voorloopers ruim baan maken,
Ik hoor het tromgeroffel der overwinning.
Dit gezicht is een reddingsboot,
Dit is het gebaarde gezicht, dat het bevel geeft, het ontleent
gezag aan zich-zelf;
Dit gezicht is een geurige vrucht, rijp om genoten te worden,
Dit gezicht van een gezonden, eerlijken knaap is de belofte
van al wat goed is.
Deze gezichten getuigen of zij slapen of waken,
Zij bewijzen hun afkomst van den Meester zelf.
Het woord, dat ik sprak, kome in vervulling, niet èèn sluit
ik uit—rood, wit, zwart, allen zijn
goddelijk,
In elk huis is het Ovum, na duizenden jaren zal het bewezen
worden.
Vlekken of barsten in de vensters schrikken mij niet af,
Verheven en volkomen menschen staan daar achter, en wenken
mij toe,
Ik hoor de belofte en heb tijd om te wachten.
Dit is het gezicht van een volbloeide lelie,
Zij spreekt tot den hinkenden man dicht aan het tuinhek,
Kom hier
, roept zij blozend,
kom heel dicht bij me, hinkende
man,
man,
Blijf naast mij staan tot ik zoo hoog ik maar kan tegen U kan
aanleunen,
aanleunen,
Vervul mij met
witten honig, buig U over mij heen,
Beroer mij met Uw baard, beroer mij aan borst en schouders.
5.
Het oude gezicht van de moeder van vele kinderen,
Stil! Nu is 't mij zeer liefelijk.
Laag en laat is de rook op den Eersten-dagmorgen,
Hij hangt vlak boven de boomen-rijen aan de schuttingen,
Hij hangt dun bij de sassafras en de wilde kers, en in de
katstruiken omlaag.
Ik zag de rijke dames prachtig gekleed op de soirée,
Ik hoorde wat de zangers zoo lang zongen,
Leerde wie in karmozijne jeugd opkwam uit het witte schuim
en het waterblauw.
Zie een vrouw!
Haar gezicht komt half uit haar kwaker-muts, haar gezicht
is reiner en schooner dan de hemel.
Zij zit in een armstoel onder de beschaduwde deur van de
boerderij,
De zon streelt haar oude witte hoofd,
Haar ruim gewaad is van roomkleurig linnen,
Haar kleinzonen teelden het vlas en haar kleindochters
sponnen 't met het rokken en het wiel.
Het melodieuze karakter der aarde,
Het einde waar voorbij het denken niet kan gaan, en ook niet
wenscht te gaan,
De gerechtvaardigde moeder der menschen.
LIED VAN ZONSONDERGANG
Pracht van den vallenden dag, die mij verheft en vervult,
Uur van profetische kracht, uur dat het verleden doet herleven,
Het leven stijgt op in mijn keel, U, goddelijke middenmensch,
U, aarde en leven, zal ik bezingen tot den laatsten zonnegloor.
Open mond mijner ziel, die blijheid uit,
Oogen mijner ziel, die volmaaktheid zien,
Mijn grashalmen, die de dingen des levens trouwelijk roemen,
En de triumf der dingen des levens bevestigen.
Schoon iedereen!
Schoon, wat wij Ruimte noemen, sfeer van ongetelde geesten,
Schoon het voortbrengings-mysterie van het Zijn zelfs in het
onnaspeurlijke insect,
Schoon het vermogen der spraak, de zinnen, het lijf,
Schoon het verdwijnende licht, schoon de bleeke weerglans
der nieuwe maan aan den Westerhemel,
Schoon wat ik ook zie of hoor of voel tot het einde.
Grootheid, in alles,
In de voldoening en de zekerheid der dieren,
In den jaarlijkschen terugkeer der seizoenen,
In de vreugden der jonkheid,
In de kracht en den bloei des mannelijken levens,
In de grandeur en de uitgelezenheid van den ouderdom,
In het heerlijke uitzien op den Dood.
Wonderbaarlijk, het heengaan!
Wonderbaarlijk, het leven!
