Door de landen, over zeeën, door het licht en door den
schemer, door verledens spokenheiren,
Pioniers! O Pioniers!
Zie deez' wentelenden aardbol!
Zie in 't rond de broeder-bollen, al de zonnen, de planeten,
samenhangende als trossen,
In de
schit'rend-lichte dagen, in de droom-mystieke nachten,
Pioniers! O Pioniers!
Al die werelden zijn ons,
Zijn voor 't groot ontginningswerk, wijl de volgers ongeboren
in die werelden ons wachten,
Wij gaan slechts aan 't hoofd des hedens en bereiden hun
den weg,
Pioniers! O Pioniers!
O gij dochters van het Westen!
O gij jonge en oud're dochters! O gij moeders en gij vrouwen!
Nimmer moet gij van ons wijken! Uwe plaats is in ons leger
Pioniers! O Pioniers!
Prairiedichters ongeboren!
(Dichters van de oude landen, gij moogt rusten in Uw doodskleed,
want ook gij deedt eens uw arbeid,)
Spoedig zal 'k Uw krijgslied hooren, spoedig trekt gij met
ons op,
Pioniers! O Pioniers!
Niet de zoete minneliedjes,
Niet op kussens, niet op muilen, niet het vredige, niet het
lieve,
Niet de vadse rust der rijkaards, niet voor ons het tam
vermaak,
Pioniers! O Pioniers!
Laat dan anderen gulzig fuiven,
Laat de dikke slapers slapen, laat hen in hun rust verroesten,
Karig, spaarzaam, zij ons voedsel, hard ons bed en zwaar de
arbeid,
Pioniers! O Pioniers!
Is de nacht voor ons gekomen?
Was de weg ons heden moeilijk? Vielen wij soms moedloos
neder?
Laat ons dan een wijle rusten, voor een uur den strijd
vergeten,
Pioniers! O Pioniers!
Op! met
schaat'rend een trompetschal,
Roept ons de ochtendstond—hoort!—
Luide en gebiedend klinkt zijn:
"ontwaakt!"
Op! Op! naar de voorhoede des legers!
Op! Dat ieder naar zijn plaats snelle,
Pioniers! O Pioniers!
AAN U
Wie gij ook zijt, ik vrees gij gaat den weg der droomen,
Ik weet, dat de werkelijkheid waarop gij meent te rusten
sneeuw is, die U onder handen en voeten
wegsmelt,
Zelfs op dit oogenblik zie ik alles wat gij 't Uwe meent
verdwijnen: Uw gezicht, Uw vreugden, woorden, huis,
handel,
wandel, verdriet, dwaasheden, gewoonten,
misdaden,
Uw ware ziel, Uw ware lichaam verschijnt mij,
Verschijnt mij, opkomende uit Uw bedrijf, Uw zaken, Uw
winkel, arbeid, hofsteê, kleed, uit uw koop en
verkoop,
eten, drinken, lijden en doodgaan.
Wie gij ook zijt, ik leg nu de hand op Uw hoofd, opdat gij
mijn gedicht moogt zijn,
En met mijne lippen dicht aan Uwe ooren fluister ik:
Ik heb vele vrouwen en mannen innig liefgehad, maar voor
geen hunner was mijn liefde inniger dan voor
U.
O, wel traag en wel dom ben ik geweest,
Reeds veel vroeger had ik zonder omwegen mijn weg recht
op U toe moeten nemen,
Wat ik tot nu heb gezegd was gebabbel omdat ik 't niet tot
U zei; wat ik tot dusver heb gezongen was het lied
der
zotheid, omdat ik U niet bezong.
