WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 14: UIT: EEN LIED VOOR DEN ARBEID
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.

Galahad heengegaan, weggetrokken allen als de ademwas

op glimmend staal,

Dood! Dood! Voor ons en voor alle tijden dood, die eenmaal

zoo machtige wereld, die nu ledige, onbezielde schimmenwereld,

Die gulden, verblindende wonderwereld met al hare heerlijke

legenden en mythen,

Hare koningen en fiere kasteelen, hare priesters en strijdvaardige

ridders en schoone riddervrouwen,

Dood, de lijken in de wade, in de rusting, gedekt door de

kroon, bijgezet in het knekelgewelf.

Toen, in zijn koninklijke dicht, schalde Shakespeare hun

dood uit met de klaroen der eeuwen,

En heeft Tennyson's liefelijk, droevig rijm den lijkzang gezongen.


Ik zeg, vrienden, ik, zooal gij niet, zie de verheven zoekster,

('t is waar, hoewel altijd dezelfde, sinds dien veel veranderd

op haar reis door eeuwen en landen,)

En, bezield als ooit, streeft zij er naar ons te vinden, met

kracht haar weg banende dwars door de warreling heen,

Niet afgeschrikt door het gegons der machines en de schrille

stoomfluit,

Vindt zij draineer-pijpen, gazometers en fertilisators niet beneden

haar aandacht,

Glimlachend, bekoord, blijkbaar besloten bij ons te blijven,

Daar is zij! onze moeder, onze vrouw, onze zuster, en bereidt

ons middagmaal!



4.


Maar hoe? Weet ik niet langer hoe 't behoort?

Ik leid de gast, O Columbia, uw huis binnen; (en wat anders

zou dan mijn levensdoel en dezer zangen doel zijn?)

In naam der vrijheid een onsterflijk Welkom! Laat ons

juichen dat Europa tot ons komt!

En in het altijd en eeuwig der toekomst zijt beiden mijne

lieve zusters, oude en nieuwe wereld.


Vrees niet, Muze! Een echt nieuw leven en een echte nieuwe

tijd ontvangen U en zullen U bezielen,

Ik beken u oprecht, mijn volk is een vreemd, een wonderlijk

volk, het doet zijn eigen nieuwe doen,

Toch vindt gij er dezelfde oude menschheid in, dezelfde van

binnen en van buiten,

Dezelfde gezichten en harten, hetzelfde gevoel, hetzelfde

smachten naar het onbereikbare,

Dezelfde oude liefde, oude schoonheid, hetzelfde oude leven.



5.


Zwijge dan de verheerlijking van den oorlog, zwijge dan

oorlog zelf,

Weg van mijn huiverend zien, en dat het nimmer terugkome,

dat veld vol zwart gebrande, verminkte lijken!

Die onbeschrijflijke hel met stroomen bloeds, waar ontketende

tijgers en wolven, wier tong uit den muil hangt, geen

denkende menschen zich in verlustigen,

En daarvoor: verheft U, strijd van denkende hoofden en

nijvere handen,

Komt met onversaagde legerscharen, machinenbouwers,

Kom met uwe vaandels, arbeid, laat hen dartelen op den

wind,

Laat luide en klaar uwe trompetten schallen.


Zwijge dan de oude roman!

Zwijge novelle, spijt en spel van hovelingen,

Zwijge het minnelied van suikerzoete rijmen, het lied dat

lusten en liefden van lediggangers bezingt,

Enkel geschikt om gezongen te worden bij het banketteeren

in den nacht, als de late dansers huppelen op de maat

van vroolijke klanken,

De ongezonde genoegens en buitensporige vermaken der

enkelen,

In geuren, gloed en wijn, onder het schitterlicht der kaarsen.


Voor U eerbiedwekkende, krachtige zusteren,

Verhef ik mijn stem om kunst en dichter te bezielen voor

onderwerpen die hunner waardiger zijn dan dezen.

