ligt,
Wat het Uwe is, is het mijne òok, vader.
Paumanok, ook ik,
Ook ik blies mij op als waterbellen in mijn najagen van
hersenschimmen, dobberde op de onmetelijke golven
des
levens, werd aangespoeld op Uw kusten,
Ook ik ben niet anders dan een op het zand geslingerd wrak,
Ook ik laat mijn splinters op U achter, gij visch-vormig
eiland.
Ik werp mij aan Uw borst, vader,
Ik omklem U zoo, dat gij U niet uit mijn omarming kunt
losmaken,
Ik houd innig vast, zoolang tot gij mij het antwoord geeft,
dat ik begeer.
Kus mij, kus mij, vader,
Beroer mij met Uw lippen, zooals ik hen beroer, die ik
liefheb,
Laat, terwijl ik U aan mijn borst klem, Uw adem mij het
lieflijk geheim influisteren van dat murmelen, waar
ik naar
smacht.
4.
Eb, Oceaan des Levens, (de vloed zal terugkomen)
Staak niet Uw gejammer, woeste moeder oud,
Krijt eindeloos om Uw verloren telgen, doch vrees niet en
verloochen mij niet,
Ook ik ben Uw zoon, ruìsch niet zoo heesch en toornig aan
mijn voeten als ik U beroer, of wat gij wegwerpt,
verzamel,
U en allen heb ik teeder lief,
Wat ik verzamel is zoowel voor mij-zelf als voor dien geest,
die op ons neerziet waar wij gaan, en mij en wat het
mijne
is volgt,
Ik en het mijne,
ebberimpels in het zand, wat waardelooze
wrakhout,
Sneeuwwit schuim, ledige waterbellen,
(Zie, hoe eindelijk door mijn doode lippen den stervensdroesem
wordt uitgeworpen,
Zie, de prismatieke kleuren glinsteren en bewegen,)
Stroohalmen, spoelzand, splinters,
Op het doodstrand gespoeld uit velerlei Niets van 's levens
droefheid en vreugd. Niets altijd Niets, en toch het
een in
strijd met het ander,
Uit stroomen, kalmten, duisternis en deining,
Uit gepeins en nadenken, altijd Niets, ten hoogste een ademtocht,
een traan, een spat waters of modders,
En Niets altijd uit ons bodemloos gestreef, dat opgist en
wegvloeit,
Niets, ten hoogste een of twee teedere maar geschonden
bloesembladeren dobberende op de golven en lichtelijk
aangespoeld,
Niets! en ook om ònzentwil die snikkende lijkzang der natuur,
Ook voor ons, wat ook onze oorsprong zij, dat geloei der
wolkbazuinen,
Wij, als nietswaardig aangespoeld, vanwaar is ons onbekend,
en neergeworpen aan Uw voeten,
Gij die daar zit of gaat, aan Uw voeten,
Wie gij ook zijt, ook wij liggen als wrakken aan Uw voeten.
ZEKERHEID
Ik heb geen zekerheid noodig, ik ben een mensch wiens ziel
zijn geheele aandacht vraagt;
Ik twijfel niet of van onder de voeten en naast de handen en
het gezicht, die ik van mij ken, zien nu reeds andere
gezichten
uìt, die ik niet ken, schoone tastbare
gezichten,
Ik twijfel niet of de majesteit en schoonheid der wereld zijn
verborgen in iedere iota der wereld,
Ik twijfel niet of ik ben oneindig en het Universum is
oneindig, vergeefs tracht ik mij voor te stellen hoe
oneindig,
Ik twijfel niet of de werelden en hun zonnestelsels snellen
met een goddelijk doel zoo harmonisch door het ruim,
en
dat ik eenmaal in staat zal zijn te doen als zij, en
mèèr
dan zij,
Ik twijfel niet of het tijdelijke heeft een duur van millioenen
jaren,
Ik twijfel niet of het binnenste heeft zijn binnenste en het
buitenste zijn buitenste en het oogenlicht heeft een
ander
oogenlicht en het gehoor heeft een ander gehoor en
de
stem een andere stem,
Ik twijfel niet of de dood van de jonge mannen, die zoo innig
wordt beweend, heeft zijn levensbloei, en de dood
van
jonge vrouwen en de dood van kindertjes heeft
zijn
levensbloei,
(Of denkt gij, dat het leven kan bloeien, en dat de dood, het
doel des levens, niet zijn bloei heeft?)
