Ik zweer ik zie wat daar beter is dan het beste te noemen,
Het is het beste altijd en immer ongenoemd te laten.
Zoodra ik mij ondersta het beste te noemen merk ik mijn
krachteloosheid,
Dan ligt mijn tong verlamd onder mijn verhemelte,
Dan weigert mijn adem mijne longen te vullen,
Ik word met stomheid geslagen.
Het beste der aarde kan niet, kan nooit genoemd worden,
alles en ieder is het beste,
Dat beste is niet wat gij vermoeddet, het is veiler, lichter,
nader,
Niets behoeft er voor uit zijn natuurlijke voegen te worden
gelicht,
De aarde is even zeker en direct nu als zij was voorheen,
Feiten, religiën, vooruitgang, beleid, handel en wandel zijn
nu zoo reëel als voorheen,
En ook de ziel is reëel, ook zij is zeker en direct,
Geen preek of proef heeft haar bewezen,
Onloochenbare vooruitgang bewijst haar.
4.
Dat dan in deze zangen weergalmen de klanken der ziel en
de melodieën der ziel,
(Indien zij niet den weergalm bevatten van de melodieën der
ziel, wat zouden zij dan zijn?
Indien zij niet leven waren direct van uw leven, wat zouden
zij dan zijn?)
Ik zweer voortaan zal ik niets meer gemeen hebben met den
godsdienst die het beste noemt,
Ik wil enkel gemeen hebben met den godsdienst die het beste
ongemoeid laat.
Spreekt sprekers,
zingt zangers!
Delft diep, vormt groot, stapelt hoog de woorden der aarde!
Arbeidt, eeuwen na eeuwen, want niets zal verloren gaan,
Misschien zal uw arbeid lang hebben te wachten, maar zeker
zult gij er de wel-daad van zien,
Wanneer de bouwstoffen allen bereid en gereed zijn, zullen
de bouwmeesters verschijnen.
Ik zweer U, de bouwmeesters zullen verschijnen onafwijsbaar,
Ik zweer U, dat zij U zullen verstaan en rechtvaardigen,
De verhevenste onder hen zal hij zijn die U het beste van
allen verstaat, en die allen verklaart en allen
getrouw is,
Hij en zijne makkers zullen U niet vergeten, zij zullen inzien,
dat gij niet een jota minder zijt dan zij
zelven,
In hen en door hen zult gij volkomen verheerlijkt worden.
LIED DES HEELALS
1.
Kom, zei de Muze,
Zing thans een lied door geen dichter nog gezongen,
Zing thans het lied des Heelals.
In deze onze ruwe aarde,
Middenin den onpeilbaren chaos,
Verborgen en veilig in haar hart,
Kiemt het zaad der volmaaktheid.
In allen leven kiemt dit zaad,
Geen geboorte zonder de ontkieming van dit zaad, verborgen
of zichtbaar, dit zaad ontvangt bloei.
2.
Heil U, waakzame, hoogstrevende wetenschap,
Gij die, als van hooge bergtoppen, het jonge leven overziet,
En verder steeds en verder Uw uitkomsten bevestigt.
Maar heil, heil, heil der ziele, die alle wetenschap overtreft,
Voor haar heeft de wereldgeschiedenis zich als een schel om
den aardkloot gelegd,
Voor haar wentelen alle sterren-myriaden door 't Heelal.
Voor haar, spiralend omhoog en breed van slagen,
(Of als een schip op zee, dat vaak boegseert)
Vloeit wat vergankelijk is uit in het Eeuwige
En strekt de realiteit zich uit naar 't ideaal.
Voor haar de ontwikkeling van het al, die niet in wezen, wèl
in schijn wordt gekend,
En rechtvaardiging is niet enkel van het goede, maar van
wat wij slecht noemen tevens.
Eenmaal werpt ieder den mom af, wat deze ook waard zij,
Eenmaal bloeit er heil uit alle verzwering, eenmaal vreugde
uit list, bedrog en tranen,
Heil waar de kracht aan ontspringt en vreugde, vreugde des
Heelals.
Uit het gros, uit
het ongezonde, uit het onbeteekenende,
Uit de middelmatige meerderheid, het talloos-vake bedrog
van menschen en volken,
Ontspringt het goede,
Alom dan het goede, electrisch, bederfwerend, alles doordringend,
alles vervullend.
3.
Boven de berghoogten van kwalen en smarten,
Fladdert, fladdert en zweeft een nooit-gelamde vogel
Hoog in de reine sferen des geluks,
Door de duisterste wolken der onvolkomenheid,
Breekt altijd een glimp van 't reinste licht der zon,
Een straal der hemel-heerlijkheid-zelve.
In de wangeluiden van zeden en gebruiken
In het dolle Babyloonsch geraas, in oorverdoovende orgiën,
Elk getier overruischende, wordt een toon gehoord, en niet
meer dan vernomen,
Van 't koorgezang der eeuwen in verre hemelgewesten gezongen.
O, de zegenvolle oogen, o, de gelukkige harten
Die in 't geweldig labyrinth,
Den teederen leiddraad zien en volgen kunnen.
4.
En gij, Amerika,
Als bekroning van het godsplan, in zijn overleg en in zijn
uitvoering,
Zijt gij—en niet om U zelfs wil—tot leven geroepen.
Want ook gij omvat alles,
Gij torscht en ontvangt alles en begroet alles, ook langs
paden breed en nieuw
Wendt gij U naar 't Ideaal.
De tamme idealen van andere landen, de grandeurs van het
verleden,
Zijn niet voor U, gij hebt Uw eigen grandeurs van dezen dag.
