Wat is teerder dan wat mij verbindt aan de vrouw of den
man die mij nu aanziet?
En mij nu met U vereenigt en mijn ziel in de uwe doet leven?
Want wij begrijpen elkander, doen we niet?
Wat ik U beloofde zonder het te noemen, hebt gij dat niet
aanvaard?
Wat de geleerdheid
niet kan onderwijzen—wat het sermoen
niet kan vervullen, is nu vervuld, niet
waar?
6.
Stroom voort, rivier! Zwel aan met den vloed, neem af met de
ebbe!
Dartelt voort, gekuifde en geschulpte golven!
Heerlijke wolken van zonsondergang! doordringt mij van uw
pracht, of de mannen en vrouwen van alle
volgende
generatiën!
Steekt over van oever tot oever, ontelbare menigten passagiers!
Verheft U, hooge masten van Manhattan! Verheft U, schoone
heuvelen van Brooklyn!
Klop, bedrogen en wonderlijk brein! Werp uw vragen en antwoorden
uit!
Sleurt hier en overal met U voort, stroom van eeuwig onopgeloste
raadselen,
Staart oogen van dorstende liefde, staart in huis of op straat
of in de openbare bijeenkomst!
Klinkt op, stemmen van jonge mannen! roept mij luide en
welklinkend bij mijn speelnaam!
Leef, oud leven! Speel de rol die hem of haar die speelt
eeuwig achterna staart,
Speel de oude rol, de rol die groot is of klein, naar men
haar maken wil.
Bedenk wel, gij die mij leest, of ik U niet onzichtbaar aanzie;
Zij sterk, borstwering boven het water, steun hen die achteloos
tegen U aanleunen en zich toch met den
stroom
meehaasten;
Vliegt voort, zeevogels! Vliegt op uwe zijde of wentelt in
wijde cirkels hoog in de lucht;
Weerkaats den zomerhemel, gij water en bewaart hem tot
aller neerziende oogen tijd hebben gehad U te
zien,
Sprankelt uit fijne zonnelichtspaken om de weerspiegeling in
het zonbeschenen water van mijn hoofd of ieders
hoofd!
Nadert schepen in den beneden-baaij! Vaart op en af witbezeilde
schoeners, sleepen, lichters!
Praalt uit, aller natiën vlaggen! Wordt naar behooren gestreken
bij zonsondergang!
Brandt uwe vuren
hoog op, gij gieterij-schoorsteenen! Werpt
zwarte schaduwen in het vallen van den avond, werpt
rood
en geel licht over de daken der huizen!
Verschijnselen bewijst nu of in de toekomst wat gij zijt,
Gij noodzakelijke nevel omhul de ziel,
Voor mij om mijn lijf, voor U om uw lijf, geuren de goddelijkste
aroma's,
Gedijt steden—brengt uwe ladingen, brengt uwe fiere
schouwspelen, breede en genoegzame
wateren,
Bloei op, Wezen dat misschien meer ziel heeft dan al wat leeft,
Behoudt uwe plaatsen, dingen, duurzamer dan al het andere.
Gij hebt gewacht, gij wacht altijd, stomme heerlijke getuigers,
Wij nemen U gretig in ons op en toch blijven wij steeds
onverzadigd,
Zoo abel zijt gij niet, dat gij ons kunt teleurstellen of U-zelven
buiten ons bereik houden,
Wij nemen U in ons op en verwerpen U niet—wij bevestigen
U voor altijd in ons hart,
Wij vademen U niet—wij hebben U lief—ook in U is volmaaktheid,
Gij zijt ook een deel der eeuwigheid,
Groot of klein, gij zijt een deel van de ziel.
UIT: LIED VAN DE BREEDE BIJL
Kracht, beleid en moed, dat is het hoogste!
Wat het leven sterkt, sterkt tevens den dood,
En de dooden zijn in de processie des levens even goed als
de levenden zelf,
En de zekerheid der toekomst staat even rotsvast als die
van het heden,
Want de teelkracht der aarde en der menschheid is hetzelfde
als de ziel der aarde en der menschheid,
En niets is blijvender dan de kracht die een man stempelt
tot man.
