WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 18: AAN U
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.


Door de landen, over zeeën, door het licht en door den

schemer, door verledens spokenheiren,

Pioniers! O Pioniers!


Zie deez' wentelenden aardbol!

Zie in 't rond de broeder-bollen, al de zonnen, de planeten,

samenhangende als trossen,

In de schit'rend-lichte dagen, in de droom-mystieke nachten,

Pioniers! O Pioniers!


Al die werelden zijn ons,

Zijn voor 't groot ontginningswerk, wijl de volgers ongeboren

in die werelden ons wachten,

Wij gaan slechts aan 't hoofd des hedens en bereiden hun

den weg,

Pioniers! O Pioniers!


O gij dochters van het Westen!

O gij jonge en oud're dochters! O gij moeders en gij vrouwen!

Nimmer moet gij van ons wijken! Uwe plaats is in ons leger

Pioniers! O Pioniers!


Prairiedichters ongeboren!

(Dichters van de oude landen, gij moogt rusten in Uw doodskleed,

want ook gij deedt eens uw arbeid,)

Spoedig zal 'k Uw krijgslied hooren, spoedig trekt gij met

ons op,

Pioniers! O Pioniers!


Niet de zoete minneliedjes,

Niet op kussens, niet op muilen, niet het vredige, niet het

lieve,

Niet de vadse rust der rijkaards, niet voor ons het tam

vermaak,

Pioniers! O Pioniers!


Laat dan anderen gulzig fuiven,

Laat de dikke slapers slapen, laat hen in hun rust verroesten,

Karig, spaarzaam, zij ons voedsel, hard ons bed en zwaar de

arbeid,

Pioniers! O Pioniers!


Is de nacht voor ons gekomen?

Was de weg ons heden moeilijk? Vielen wij soms moedloos

neder?

Laat ons dan een wijle rusten, voor een uur den strijd

vergeten,

Pioniers! O Pioniers!


Op! met schaat'rend een trompetschal,

Roept ons de ochtendstond—hoort!—

Luide en gebiedend klinkt zijn:

"ontwaakt!"

Op! Op! naar de voorhoede des legers!

Op! Dat ieder naar zijn plaats snelle,

Pioniers! O Pioniers!





AAN U




Wie gij ook zijt, ik vrees gij gaat den weg der droomen,

Ik weet, dat de werkelijkheid waarop gij meent te rusten

sneeuw is, die U onder handen en voeten wegsmelt,

Zelfs op dit oogenblik zie ik alles wat gij 't Uwe meent

verdwijnen: Uw gezicht, Uw vreugden, woorden, huis, handel,

wandel, verdriet, dwaasheden, gewoonten, misdaden,

Uw ware ziel, Uw ware lichaam verschijnt mij,

Verschijnt mij, opkomende uit Uw bedrijf, Uw zaken, Uw

winkel, arbeid, hofsteê, kleed, uit uw koop en verkoop,

eten, drinken, lijden en doodgaan.


Wie gij ook zijt, ik leg nu de hand op Uw hoofd, opdat gij

mijn gedicht moogt zijn,

En met mijne lippen dicht aan Uwe ooren fluister ik:

Ik heb vele vrouwen en mannen innig liefgehad, maar voor

geen hunner was mijn liefde inniger dan voor U.


O, wel traag en wel dom ben ik geweest,

Reeds veel vroeger had ik zonder omwegen mijn weg recht

op U toe moeten nemen,

Wat ik tot nu heb gezegd was gebabbel omdat ik 't niet tot

U zei; wat ik tot dusver heb gezongen was het lied der

zotheid, omdat ik U niet bezong.


