WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 11: UIT: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.


door te gaan,

Gij zult U niet storen aan de ironische glimlachen en den spot

van hen die achterblijven,

Welke liefdewenken gij ook ontvangt, gij moogt enkel antwoorden

met hartstochtelijke kussen van afscheid,

Gij zult niet veroorloven, dat zij die de armen naar U uitstrekken

U vasthouden.



11.


Alles wijkt terug van den voortgang der zielen,

Alle godsdienstvormen, alle tastbare dingen, kunsten, regeeringen—al

wat op deze of welke wereld ook zichtbaar was

of is trekt zich terug in nissen en gewelven voor de zielenprocessie

langs de verheven wegen des Heelals.


Den voortgang der zielen van mannen en vrouwen langs de

verheven wegen des Heelals is alle andere voortgang enkel

toevoegsel en steun.


Eeuwig leven, eeuwig voorwaarts,

Statig, plechtig, droef, terughoudend, bespot, woedend, onstuimig,

zwak, onvoldaan,

Wanhopig, trotsch, teeder, ziek, erkend door menschen, verloochend

door menschen,

Zij gaan! Zij gaan! Ik weet dat zij gaan, maar ik weet niet

waarheen zij gaan,

Toch weet ik dat zij heenwaarts gaan naar het beste—heenwaarts

naar iets verhevens.


Wie gij ook zijt, kom mee! Man of vrouw kom mee!

Gij moet daar niet staan druilen of leuteren in uw huis,

ofschoon gij het U bouwdet of het voor U gebouwd is.


Weg uit den duisteren schuilhoek! Weg van achter het schut!

Uwe maren zijn vergeefs, ik weet alles en openbaar alles.


Zie door U heen, gij zijt zoo krank als de anderen,

Zie door het lachen, het dansen, het feestvieren der menschen

heen,

Zie onder hun kleed en sieraden, zie onder hunne gewasschen,

propere gezichten,

Zie dan een geheime, stille walging en wanhoop.

Geen echtgenoot, geen vrouw, geen vriend vertrouwd genoeg

om de belijdenis te ontvangen,

Als een ander Ik, een dubbelganger van ieder, gaat het

schuilend en angstig door het leven,

Vormloos en woordeloos gaat het door de straten der stad,

beschaafd en lief in de salons,

In spoorwagens, op stoombooten, in openbare bijeenkomsten,

Thuis in de woningen van mannen en vrouwen, aan tafel, in

het slaapvertrek, overal,

Keurig versierd, beleefd-glimlachend, recht van houding: dood

in het hart, verdoemenis in het hoofd,

Onder laken en handschoenen, onder linten en bloemen,

Gebruiken nauwkeurig volgende, met geen syllabe sprekende

over zich-zelf,

Sprekende van alle andere dingen ter wereld, maar nooit over

zich-zelf.



12.


Allons! door gevechten en door strijden!

Het doel dat wij ons gesteld hebben kan niet worden ontgaan.


Was het einde van vroeger strijden overwinning?

Wat heeft overwonnen? Gij-zelf? Uw volk? de Natuur?

Welaan, versta mij goed—de Voorzienigheid heeft in het

wezen der dingen de eeuwige wet gelegd, dat uit het genot

zelf der overwinning, 't hindert niet wat zij geldt, iets groeit,

dat een moeilijker strijd noodzakelijk maakt.


Mijn roep is de roep ten strijde, ik kweek feitelijke rebellie,

Hij die met mij gaat moet wel gewapend gaan,

Hij die met mij gaat zal dikwijls karig voedsel, armoede, boosaardige

vijanden, verlatenheid vinden.



13.


Allons! De heirweg ligt voor ons open!

Hij is veilig—ik heb hem beproefd—mijn eigen voeten

hebben hem lang en vaak betreden—blijf niet achter!

Laat het papier liggen op de lessenaar onbeschreven en het

boek op de plank ongeopend!

Laat de gereedschappen liggen in de werkplaats! laat het

geld ongeïnd!

Laat de school voor wat zij is! Stoor U niet aan het geroep

des onderwijzers!

Laat den prediker prediken in zijn preekstoel! laat den

advocaat pleiten in het Hof en den rechter de wet verklaren.


Camerado, ik geef U mijn hand!

Ik geef U mijn liefde oneindig kostelijker dan geld,

Ik geef U mij-zelf buiten preek of wet om;

Wilt gij U-zelf aan mij geven? Wilt gij de reis met mij

maken?

Zullen wij te zamen en elkaar trouw blijven heel ons leven

lang?





UIT: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT




1.


Vloedstroom daar omlaag! Ik zie U van aangezicht tot aangezicht!

Wolken ten Westerhemel—gij daar, zon, ter halfuurshoogte—ook

U zie ik van aangezicht tot aangezicht.


Menigten mannen en vrouwen in uw dagelijksch kleed, hoe

belangwekkend vind ik U!

De honderden en honderden die op de veerbooten naar

Brooklyn oversteken om huiswaarts te keeren vind ik belangwekkender

dan zij kunnen denken,

En gij allen die van oever tot oever zult oversteken in volgende

tijden, gij zijt mij meer, gij hebt grooter deel in mijn

gepeins dan gij kunt denken.



2.


Tijd noch plaats doet zich gelden—afstand geldt niet,

Ik ben met U, gij mannen en vrouwen van de volgende generatie

of van alle volgende generatiën,

Juist wat gij gevoelt wanneer gij rivier en hemel gadeslaat,

gevoelde ik,

Juist zooals ieder uwer een mensch in een menigte menschen

is, was ik een mensch in een menigte menschen,

Juist zooals gij U verkwikt gevoelt door het blijde leven van

de rivier en den schittervloed, gevoelde ik mij verkwikt,

Juist zooals gij staat te leunen over de borstwering en toch

voortsnelt met den haastigen vloed, stond ik en snelde

voort,

Juist zooals gij ziet naar de tallooze scheepsmasten en de

dikstammige schoorsteenen der booten, zag ik.

