door te gaan,
Gij zult U niet
storen aan de ironische glimlachen en den spot
van hen die achterblijven,
Welke liefdewenken gij ook ontvangt, gij moogt enkel antwoorden
met hartstochtelijke kussen van
afscheid,
Gij zult niet veroorloven, dat zij die de armen naar U uitstrekken
U vasthouden.
11.
Alles wijkt terug van den voortgang der zielen,
Alle godsdienstvormen, alle tastbare dingen, kunsten, regeeringen—al
wat op deze of welke wereld ook zichtbaar
was
of is trekt zich terug in nissen en gewelven voor de
zielenprocessie
langs de verheven wegen des Heelals.
Den voortgang der zielen van mannen en vrouwen langs de
verheven wegen des Heelals is alle andere voortgang
enkel
toevoegsel en steun.
Eeuwig leven, eeuwig voorwaarts,
Statig, plechtig, droef, terughoudend, bespot, woedend, onstuimig,
zwak, onvoldaan,
Wanhopig, trotsch, teeder, ziek, erkend door menschen, verloochend
door menschen,
Zij gaan! Zij gaan! Ik weet dat zij gaan, maar ik weet niet
waarheen zij gaan,
Toch weet ik dat zij heenwaarts gaan naar het beste—heenwaarts
naar iets verhevens.
Wie gij ook zijt, kom mee! Man of vrouw kom mee!
Gij moet daar niet staan druilen of leuteren in uw huis,
ofschoon gij het U bouwdet of het voor U gebouwd
is.
Weg uit den duisteren schuilhoek! Weg van achter het schut!
Uwe maren zijn vergeefs, ik weet alles en openbaar alles.
Zie door U heen, gij zijt zoo krank als de anderen,
Zie door het lachen, het dansen, het feestvieren der menschen
heen,
Zie onder hun kleed en sieraden, zie onder hunne gewasschen,
propere gezichten,
Zie dan een
geheime, stille walging en wanhoop.
Geen echtgenoot, geen vrouw, geen vriend vertrouwd genoeg
om de belijdenis te ontvangen,
Als een ander Ik, een dubbelganger van ieder, gaat het
schuilend en angstig door het leven,
Vormloos en woordeloos gaat het door de straten der stad,
beschaafd en lief in de salons,
In spoorwagens, op stoombooten, in openbare bijeenkomsten,
Thuis in de woningen van mannen en vrouwen, aan tafel, in
het slaapvertrek, overal,
Keurig versierd, beleefd-glimlachend, recht van houding: dood
in het hart, verdoemenis in het hoofd,
Onder laken en handschoenen, onder linten en bloemen,
Gebruiken nauwkeurig volgende, met geen syllabe sprekende
over zich-zelf,
Sprekende van alle andere dingen ter wereld, maar nooit over
zich-zelf.
12.
Allons! door gevechten en door strijden!
Het doel dat wij ons gesteld hebben kan niet worden ontgaan.
Was het einde van vroeger strijden overwinning?
Wat heeft overwonnen? Gij-zelf? Uw volk? de Natuur?
Welaan, versta mij goed—de Voorzienigheid heeft in het
wezen der dingen de eeuwige wet gelegd, dat uit het
genot
zelf der overwinning, 't hindert niet wat zij geldt,
iets groeit,
dat een moeilijker strijd noodzakelijk
maakt.
Mijn roep is de roep ten strijde, ik kweek feitelijke rebellie,
Hij die met mij gaat moet wel gewapend gaan,
Hij die met mij gaat zal dikwijls karig voedsel, armoede, boosaardige
vijanden, verlatenheid vinden.
13.
Allons! De heirweg ligt voor ons open!
Hij is veilig—ik heb hem beproefd—mijn eigen voeten
hebben hem lang en vaak betreden—blijf niet
achter!
Laat het papier liggen op de lessenaar onbeschreven en het
boek op de plank ongeopend!
Laat de
gereedschappen liggen in de werkplaats! laat het
geld ongeïnd!
Laat de school voor wat zij is! Stoor U niet aan het geroep
des onderwijzers!
Laat den prediker prediken in zijn preekstoel! laat den
advocaat pleiten in het Hof en den rechter de wet
verklaren.
Camerado, ik geef U mijn hand!
Ik geef U mijn liefde oneindig kostelijker dan geld,
Ik geef U mij-zelf buiten preek of wet om;
Wilt gij U-zelf aan mij geven? Wilt gij de reis met mij
maken?
Zullen wij te zamen en elkaar trouw blijven heel ons leven
lang?
UIT: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT
1.
Vloedstroom daar omlaag! Ik zie U van aangezicht tot aangezicht!
Wolken ten Westerhemel—gij daar, zon, ter halfuurshoogte—ook
U zie ik van aangezicht tot aangezicht.
Menigten mannen en vrouwen in uw dagelijksch kleed, hoe
belangwekkend vind ik U!
De honderden en honderden die op de veerbooten naar
Brooklyn oversteken om huiswaarts te keeren vind ik
belangwekkender
dan zij kunnen denken,
En gij allen die van oever tot oever zult oversteken in volgende
tijden, gij zijt mij meer, gij hebt grooter deel in
mijn
gepeins dan gij kunt denken.
2.
Tijd noch plaats doet zich gelden—afstand geldt niet,
Ik ben met U, gij mannen en vrouwen van de volgende generatie
of van alle volgende generatiën,
Juist wat gij gevoelt wanneer gij rivier en hemel gadeslaat,
gevoelde ik,
Juist zooals ieder uwer een mensch in een menigte menschen
is, was ik een mensch in een menigte
menschen,
Juist zooals gij U verkwikt gevoelt door het blijde leven van
de rivier en den schittervloed, gevoelde ik mij
verkwikt,
Juist zooals gij staat te leunen over de borstwering en toch
voortsnelt met den haastigen vloed, stond ik en
snelde
voort,
Juist zooals gij ziet naar de tallooze scheepsmasten en de
dikstammige schoorsteenen der booten, zag
ik.