Nu wil ik alles wegwerpen en tot U komen en de hymnen

zingen van U,

Niemand heeft U ooit begrepen, maar ik begrijp U,

Niemand heeft U ooit recht laten wedervaren, ook gij deedt

U zelf onrecht,

Niemand, of hij zag gebreken in U, ik alleen vind in U geen

gebrek,

Niemand, of hij wilde èèn boven U stellen,
ik
ben de man,

die nimmer zal toestaan, dat er èèn boven U worde gesteld,

Ik ben de eenige, die noch heer, meester, betere, noch zelfs

God, hooger stel dan wat in U leeft.

Schilders hebben zwevende engelen geschilderd en in hun

midden het godsbeeld,

En om het hoofd van het godsbeeld deden zij een nimbus

stralen van goudzonnig licht.

Maar ik schilder myriaden hoofden en schilder geen hoofd

zonder dien nimbus van goud-zonnig licht,

Uit mijn vingertoppen, uit het brein van iederen man en

vrouw stroomt dat licht voor eeuwig zijn stralen uit.


O, ik zou zulke verheven roemzangen van U kunnen zingen!

Gij kendet U-zelf niet, heel U leven hebt gij in U-zelf

liggen slapen,

Uw oogen zijn heel Uw leven zoo goed als gesloten geweest,

Al uw daden komen reeds nu tot U terug en zij bespotten U,

(Uw streven, weten, bidden, indien zij niet terugkomen om

U te bespotten, hoe zullen zij dan tot U terug komen?)


Die spot geldt niet Uw ware leven,

Achter dien spot en er doorheen zie ik Uw ziel onbevredigd

staren,

Ik volg U in Uw geheimste schuilhoeken, waar nog nooit

iemand U volgde,

Indien Uw zwijgen, Uw voorovergebogen zitten aan Uw lessenaar,

Uw onverschillig doen, de nacht, het wijde kleed

der gewoonte U verhullen voor anderen, zij verhullen U

niet voor mij,

Indien Uw glad geschoren gelaat, Uw dwalend oog, Uw

puistig voorhoofd anderen afstooten, mij doen zij dat niet,

Uw bemorst kleed, lichaamseuvel, dronkenschap, gulzigheid,

of vroegtijdige onmatigheidsdood, dat alles wordt door

mij ter zijde geschoven.


Daar wordt geen talent of gave in eenigen man of vrouw

gevonden, of in U kan gelijkwaardigs gevonden worden.

Daar is geen deugd, geen schoonheid in eenigen man of

vrouw, of het even goede is in U,

Daar is geen zaligheid bereid voor anderen, of gelijke zaligheid

wacht U,


Wat mij betreft: ik zal niemand beschenken, tenzij ik volkomen

hetzelfde U schenken kan,

Niet eerder zal ik Gods of iemand glorie zingen dan ik Uw

glorie zing.

Wie gij ook zijt! Gij hebt recht aanspraak te maken op alles!

De heerlijke landen van Oost en West zijn erbarmelijk een

schouwspel, vergeleken bij U,

Zie deze onmetelijke weiden, deze eindelooze rivieren, gij zijt

onmetelijk en eindeloos als zij,

Deze furiën, elementen, stormen, het geweld der ontketende

natuur, weeën van schijnbare ontbinding: gij zijt de man,

gij zijt de vrouw die hen kan bedwingen,

In Uw eigen recht zijt gij gebieder over de natuur, de elementen,

pijnen, passiën, ontbinding.


Uw kluisters vallen van Uw enkels, er is in U een nooit

falend vermogen,

Oud of jong, man of vrouw, ongeschoold en laag, door anderen

uitgebannen, wat er in U is openbaart zich,

Door geboorte, leven, dood, aardlegging heen zijn Uw wegen

gebaand en niets is veronachtzaamd,

Door bittere ervaring, verlies, eerzucht, onwetendheid, verdriet

heen, volgt wat in U is zijn weg.





TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN 'S LEVENS OCEAAN




1.