Nu wil ik alles wegwerpen en tot U komen en de hymnen
zingen van U,
Niemand heeft U ooit begrepen, maar ik begrijp U,
Niemand heeft U ooit recht laten wedervaren, ook gij deedt
U zelf onrecht,
Niemand, of hij zag gebreken in U, ik alleen vind in U geen
gebrek,
Niemand, of hij wilde èèn boven U stellen,
ik
ben de man,
die nimmer zal toestaan, dat er èèn
boven U worde gesteld,
Ik ben de eenige, die noch heer, meester, betere, noch zelfs
God, hooger stel dan wat in U leeft.
Schilders hebben zwevende engelen geschilderd en in hun
midden het godsbeeld,
En om het hoofd van het godsbeeld deden zij een nimbus
stralen van goudzonnig licht.
Maar ik schilder myriaden hoofden en schilder geen hoofd
zonder dien nimbus van goud-zonnig
licht,
Uit mijn vingertoppen, uit het brein van iederen man en
vrouw stroomt dat licht voor eeuwig zijn stralen
uit.
O, ik zou zulke verheven roemzangen van U kunnen zingen!
Gij kendet U-zelf niet, heel U leven hebt gij in U-zelf
liggen slapen,
Uw oogen zijn heel Uw leven zoo goed als gesloten geweest,
Al uw daden komen reeds nu tot U terug en zij bespotten U,
(Uw streven, weten, bidden, indien zij niet terugkomen om
U te bespotten, hoe zullen zij dan tot U terug
komen?)
Die spot geldt niet Uw ware leven,
Achter dien spot en er doorheen zie ik Uw ziel onbevredigd
staren,
Ik volg U in Uw geheimste schuilhoeken, waar nog nooit
iemand U volgde,
Indien Uw zwijgen, Uw voorovergebogen zitten aan Uw lessenaar,
Uw onverschillig doen, de nacht, het wijde
kleed
der gewoonte U verhullen voor anderen, zij verhullen
U
niet voor mij,
Indien Uw glad geschoren gelaat, Uw dwalend oog, Uw
puistig voorhoofd anderen afstooten, mij doen zij dat
niet,
Uw bemorst kleed, lichaamseuvel, dronkenschap, gulzigheid,
of vroegtijdige onmatigheidsdood, dat alles wordt
door
mij ter zijde geschoven.
Daar wordt geen talent of gave in eenigen man of vrouw
gevonden, of in U kan gelijkwaardigs gevonden
worden.
Daar is geen deugd, geen schoonheid in eenigen man of
vrouw, of het even goede is in U,
Daar is geen zaligheid bereid voor anderen, of gelijke zaligheid
wacht U,
Wat mij betreft: ik zal niemand beschenken, tenzij ik volkomen
hetzelfde U schenken kan,
Niet eerder zal ik
Gods of iemand glorie zingen dan ik Uw
glorie zing.
Wie gij ook zijt! Gij hebt recht aanspraak te maken op alles!
De heerlijke landen van Oost en West zijn erbarmelijk een
schouwspel, vergeleken bij U,
Zie deze onmetelijke weiden, deze eindelooze rivieren, gij zijt
onmetelijk en eindeloos als zij,
Deze furiën, elementen, stormen, het geweld der ontketende
natuur, weeën van schijnbare ontbinding: gij
zijt de man,
gij zijt de vrouw die hen kan bedwingen,
In Uw eigen recht zijt gij gebieder over de natuur, de elementen,
pijnen, passiën, ontbinding.
Uw kluisters vallen van Uw enkels, er is in U een nooit
falend vermogen,
Oud of jong, man of vrouw, ongeschoold en laag, door anderen
uitgebannen, wat er in U is openbaart
zich,
Door geboorte, leven, dood, aardlegging heen zijn Uw wegen
gebaand en niets is veronachtzaamd,
Door bittere ervaring, verlies, eerzucht, onwetendheid, verdriet
heen, volgt wat in U is zijn weg.
TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN 'S LEVENS OCEAAN
1.