Ook ik menig en menig keer stak de aloude rivier over,

Sloeg de Twaalfde-maands zeemeeuwen gade, zag hen hoog

in de lucht drijven met beweginglooze vleugelen en wiegelende

lichamen,

Zag hoe het glinstergeel lichtte op een deel hunner lichamen,

terwijl het overige in zwarte schaduw bleef,

Zag ze in langzaam beschreven cirkels zachtkens in het

Zuiden dalen,

Zag den weerschijn van zomerlicht in het water,

Werd verblind soms door den glinsterenden zonnestroom,

Keek naar de fijn uitsprankelende lichtspaken om de weerspiegeling

van mijn hoofd in het zonneweerkaatsende water,

Keek naar den nevel over den rug der heuvels Zuidwaarts en

Zuidwestwaarts,

Keek naar den stoomdamp in dikke violetgetinte vachten

heendrijvende,

Keek in de richting van den beneden-baaij om de aankomst

der schepen te zien,

Zag ze naderen, zag aan boord hen die mij na waren,

Zag de witte zeilen der schoeners, zag de sloepen, zag de

schepen voor anker,

De matrozen aan hun werk in het want of schrijlings op de

sparren,

De ronde masten, de schommelende beweging van de kielen,

de ranke, kronkelende wimpels,

De groote en kleine stoomers in vaart, de loodsen en de

loodshuizen,

Het witte zog in de vaart achtergelaten, de snelle, sidderende

wenteling der raderen,

De vlaggen aller natiën en hoe zij bij zonsondergang gestreken

werden,

De uitgeschulpte golven in den schemer, het scheppen der

raderborden, het dartelende, glinsterende gekuif,

Het verre verschiet dat steeds neveliger werd, de grauwe

muren van de steenen pakhuizen der dokken,

Op de rivier het schemerachtig beweeg, de zware stoomsleepers

dicht naast elkaar aan weerskanten bij de sloepen,

de hooischepen, de door den nacht verraste lichters,

Aan den naderenden oever de vuren der gieterij-schoorsteenen

hoog op en helder vlammend in den nacht,

En hun flikkering van zwart en bloedrood en geel licht werpende

over de daken der huizen en omlaag in de straatspleten.



3.


Wat is de som der tientallen en honderdtallen jaren, die ons

scheiden?


Wat het zij, het geldt niet, afstand noch tijd geldt.

Ook ik leefde eens, het Brooklyn der breede heuvelen was

mijn Brooklyn,

Ook ik liep in de straten van Manhattan-eiland en baadde in

de wateren die het omspoelen,

Ook ik voelde die vreemde plotselinge vragen mijn binnenste

bewegen,

Op den dag midden in de menigte kwamen zij in mij op,

Als ik in den laten nacht huiswaarts ging, of in bed, kwamen

zij in mij op,

Ook ik dobberde in den stroom der eeuwig onopgeloste

raadselen,

Ook ik had de identiteit mijns lijfs ontvangen,

Wat ik was wist ik was mijns lijfs en wat ik zou worden wist

ik, zou ik worden door het lijf.



4.


Niet enkel over U vallen schaduwen,

Over mij ook zijn schaduwen gegaan,

Het beste wat ik gedaan had leek mij ijdel en verdacht,

Waren mijne gedachten die ik zoo verheven waande niet in

waarheid zeer onbeduidend?

Evenmin zijt gij 't alleen die weet wat het is slecht te zijn,

Ook ik wist, wat het is slecht te zijn,

Ook ik verwarde mij in den eeuwigen knoop van tegenstrijdigheid,

Leuterde, gevoelde schaamte, berouw, wangunst, ik loog

en stal,

Was valsch, toornig, geil, had begeerten die ik zelfs niet

durfde uitspreken,

Was grillig, ijdel, gulzig, bekrompen, sluw, lafhartig, boosaardig,

De wolf, de slang, het zwijn leefden in mij,

De steelsche blik, het ijdele woord, de overspelige wensch

leefde in mij,

Weigering, haat, uitstel, laagheid, luiheid, dit alles ontbrak

mij niet,

Ik was een met de anderen, was een met het leven en de

gebeurlijkheid van anderen,

Ik werd bij mijn streelnaam toegeroepen door heldere, luide

stemmen van jonge mannen als zij mij zagen naderen of

voorbijgaan,

Voelde hun arm om mijn nek als ik stond, of het achteloos

leunen van hun lichaam tegen het mijne als ik zat,

Zag velen die ik liefhad in de straten of op de veerbooten of

in openbare bijeenkomsten en sprak hun toch met geen

woord van die liefde,

Leefde hetzelfde leven der anderen, hetzelfde oude, lachende,

knagende, slapende leven,

Speelde de rol die altijd den speler of de speelster zal blijven

nastaren,

Altijd dezelfde oude rol, de rol die is wat wij er van maken,

zoo groot als wij wenschen,

Of zoo klein als wij wenschen, of beiden groot en klein

tegelijk.



5.


O, wat kan mij ooit luistervoller en schooner zijn dan het

mastomboorde Manhattan?

Rivier en zonsondergang en geschulpte golven van den vloedstroom?

De zeemeeuwen en hunne wiegelende lichamen, het hooischip

in den schemer en den lichter in den nacht?

Wat zijn heerlijker goden dan die mij de hand drukken en mij

met stemmen, lieflijk voor mijne ooren, luide en krachtig

bij mijn streelnaam toeroepen als ik voorbijga?