Ook ik menig en
menig keer stak de aloude rivier over,
Sloeg de Twaalfde-maands zeemeeuwen gade, zag hen hoog
in de lucht drijven met beweginglooze vleugelen en
wiegelende
lichamen,
Zag hoe het glinstergeel lichtte op een deel hunner lichamen,
terwijl het overige in zwarte schaduw
bleef,
Zag ze in langzaam beschreven cirkels zachtkens in het
Zuiden dalen,
Zag den weerschijn van zomerlicht in het water,
Werd verblind soms door den glinsterenden zonnestroom,
Keek naar de fijn uitsprankelende lichtspaken om de weerspiegeling
van mijn hoofd in het zonneweerkaatsende
water,
Keek naar den nevel over den rug der heuvels Zuidwaarts en
Zuidwestwaarts,
Keek naar den stoomdamp in dikke violetgetinte vachten
heendrijvende,
Keek in de richting van den beneden-baaij om de aankomst
der schepen te zien,
Zag ze naderen, zag aan boord hen die mij na waren,
Zag de witte zeilen der schoeners, zag de sloepen, zag de
schepen voor anker,
De matrozen aan hun werk in het want of schrijlings op de
sparren,
De ronde masten, de schommelende beweging van de kielen,
de ranke, kronkelende wimpels,
De groote en kleine stoomers in vaart, de loodsen en de
loodshuizen,
Het witte zog in de vaart achtergelaten, de snelle, sidderende
wenteling der raderen,
De vlaggen aller natiën en hoe zij bij zonsondergang gestreken
werden,
De uitgeschulpte golven in den schemer, het scheppen der
raderborden, het dartelende, glinsterende
gekuif,
Het verre verschiet dat steeds neveliger werd, de grauwe
muren van de steenen pakhuizen der
dokken,
Op de rivier het schemerachtig beweeg, de zware stoomsleepers
dicht naast elkaar aan weerskanten bij de
sloepen,
de hooischepen, de door den nacht verraste
lichters,
Aan den naderenden oever de vuren der gieterij-schoorsteenen
hoog op en helder vlammend in den nacht,
En hun flikkering van zwart en bloedrood en geel licht werpende
over de daken der huizen en omlaag in de
straatspleten.
3.
Wat is de som der tientallen en honderdtallen jaren, die ons
scheiden?
Wat het zij, het geldt niet, afstand noch tijd geldt.
Ook ik leefde eens, het Brooklyn der breede heuvelen was
mijn Brooklyn,
Ook ik liep in de straten van Manhattan-eiland en baadde in
de wateren die het omspoelen,
Ook ik voelde die vreemde plotselinge vragen mijn binnenste
bewegen,
Op den dag midden in de menigte kwamen zij in mij op,
Als ik in den laten nacht huiswaarts ging, of in bed, kwamen
zij in mij op,
Ook ik dobberde in den stroom der eeuwig onopgeloste
raadselen,
Ook ik had de identiteit mijns lijfs ontvangen,
Wat ik was wist ik was mijns lijfs en wat ik zou worden wist
ik, zou ik worden door het lijf.
4.
Niet enkel over U vallen schaduwen,
Over mij ook zijn schaduwen gegaan,
Het beste wat ik gedaan had leek mij ijdel en verdacht,
Waren mijne gedachten die ik zoo verheven waande niet in
waarheid zeer onbeduidend?
Evenmin zijt gij 't alleen die weet wat het is slecht te zijn,
Ook ik wist, wat het is slecht te zijn,
Ook ik verwarde mij in den eeuwigen knoop van tegenstrijdigheid,
Leuterde, gevoelde schaamte, berouw, wangunst, ik loog
en stal,
Was valsch, toornig, geil, had begeerten die ik zelfs niet
durfde uitspreken,
Was grillig, ijdel, gulzig, bekrompen, sluw, lafhartig, boosaardig,
De wolf, de slang,
het zwijn leefden in mij,
De steelsche blik, het ijdele woord, de overspelige wensch
leefde in mij,
Weigering, haat, uitstel, laagheid, luiheid, dit alles ontbrak
mij niet,
Ik was een met de anderen, was een met het leven en de
gebeurlijkheid van anderen,
Ik werd bij mijn streelnaam toegeroepen door heldere, luide
stemmen van jonge mannen als zij mij zagen naderen
of
voorbijgaan,
Voelde hun arm om mijn nek als ik stond, of het achteloos
leunen van hun lichaam tegen het mijne als ik
zat,
Zag velen die ik liefhad in de straten of op de veerbooten of
in openbare bijeenkomsten en sprak hun toch met
geen
woord van die liefde,
Leefde hetzelfde leven der anderen, hetzelfde oude, lachende,
knagende, slapende leven,
Speelde de rol die altijd den speler of de speelster zal blijven
nastaren,
Altijd dezelfde oude rol, de rol die is wat wij er van maken,
zoo groot als wij wenschen,
Of zoo klein als wij wenschen, of beiden groot en klein
tegelijk.
5.
O, wat kan mij ooit luistervoller en schooner zijn dan het
mastomboorde Manhattan?
Rivier en zonsondergang en geschulpte golven van den vloedstroom?
De zeemeeuwen en hunne wiegelende lichamen, het hooischip
in den schemer en den lichter in den
nacht?
Wat zijn heerlijker goden dan die mij de hand drukken en mij
met stemmen, lieflijk voor mijne ooren, luide en
krachtig
bij mijn streelnaam toeroepen als ik
voorbijga?