Het hart, de drijfkracht van 't overal-gelijke en onschuldige
bloed!
Hoe liefelijk, de lucht te ademen!
Te spreken—te gaan—iets met de hand aan te vatten!
Zich voor te
bereiden op den slaap, op het naar bed gaan,
neer te zien op mijn rooskleurig lijf!
Bewustzijn te bezitten van dit lijf, zoo voldaan, zoo grootsch!
Deze ongelooflijke God te zijn, die ik ben!
Te hebben gewandeld onder andere Goden, deze mannen
en vrouwen, die ik liefheb.
Wonderbaarlijk, hoe ik U en mij-zelf roem!
Hoe mijn gedachten zachtkens spelen over de dingen, die ik
zie om mij heen!
Hoe de aarde op haar baan voort en voort schiet! Hoe de
zon, maan, sterren voort en voort schieten op hun
baan!
Hoe het water wegsnelt en zingt! (Daar is leven overal en in
alles!)
Hoe de boomen oprijzen en opstaan met sterke stammen, met
takken en bladeren!
(Daar is meer dan wij zien in elk dier boomen, daar is een
levende ziel!)
O wonder van alle dingen—wonder van het kleinste atoom
zelfs!
O spiritualiteit der dingen!
O levensaccoord, dat lieflijk vloeit door menschengeslachten,
en nu mij en Amerika bezielt!
Ik voel Uw sterke trilling, doe haar uit mij vloeien, en blijde
van mij uitgaan in anderen.
Ik ook bezing de zon, in opkomst of ter noen, of, gelijk nu, in
haar ondergaan,
Ik ook weerklop het brein en de schoonheid der aarde, en
van heel het leven der aarde,
Ik heb ook den onweerstaanbaren drang gevoeld van mijn
Ik-heid.
Toen ik den Missisippi afdreef,
Toen mijn gang ging over de prairiën,
Toen ik volop leefde, toen ik uitkeek door mijn vensters,
deze oogen,
Toen ik uitging in den morgen, toen ik het licht in het
Oosten zag doorbreken,
Toen ik baadde aan het strand der Oosterzee en dan weer
aan het strand der Westerzee,
Toen ik zwierf in de straten van Chicago, diep-in-'t-land, of
waar ik ook omzwierf in de straten,
Of steden, of
zwijgende wouden, of zelfs midden in het
schouwspel van oorlog,
Waar ik ook was, steeds heb ik mij vervuld van tevredenheid
en overwinning.
Tot het einde bezing ik het twee-een-zijn, nieuw of oud,
Ik bezing het eindeloos einde der dingen,
Ik zeg de natuur blijft, licht blijft,
Wat ik bezing, bezing ik met bezielende stem,
Want niet één onvolmaaktheid zie ik in gansch het Heelal,
En ik zie aan het Einde niet eenig ding, niet eenige uitkomst,
die treuren doet in het Heelal.
O, ondergaande zon! hoewel Uw tijd is gekomen,
Blijf ik voortgaan onder U te zingen, en zoo anderen niet, ik
zing in onverzwakte aanbidding voor U!
TOT WEERZIENS!
Om te besluiten kondig ik aan wat na mij komt.
Ik herinner U, dat ik, voor dit boek tot leven kwam, heb
gezegd,
Ik zou mijn stem blijde en krachtig doen getuigen, dat er
volmaaktheid is in alles.
Wanneer Amerika volbrengt wat beloofd is,
Wanneer door deze Staten honderd-millioen voortreffelijke
menschen gaan,
Wanneer de overigen voor hen ter zijde gaan en voor hen
leven,
Wanneer de kinderen van de volmaakte moeders bewijzen
wat Amerika is,
Dan komt voor mij en het mijne d'echte blijdschap.
Ik ben doorgedrongen sterk in mijn eigen recht,
Ik heb lijf en ziel, vrede en oorlog bezongen, en de zangen
van leven en dood doen hooren,
En de zangen van geboorte, en laten zien dat daar vele geboorten
zijn.
