WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 20: ZEKERHEID
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.


ligt,

Wat het Uwe is, is het mijne òok, vader.

Paumanok, ook ik,

Ook ik blies mij op als waterbellen in mijn najagen van

hersenschimmen, dobberde op de onmetelijke golven des

levens, werd aangespoeld op Uw kusten,

Ook ik ben niet anders dan een op het zand geslingerd wrak,

Ook ik laat mijn splinters op U achter, gij visch-vormig

eiland.

Ik werp mij aan Uw borst, vader,

Ik omklem U zoo, dat gij U niet uit mijn omarming kunt

losmaken,

Ik houd innig vast, zoolang tot gij mij het antwoord geeft,

dat ik begeer.

Kus mij, kus mij, vader,

Beroer mij met Uw lippen, zooals ik hen beroer, die ik

liefheb,

Laat, terwijl ik U aan mijn borst klem, Uw adem mij het

lieflijk geheim influisteren van dat murmelen, waar ik naar

smacht.



4.


Eb, Oceaan des Levens, (de vloed zal terugkomen)

Staak niet Uw gejammer, woeste moeder oud,

Krijt eindeloos om Uw verloren telgen, doch vrees niet en

verloochen mij niet,

Ook ik ben Uw zoon, ruìsch niet zoo heesch en toornig aan

mijn voeten als ik U beroer, of wat gij wegwerpt, verzamel,

U en allen heb ik teeder lief,

Wat ik verzamel is zoowel voor mij-zelf als voor dien geest,

die op ons neerziet waar wij gaan, en mij en wat het mijne

is volgt,

Ik en het mijne, ebberimpels in het zand, wat waardelooze

wrakhout,

Sneeuwwit schuim, ledige waterbellen,

(Zie, hoe eindelijk door mijn doode lippen den stervensdroesem

wordt uitgeworpen,

Zie, de prismatieke kleuren glinsteren en bewegen,)

Stroohalmen, spoelzand, splinters,

Op het doodstrand gespoeld uit velerlei Niets van 's levens

droefheid en vreugd. Niets altijd Niets, en toch het een in

strijd met het ander,

Uit stroomen, kalmten, duisternis en deining,

Uit gepeins en nadenken, altijd Niets, ten hoogste een ademtocht,

een traan, een spat waters of modders,

En Niets altijd uit ons bodemloos gestreef, dat opgist en

wegvloeit,

Niets, ten hoogste een of twee teedere maar geschonden

bloesembladeren dobberende op de golven en lichtelijk aangespoeld,

Niets! en ook om ònzentwil die snikkende lijkzang der natuur,

Ook voor ons, wat ook onze oorsprong zij, dat geloei der

wolkbazuinen,

Wij, als nietswaardig aangespoeld, vanwaar is ons onbekend,

en neergeworpen aan Uw voeten,

Gij die daar zit of gaat, aan Uw voeten,

Wie gij ook zijt, ook wij liggen als wrakken aan Uw voeten.




ZEKERHEID




Ik heb geen zekerheid noodig, ik ben een mensch wiens ziel

zijn geheele aandacht vraagt;

Ik twijfel niet of van onder de voeten en naast de handen en

het gezicht, die ik van mij ken, zien nu reeds andere gezichten

uìt, die ik niet ken, schoone tastbare gezichten,

Ik twijfel niet of de majesteit en schoonheid der wereld zijn

verborgen in iedere iota der wereld,

Ik twijfel niet of ik ben oneindig en het Universum is

oneindig, vergeefs tracht ik mij voor te stellen hoe oneindig,

Ik twijfel niet of de werelden en hun zonnestelsels snellen

met een goddelijk doel zoo harmonisch door het ruim, en

dat ik eenmaal in staat zal zijn te doen als zij, en mèèr

dan zij,

Ik twijfel niet of het tijdelijke heeft een duur van millioenen

jaren,

Ik twijfel niet of het binnenste heeft zijn binnenste en het

buitenste zijn buitenste en het oogenlicht heeft een ander

oogenlicht en het gehoor heeft een ander gehoor en de

stem een andere stem,

Ik twijfel niet of de dood van de jonge mannen, die zoo innig

wordt beweend, heeft zijn levensbloei, en de dood van

jonge vrouwen en de dood van kindertjes heeft zijn

levensbloei,

(Of denkt gij, dat het leven kan bloeien, en dat de dood, het

doel des levens, niet zijn bloei heeft?)

