WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 15: UIT: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.


of een bon-mot of eenig onderzoek,

En dat het niet iets is, dat bij geluk ten goede kan keeren

en bij ongeluk ons kan ontgaan,

En niet iets, dat wij door een of andere omstandigheid

kunnen verliezen,

Het licht en de schaduw, de wonderbare beteekenis van het

lichaam en zijn identiteit met de ziel, de tuk die met

volkomen bereidwilligheid alle aardsche dingen verslindt,

De alomvattende fierheid en het kunnen van den mensch,

zijn onuitsprekelijke vreugden en smarten,

Het wonder dat iedereen ziet in iedereen dien hij ziet en

de wonderen die elke minuut der komende tijden van zich

zullen vervullen,

Wat is het doel van dit alles, dacht gij, Camerado?

Dacht gij dat het enkel was voor uw handwerk of landwerk?

of voor de winsten van uw winkel?

Of om U aan een of andere betrekking te helpen? Of voor

een spelletje in het beuzeluur van dezen heer en die

dame?

Hebt gij gedacht dat het landschap leven, vorm en kleur had

enkel om in een schilderij geschilderd te worden?

En dat de menschen leefden enkel opdat men hun leven

konde beschrijven of bezingen,

Of dat de zwaartekracht en de natuurwetten en de harmonieuze

samenstelling van het Heelal en de luchtstroomingen

enkel waren om aan schoolmeesters geleerdheid te

verschaffen?

Of dat het bruine land en de blauwe zee waren voor de

atlassen en de landkaarten?

Of de sterren om in sterrengroepen verdeeld te worden en

dan aangeduid bij fantasie-namen?

Of dat de groei en ontluiking der zaden zijn voor landbouwkundige

tabellen of den landbouw zelf?


Oude instellingen, kunsten, boeken, verhalen en de vaardigheid

in een beroep, zullen wij dit alles hoog stellen?

Zullen wij ons eigendom, onzen handel hoog stellen? Ik heb

er niets tegen.

Ik stel dit alles even hoog als het hoogste—maar boven dit

hoogste stel ik het kind dat geboren wordt van eene

vrouw en een man.



4.


De som van al wat eerbied verdient tel ik op in U, wie gij

ook zijt,

De President bevindt zich in het Witte Huis om uwentwil,

gij zijt niet hier ter wille van hem,

De secretarissen arbeiden in hun bureaux voor U, gij arbeidt

niet voor hen,

Het Congres vergadert elke Twaalfde Maand voor U,

Wetten, hoven, staatsconstituties, stedelijke charters, het

komen en trekken van handel en verkeer, dit alles is

voor U.

Luistert goed, lieve discipelen,

Leer, staatkunde, beschaving vloeien uit U,

Standbeelden en monumenten en alle roem-inschriften waar

ook zijn gehouwen in U,

De waarde van geschiedenis en statistiek, zoo ver als haar

geest het verleden mag zijn doorgedrongen, bevindt zich

dit uur in U en die van mythen en verhalen evenzoo,

Indien gij op dit oogenblik geen adem haddet en geen

kracht, wat zou er van hen allen zijn?

Het heerlijke epos zou niets zijn en oratiën en tragediën

zouden ledig zijn.


De paleizen zijn wat gij er van maakt als uw oog hen aanschouwt,

(Dacht gij dat hun waarde lag in den witten of grijzen steen?

Of in de lijnen hunner bogen en kroonlijsten?)


De muziek is wat er uit uw ziel opvloeit als de instrumenten

U aan uw werkelijk leven doen denken,

Zij is niet de violen en cornetten, niet de hobo noch de

trommen, noch de klanken van den bariton-zanger die zijn

liefelijke romanza zingt, noch die van het mannenkoor,

noch die van vrouwenkoor,

Zij is dichter bij en verder dan dezen.



5.


Zal dan alles eenmaal zijn weg terug afleggen?

Kan dan ieder de eeuwige schoonheid zien door een blik in

den spiegel? Is daar niets hoogers of beters?

Bevat gij alles, bevat de mystiek-onzichtbare ziel alles?

En vreemd en zwaar zeker is mijn paradox;

Het ruwste ter wereld en de onzichtbare ziel der wereld

zijn één.



6.


Wilt gij dan de zaligheid verre zoeken? Gij zult zeker op

uwe schreden terugkomen.

In de dingen uws dagelijkschen levens vindt gij het beste, of

zoo goed als het beste,

In de menschen uws dagelijkschen levens vindt gij de edelste,

krachtigste, liefdewaardigste!

Geluk, kennis vindt gij niet elders maar hier, niet in de

toekomst maar nu,

In den man dien gij 't eerst ziet en aanraakt vindt gij altijd

een vriend, een broeder, een naasten buur—in de vrouw

een moeder, zuster, vrouw,

De liefde en de arbeid der volken hebben de eerste plaats

in poëmen en overal,

Gij arbeidsters en arbeiders dezer Staten, gij bezit uw eigen

goddelijk en krachtvol leven,

En alles daarbuiten heeft plaats voor mannen en vrouwen

zooals gij.


Wanneer de psalm gaat zingen in steê van den zanger,

Wanneer de Schrift zal prediken in steê van den leeraar,

Wanneer de kansel afdaalt en onder de menschen gaat in

steê van den prediker,

Wanneer ik bij dag of bij nacht het lichaam van boeken kan

beroeren en zij dan mijn lichaam beroeren in keer,

Wanneer eens professors collegie zooveel bewijst als een sluimerende

vrouw of een slapend kind,

Wanneer de goudstukken in de kelders glimlachen als des

nachtwakers dochter,

Wanneer de gevolmachtigde bazelt in den presidentsstoel en

ik zijn vriend ben en metgezel,

Dan, en niet eerder, zal ik dezen de hand reiken en hen zoo

hoog verheffen als ik U doe, mannen en vrouwen aan den

arbeid.