Ik heb mijn leer opengelegd voor ieder, met vasten tred ben
ik het leven doorgegaan;
Terwijl mijn levensvreugde nu volmaakt is, fluister ik:
Tot
weerziens!
En neem de hand van de jonge vrouw en de hand van den
jongen man voor den laatsten keer.
Ik verkondig de opkomst van natuurlijke menschen,
Ik verkondig de triomfantelijke rechtvaardigheid,
Ik verkondig ongedeerde vrijheid en gelijkheid,
Ik verkondig de rechtvaardiging van oprechtheid en de
rechtvaardiging van zelfbewustheid,
Ik verkondig, dat de identiteit dezer Staten een enkele
identiteit is,
Ik verkondig, dat de Unie steeds vaster en onverbrekelijker
wordt,
Ik verkondig
zooveel heerlijkheid en zooveel Majesteit, dat
al wat daar voorheen schoon was op aarde er bij
verbleekt.
Ik verkondig verknochtheid, ik zeg: zij zal eindeloos en onoplosbaar
zijn,
Ik zeg: gij zult den vriend vinden naar wien gij gezocht hebt.
Ik verkondig de komst van een man of een vrouw, misschien
zijt gij dat (Tot ziens dan!)
Ik verkondig den grooten Mensch, vloeizaam als de Natuur,
kuisch, liefdevol, deelnemend,
welgewapend.
Ik verkondig een leven, dat overvloedig, vurig, goddelijk,
stoutmoedig zal zijn,
Ik verkondig het Einde, dat lichtvol en blijde zich zal passen
aan den overgang.
Ik verkondig myriaden van jeugd, schoonheid, kracht en
lieflijk bloed,
Ik verkondig een geslacht van heerlijke en wijze grijsheid.
O geweldiger en heviger—
(Tot ziens!)
O myriaden, die te dicht mij omgeeft,
Ik voorzie te veel, ik zie de goddelijke toekomst helderder
dan ooit te voren,
Dit is, geloof ik, de helderziendheid van het sterven.
Spoed U dan, o stem, klink op voor 't laatst,
Groet, groet nog eens het licht, galm nog eens den ouden
kreet uit.
Bezield schalt mijn roep, het luchtruim is mijn,
Ik zie om mij heen vrijelijk, neem wat ik zie in mij op,
Snel voorwaarts, maar nu een wijl afgestegen,
Vreemd klinkend nieuws breng ik,
Gloeiende vonken, hemelsche zaden werp ik neer in den
droesem,
Ik zelf, onkundig, vervul mijn opdracht, en verlies nooit den
moed van het Waarom?
En den groei en den bloei van het zaad laat ik over aan
geslacht na geslacht,
Aan troepen,
die in den strijd-zelf opkomen, zij zullen de
taak, die ik opgelegd heb, volbrengen,
Aan vrouwen vermaak ik enkele fluisteringen van mijn Ikheid,
haar liefde verklaar ik mij duidelijker,
Aan jonge mannen geef ik de vragen des levens—geen
zwetser, ik—en beproef de kracht van hun
brein,
Zoo ga ik voort, korten tijd sprekende, zichtbaar, vol tegenstrijdigheid,
Hierna een welluidende echo, waar gretig naar zal geluisterd
worden (sterven maakt mij waarlijk
onsterflijk)
Het beste van mijn leven, wanneer ik niet langer zichtbaar
zal zijn, en waartoe ik mij onophoudelijk heb
voorbereid.
Wat dan nog meer, dat ik draal en wijl en voortkruip met
ongesloten mond?
Is er wel eenig beslissend vaarwel?
Mijn zangen zijn hiermee geëindigd, ik laat hen na,
Van achter het scherm, dat mij verborgen hield, kom ik nu
naar voren, en ga regelrecht op U toe.
Camerado, dit is geen boek,
Wie het aanraakt, raakt een mensch aan,
(Is 't nacht? Zijn wij hier tezamen alleen?)
Ik ben 't, dien gij vasthoudt en die U vasthoudt,
Ik snel uit deze bladeren in Uw armen—de Dood roept
mij weg.
O, hoe Uw handen mij verzaligen,