WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 13: UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.


Wat is teerder dan wat mij verbindt aan de vrouw of den

man die mij nu aanziet?

En mij nu met U vereenigt en mijn ziel in de uwe doet leven?


Want wij begrijpen elkander, doen we niet?

Wat ik U beloofde zonder het te noemen, hebt gij dat niet

aanvaard?

Wat de geleerdheid niet kan onderwijzen—wat het sermoen

niet kan vervullen, is nu vervuld, niet waar?



6.


Stroom voort, rivier! Zwel aan met den vloed, neem af met de

ebbe!

Dartelt voort, gekuifde en geschulpte golven!

Heerlijke wolken van zonsondergang! doordringt mij van uw

pracht, of de mannen en vrouwen van alle volgende

generatiën!

Steekt over van oever tot oever, ontelbare menigten passagiers!

Verheft U, hooge masten van Manhattan! Verheft U, schoone

heuvelen van Brooklyn!

Klop, bedrogen en wonderlijk brein! Werp uw vragen en antwoorden

uit!

Sleurt hier en overal met U voort, stroom van eeuwig onopgeloste

raadselen,

Staart oogen van dorstende liefde, staart in huis of op straat

of in de openbare bijeenkomst!

Klinkt op, stemmen van jonge mannen! roept mij luide en

welklinkend bij mijn speelnaam!

Leef, oud leven! Speel de rol die hem of haar die speelt

eeuwig achterna staart,

Speel de oude rol, de rol die groot is of klein, naar men

haar maken wil.

Bedenk wel, gij die mij leest, of ik U niet onzichtbaar aanzie;

Zij sterk, borstwering boven het water, steun hen die achteloos

tegen U aanleunen en zich toch met den stroom

meehaasten;

Vliegt voort, zeevogels! Vliegt op uwe zijde of wentelt in

wijde cirkels hoog in de lucht;

Weerkaats den zomerhemel, gij water en bewaart hem tot

aller neerziende oogen tijd hebben gehad U te zien,

Sprankelt uit fijne zonnelichtspaken om de weerspiegeling in

het zonbeschenen water van mijn hoofd of ieders hoofd!

Nadert schepen in den beneden-baaij! Vaart op en af witbezeilde

schoeners, sleepen, lichters!

Praalt uit, aller natiën vlaggen! Wordt naar behooren gestreken

bij zonsondergang!

Brandt uwe vuren hoog op, gij gieterij-schoorsteenen! Werpt

zwarte schaduwen in het vallen van den avond, werpt rood

en geel licht over de daken der huizen!

Verschijnselen bewijst nu of in de toekomst wat gij zijt,

Gij noodzakelijke nevel omhul de ziel,

Voor mij om mijn lijf, voor U om uw lijf, geuren de goddelijkste

aroma's,

Gedijt steden—brengt uwe ladingen, brengt uwe fiere

schouwspelen, breede en genoegzame wateren,

Bloei op, Wezen dat misschien meer ziel heeft dan al wat leeft,

Behoudt uwe plaatsen, dingen, duurzamer dan al het andere.


Gij hebt gewacht, gij wacht altijd, stomme heerlijke getuigers,

Wij nemen U gretig in ons op en toch blijven wij steeds

onverzadigd,

Zoo abel zijt gij niet, dat gij ons kunt teleurstellen of U-zelven

buiten ons bereik houden,

Wij nemen U in ons op en verwerpen U niet—wij bevestigen

U voor altijd in ons hart,

Wij vademen U niet—wij hebben U lief—ook in U is volmaaktheid,

Gij zijt ook een deel der eeuwigheid,

Groot of klein, gij zijt een deel van de ziel.





UIT: LIED VAN DE BREEDE BIJL




Kracht, beleid en moed, dat is het hoogste!