Dat kunst en dichter het heden en de realiteit verheffen,

Dat de dichter niet voor enkelen zinge, maar voor den middelmaat-mensch

en diens roem van dagelijkschen wandel

en handel,

Dat hij in liederen roeme arbeid en het gistend leven, en hoe

dezen grootscher zijn dan alles,

Dat hij bezinge den handenarbeid van ieder en allen, het

ploegen, wieden en graven,

Het planten en kweeken van den boom, van den boomstruik,

het moesbed en de bloemen,

De dichter zegge, dat iedere man zijn grootsche taak in het

leven heeft en vervult en iedere vrouw tevens;

De dichter zegge: neem hamer en zaag ter hand en gevoel

U-zelf hoog,

Hij zinge het lied van den timmerman, den stuc-werker, den

schilder,

Het lied van den kleêrmaker en kleêrmaakster, van de

dienstmaagd, van den stalknecht en den portier,

En vooral prijze hij het vernuft, dat het wasschen, koken en

reinigen helpt door kleine uitvinding,

En vooral achte hij 't niet beneden zich-zelf de hand aan

den arbeid te leggen, welke ook.


Ik zeg: ik breng U, Muze, heden en hier,

Allen arbeid en allen plicht, verheven of gewoon,

Ik breng U het zwoegen, het gezonde zwoegen in het zweet,

het eindeloos zwoegen zonder rust,

Ik breng U de oude lasten van het werkzame leven en zijne

belangen en zijne vreugden,

Het huisgezin, de bloedverwantschap, kinderen, man en

vrouw,

De welvaart van het huis, het huis zelf en wat het huis

toebehoort,

Levensmiddelen en het conserveeren van levensmiddelen,

door de scheikunde geholpen,

En al wat den mensch sterk maakt, den gezonden man, de

gezonde vrouw, den volkomen lang levenden mensch,

Wat dien mensch in dit leven gezondheid en geluk schenkt en

zijn ziel loutert,

Voor het eeuwige toekomstige leven.


Dàn de jongste paringen der volken, hun arbeid, het onderling

verkeer der werelddeelen,

De stoomkracht, de sneltreinspoorwegen, gas en petroleum,

Al deze triomfen van onzen tijd: de kabels van den Atlantischen

Oceaan,

De Pacifiek-spoorwegen, het Suez-kanaal, de Mont-Cenis,

Gothard en Hoosac tunnels, de Brooklyn-brug,

Deze geheele aarde door ijzeren banden omspannen, met de

stoomvaartlijnen die als draden over de zeeën zijn getrokken,

Dezen wereldkloot in zijn tuimeling door het heelal breng

ik U.





UIT: EEN LIED VOOR DEN ARBEID




1.


Een lied voor den arbeid!

In den arbeid van machines en in den handarbeid en in den

arbeid op de velden vind ik de verklaring der godskrachten,

Vind ik de godskracht zelf.


Arbeiders en arbeidsters!

Indien alle geleerdheid en haar nut en haar fraai mij ontstraalde,

zou dat dan veel zijn?

Indien ik een geleerd professor, een liefdadig landheer, een

wijs staatsman ware, zou dat dan veel zijn?

Indien ik U was wat de patroon is die U in dienst neemt en

betaalt, zou U dat bevredigen?


De geleerde, de brave, de weldadige en dan nog dit: de

banaliteit,

Neem een man als ik: geleerd, braaf noch weldadig misschien,

maar de banaliteit verre.


Ik dienaar noch meester,

Ik verlang niet eerder het vele dan het weinige, wie ook

van mij geniet, ik verlang slechts wat mij toekomt,

Ik wil uw gelijke zijn en gij zult mijn gelijke zijn.

Indien gij aan de werkbank staat in de werkplaats, sta ik U

zoo na als de naaste aan dezelfde bank,

Indien gij uw broeder of liefsten vriend beschenkt vraag ik

van U hetzelfde als gij aan broeder of liefsten vriend

schenkt,

Indien uw minnaar, man, vrouw u dag en nacht lief is, moet

ik persoonlijk U even lief zijn,

Indien gij geschandvlekt, misdadig, ongelukkig wordt, zal ik

dat worden om uwentwil,

Indien gij U uwe dwaze wetschennende daden herinnert,

zult gij dan denken dat ik mij niet herinner mijne eigen

dwaze, wetschennende daden?

