in hem is,

Het verleden, de toekomst, majesteit, liefde—indien zij

niet van U zijn vervuld, zijt gij niet van hen vervuld.



6.


Hier is de uitvloeiing der Ziel,

Wat uit de ziel vloeit komt uit het binnenste door bloembekranste

poorten en stelt vragen steeds.

Waarom toch dat smachten? Waarom toch dat gepeins in

stikdonkeren nacht?

Waarom toch zijn er mannen en vrouwen, die als zij dicht bij

mij zijn zonnelicht en zonnewarmte in mijn bloed doen

vloeien, waardoor het zich uitzet?

Waarom toch, wanneer zij mij verlaten, hangen mijne vreugdevanen

slap en plat neer?

Waarom toch zijn er boomen onder wier gebladert ik nooit

wandel of verheven en melodieuze gedachten dalen in mij

neer!

(Ik denk, dat zij daar winter en zomer aan die boomen

bloeien en als rijpe vruchten afvallen als ik voorbijkom;)

Wat ruil ik toch zoo plotseling met vreemden?

Wat met dien koetsier als ik op den bok aan zijn zijde zit?

Wat met dien visscher die aan de kust zijn zegen uitwerpt,

terwijl ik in 't voorbijgaan een oogenblik blijf kijken?

Wat geeft mij een zoo vrij beroep op de welwillendheid van

die vrouw of dien man? Wat geeft hun een zoo vrij beroep

op de mijne?



7.


Wat uit de ziel vloeit is geluk, hier is geluk,

Ik denk het vervult de open lucht en is van allen tijde,

Nu vloeit het op ons aan en zijn wij er welzalig van.


Hier stijgt het fluïdum op, hier wast de zielegehechtheid,

Het fluïdum en de zielegehechtheid is de frischheid en de

bekoring van man en vrouw,

(Het ochtendstondgras spruit niet frisscher en bekoorlijker

iederen dag uit eigen wortels voort, dan dezen voortspruiten,

frisch en bekoorlijk altijd, uit zich-zelf.)

Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid vloeit van jong

en oud het liefdezweet,

En als een regen daalt de verrukking die alle schoonheid en

rijkdom te boven gaat er uit neer,

Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid zwelt het

smachten en sidderen van de pijn der gemeenschap,



8.


Allons! wie gij ook zijt, kom en reis mede!

Met mij reizende zult gij vinden wat nimmer U vermoeit.

De aarde vermoeit nimmer,

De aarde is eerst ruw, zwijgzaam, onbegrijpelijk, de natuur is

eerst ruw en onbegrijpelijk,

Zij niet moedeloos, geef niet op, daar zijn godsdingen diep

verborgen,

Ik zweer U daar zijn godsdingen heerlijker dan woorden kunnen

zeggen.


Allons! Wij moeten hier niet toeven,

Hoe verlokkelijk deze overvloeden, hoe gemakkelijk deze

woningen zijn, wij kunnen hier niet blijven,

Hoe veilig deze haven zij en hoe kalm deze wateren zijn, wij

mogen hier niet ankeren,

Hoe welkom de gastvrijheid zij die ons omgeeft, slechts voor

een korte wijl is 't ons veroorloofd er van te genieten.



9.


Allons, de drang wordt krachtiger,

Wij zullen onbekende en wilde zeeën bevaren,

Wij zullen het gegier der winden en de stortvloeden der

golven trotseeren en gaan waar de Yankee-klipper voortsnelt

met volle zeilen.

Allons! Met kracht, vrijheid, de aarde, de elementen,

Gezondheid, moed, blijheid, zelf-achting, weetgierigheid;

Allons! weg van alle evangeliën!

Vooral weg van uwe evangeliën, O loensche materialistische

priesters.


Die mummie blokkeert den doorgang—wij zullen met het

begraven niet langer wachten.



10.


Luister! Ik wil oprecht jegens U zijn,

Ik loof niet de oude, smedige prijzen uit, maar ruwe, nieuwe

prijzen,

Aldus de zelf-overwinningen die uw deel moeten zijn:

Gij zult U niet ophoopen wat rijkdom genoemd wordt,

Gij zult met kwistige hand uitdeelen wat gij wint of verkrijgt,

Gij zult nauwelijks de stad bereikt hebben die het doel uwer

reis was, ter nauwernood hebt gij U er voldaan nedergezet,

of gij wordt opgeroepen door een onafwijsbaar bevel om