UIT: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE




1.


Een lied van de wentelende aarde, in woorden die met haar

harmonieeren,

Dacht gij dat dit de woorden zijn, deze rechtoppe-lijntjes,

deze boogjes, hoekjes, en stipjes?

Neen, dat zijn de woorden niet, de echte woorden zijn in de

aarde en in de zee,

Zij zijn in de lucht, zij zijn in U.


Dacht gij dat deze woorden de liefelijke klanken zijn door

den mond uws vriends gesproken?

Neen, de ware woorden zijn liefelijker dan deze.


Menschenlijven zijn woorden, myriaden woorden,

(In de beste gedichten ziet gij altijd het lijf van man of

vrouw, altijd welgevormd, natuurlijk, levensvol,

En elk deel vol kracht om te geven of te ontvangen zonder

schaamte of reden tot schaamte.)


Lucht, aarde, water, vuur—de elementen zijn de woorden,

Ik zelf ben een woord met dezen—mijne krachten vloeien

samen met de hunne—mijn naam is voor hen een niets,

Al wierd mijn naam ook genoemd in de drie duizend talen,

wat zouden lucht, aarde, water, vuur weten van mijn naam?

Een gezond gezicht, een vriendelijk bemoedigend gebaar zijn

woorden, en zij zijn welsprekendheid en wijsheid,

De bekoring van den oogopslag van sommige mannen en

vrouwen, ook zij is vol welsprekendheid en wijsheid.


Het werk waaruit de ziel spreekt is het poëem dier onhoorbare

woorden der aarde,

De meesters kennen die aarde-woorden en zeggen daarin

meer dan in hoorbare woorden.

De aarde ontbloot haar schoonheid niet doch weigert ook niet

haar schoonheid te ontblooten, niettemin is haar onzichtbaar

leven het schoonste,

Dring in haar door en gij verneemt luid-hoorbare klanken,

het verheven koorgezang der helden, de weeklachten der

slaven,

De eeden der liefde, vervloekingen, doodsnikken van stervenden,

gelach van jongelieden, geschreeuw van markters,

Dring in haar door om de sleutelwoorden te kennen die

nooit missen.


De woorden der welsprekende, stomme eeuwe-moeder tot

hare kinderen missen nooit,

De echte woorden missen nooit, want de slag mist nooit en

de terugslag mist nooit,

Aldus ook missen nimmer de dag en de nacht, evenmin als

onze reis door de eeuwigheid mist.


Het Godsschip bevaart de Godszee,

Rondwentelend, staag, om nimmer te vergaan,

Zonneschijn, storm, koude, hitte voor altijd weerstaat, voorbij

snelt, draagt het dezen,

De waarheid en de bestemming der ziel bevat het,

Het vloeiende ledig in 't rond en vooruit klieft en doordringt

het,

En steeds voort, door geen tegenspoed opgehouden, door

geen anker vastgehouden, door geen klip geraakt,

Vlug, vroolijk, voldaan, niets dervende, niets verliezende,

Elk oogenblik in staat en bereid het logboek open te slaan,

Het Godsschip bevaart de Godszee.



2.


Wie gij ook zijt! Slag en terugslag zijn bepaaldelijk voor U,

Het Godsschip bevaart de Godszee voor U.


Wie gij ook zijt! Gij zijt de man of de vrouw voor wie de

aarde vast en vloeibaar is,

Gij zijt de man of de vrouw voor wie zon en maan daar zijn

in het firmament,

Voor niemand eerder dan voor U is het heden en het verleden,

Voor niemand zekerder dan voor U is de onsterflijkheid.


Ieder man is voor zich en iedere vrouw is voor zich het sleutelwoord

van verleden en heden en dat der onsterflijkheid;

Niet een kan daar verwerven voor den ander—niet een,

Niet een daar leven voor den ander—niet een.

Het gezang is voor den zanger en komt tot hem terug,

Het onderwijs is voor den onderwijzer en komt tot hem terug,

De moord is voor den moordenaar en komt tot hem terug,

De diefstal is voor den dief en komt tot hem terug,

De liefde is voor hem die liefde geeft en komt tot hem terug,

De gift is voor den gever en komt tot hem terug—het

kan niet missen,

De redevoering is voor den redenaar, het spel is voor den

tooneelspeler en speelster niet voor het gehoor,

En geen mensch verstaat grootheid en goedheid dan de zijne

of die door de zijne wordt verklaard.



3.


Ik zweer de aarde zal gewis hem of haar volkomen zijn die

zelf volkomen is,

En de aarde zal gehavend en gebroken blijven hem of haar

die zelf gehavend en gebroken blijft.


Ik zweer daar is grootheid noch vermogen die wedijvert met

de grootheid en het vermogen der aarde,

Daar kan geen leer welke ook zijn, ten ware zij worde bevestigd

door die der aarde,

Geen staatkunde, poëzie, religie, zede of wat ook, tenzij

gegrondvest in de aarde,

Tenzij oog in oog met de stiptheid, levenskracht, onpartijdigheid,

rechtschapenheid dezer aarde.


Ik zweer ik zie in de liefde liefelijker krampen dan die de

liefde oproept,

Het is zelf-bezit dat nooit lokt of afwijst.

Ik zweer ik zie weinig of niets meer in hoorbare woorden,

't Vloeit alles opwaarts tot de ongezegde waarheden dezer

aarde,

Tot hem die zingt de zangen des lijfs en zegt de waarheden

der aarde,

Tot hem die woordenboeken maakt van de woorden die aan

den druk ontsnappen.