Ook zing ik een lied
van de Eene die uit allen geschapen is,
De vreesbre, luistervolle Eene, die groot is bovenal,
De onwrikbre, de strijdbre Eene, omvattend al en bovenal,
Hoe hoog het hoofd van iemand zij, Haar hoofd is bovenal.
Ik zal alle landen die leven hulde brengen,
Ik zal de landbeschrijving van heel de aarde volgen en een
eerbiedsgroet brengen aan elke stad, 't zij groot of
klein,
En aan allen arbeid! Ik zal zeggen in mijn gedichten, dat met
U, ter land en zee, het ware held-zijn
is,
En ik zal dat held-zijn gadeslaan met de oogen van een
Amerikaan.
Ik zal het lied zingen der kameraadschap,
Ik zal aantoonen wat enkel en ten slotte de menschen
moet bijeenbrengen,
Ik geloof zij zullen hun eigen ideaal van sterke liefde hebben,
zoo als dat nu reeds in mij leeft,
Aldus zal ik hoog laten opvlammen uit mijn ziel de laaiende
vuren die mij dreigden te verteren,
Ik zal deze vuren, die te lang smeulden, vrij-geven,
Ik zal hen vrijelijk laten woelen,
Ik zal schrijven het evangelium-gedicht van kameraden en
van liefde,
Want wie beter dan ik verstaat de liefde met al haar verdriet
en haar vreugd?
En wie eerder dan ik zou de dichter zijn der kameraadschap?
7.
Ik geloof in de deugd, in de eeuwen, in de rassen,
En ik ga uit voor een arbeid in den eigen geest van het volk,
Hoort dan het lied van onbeperkt geloof.
Omnes! Omnes! Laat anderen onbewust zijn van wat zij niet
kennen,
Ik maak een gedicht ook ter eere van het kwade, ik sla dit
levensdeel niet over,
Ik-zelf ben juist even kwaad als goed en zoo is ook mijn
volk—en ik zeg: in werkelijkheid is er geen
kwaad.
(En zoo er kwaad is,
dan is dit voor U, voor allen, voor mij
even gewichtig als wat ook in het
leven).
Ook ik, velen volgend en door velen gevolgd, breng een
religie tot wijding, ik daal in den arena
af,
(Misschien wel bestemd de luidste kreten, den overwinningsroep
te doen hooren,
Wie weet? Dat die kreten dan nu reeds van mij worden gehoord).
Niemand is enkel om zijnentwil,
Ik zeg de geheele aarde en al de sterren in het firmament
zijn daar om religiëns wil.
Ik zeg: niemand was tot nu half vroom genoeg,
Niemand heeft ooit aangebeden en vereerd half genoeg,
Niemand heeft er nog aan gedacht hoe divijn hij zelf en hoe
zeker de toekomst is.
Ik zeg de ware en blijvende grandeur dezer Staten moet hun
religie zijn,
Zonder religie is er geen ware en blijvende grandeur,
(Noch karakter, noch leven dien naam waardig zonder religie,
Noch land, noch man of vrouw zonder religie).
8.
Wat, jonge man, is uw streven?
Zijt gij zoo ernstig, zoo vol toewijding voor litteratuur, wetenschap,
kunst, amours?
Deze tastbare realiteiten, politiek, dingen?
Uw eerzucht of uw vak, wat dan ook?
't Is goed,—ik heb tegen dezulken niets, ik ben ook hun
dichter.
Maar zie! Zie hoe snel in brand en snel verteerd, zie dit
branden om religiëns wil;
Niet alle brandstof verwarmt in haar gloeien, niet alle vlam
geeft licht aan het eigenlijk leven dezer
aarde:
Voor religie is alles meer dan dit.
9.
Wat zoekt gij zoo nadenkend en zwijgzaam?
Wat is uw nood, Camerado?
Lieve zoon, denkt gij liefde is wat gij behoeft?
Luister, lieve zoon, luister Amerika, 't zij dochter of zoon,
't Is een smartenlast een man of vrouw onstuimig lief te
hebben, en toch 't verheft ons en 't is
groot,
Maar er is iets anders zéér groot, iets dat het al omvat,
Dat, heerlijk boven alle stof verheven, met onvermoeide
handen uitstrooit voor allen en zorgt voor
allen.
10.
Eens toen ik wandelde, in Alabama, mijn morgenwandeling,
Zag ik hoe in de struiken het wijfken des lachvogels op haar
nest zat en haar jongen koesterde.