Ik twijfel niet of de wrakken in de zee ('t doet er niet toe

welke verschrikkingen zij gezien hebben, 't doet er niet

toe wiens vrouw, kind, man, vader, vriend er ook mede is

onder gegaan) bloeien dààr, des levens vol,

Ik twijfel niet of wat daar ooit en ergens gebeurt, heeft in

den samenhang der dingen zijn levensbloei,

Ik denk niet, dat Leven de bloeitijd is van het Al, van Tijd

en Ruimte, maar ik geloof, dat Zalige Dood die bloeitijd is.





EEN STILLE GEDULDIGE SPIN




Een stille geduldige spin,

Zag ik, waar zij op een kleinen vooruitspringenden hoek

alleen zat,

En ik zag, hoe zij, om de ledige groote ruimte rond zich

heen te onderzoeken,

Zich spinnende, spinnende, spinnende langzaam liet afzakken

aan onzichtbare draden,

Die zij steeds effende, die zij onvermoeid verlengde.

En gij, o mijn ziel, waar zijt gij,

Omgeven, los, in matelooze oceanen van Ruimte,

Eindeloos peinzend, wagend, spinnend zoekt gij de sferen

om U er mee te verbinden,

Tot de tijd, tot de brug, die gij behoeft, zal gelegd zijn, tot

het slepende anker vasthoudt,

Tot de herfstdraad, die gij uitlaat, ergens aan vastblijft,

o ziel.





AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN




Te midden van alle anderen richt ik mij tot U: ik heb U iets

te zeggen,

Gij zult sterven—Laat anderen U vertellen wat zij willen, ik

zoek geen uitvluchten,

Zonder genade zeg ik U de waarheid, want ik heb U lief, en

daarom zeg ik, dat geen ontkomen U mogelijk is.

Zachtkens leg ik op U mijn rechterhand, als een liefkoozing

voelt gij 't, Ik praat niet met U, ik buig mijn hoofd zoo

dicht over het Uwe, dat gij enkel mijn oogen ziet.

Rustig zit ik aan Uw zijde, ik blijf U trouw,

Ik ben U meer dan verpleegster, meer dan verwant of buur,

Ik ontbind U van alles en allen behalve van Uw eigen ziel,

Uw eeuwige ziel, Uw echte ik, dat zekerlijk den dood

ontkomt,

Het lijk, dat gij achter zult laten, zal de droesem zijn van

het echte goud Uwer ziel.

Nu breekt de zon door de wolken, die gij den dood-zelf

waandet,

Fiere gedachten vervullen U, vertrouwen vervult U, gij

glimlacht,

Gij vergeet, dat gij ziek zijt, zooals ik vergeet, dat gij

ziek zijt,

Gij ziet Uw geneesmiddelen niet meer, gij let niet meer op

Uw weenende vrienden, ik zit aan Uw zijde,

Anderen weer ik van U af, daar valt niet te weeklagen, daar

is niemand te beklagen,

Ik beklaag U niet, ik benijd U, want meer dan het geluk, dat

wij kennen is U bereid.





GEZICHTEN




1.


Drentelende door de straten of rijdende op den rijweg buiten,

o wat al gezichten!

