WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 24: LIED VAN ZONSONDERGANG
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.


voorloopers ruim baan maken,

Ik hoor het tromgeroffel der overwinning.

Dit gezicht is een reddingsboot,

Dit is het gebaarde gezicht, dat het bevel geeft, het ontleent

gezag aan zich-zelf;

Dit gezicht is een geurige vrucht, rijp om genoten te worden,

Dit gezicht van een gezonden, eerlijken knaap is de belofte

van al wat goed is.

Deze gezichten getuigen of zij slapen of waken,

Zij bewijzen hun afkomst van den Meester zelf.

Het woord, dat ik sprak, kome in vervulling, niet èèn sluit

ik uit—rood, wit, zwart, allen zijn goddelijk,

In elk huis is het Ovum, na duizenden jaren zal het bewezen

worden.

Vlekken of barsten in de vensters schrikken mij niet af,

Verheven en volkomen menschen staan daar achter, en wenken

mij toe,

Ik hoor de belofte en heb tijd om te wachten.

Dit is het gezicht van een volbloeide lelie,

Zij spreekt tot den hinkenden man dicht aan het tuinhek,

Kom hier
, roept zij blozend,
kom heel dicht bij me, hinkende
man,

Blijf naast mij staan tot ik zoo hoog ik maar kan tegen U kan
aanleunen,

Vervul mij met witten honig, buig U over mij heen,

Beroer mij met Uw baard, beroer mij aan borst en schouders.



5.


Het oude gezicht van de moeder van vele kinderen,

Stil! Nu is 't mij zeer liefelijk.

Laag en laat is de rook op den Eersten-dagmorgen,

Hij hangt vlak boven de boomen-rijen aan de schuttingen,

Hij hangt dun bij de sassafras en de wilde kers, en in de

katstruiken omlaag.

Ik zag de rijke dames prachtig gekleed op de soirée,

Ik hoorde wat de zangers zoo lang zongen,

Leerde wie in karmozijne jeugd opkwam uit het witte schuim

en het waterblauw.

Zie een vrouw!

Haar gezicht komt half uit haar kwaker-muts, haar gezicht

is reiner en schooner dan de hemel.

Zij zit in een armstoel onder de beschaduwde deur van de

boerderij,

De zon streelt haar oude witte hoofd,

Haar ruim gewaad is van roomkleurig linnen,

Haar kleinzonen teelden het vlas en haar kleindochters

sponnen 't met het rokken en het wiel.

Het melodieuze karakter der aarde,

Het einde waar voorbij het denken niet kan gaan, en ook niet

wenscht te gaan,

De gerechtvaardigde moeder der menschen.





LIED VAN ZONSONDERGANG




Pracht van den vallenden dag, die mij verheft en vervult,

Uur van profetische kracht, uur dat het verleden doet herleven,

Het leven stijgt op in mijn keel, U, goddelijke middenmensch,

U, aarde en leven, zal ik bezingen tot den laatsten zonnegloor.


Open mond mijner ziel, die blijheid uit,

Oogen mijner ziel, die volmaaktheid zien,

Mijn grashalmen, die de dingen des levens trouwelijk roemen,

En de triumf der dingen des levens bevestigen.


Schoon iedereen!

Schoon, wat wij Ruimte noemen, sfeer van ongetelde geesten,

Schoon het voortbrengings-mysterie van het Zijn zelfs in het

onnaspeurlijke insect,

Schoon het vermogen der spraak, de zinnen, het lijf,

Schoon het verdwijnende licht, schoon de bleeke weerglans

der nieuwe maan aan den Westerhemel,

Schoon wat ik ook zie of hoor of voel tot het einde.


Grootheid, in alles,

In de voldoening en de zekerheid der dieren,

In den jaarlijkschen terugkeer der seizoenen,

In de vreugden der jonkheid,

In de kracht en den bloei des mannelijken levens,

In de grandeur en de uitgelezenheid van den ouderdom,

In het heerlijke uitzien op den Dood.

Wonderbaarlijk, het heengaan!

Wonderbaarlijk, het leven!