Ik twijfel niet of de wrakken in de zee ('t doet er niet toe
welke verschrikkingen zij gezien hebben, 't doet er
niet
toe wiens vrouw, kind, man, vader, vriend er ook mede
is
onder gegaan) bloeien dààr, des levens
vol,
Ik twijfel niet of wat daar ooit en ergens gebeurt, heeft in
den samenhang der dingen zijn
levensbloei,
Ik denk niet, dat Leven de bloeitijd is van het Al, van Tijd
en Ruimte, maar ik geloof, dat Zalige Dood die
bloeitijd is.
EEN STILLE GEDULDIGE SPIN
Een stille geduldige spin,
Zag ik, waar zij op een kleinen vooruitspringenden hoek
alleen zat,
En ik zag, hoe zij, om de ledige groote ruimte rond zich
heen te onderzoeken,
Zich spinnende, spinnende, spinnende langzaam liet afzakken
aan onzichtbare draden,
Die zij steeds effende, die zij onvermoeid verlengde.
En gij, o mijn ziel, waar zijt gij,
Omgeven, los, in matelooze oceanen van Ruimte,
Eindeloos peinzend, wagend, spinnend zoekt gij de sferen
om U er mee te verbinden,
Tot de tijd, tot de brug, die gij behoeft, zal gelegd zijn, tot
het slepende anker vasthoudt,
Tot de herfstdraad, die gij uitlaat, ergens aan vastblijft,
o ziel.
AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN
Te midden van alle anderen richt ik mij tot U: ik heb U iets
te zeggen,
Gij zult sterven—Laat anderen U vertellen wat zij willen, ik
zoek geen uitvluchten,
Zonder genade zeg ik U de waarheid, want ik heb U lief, en
daarom zeg ik, dat geen ontkomen U mogelijk
is.
Zachtkens leg ik op U mijn rechterhand, als een liefkoozing
voelt gij 't, Ik praat niet met U, ik buig mijn hoofd
zoo
dicht over het Uwe, dat gij enkel mijn oogen
ziet.
Rustig zit ik aan Uw zijde, ik blijf U trouw,
Ik ben U meer dan verpleegster, meer dan verwant of buur,
Ik ontbind U van alles en allen behalve van Uw eigen ziel,
Uw eeuwige ziel, Uw echte ik, dat zekerlijk den
dood
ontkomt,
Het lijk, dat gij achter zult laten, zal de droesem zijn van
het echte goud Uwer ziel.
Nu breekt de zon door de wolken, die gij den dood-zelf
waandet,
Fiere gedachten vervullen U, vertrouwen vervult U, gij
glimlacht,
Gij vergeet, dat gij ziek zijt, zooals ik vergeet, dat gij
ziek zijt,
Gij ziet Uw geneesmiddelen niet meer, gij let niet meer op
Uw weenende vrienden, ik zit aan Uw
zijde,
Anderen weer ik van U af, daar valt niet te weeklagen, daar
is niemand te beklagen,
Ik beklaag U niet, ik benijd U, want meer dan het geluk, dat
wij kennen is U bereid.
GEZICHTEN
1.
Drentelende door de straten of rijdende op den rijweg buiten,
o wat al gezichten!
