of een bon-mot of eenig onderzoek,
En dat het niet
iets is, dat bij geluk ten goede kan keeren
en bij ongeluk ons kan ontgaan,
En niet iets, dat wij door een of andere omstandigheid
kunnen verliezen,
Het licht en de schaduw, de wonderbare beteekenis van het
lichaam en zijn identiteit met de ziel, de tuk die
met
volkomen bereidwilligheid alle aardsche dingen
verslindt,
De alomvattende fierheid en het kunnen van den mensch,
zijn onuitsprekelijke vreugden en
smarten,
Het wonder dat iedereen ziet in iedereen dien hij ziet en
de wonderen die elke minuut der komende tijden van
zich
zullen vervullen,
Wat is het doel van dit alles, dacht gij, Camerado?
Dacht gij dat het enkel was voor uw handwerk of landwerk?
of voor de winsten van uw winkel?
Of om U aan een of andere betrekking te helpen? Of voor
een spelletje in het beuzeluur van dezen heer en
die
dame?
Hebt gij gedacht dat het landschap leven, vorm en kleur had
enkel om in een schilderij geschilderd te
worden?
En dat de menschen leefden enkel opdat men hun leven
konde beschrijven of bezingen,
Of dat de zwaartekracht en de natuurwetten en de harmonieuze
samenstelling van het Heelal en de
luchtstroomingen
enkel waren om aan schoolmeesters geleerdheid
te
verschaffen?
Of dat het bruine land en de blauwe zee waren voor de
atlassen en de landkaarten?
Of de sterren om in sterrengroepen verdeeld te worden en
dan aangeduid bij fantasie-namen?
Of dat de groei en ontluiking der zaden zijn voor landbouwkundige
tabellen of den landbouw zelf?
Oude instellingen, kunsten, boeken, verhalen en de vaardigheid
in een beroep, zullen wij dit alles hoog
stellen?
Zullen wij ons eigendom, onzen handel hoog stellen? Ik heb
er niets tegen.
Ik stel dit alles even hoog als het hoogste—maar boven dit
hoogste stel ik het kind dat geboren wordt van
eene
vrouw en een man.
4.
De som van al wat eerbied verdient tel ik op in U, wie gij
ook zijt,
De President bevindt zich in het Witte Huis om uwentwil,
gij zijt niet hier ter wille van hem,
De secretarissen arbeiden in hun bureaux voor U, gij arbeidt
niet voor hen,
Het Congres vergadert elke Twaalfde Maand voor U,
Wetten, hoven, staatsconstituties, stedelijke charters, het
komen en trekken van handel en verkeer, dit alles
is
voor U.
Luistert goed, lieve discipelen,
Leer, staatkunde, beschaving vloeien uit U,
Standbeelden en monumenten en alle roem-inschriften waar
ook zijn gehouwen in U,
De waarde van geschiedenis en statistiek, zoo ver als haar
geest het verleden mag zijn doorgedrongen, bevindt
zich
dit uur in U en die van mythen en verhalen
evenzoo,
Indien gij op dit oogenblik geen adem haddet en geen
kracht, wat zou er van hen allen zijn?
Het heerlijke epos zou niets zijn en oratiën en tragediën
zouden ledig zijn.
De paleizen zijn wat gij er van maakt als uw oog hen aanschouwt,
(Dacht gij dat hun waarde lag in den witten of grijzen steen?
Of in de lijnen hunner bogen en
kroonlijsten?)
De muziek is wat er uit uw ziel opvloeit als de instrumenten
U aan uw werkelijk leven doen denken,
Zij is niet de violen en cornetten, niet de hobo noch de
trommen, noch de klanken van den bariton-zanger die
zijn
liefelijke romanza zingt, noch die van het
mannenkoor,
noch die van vrouwenkoor,
Zij is dichter bij en verder dan dezen.
5.
Zal dan alles eenmaal zijn weg terug afleggen?
Kan dan ieder de eeuwige schoonheid zien door een blik in
den spiegel? Is daar niets hoogers of
beters?
Bevat gij alles,
bevat de mystiek-onzichtbare ziel alles?
En vreemd en zwaar zeker is mijn paradox;
Het ruwste ter wereld en de onzichtbare ziel der wereld
zijn één.
6.
Wilt gij dan de zaligheid verre zoeken? Gij zult zeker op
uwe schreden terugkomen.
In de dingen uws dagelijkschen levens vindt gij het beste, of
zoo goed als het beste,
In de menschen uws dagelijkschen levens vindt gij de edelste,
krachtigste, liefdewaardigste!
Geluk, kennis vindt gij niet elders maar hier, niet in de
toekomst maar nu,
In den man dien gij 't eerst ziet en aanraakt vindt gij altijd
een vriend, een broeder, een naasten buur—in de
vrouw
een moeder, zuster, vrouw,
De liefde en de arbeid der volken hebben de eerste plaats
in poëmen en overal,
Gij arbeidsters en arbeiders dezer Staten, gij bezit uw eigen
goddelijk en krachtvol leven,
En alles daarbuiten heeft plaats voor mannen en vrouwen
zooals gij.
Wanneer de psalm gaat zingen in steê van den zanger,
Wanneer de Schrift zal prediken in steê van den leeraar,
Wanneer de kansel afdaalt en onder de menschen gaat in
steê van den prediker,
Wanneer ik bij dag of bij nacht het lichaam van boeken kan
beroeren en zij dan mijn lichaam beroeren in
keer,
Wanneer eens professors collegie zooveel bewijst als een sluimerende
vrouw of een slapend kind,
Wanneer de goudstukken in de kelders glimlachen als des
nachtwakers dochter,
Wanneer de gevolmachtigde bazelt in den presidentsstoel en
ik zijn vriend ben en metgezel,
Dan, en niet eerder, zal ik dezen de hand reiken en hen zoo
hoog verheffen als ik U doe, mannen en vrouwen aan
den
arbeid.
