WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 16: LIED DES HEELALS
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.



Ik zweer ik zie wat daar beter is dan het beste te noemen,

Het is het beste altijd en immer ongenoemd te laten.


Zoodra ik mij ondersta het beste te noemen merk ik mijn

krachteloosheid,

Dan ligt mijn tong verlamd onder mijn verhemelte,

Dan weigert mijn adem mijne longen te vullen,

Ik word met stomheid geslagen.

Het beste der aarde kan niet, kan nooit genoemd worden,

alles en ieder is het beste,

Dat beste is niet wat gij vermoeddet, het is veiler, lichter,

nader,

Niets behoeft er voor uit zijn natuurlijke voegen te worden

gelicht,

De aarde is even zeker en direct nu als zij was voorheen,

Feiten, religiën, vooruitgang, beleid, handel en wandel zijn

nu zoo reëel als voorheen,

En ook de ziel is reëel, ook zij is zeker en direct,

Geen preek of proef heeft haar bewezen,

Onloochenbare vooruitgang bewijst haar.



4.


Dat dan in deze zangen weergalmen de klanken der ziel en

de melodieën der ziel,

(Indien zij niet den weergalm bevatten van de melodieën der

ziel, wat zouden zij dan zijn?

Indien zij niet leven waren direct van uw leven, wat zouden

zij dan zijn?)


Ik zweer voortaan zal ik niets meer gemeen hebben met den

godsdienst die het beste noemt,

Ik wil enkel gemeen hebben met den godsdienst die het beste

ongemoeid laat.


Spreekt sprekers, zingt zangers!

Delft diep, vormt groot, stapelt hoog de woorden der aarde!

Arbeidt, eeuwen na eeuwen, want niets zal verloren gaan,

Misschien zal uw arbeid lang hebben te wachten, maar zeker

zult gij er de wel-daad van zien,

Wanneer de bouwstoffen allen bereid en gereed zijn, zullen

de bouwmeesters verschijnen.


Ik zweer U, de bouwmeesters zullen verschijnen onafwijsbaar,

Ik zweer U, dat zij U zullen verstaan en rechtvaardigen,

De verhevenste onder hen zal hij zijn die U het beste van

allen verstaat, en die allen verklaart en allen getrouw is,

Hij en zijne makkers zullen U niet vergeten, zij zullen inzien,

dat gij niet een jota minder zijt dan zij zelven,

In hen en door hen zult gij volkomen verheerlijkt worden.





LIED DES HEELALS




1.


Kom, zei de Muze,

Zing thans een lied door geen dichter nog gezongen,

Zing thans het lied des Heelals.

In deze onze ruwe aarde,

Middenin den onpeilbaren chaos,

Verborgen en veilig in haar hart,

Kiemt het zaad der volmaaktheid.

In allen leven kiemt dit zaad,

Geen geboorte zonder de ontkieming van dit zaad, verborgen

of zichtbaar, dit zaad ontvangt bloei.



2.


Heil U, waakzame, hoogstrevende wetenschap,

Gij die, als van hooge bergtoppen, het jonge leven overziet,

En verder steeds en verder Uw uitkomsten bevestigt.

Maar heil, heil, heil der ziele, die alle wetenschap overtreft,

Voor haar heeft de wereldgeschiedenis zich als een schel om

den aardkloot gelegd,

Voor haar wentelen alle sterren-myriaden door 't Heelal.

Voor haar, spiralend omhoog en breed van slagen,

(Of als een schip op zee, dat vaak boegseert)

Vloeit wat vergankelijk is uit in het Eeuwige

En strekt de realiteit zich uit naar 't ideaal.

Voor haar de ontwikkeling van het al, die niet in wezen, wèl

in schijn wordt gekend,

En rechtvaardiging is niet enkel van het goede, maar van

wat wij slecht noemen tevens.

Eenmaal werpt ieder den mom af, wat deze ook waard zij,

Eenmaal bloeit er heil uit alle verzwering, eenmaal vreugde

uit list, bedrog en tranen,

Heil waar de kracht aan ontspringt en vreugde, vreugde des

Heelals.

Uit het gros, uit het ongezonde, uit het onbeteekenende,

Uit de middelmatige meerderheid, het talloos-vake bedrog

van menschen en volken,

Ontspringt het goede,

Alom dan het goede, electrisch, bederfwerend, alles doordringend,

alles vervullend.



3.


Boven de berghoogten van kwalen en smarten,

Fladdert, fladdert en zweeft een nooit-gelamde vogel

Hoog in de reine sferen des geluks,

Door de duisterste wolken der onvolkomenheid,

Breekt altijd een glimp van 't reinste licht der zon,

Een straal der hemel-heerlijkheid-zelve.

In de wangeluiden van zeden en gebruiken

In het dolle Babyloonsch geraas, in oorverdoovende orgiën,

Elk getier overruischende, wordt een toon gehoord, en niet

meer dan vernomen,

Van 't koorgezang der eeuwen in verre hemelgewesten gezongen.

O, de zegenvolle oogen, o, de gelukkige harten

Die in 't geweldig labyrinth,

Den teederen leiddraad zien en volgen kunnen.



4.


En gij, Amerika,

Als bekroning van het godsplan, in zijn overleg en in zijn

uitvoering,

Zijt gij—en niet om U zelfs wil—tot leven geroepen.

Want ook gij omvat alles,

Gij torscht en ontvangt alles en begroet alles, ook langs

paden breed en nieuw

Wendt gij U naar 't Ideaal.