Goddelijk vertrouwen en grootheid die alles omvatten en
verklaren,
En dit alles bereikbaar voor allen.
Alles en allen om der wille der onsterflijkheid,
Liefde evenals
licht verwint het Al stilzwijgend,
En de voortdurende verheffing der natuur beschenkt het Al
met haar zegeningen,
De bloesem draagt vrucht, de vrucht der eeuwen rijpt, de
gaarden worden godstuinen, de oogst is
zeker,
Aldus rijpt alles: vormen, voorwerpen, ontwikkeling, menschheid
tot het leven der zaligheid,
Geef dan, o God, mij altijd die gedachte, opdat altijd mijn
ziel hoog zij en zinge,
Geef mij, geef hem of haar, die ik liefheb dit onvernietigbaar
geloof,
In Uw Heelal, wat gij ons ook onthoudt, onthoud ons niet
het geloof in Uw Godsplan, dat tijd en ruimte
vervult,
Het geloof in Heil, Vrede, volkomen Verlossing!
Is dit een droom?
Neen, het ongeloof is een droom,
En in de ontkenning is de leer en rijkdom des levens een
droom,
En de geheele wereld een droom.
PIONIERS! O PIONIERS!
Komt mijn zon-gebruinde kinderen,
Volgt mij nu in dichte drommen, houdt Uw wapens blank en
vaardig,
Hebt gij allen Uw pistolen? Hebt ge Uw scherpgewette bijlen?
Pioniers! O Pioniers!
Want wij kunnen hier niet dralen,
Vòòrt wij moeten, lieve vrienden, moeten het gevaar trotseeren,
Wij zijn het jonge sterkgespierde ras, alles rust op onze
armen,
Pioniers! O Pioniers!
O, gij knapen, Westerknapen,
Krachten-ziedend, strijdbegeerig, rijk aan mannentrots en
vriendschap,
'k Zie U duidelijk, Westerknapen, 'k zie U der beschaving
voorgaan,
Pioniers! O Pioniers!
Rusten thans de oude volken,
Laten zij het hoofd nu hangen na een half-volbrachte taak,
zijn zij moê daar ginds over de wijde
zeeën?
De eeuwige taak dan vatten wij op, en haar lasten en haar
wijsheid,
Pioniers! O Pioniers!
Wat verleën is moeit ons niet,
Nieùw een wereld, groòtsch een wereld, dat is de wereld van
ons streven,
Ons is frisch en kloek de wereld, en zij roept ons aan den
arbeid
Pioniers! O Pioniers!
Rotsen rukken we uit de voegen,
Over afgrond, door
valleien, langs de hooge bergenklippen,
Waar wij gaan, wij overwinnen, moedig, wagend en vermetel,
langs nog onbetreden paden,
Pioniers! O Pioniers!
't Dichte oerwoud wordt geveld,
Stroomen stuiten we en doen wij keeren, wij dringen door
in de aderen der moeder en brengen haar
onrust,
Delvend in den maagd-grond brengen wij er weeldevollen
waschdom,
Pioniers! O Pioniers!
Colorado-mannen zijn we,
Ons het land der hooge bergen, òns het land der breede
sierra's en der hooge bergenvlakten,
Van de mijnen, van de stroomen komen wij langs jagersporen,
Pioniers! O Pioniers!
Van Nebraska, Van Arkansas,
Van het midden dezer Staten, van Missouri zijn wij zonen,
zonen van Amerika,
Handslag geven we allen broeder, òf van 't Zuiden, òf van
't Noorden,
Pioniers! O Pioniers!
Onweerstaanbaar—wak're mannen,
Lieve broeders, kameraden! In mijn borst gloeit voor U allen
wonderteêre, sterke liefde!
O ik treur, en nochtans juich ik! Voor U allen gloei ik
van liefde,
Pioniers! O Pioniers!
Heft dan hoog de moeder-liefste
Wapp're hoog de lieve liefste, de beste en de schoone liefste,
wuiv' beheerschend boven alles (buig Uw
hoofd)
Hoog de vreesbre-sterke liefste, majesteitelijk rein die
liefste,
Pioniers! O Pioniers!
Ziet dan kinderen, onvertsaagde kinderen,
Bij den strijd van
onze vaadren, nimmer weif'len wij of
wijken,
Uit het schimmenrijk voorheen dringen ons millioenen voorwaarts,
Pioniers! O Pioniers!
Voorwaarts, voorwaarts trekt ons leger,
Jonge kracht brengt ons versterking, zij die in den veldtocht
vallen worden spoedig weer vervangen,
Somtijds in den strijd de neerlaag, maar toch voorwaarts,
altijd voorwaarts,
Pioniers! O Pioniers!
Al der wereld levenspolsen
Slaan voor ons den opmarschroffel in den kracht'gen Westermaat,
Maar wij, enkel of tezamen, dringen, werken ons vooruit.
Pioniers! O Pioniers!
't Is àl voor ons ideaal,
Al wat is bereikt in 't leven, al wie denkt of doet in 't leven,
al de werkers, al hun werk,
Die ter zee zijn, die te land zijn, al de meesters, al de slaven,
Pioniers! O Pioniers!
Al die liefde's helvuur kennen,
De gevangnen in 't gevang, al de braven, al de boeven,
Al de blijden, al de droeven, al de levenden en dooden,
Pioniers! O Pioniers!
En ook ik met lijf en ziele,
Wij, aldus een trio vreemd, saamlend al wat wij ervaren,
gaan ge-drieën onzen weg,