Wat het leven sterkt, sterkt tevens den dood,

En de dooden zijn in de processie des levens even goed als

de levenden zelf,

En de zekerheid der toekomst staat even rotsvast als die

van het heden,

Want de teelkracht der aarde en der menschheid is hetzelfde

als de ziel der aarde en der menschheid,

En niets is blijvender dan de kracht die een man stempelt

tot man.


Wat, denkt gij, is blijvend?

Denkt gij, dat een groote stad blijvend is?

Of een staat, waarin de nijverheid bloeit? Of een weldoorwrochte

constitutie? of de best-gebouwde stoomschepen?

Of huizen van graniet en ijzer? Of chef-d'oeuvres van werktuigkunde,

vestingbouw, verdediging?


Weg er mede! Dit alles leeft geen eigen leven, dat tot liefhebben

bezielt.

O zeker, zij vervullen hun uur, alzoo ook dansen de dansers

en pijpen de pijpers voor hen,

Hun schoonheid gaat voorbij, zij doen wat zij moeten doen,

Dit alles doet wat het moet doen tot het door een enkel

woord der Godheid in het namelooze wordt weggeslingerd.


Dàt is de groote stad die de verhevenste mannen en vrouwen

bezit,

Misschien bestaat zij uit wat vervallen hutten, toch is zij de

grootste stad van heel de wereld.


Een groote stad is niet allereerst de plaats van groote werven,

dokken, fabrieken, opslagen,

Noch de plaats van den altijd-vernieuwden groet van baren

of van hen die het anker lichten voor het vertrek,

Noch de plaats van de hoogste en kostbaarste gebouwen of

winkels waarin goederen van heel de aarde worden verkocht,

Noch de plaats waar de beste bibliotheken en scholen te

vinden zijn, noch de plaats waar geld 't overvloedigst is,

Noch de plaats met de talrijkste bevolking.


De stad van redenaars en barden, die in natuur en arbeid

ziel en lichaam gestaald hebben,

De stad die dezen liefheeft en verstaat en door dezen wederkeerig

wordt geliefd,

Waar de nagedachtenis der helden wordt gehuldigd door het

gewone woord en de gewone daad en niet door monumenten

op de pleinen,

Waar geestdrift en beleid ieder zijn tijd en gelegenheid

vindt,

Waar de mannen en vrouwen lichtelijk denken over geschreven

wetten,

Waar niemand een slaaf is en niemand een meester van

slaven,

Waar de bevolking als een man op staat tegen de onbeperkte

vermetelheid van lieden die enkel kracht vinden

in den volkswil.

Waar mannen en vrouwen wild van verontwaardiging opstorten,

zooals, op 't gefluit van den dood, de zee zwiepende

en rijtende baren opstort,

Waar de achtbaarheid van het kleed altijd achterstaat bij de

achtbaarheid van het hart,

Waar de burger steeds hoofd en ideaal is, en de President,

Mayor, gouverneur, en wie meer, betaalde dienaren,

Waar den kinderen wordt onderwezen, dat zij de hoogste

wetten in de ziel vinden en naar dezen behooren te leven,

Waar in handel en wandel een volkomen eerlijkheid wordt

toegepast,

Waar de bespiegeling van het ongeziene wordt aangemoedigd,

Waar vrouwen in optochten door de straten trekken naast

de mannen,

Waar zij in openbare bijeenkomsten plaats nemen naast de

mannen;

De stad van de trouwste vrienden, De Stad!

De stad van het reine omgaan der seksen, De Stad!

De stad van de gezondste vaders, De Stad!

De stad van de best-belichaamde moeders, De Stad!,

Dàt is de groote stad, dàt is De Stad!





UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED




1.


(Ach, weinig bevroedt de arbeider,

Hoe na zijn arbeid hem brengt tot God,

Den liefdevollen arbeider van het Al en het Eeuwig).