De tamme idealen van andere landen, de grandeurs van het

verleden,

Zijn niet voor U, gij hebt Uw eigen grandeurs van dezen dag.

Goddelijk vertrouwen en grootheid die alles omvatten en

verklaren,

En dit alles bereikbaar voor allen.


Alles en allen om der wille der onsterflijkheid,

Liefde evenals licht verwint het Al stilzwijgend,

En de voortdurende verheffing der natuur beschenkt het Al

met haar zegeningen,

De bloesem draagt vrucht, de vrucht der eeuwen rijpt, de

gaarden worden godstuinen, de oogst is zeker,

Aldus rijpt alles: vormen, voorwerpen, ontwikkeling, menschheid

tot het leven der zaligheid,


Geef dan, o God, mij altijd die gedachte, opdat altijd mijn

ziel hoog zij en zinge,

Geef mij, geef hem of haar, die ik liefheb dit onvernietigbaar

geloof,

In Uw Heelal, wat gij ons ook onthoudt, onthoud ons niet

het geloof in Uw Godsplan, dat tijd en ruimte vervult,

Het geloof in Heil, Vrede, volkomen Verlossing!


Is dit een droom?

Neen, het ongeloof is een droom,

En in de ontkenning is de leer en rijkdom des levens een

droom,

En de geheele wereld een droom.





PIONIERS! O PIONIERS!




Komt mijn zon-gebruinde kinderen,

Volgt mij nu in dichte drommen, houdt Uw wapens blank en

vaardig,

Hebt gij allen Uw pistolen? Hebt ge Uw scherpgewette bijlen?

Pioniers! O Pioniers!


Want wij kunnen hier niet dralen,

Vòòrt wij moeten, lieve vrienden, moeten het gevaar trotseeren,

Wij zijn het jonge sterkgespierde ras, alles rust op onze

armen,

Pioniers! O Pioniers!


O, gij knapen, Westerknapen,

Krachten-ziedend, strijdbegeerig, rijk aan mannentrots en

vriendschap,

'k Zie U duidelijk, Westerknapen, 'k zie U der beschaving

voorgaan,

Pioniers! O Pioniers!


Rusten thans de oude volken,

Laten zij het hoofd nu hangen na een half-volbrachte taak,

zijn zij moê daar ginds over de wijde zeeën?

De eeuwige taak dan vatten wij op, en haar lasten en haar

wijsheid,

Pioniers! O Pioniers!


Wat verleën is moeit ons niet,

Nieùw een wereld, groòtsch een wereld, dat is de wereld van

ons streven,

Ons is frisch en kloek de wereld, en zij roept ons aan den

arbeid

Pioniers! O Pioniers!


Rotsen rukken we uit de voegen,

Over afgrond, door valleien, langs de hooge bergenklippen,

Waar wij gaan, wij overwinnen, moedig, wagend en vermetel,

langs nog onbetreden paden,

Pioniers! O Pioniers!


't Dichte oerwoud wordt geveld,

Stroomen stuiten we en doen wij keeren, wij dringen door

in de aderen der moeder en brengen haar onrust,

Delvend in den maagd-grond brengen wij er weeldevollen

waschdom,

Pioniers! O Pioniers!


Colorado-mannen zijn we,

Ons het land der hooge bergen, òns het land der breede

sierra's en der hooge bergenvlakten,

Van de mijnen, van de stroomen komen wij langs jagersporen,

Pioniers! O Pioniers!


Van Nebraska, Van Arkansas,

Van het midden dezer Staten, van Missouri zijn wij zonen,

zonen van Amerika,

Handslag geven we allen broeder, òf van 't Zuiden, òf van

't Noorden,

Pioniers! O Pioniers!


Onweerstaanbaar—wak're mannen,

Lieve broeders, kameraden! In mijn borst gloeit voor U allen

wonderteêre, sterke liefde!

O ik treur, en nochtans juich ik! Voor U allen gloei ik

van liefde,

Pioniers! O Pioniers!


Heft dan hoog de moeder-liefste

Wapp're hoog de lieve liefste, de beste en de schoone liefste,

wuiv' beheerschend boven alles (buig Uw hoofd)

Hoog de vreesbre-sterke liefste, majesteitelijk rein die

liefste,

Pioniers! O Pioniers!


Ziet dan kinderen, onvertsaagde kinderen,

Bij den strijd van onze vaadren, nimmer weif'len wij of

wijken,

Uit het schimmenrijk voorheen dringen ons millioenen voorwaarts,

Pioniers! O Pioniers!


Voorwaarts, voorwaarts trekt ons leger,

Jonge kracht brengt ons versterking, zij die in den veldtocht

vallen worden spoedig weer vervangen,

Somtijds in den strijd de neerlaag, maar toch voorwaarts,

altijd voorwaarts,

Pioniers! O Pioniers!


Al der wereld levenspolsen

Slaan voor ons den opmarschroffel in den kracht'gen Westermaat,

Maar wij, enkel of tezamen, dringen, werken ons vooruit.

Pioniers! O Pioniers!


't Is àl voor ons ideaal,

Al wat is bereikt in 't leven, al wie denkt of doet in 't leven,

al de werkers, al hun werk,

Die ter zee zijn, die te land zijn, al de meesters, al de slaven,

Pioniers! O Pioniers!


Al die liefde's helvuur kennen,

De gevangnen in 't gevang, al de braven, al de boeven,

Al de blijden, al de droeven, al de levenden en dooden,

Pioniers! O Pioniers!


En ook ik met lijf en ziele,

Wij, aldus een trio vreemd, saamlend al wat wij ervaren,

gaan ge-drieën onzen weg,