Wat, denkt gij, is blijvend?
Denkt gij, dat een groote stad blijvend is?
Of een staat, waarin de nijverheid bloeit? Of een weldoorwrochte
constitutie? of de best-gebouwde
stoomschepen?
Of huizen van graniet en ijzer? Of chef-d'oeuvres van werktuigkunde,
vestingbouw, verdediging?
Weg er mede! Dit alles leeft geen eigen leven, dat tot liefhebben
bezielt.
O zeker, zij vervullen hun uur, alzoo ook dansen de dansers
en pijpen de pijpers voor hen,
Hun schoonheid gaat voorbij, zij doen wat zij moeten doen,
Dit alles doet wat het moet doen tot het door een enkel
woord der Godheid in het namelooze wordt
weggeslingerd.
Dàt is de groote stad die de verhevenste mannen en vrouwen
bezit,
Misschien bestaat zij uit wat vervallen hutten, toch is zij de
grootste stad van heel de wereld.
Een groote stad is niet allereerst de plaats van groote werven,
dokken, fabrieken, opslagen,
Noch de plaats van
den altijd-vernieuwden groet van baren
of van hen die het anker lichten voor het
vertrek,
Noch de plaats van de hoogste en kostbaarste gebouwen of
winkels waarin goederen van heel de aarde worden
verkocht,
Noch de plaats waar de beste bibliotheken en scholen te
vinden zijn, noch de plaats waar geld 't
overvloedigst is,
Noch de plaats met de talrijkste bevolking.
De stad van redenaars en barden, die in natuur en arbeid
ziel en lichaam gestaald hebben,
De stad die dezen liefheeft en verstaat en door dezen wederkeerig
wordt geliefd,
Waar de nagedachtenis der helden wordt gehuldigd door het
gewone woord en de gewone daad en niet door
monumenten
op de pleinen,
Waar geestdrift en beleid ieder zijn tijd en gelegenheid
vindt,
Waar de mannen en vrouwen lichtelijk denken over geschreven
wetten,
Waar niemand een slaaf is en niemand een meester van
slaven,
Waar de bevolking als een man op staat tegen de onbeperkte
vermetelheid van lieden die enkel kracht
vinden
in den volkswil.
Waar mannen en vrouwen wild van verontwaardiging opstorten,
zooals, op 't gefluit van den dood, de zee
zwiepende
en rijtende baren opstort,
Waar de achtbaarheid van het kleed altijd achterstaat bij de
achtbaarheid van het hart,
Waar de burger steeds hoofd en ideaal is, en de President,
Mayor, gouverneur, en wie meer, betaalde
dienaren,
Waar den kinderen wordt onderwezen, dat zij de hoogste
wetten in de ziel vinden en naar dezen behooren te
leven,
Waar in handel en wandel een volkomen eerlijkheid wordt
toegepast,
Waar de bespiegeling van het ongeziene wordt aangemoedigd,
Waar vrouwen in optochten door de straten trekken naast
de mannen,
Waar zij in
openbare bijeenkomsten plaats nemen naast de
mannen;
De stad van de trouwste vrienden, De Stad!
De stad van het reine omgaan der seksen, De Stad!
De stad van de gezondste vaders, De Stad!
De stad van de best-belichaamde moeders, De Stad!,
Dàt is de groote stad, dàt is De Stad!
UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED
1.
(Ach, weinig bevroedt de arbeider,
Hoe na zijn arbeid hem brengt tot God,
Den liefdevollen arbeider van het Al en het Eeuwig).