Niet enkel om uit het niet op te roepen, noch enkel om te

stichten,

Maar wellicht om aan het verre te ontleenen wat reeds goed

gesticht is,

En om er dan uw eigen karakter aan te geven, bezield en vrij,

Om van de ruwe en trage oerkrachten der natuur brandstoffen

te maken voor het levensvuur der religie,

Om minder af te wijzen en te vernietigen dan te aanvaarden,

te vereenigen, te verheffen,

Om te gehoorzamen zoo goed als te bevelen, meer te volgen

dan voor te gaan,

Ook dit alles leert ten slotte onze nieuwe wereld ons,

De nieuwe wereld, maar hoe weinig nieuw inderdaad, hoezeer

de oude, oude wereld!


Lang, zeer lang groeide het gras,

Lang, zeer lang daalde de regen neder,

Lang, zeer lang rolde de aardkloot om zijn as.



2.


Kom, Muze, keer Griekenland en Ionië den rug toe,

Sla het boek dier onmetelijk overschatte gloriën dicht,

Dat verhaal van Troye en van Achilles' toorn en van Aeneas',

Odysseus' zwerftochten,

Schrijf "Verhuisd" en "Te huur" op de rotsen van uw

sneeuwbekruinden Parnassus,

Doe dit ook te Jeruzalem, stel die kennisgeving hoog op de

poorten van Jaffa, en op den Moriah-berg,

En hoog op de muren van uwe Duitsche, Fransche en Spaansche

burgten, uwe Italiaansche paleizen,

Want een beter, vruchtbaarder, wijder levenskring, een onafzienbaar,

ongeploegd arbeidsveld wacht en roept U.



3.


Zij hoort en geeft aan onze roepstem gehoor,

Of liever, zij volgt haar langgekoesterd begeeren,

Zij komt door onweerstaanbare natuurlijke neiging gedreven!

Ik hoor het ruischen van haar gewaad,

Ik neem de ziel in mij op van haars adems lieflijken geur,

Ik zie haar godinne-tred, haar wonderbaar oogenbeweeg,

Als zij ommegaat en dit heerlijke schouwspel in 't rond ziet.


Zij, de edelvrouw der edelvrouwen! Kan ik dan gelooven

wat ik zie?

Kon geen dier antieke tempels, geen dier klassieke beeldgehouwen

haar langer bekoren?

Konden de schimmen van Vergilius en Dante, noch de

myriaden heldenfamen, heldendichten, heldendaden haar

langer bezielen en boeien?

Heeft zij allen verlaten om tot ons te komen?


Ja, indien het niet te stout een beweren is, vrienden,

Ik, zoo gij haar nog in het verleden waant, ik zie haar in

het heden en in ons midden;

Vindt zij in ons heden niet alles wat haar het verleden

schonk en beter nog?

Vindt zij ook niet hier de onsterflijke ziel der aarde en de

bezielende kracht van de daad, van de schoonheid, van

den heldenmoed?

Wat haar vroeger bekoorde leeft niet meer, wat haar vroeger

bezielde bezielt haar niet meer,

De heldendaden van het heden en de scheppingen van het

heden doen die van 't verleden vergeten,

Niet meer klinkt haar stem, verstorven in de tijden, aan de

bronnen van Castalië,

Zwijgend zijn de gebroken lippen der Egyptische sphinxen,

zwijgend al die pyramiden-graven die den tijd trotseerden,

Voor altijd uit: het epos van Azië's en Europa's gehelmde

krijgers, de wilde roep der muzen zwijgt,

Zwijgt! Voor altijd de roepstem van Calliope! Dood! Clio,

Melpomene, Thalia!

Stil nu, de plechtige rhytmen van Una en Oriana, niemand

nu zoekt meer den Heiligen Graal,

Jeruzalem, een handvol koude asch in de winden geworpen,

De middernacht-duistere heiren der kruisvaarders verdwenen

voor het licht van den morgenstond,

Amadis, Tancred namen slechts, Charlemagne, Roelant,

Olivier namen slechts,

Palmerijn en de bietebouw vergeten, verdwenen het torengespiegel

in de wateren der Usk,

Dood koning Arthur en zijne ridders, Merlijn en Lancelot en