Het hart, de drijfkracht van 't overal-gelijke en onschuldige

bloed!

Hoe liefelijk, de lucht te ademen!

Te spreken—te gaan—iets met de hand aan te vatten!

Zich voor te bereiden op den slaap, op het naar bed gaan,

neer te zien op mijn rooskleurig lijf!

Bewustzijn te bezitten van dit lijf, zoo voldaan, zoo grootsch!

Deze ongelooflijke God te zijn, die ik ben!

Te hebben gewandeld onder andere Goden, deze mannen

en vrouwen, die ik liefheb.

Wonderbaarlijk, hoe ik U en mij-zelf roem!

Hoe mijn gedachten zachtkens spelen over de dingen, die ik

zie om mij heen!

Hoe de aarde op haar baan voort en voort schiet! Hoe de

zon, maan, sterren voort en voort schieten op hun baan!

Hoe het water wegsnelt en zingt! (Daar is leven overal en in

alles!)

Hoe de boomen oprijzen en opstaan met sterke stammen, met

takken en bladeren!

(Daar is meer dan wij zien in elk dier boomen, daar is een

levende ziel!)

O wonder van alle dingen—wonder van het kleinste atoom

zelfs!

O spiritualiteit der dingen!

O levensaccoord, dat lieflijk vloeit door menschengeslachten,

en nu mij en Amerika bezielt!

Ik voel Uw sterke trilling, doe haar uit mij vloeien, en blijde

van mij uitgaan in anderen.

Ik ook bezing de zon, in opkomst of ter noen, of, gelijk nu, in

haar ondergaan,

Ik ook weerklop het brein en de schoonheid der aarde, en

van heel het leven der aarde,

Ik heb ook den onweerstaanbaren drang gevoeld van mijn

Ik-heid.


Toen ik den Missisippi afdreef,

Toen mijn gang ging over de prairiën,

Toen ik volop leefde, toen ik uitkeek door mijn vensters,

deze oogen,

Toen ik uitging in den morgen, toen ik het licht in het

Oosten zag doorbreken,

Toen ik baadde aan het strand der Oosterzee en dan weer

aan het strand der Westerzee,

Toen ik zwierf in de straten van Chicago, diep-in-'t-land, of

waar ik ook omzwierf in de straten,

Of steden, of zwijgende wouden, of zelfs midden in het

schouwspel van oorlog,

Waar ik ook was, steeds heb ik mij vervuld van tevredenheid

en overwinning.


Tot het einde bezing ik het twee-een-zijn, nieuw of oud,

Ik bezing het eindeloos einde der dingen,

Ik zeg de natuur blijft, licht blijft,

Wat ik bezing, bezing ik met bezielende stem,

Want niet één onvolmaaktheid zie ik in gansch het Heelal,

En ik zie aan het Einde niet eenig ding, niet eenige uitkomst,

die treuren doet in het Heelal.


O, ondergaande zon! hoewel Uw tijd is gekomen,

Blijf ik voortgaan onder U te zingen, en zoo anderen niet, ik

zing in onverzwakte aanbidding voor U!





TOT WEERZIENS!




Om te besluiten kondig ik aan wat na mij komt.

Ik herinner U, dat ik, voor dit boek tot leven kwam, heb

gezegd,

Ik zou mijn stem blijde en krachtig doen getuigen, dat er

volmaaktheid is in alles.

Wanneer Amerika volbrengt wat beloofd is,

Wanneer door deze Staten honderd-millioen voortreffelijke

menschen gaan,

Wanneer de overigen voor hen ter zijde gaan en voor hen

leven,

Wanneer de kinderen van de volmaakte moeders bewijzen

wat Amerika is,

Dan komt voor mij en het mijne d'echte blijdschap.


Ik ben doorgedrongen sterk in mijn eigen recht,

Ik heb lijf en ziel, vrede en oorlog bezongen, en de zangen

van leven en dood doen hooren,

En de zangen van geboorte, en laten zien dat daar vele geboorten

zijn.