Indien gij in het drinkgelag aan tafel zit, zit ik in het

drinkgelag tegenover U aan die tafel,

Indien gij een vreemde ontmoet in de straten en hem of

haar uw liefde schenkt, o ik ontmoet vele vreemden en

schenk hun mijn liefde,


Nu, wat denkt gij dan van U-zelf?

Hebt gij gering gedacht van U-zelf?

Hebt gij den President hooger gesteld dan U-zelf?

Of den rijke er beter aan toe dan gij? Of de geschoolde

wijzer dan gij?

(Omdat uw gezicht vuil of puistig is, of omdat gij eens dronken

of een dief waart,

Of omdat gij ziekelijk, of rheumatisch, of een lichtekooi zijt,

Of omdat uw kracht gering is of gebroken, of omdat gij geen

vat vol geleerdheid zijt en uw naam nooit gedrukt hebt

gezien,

Leidt gij daarvan af, dat gij iets minder onsterflijk zijt?)



2.


Zielen van mannen en vrouwen! U noem ik niet onzichtbaar,

onhoorbaar, ongevoelig en onvoelbaar,

Ik zal mij niet bemoeien voor of tegen U te pleiten om uit

te maken of gij al dan niet bestaat,

Ik erken openlijk wie gij zijt, al erkent niemand anders dat.


Volwassen, halfwassen, kind, van dit volk of elk ander volk,

in huis of buitenshuis, ik zie in den een dezelfde waarde

als in den ander,

En ik zie al het andere door hen heen en achter hen.


Ik zie de vrouw en zij is geen zier minder dan haar man,

Ik zie de dochter en zij is even goed als de zoon,

Ik zie de moeder en zij is de volkomen gelijke van den

vader.


Kinderen van den onwetende en den behoeftige, knapen die

opgeleid worden in een vak,

Jonge mannen die bij den boer werken en oude mannen die

bij den boer werken,

Matrozen, sjouwers, kustvaarders, landverhuizers,

Ik zie ze allen en zij zijn mij na, ik zie ver weg anderen en

zij zijn mij na,

Niet een ontgaat mij, en niet een wenscht mij te ontgaan.


Ik breng U wat gij 't meeste behoeft en toch steeds hebt

bezeten,

Het is geen geld, amours, kleed, eten, geleerdheid, maar het

is even goed,

Ik zend geen zaakwaarnemer of tusschenman, bied U geen

wissel van de waarde aan, maar geef U de waarde zelf.


Daar is iets dat den mensch invloeit nu en steeds,

Niet in gedrukte woorden, noch in gepreekte of gepraten

woorden kan men 't vinden, het ontsnapt aan die woorden,

Niet in een boek, niet in dit boek is 't te vinden,

Wie gij ook zijt het is 't uwe, het 'is niet verder van U dan

uw gehoor of uw gezicht,

Wat U het naaste, het gewoonste, het gereedste is spreekt er

U van en daaruit komt het U immer te gemoet.


Lees in vele talen, toch leest gij hierover niets,

Lees de Boodschap van den President en gij leest ook

daarin niets hier over,

Niet in de rapporten van het Binnenlandsch Ministerie of

van het Ministerie van Financiën, niets in dagbladen of

weekbladen,

Niets in de belasting- of pensioenberichten, niets in de prijsnoteeringen

of de mededeelingen van de Beurs.



3.


De zon en de kringloopende sterren in het firmament,

De appelvormige aarde en wij met ons leven van die aarde,

het is grootsch in zijn eeuwig gedobber,

Ik weet niet wàt het is behalve dat het grootsch is en dat

het geluk is,

En dat de beteekenis van ons leven niet ligt in een bespiegeling