Gezichten van vriendschap, stelligheid, borgtocht, lieflijkheid,
ideaal,
Het gezicht van den toekomst-droomer, het overal welkome
alledaags-vriendelijke gezicht,
Het gezicht van een die zingt, de indrukwekkende gezichten
van natuurwetkenners, en van rechters met breede
jukbeenderen,
Het gezicht van jagers en visschers met knobbels van opmerkzaamheid
boven de wenkbrauwen, de geschoren witte
gezichten
van vrome burgers,
De nobele, ongewone, verlangende, vragende kunstenaarsgezichten,
Het leelijke gezicht, dat een majesteitelijke ziel soms bedekt,
het mooie gezicht van een, die verfoeid of veracht
wordt,
De heilige gezichten van kleine kinderen, het lichtstralende
gezicht van de moeder van vele kinderen,
Het gezicht van een mignon, het gezicht van vereering,
Het gezicht vaag als een droom, het gezicht streng als een
eeuwig verstijfde rots,
Het gezicht ontdaan van zijn goed of zijn kwaad, het gezicht
van den ontmande,
Een wilde valk, zijn vleugels door den snoeier gekortwiekt.
Een hengst, overgegeven aan riemen en mes van den snijder.
Dus, drentelende door de straten of overstekende met de
steeds heen en weer varende veerboot, gezichten en
gezichten
en gezichten,
Ik zie hen, klaag niet, en ben tevreden met allen.
2.
Denkt gij, dat ik tevreden ben, zou kunnen zijn, indien ik
dacht, dat deze gezichten d'eindvorm des levens
waren?
Dit gezicht is te jammerlijk om van een man te kunnen zijn,
Een verworpen luis, die kruipend soebat om te leven,
Een witgemuilde made, blij als zij in haar gat mag wegkruipen.
Dit gezicht is een hondensnuit, snuffelend naar afval,
Adders nestelen in dien muil, ik hoor de sissende bedreiging.
Dit gezicht is mist, kouder dan de Poolzee,
De slaperige en waggelende ijsbergen kreunen onder het
voortdrijven.
Dit is een gezicht van bittere kruiden, dàt van een laxeermiddel:
zij hebben geen etiket noodig,
En nog meer van den apotheker: een gezicht van laudanum,
caoutchouc, duveltjesdrek,
Dit gezicht is een toeval: de sprakelooze tong uit een onmenschelijken
kreet,
De aderen aan den nek zwellen op, de oogen rollen tot enkel
hun wit wordt gezien,
De tanden knarsen, de handpalmen zijn opengereten door de
ingedrukte nagels,
De man valt strijdende tegen zijn ziekte schuimbekkend
neer, terwijl zijn oogen staren.
Dit gezicht is opgevreten van ongedierte en wormen,
En dit is het mes van een moordenaar, half uit de schede.
Dit gezicht is den doodgraver zijn vreeselijk loon schuldig,
Een nooit-stille doodsklok wordt daarin geluid.
3.
Gelaatstrekken van mijn evennaasten, wildet gij mij misleiden
in Uw kronkelenden doodendans?
O, misleiden kunt gij mij niet!
Ik zie Uw bochtigen nimmer afgebroken stoet,
Ik zie beneden het oppervlak van Uw woeste en lage
mommen.
Vertrekt en verdraait Uw gezicht, zooveel gij wilt, tast met
het fijne voel-instituut van visschen of
ratten,
Eenmaal zult gij zekerlijk Uw ware gezicht moeten toonen.
Ik zag het gezicht van den smerigsten, slobberendsten idioot
in het gesticht,
En ik wist tot mijn troost wat de doctors daar niet wisten,
Ik kende de
krachten, die het denken van mijn broeder hadden
verlamd en gebroken,
En diezelfde krachten zullen eens het vuil voor het vervallen
huis opruimen,
En ik zal opnieuw uitzien, als wij twee geslachten verder zijn,
Dan zal ik den echten huisheer ontmoeten, volkomen en
ongedeerd, elke atoom van hem zoo goed als een van
de
mijne.
4.
De Heer komt nader en steeds nader,
Overal strijdende tegen de duisternis, de tragen meevoerende
met krachtigen arm.
Uit dit gezicht dagen banieren en ruiterij op—O, heerlijk!
Ik zie wat verschijnt,
Ik zie de hooge mutsen van pioniers, ik zie de staven der