UIT: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE
1.
Een lied van de wentelende aarde, in woorden die met haar
harmonieeren,
Dacht gij dat dit de woorden zijn, deze rechtoppe-lijntjes,
deze boogjes, hoekjes, en stipjes?
Neen, dat zijn de woorden niet, de echte woorden zijn in de
aarde en in de zee,
Zij zijn in de lucht, zij zijn in U.
Dacht gij dat deze woorden de liefelijke klanken zijn door
den mond uws vriends gesproken?
Neen, de ware woorden zijn liefelijker dan deze.
Menschenlijven zijn woorden, myriaden woorden,
(In de beste gedichten ziet gij altijd het lijf van man of
vrouw, altijd welgevormd, natuurlijk,
levensvol,
En elk deel vol kracht om te geven of te ontvangen zonder
schaamte of reden tot schaamte.)
Lucht, aarde, water, vuur—de elementen zijn de woorden,
Ik zelf ben een woord met dezen—mijne krachten vloeien
samen met de hunne—mijn naam is voor hen een
niets,
Al wierd mijn naam ook genoemd in de drie duizend talen,
wat zouden lucht, aarde, water, vuur weten van mijn
naam?
Een gezond gezicht, een vriendelijk bemoedigend gebaar zijn
woorden, en zij zijn welsprekendheid en
wijsheid,
De bekoring van den oogopslag van sommige mannen en
vrouwen, ook zij is vol welsprekendheid en
wijsheid.
Het werk waaruit de ziel spreekt is het poëem dier onhoorbare
woorden der aarde,
De meesters kennen die aarde-woorden en zeggen daarin
meer dan in hoorbare woorden.
De aarde ontbloot
haar schoonheid niet doch weigert ook niet
haar schoonheid te ontblooten, niettemin is haar
onzichtbaar
leven het schoonste,
Dring in haar door en gij verneemt luid-hoorbare klanken,
het verheven koorgezang der helden, de weeklachten
der
slaven,
De eeden der liefde, vervloekingen, doodsnikken van stervenden,
gelach van jongelieden, geschreeuw van
markters,
Dring in haar door om de sleutelwoorden te kennen die
nooit missen.
De woorden der welsprekende, stomme eeuwe-moeder tot
hare kinderen missen nooit,
De echte woorden missen nooit, want de slag mist nooit en
de terugslag mist nooit,
Aldus ook missen nimmer de dag en de nacht, evenmin als
onze reis door de eeuwigheid mist.
Het Godsschip bevaart de Godszee,
Rondwentelend, staag, om nimmer te vergaan,
Zonneschijn, storm, koude, hitte voor altijd weerstaat, voorbij
snelt, draagt het dezen,
De waarheid en de bestemming der ziel bevat het,
Het vloeiende ledig in 't rond en vooruit klieft en doordringt
het,
En steeds voort, door geen tegenspoed opgehouden, door
geen anker vastgehouden, door geen klip
geraakt,
Vlug, vroolijk, voldaan, niets dervende, niets verliezende,
Elk oogenblik in staat en bereid het logboek open te slaan,
Het Godsschip bevaart de Godszee.
2.
Wie gij ook zijt! Slag en terugslag zijn bepaaldelijk voor U,
Het Godsschip bevaart de Godszee voor U.
Wie gij ook zijt! Gij zijt de man of de vrouw voor wie de
aarde vast en vloeibaar is,
Gij zijt de man of de vrouw voor wie zon en maan daar zijn
in het firmament,
Voor niemand
eerder dan voor U is het heden en het verleden,
Voor niemand zekerder dan voor U is de onsterflijkheid.
Ieder man is voor zich en iedere vrouw is voor zich het sleutelwoord
van verleden en heden en dat der
onsterflijkheid;
Niet een kan daar verwerven voor den ander—niet een,
Niet een daar leven voor den ander—niet een.
Het gezang is voor den zanger en komt tot hem terug,
Het onderwijs is voor den onderwijzer en komt tot hem terug,
De moord is voor den moordenaar en komt tot hem terug,
De diefstal is voor den dief en komt tot hem terug,
De liefde is voor hem die liefde geeft en komt tot hem terug,
De gift is voor den gever en komt tot hem terug—het
kan niet missen,
De redevoering is voor den redenaar, het spel is voor den
tooneelspeler en speelster niet voor het
gehoor,
En geen mensch verstaat grootheid en goedheid dan de zijne
of die door de zijne wordt verklaard.
3.
Ik zweer de aarde zal gewis hem of haar volkomen zijn die
zelf volkomen is,
En de aarde zal gehavend en gebroken blijven hem of haar
die zelf gehavend en gebroken blijft.
Ik zweer daar is grootheid noch vermogen die wedijvert met
de grootheid en het vermogen der aarde,
Daar kan geen leer welke ook zijn, ten ware zij worde bevestigd
door die der aarde,
Geen staatkunde, poëzie, religie, zede of wat ook, tenzij
gegrondvest in de aarde,
Tenzij oog in oog met de stiptheid, levenskracht, onpartijdigheid,
rechtschapenheid dezer aarde.
Ik zweer ik zie in de liefde liefelijker krampen dan die de
liefde oproept,
Het is zelf-bezit dat nooit lokt of afwijst.
Ik zweer ik zie
weinig of niets meer in hoorbare woorden,
't Vloeit alles opwaarts tot de ongezegde waarheden dezer
aarde,
Tot hem die zingt de zangen des lijfs en zegt de waarheden
der aarde,
Tot hem die woordenboeken maakt van de woorden die aan
den druk ontsnappen.