Ik heb mijn leer opengelegd voor ieder, met vasten tred ben

ik het leven doorgegaan;

Terwijl mijn levensvreugde nu volmaakt is, fluister ik:
Tot

weerziens!

En neem de hand van de jonge vrouw en de hand van den

jongen man voor den laatsten keer.


Ik verkondig de opkomst van natuurlijke menschen,

Ik verkondig de triomfantelijke rechtvaardigheid,

Ik verkondig ongedeerde vrijheid en gelijkheid,

Ik verkondig de rechtvaardiging van oprechtheid en de

rechtvaardiging van zelfbewustheid,

Ik verkondig, dat de identiteit dezer Staten een enkele

identiteit is,

Ik verkondig, dat de Unie steeds vaster en onverbrekelijker

wordt,

Ik verkondig zooveel heerlijkheid en zooveel Majesteit, dat

al wat daar voorheen schoon was op aarde er bij verbleekt.


Ik verkondig verknochtheid, ik zeg: zij zal eindeloos en onoplosbaar

zijn,

Ik zeg: gij zult den vriend vinden naar wien gij gezocht hebt.


Ik verkondig de komst van een man of een vrouw, misschien

zijt gij dat (Tot ziens dan!)

Ik verkondig den grooten Mensch, vloeizaam als de Natuur,

kuisch, liefdevol, deelnemend, welgewapend.


Ik verkondig een leven, dat overvloedig, vurig, goddelijk,

stoutmoedig zal zijn,

Ik verkondig het Einde, dat lichtvol en blijde zich zal passen

aan den overgang.


Ik verkondig myriaden van jeugd, schoonheid, kracht en

lieflijk bloed,

Ik verkondig een geslacht van heerlijke en wijze grijsheid.


O geweldiger en heviger—
(Tot ziens!)

O myriaden, die te dicht mij omgeeft,

Ik voorzie te veel, ik zie de goddelijke toekomst helderder

dan ooit te voren,

Dit is, geloof ik, de helderziendheid van het sterven.


Spoed U dan, o stem, klink op voor 't laatst,

Groet, groet nog eens het licht, galm nog eens den ouden

kreet uit.


Bezield schalt mijn roep, het luchtruim is mijn,

Ik zie om mij heen vrijelijk, neem wat ik zie in mij op,

Snel voorwaarts, maar nu een wijl afgestegen,

Vreemd klinkend nieuws breng ik,

Gloeiende vonken, hemelsche zaden werp ik neer in den

droesem,

Ik zelf, onkundig, vervul mijn opdracht, en verlies nooit den

moed van het Waarom?

En den groei en den bloei van het zaad laat ik over aan

geslacht na geslacht,

Aan troepen, die in den strijd-zelf opkomen, zij zullen de

taak, die ik opgelegd heb, volbrengen,

Aan vrouwen vermaak ik enkele fluisteringen van mijn Ikheid,

haar liefde verklaar ik mij duidelijker,

Aan jonge mannen geef ik de vragen des levens—geen

zwetser, ik—en beproef de kracht van hun brein,

Zoo ga ik voort, korten tijd sprekende, zichtbaar, vol tegenstrijdigheid,

Hierna een welluidende echo, waar gretig naar zal geluisterd

worden (sterven maakt mij waarlijk onsterflijk)

Het beste van mijn leven, wanneer ik niet langer zichtbaar

zal zijn, en waartoe ik mij onophoudelijk heb voorbereid.


Wat dan nog meer, dat ik draal en wijl en voortkruip met

ongesloten mond?

Is er wel eenig beslissend vaarwel?


Mijn zangen zijn hiermee geëindigd, ik laat hen na,

Van achter het scherm, dat mij verborgen hield, kom ik nu

naar voren, en ga regelrecht op U toe.


Camerado, dit is geen boek,

Wie het aanraakt, raakt een mensch aan,

(Is 't nacht? Zijn wij hier tezamen alleen?)

Ik ben 't, dien gij vasthoudt en die U vasthoudt,

Ik snel uit deze bladeren in Uw armen—de Dood roept

mij weg.


O, hoe Uw handen mij verzaligen,