Terwijl ik wegdreef met de eb van 's levens Oceaan,
Terwijl ik terug ging langs de kust, die ik zoo goed ken,
Terwijl ik wandelde in Uw vochtig rimpel-zand, Paumanok,
door de golven bespoeld,
Waar het sissend en dreigend geruisch der baren wordt
gehoord,
Waar de woeste oude moeder eindeloos krijt om haar verloren
telgen,
Ik, op den laten herfstdag, ging peinzend, zuidwaarts
starende,
Door mijn electrische Ikheid-zelve vervreemd van den hoogmoed,
die mij mijn poëmen doet zeggen,
Ik ging, en was vervuld van den geest, die onder mijn
voeten in het zand zijn lijnen had
getrokken,
Ik dacht aan het bezinksel op den bodem van alles, ook
op den bodem van alle zee, alle land, alle leven
der
wereld.
Mijn aandacht geboeid, mijn oogen afgedwaald van het zuiden,
aangetrokken door die rimpels in het zand,
volgden
het spoor der ebbegolven,
Kaf, stroo, houtsplinters, zeegras en kwallen,
Schuim, schilvers van glimmende rotsen, zeegras, dit alles
had de vloed achtergelaten op het
strand,
Mijlen ver wandelde ik, steeds met het geruisch der brekende
golven naast mij,
Daar op Paumanok's kust, en in mij de oude gedachte, dat
alles buiten mij wordt weerspiegeld daar [**door?]
alles in mijn
binnenste,
Die gedachte kwam door U opnieuw in mij op, gij vischvormig
eiland,
Terwijl ik terugging langs de kust, die ik zoo goed ken,
Terwijl mijn
electrische Ik-heid mij deed zoeken naar mijn
evenbeeld.
2.
Terwijl ik de kusten van het onbekende zoek,
Terwijl ik luister naar het lijklied, de stemmen van mannen
en vrouwen, die schipbreuk leden,
Terwijl ik de invloeden adem, die als windstroomen op mij
instormen,
Terwijl de geheimzinnige Oceaan dichter en dichter op mij
aanvloeit,
Komt de gedachte in mij, dat ook ik ten hoogste een nietig
aanspoelsel ben van d'Oceaan,
Een handvol zand en doode zeegrassen, die men kan oprapen,
Die wòrden opgeraapt, of misschien wel straks weêr worden
weggespoeld.
O, teleurgesteld, vernietigd, het hoofd op de borst, de oogen
zoekende diep in de aarde,
Gedrukt door het weten, dat ik heb dùrven openen mijn
mond,
Nu wetende, dat te midden van allen die hun niet uitklappen
en mij de holle echo's hunner woorden in het
oor
blazen, ik zelf nièt het geringste denkbeeld
heb gehad
van het wat en wie mijner Ik-heid,
Dat uit al mijn verwaten poëemen nu mijn werkelijke Ik-heid
opstaat, nog altijd ongezegd, onbegrepen,
onverklaard,
onbereikt,
Ik zie haar voor mij uit, mij bespottende met spot-beleefde
groeten en buigingen,
Met de galmen van uit de verte gehoord spotgelach, om elk
woord dat ik heb geschreven,
Zwijgend wijzen naar deze zangen èèrst, dan naar het zand
onder mijn voeten.
Nu wordt het mij duidelijk, dat ik niets in zijn echten zin heb
kunnen bevatten, niet het geringste, en dat niemand
dit
vermag,
Hier, in het gezicht van d'Oceaan, neemt de Natuur de gelegenheid
waar om mij neer te vellen tot mijn
Niets,
Omdat ik gewaagd heb ooit den mond te openen om te
spreken.
3.
Gij Oceanen beide, gij en ik, wij dicht bijeen,
Wij murmelen beiden het zelfde droeve lied, en spoelen zand
en slib aan, en weten niet waarom,
Gij, ik en allen hebben in onze ziel, gelijk dit zand de dunne
kerven van het weggespoelde leven.
Gij, broze kust bedekt met wrakhout,
Gij, visch-vormig eiland, ik aanvaard wat nu aan mijn voeten