Gezichten van vriendschap, stelligheid, borgtocht, lieflijkheid,

ideaal,

Het gezicht van den toekomst-droomer, het overal welkome

alledaags-vriendelijke gezicht,

Het gezicht van een die zingt, de indrukwekkende gezichten

van natuurwetkenners, en van rechters met breede jukbeenderen,

Het gezicht van jagers en visschers met knobbels van opmerkzaamheid

boven de wenkbrauwen, de geschoren witte gezichten

van vrome burgers,

De nobele, ongewone, verlangende, vragende kunstenaarsgezichten,

Het leelijke gezicht, dat een majesteitelijke ziel soms bedekt,

het mooie gezicht van een, die verfoeid of veracht wordt,

De heilige gezichten van kleine kinderen, het lichtstralende

gezicht van de moeder van vele kinderen,

Het gezicht van een mignon, het gezicht van vereering,

Het gezicht vaag als een droom, het gezicht streng als een

eeuwig verstijfde rots,

Het gezicht ontdaan van zijn goed of zijn kwaad, het gezicht

van den ontmande,

Een wilde valk, zijn vleugels door den snoeier gekortwiekt.

Een hengst, overgegeven aan riemen en mes van den snijder.

Dus, drentelende door de straten of overstekende met de

steeds heen en weer varende veerboot, gezichten en gezichten

en gezichten,

Ik zie hen, klaag niet, en ben tevreden met allen.



2.


Denkt gij, dat ik tevreden ben, zou kunnen zijn, indien ik

dacht, dat deze gezichten d'eindvorm des levens waren?

Dit gezicht is te jammerlijk om van een man te kunnen zijn,

Een verworpen luis, die kruipend soebat om te leven,

Een witgemuilde made, blij als zij in haar gat mag wegkruipen.

Dit gezicht is een hondensnuit, snuffelend naar afval,

Adders nestelen in dien muil, ik hoor de sissende bedreiging.

Dit gezicht is mist, kouder dan de Poolzee,

De slaperige en waggelende ijsbergen kreunen onder het

voortdrijven.

Dit is een gezicht van bittere kruiden, dàt van een laxeermiddel:

zij hebben geen etiket noodig,

En nog meer van den apotheker: een gezicht van laudanum,

caoutchouc, duveltjesdrek,

Dit gezicht is een toeval: de sprakelooze tong uit een onmenschelijken

kreet,

De aderen aan den nek zwellen op, de oogen rollen tot enkel

hun wit wordt gezien,

De tanden knarsen, de handpalmen zijn opengereten door de

ingedrukte nagels,

De man valt strijdende tegen zijn ziekte schuimbekkend

neer, terwijl zijn oogen staren.

Dit gezicht is opgevreten van ongedierte en wormen,

En dit is het mes van een moordenaar, half uit de schede.

Dit gezicht is den doodgraver zijn vreeselijk loon schuldig,

Een nooit-stille doodsklok wordt daarin geluid.



3.


Gelaatstrekken van mijn evennaasten, wildet gij mij misleiden

in Uw kronkelenden doodendans?

O, misleiden kunt gij mij niet!

Ik zie Uw bochtigen nimmer afgebroken stoet,

Ik zie beneden het oppervlak van Uw woeste en lage

mommen.

Vertrekt en verdraait Uw gezicht, zooveel gij wilt, tast met

het fijne voel-instituut van visschen of ratten,

Eenmaal zult gij zekerlijk Uw ware gezicht moeten toonen.


Ik zag het gezicht van den smerigsten, slobberendsten idioot

in het gesticht,

En ik wist tot mijn troost wat de doctors daar niet wisten,

Ik kende de krachten, die het denken van mijn broeder hadden

verlamd en gebroken,

En diezelfde krachten zullen eens het vuil voor het vervallen

huis opruimen,

En ik zal opnieuw uitzien, als wij twee geslachten verder zijn,

Dan zal ik den echten huisheer ontmoeten, volkomen en

ongedeerd, elke atoom van hem zoo goed als een van de

mijne.



4.


De Heer komt nader en steeds nader,

Overal strijdende tegen de duisternis, de tragen meevoerende

met krachtigen arm.

Uit dit gezicht dagen banieren en ruiterij op—O, heerlijk!

Ik zie wat verschijnt,

Ik zie de hooge mutsen van pioniers, ik zie de staven der