Terwijl ik wegdreef met de eb van 's levens Oceaan,

Terwijl ik terug ging langs de kust, die ik zoo goed ken,

Terwijl ik wandelde in Uw vochtig rimpel-zand, Paumanok,

door de golven bespoeld,

Waar het sissend en dreigend geruisch der baren wordt

gehoord,

Waar de woeste oude moeder eindeloos krijt om haar verloren

telgen,

Ik, op den laten herfstdag, ging peinzend, zuidwaarts

starende,

Door mijn electrische Ikheid-zelve vervreemd van den hoogmoed,

die mij mijn poëmen doet zeggen,

Ik ging, en was vervuld van den geest, die onder mijn

voeten in het zand zijn lijnen had getrokken,

Ik dacht aan het bezinksel op den bodem van alles, ook

op den bodem van alle zee, alle land, alle leven der

wereld.


Mijn aandacht geboeid, mijn oogen afgedwaald van het zuiden,

aangetrokken door die rimpels in het zand, volgden

het spoor der ebbegolven,

Kaf, stroo, houtsplinters, zeegras en kwallen,

Schuim, schilvers van glimmende rotsen, zeegras, dit alles

had de vloed achtergelaten op het strand,

Mijlen ver wandelde ik, steeds met het geruisch der brekende

golven naast mij,

Daar op Paumanok's kust, en in mij de oude gedachte, dat

alles buiten mij wordt weerspiegeld daar [**door?] alles in mijn

binnenste,

Die gedachte kwam door U opnieuw in mij op, gij vischvormig

eiland,

Terwijl ik terugging langs de kust, die ik zoo goed ken,

Terwijl mijn electrische Ik-heid mij deed zoeken naar mijn

evenbeeld.



2.


Terwijl ik de kusten van het onbekende zoek,

Terwijl ik luister naar het lijklied, de stemmen van mannen

en vrouwen, die schipbreuk leden,

Terwijl ik de invloeden adem, die als windstroomen op mij

instormen,

Terwijl de geheimzinnige Oceaan dichter en dichter op mij

aanvloeit,

Komt de gedachte in mij, dat ook ik ten hoogste een nietig

aanspoelsel ben van d'Oceaan,

Een handvol zand en doode zeegrassen, die men kan oprapen,

Die wòrden opgeraapt, of misschien wel straks weêr worden

weggespoeld.


O, teleurgesteld, vernietigd, het hoofd op de borst, de oogen

zoekende diep in de aarde,

Gedrukt door het weten, dat ik heb dùrven openen mijn

mond,

Nu wetende, dat te midden van allen die hun niet uitklappen

en mij de holle echo's hunner woorden in het oor

blazen, ik zelf nièt het geringste denkbeeld heb gehad

van het wat en wie mijner Ik-heid,

Dat uit al mijn verwaten poëemen nu mijn werkelijke Ik-heid

opstaat, nog altijd ongezegd, onbegrepen, onverklaard,

onbereikt,

Ik zie haar voor mij uit, mij bespottende met spot-beleefde

groeten en buigingen,

Met de galmen van uit de verte gehoord spotgelach, om elk

woord dat ik heb geschreven,

Zwijgend wijzen naar deze zangen èèrst, dan naar het zand

onder mijn voeten.

Nu wordt het mij duidelijk, dat ik niets in zijn echten zin heb

kunnen bevatten, niet het geringste, en dat niemand dit

vermag,

Hier, in het gezicht van d'Oceaan, neemt de Natuur de gelegenheid

waar om mij neer te vellen tot mijn Niets,

Omdat ik gewaagd heb ooit den mond te openen om te

spreken.



3.


Gij Oceanen beide, gij en ik, wij dicht bijeen,

Wij murmelen beiden het zelfde droeve lied, en spoelen zand

en slib aan, en weten niet waarom,

Gij, ik en allen hebben in onze ziel, gelijk dit zand de dunne

kerven van het weggespoelde leven.

Gij, broze kust bedekt met wrakhout,

Gij, visch-vormig eiland, ik aanvaard wat nu aan mijn voeten