Niet enkel om uit het niet op te roepen, noch enkel om te
stichten,
Maar wellicht om aan het verre te ontleenen wat reeds goed
gesticht is,
En om er dan uw eigen karakter aan te geven, bezield en vrij,
Om van de ruwe en trage oerkrachten der natuur brandstoffen
te maken voor het levensvuur der
religie,
Om minder af te wijzen en te vernietigen dan te aanvaarden,
te vereenigen, te verheffen,
Om te gehoorzamen zoo goed als te bevelen, meer te volgen
dan voor te gaan,
Ook dit alles leert ten slotte onze nieuwe wereld ons,
De nieuwe wereld, maar hoe weinig nieuw inderdaad, hoezeer
de oude, oude wereld!
Lang, zeer lang groeide het gras,
Lang, zeer lang daalde de regen neder,
Lang, zeer lang rolde de aardkloot om zijn as.
2.
Kom, Muze, keer Griekenland en Ionië den rug toe,
Sla het boek dier onmetelijk overschatte gloriën dicht,
Dat verhaal van Troye en van Achilles' toorn en van Aeneas',
Odysseus' zwerftochten,
Schrijf "Verhuisd" en "Te huur" op de rotsen van uw
sneeuwbekruinden Parnassus,
Doe dit ook te Jeruzalem, stel die kennisgeving hoog op de
poorten van Jaffa, en op den Moriah-berg,
En hoog op de muren van uwe Duitsche, Fransche en Spaansche
burgten, uwe Italiaansche paleizen,
Want een beter, vruchtbaarder, wijder levenskring, een onafzienbaar,
ongeploegd arbeidsveld wacht en roept U.
3.
Zij hoort en geeft aan onze roepstem gehoor,
Of liever, zij volgt haar langgekoesterd begeeren,
Zij komt door onweerstaanbare natuurlijke neiging gedreven!
Ik hoor het ruischen van haar gewaad,
Ik neem de ziel in mij op van haars adems lieflijken geur,
Ik zie haar godinne-tred, haar wonderbaar oogenbeweeg,
Als zij ommegaat en dit heerlijke schouwspel in 't rond ziet.
Zij, de edelvrouw der edelvrouwen! Kan ik dan gelooven
wat ik zie?
Kon geen dier antieke tempels, geen dier klassieke beeldgehouwen
haar langer bekoren?
Konden de schimmen van Vergilius en Dante, noch de
myriaden heldenfamen, heldendichten, heldendaden
haar
langer bezielen en boeien?
Heeft zij allen verlaten om tot ons te komen?
Ja, indien het niet te stout een beweren is, vrienden,
Ik, zoo gij haar nog in het verleden waant, ik zie haar in
het heden en in ons midden;
Vindt zij in ons heden niet alles wat haar het verleden
schonk en beter nog?
Vindt zij ook niet hier de onsterflijke ziel der aarde en de
bezielende kracht van de daad, van de schoonheid,
van
den heldenmoed?
Wat haar vroeger bekoorde leeft niet meer, wat haar vroeger
bezielde bezielt haar niet meer,
De heldendaden van het heden en de scheppingen van het
heden doen die van 't verleden vergeten,
Niet meer klinkt haar stem, verstorven in de tijden, aan de
bronnen van Castalië,
Zwijgend zijn de gebroken lippen der Egyptische sphinxen,
zwijgend al die pyramiden-graven die den tijd
trotseerden,
Voor altijd uit:
het epos van Azië's en Europa's gehelmde
krijgers, de wilde roep der muzen
zwijgt,
Zwijgt! Voor altijd de roepstem van Calliope! Dood! Clio,
Melpomene, Thalia!
Stil nu, de plechtige rhytmen van Una en Oriana, niemand
nu zoekt meer den Heiligen Graal,
Jeruzalem, een handvol koude asch in de winden geworpen,
De middernacht-duistere heiren der kruisvaarders verdwenen
voor het licht van den morgenstond,
Amadis, Tancred namen slechts, Charlemagne, Roelant,
Olivier namen slechts,
Palmerijn en de bietebouw vergeten, verdwenen het torengespiegel
in de wateren der Usk,
Dood koning Arthur en zijne ridders, Merlijn en Lancelot en