Ook zag ik het mannetje,
En ik stond een wijl dichtbij en luisterde naar zijn heerlijk
lied van leven.
En toen ik daar wijlde kwam het in mij, dat hij niet enkel
zong voor wat dicht aan zijn zijde was,
Niet enkel voor zijn gezellinne, niet enkel voor zichzelf, noch
enkel voor de echo's die het lied aan het verleden
schonken.
Maar wonder-zacht, onmerkbaar bijna, heel ver omhoog,
Schonk en vertolkte hij in 't lied een hemelgift voor hen die
pas geboren waren voor de toekomst.
11.
Democratie! dicht bij u zingt nu een stem het lied des
levens, blijde en krachtig.
Ma femme! Voor onze kinderen van toekomst en heden,
Voor hen, die om ons heen zijn en voor hen die komen,
Ik, juichend, nu mij-zelf bewust, doe opluiden mijn zangen,
kloeker zangen, hooger zangen dan ooit op aarde
gehoord.
Ik zal den zangen van de passie vrijgeven,
En ook uw zangen, wetschenders en uitgestootenen, want ik
zie u aan met een goed oog, gij ook leeft in mijn hart,
zoo
goed als de anderen.
Ik zal het ware gedicht der schatten schrijven,
En voor lichaam en geest winnen al wat zij behoeven en wat
leven heeft voor hen en door den dood niet wordt
geschaad;
Ik wil egotisme zaaien en toonen, dat het de kiem van alles
is, en ik wil de bard van het karakter
zijn,
En ik zal toonen, dat man en vrouw volkomen elkaars gelijke
zijn,
En sexueele organen en daden! Versterkt U in mij, want ik
ben vast besloten U te erkennen en luide en moedig
te
verkondigen, dat gij verheven zijt,
En ik zal toonen, dat er in het leven geen onvolmaaktheid is,
en dat zij ook in de toekomst niet zal
zijn,
En ik zal bewijzen, dat wat ons in het leven overkomt, de
gevolgen altijd heerlijk kunnen wezen,
En ik zal verklaren, dat ons niets lieflijkers kan overkomen
dan de dood,
En door mijne poëmen zal de gedachte vloeien, dat het
eeuwige en het tijdelijke hetzelfde
zijn,
En dat alle dingen des heelals wonderen zijn, elk hunner zoo
groot als een ander.
Ik zal niet dichten om een deel slechts eer te geven,
Ik wil dichten, zingen, denken ter glorie van het Al,
En ik zal niet zingen om een enkelen dag, maar om alle
dagen te eeren,
En ik zal niet een enkel gedicht, noch een enkelen regel van
een gedicht schrijven, zonder de ziel te
eeren,
Immers, na het leven des Heelals te hebben aanschouwd, vind
ik dat geheel noch deel zijn kan zonder de
ziel.
12.
Vroeg daar iemand de ziel te zien?
Zie uw eigen gestalte en gelaat, de menschen, de dingen, de
beesten, boomen, stroomende rivieren, de rotsen en
de
woestijnen,
Alles heeft eens
het Paradijs gekend en later verloren;
Hoe kan dan waarlijk het lichaam ooit sterven en begraven
worden?
Of waarlijk uw lichaam, of waarlijk het lichaam van welken
man of welke vrouw ook,
Iedere atoom van ons lichaam ontsnapt aan de hand des
afleggers en wijkt naar de sferen die van gelijk
leven zijn,
Met zich nemende al wat bezeten en ontvangen werd van het
moment der geboorte tot het oogenblik des
doods.
De lettertypen door den zetter bijeengevoegd geven in hun
afdruk de meening en de bedoeling des schrijvers
niet
beter weer,
Dan eens mans wezen en leven of eener vrouw door lichaam
en ziel worden weergegeven,
Onverschillig voor den dood of na den
dood.
Zie dan, het lichaam bevat de meening en de bedoeling Gods,
het bevat en is de ziel;
Wie gij ook zijt, hoe heerlijk en hoe goddelijk is uw lichaam
en ieder deel uws lichaams!
13.
O Camerado dien ik liefheb! O gij en ik vereend ten laatste
en wij tweeën nu voor ons-zelf
alleen!
O, één woord dat het leven schoon en kostelijk en eindeloos
maakt!
O, iets dat ons extase geeft en niet van deze aarde! O muziek
van passie!
O, nu is mijn triumf volkomen en de uwe met de mijne;
O, hand in hand—O, enkel vreugde—O, een die mij
begeert en liefheeft meer!
O, het leven is ons! Spoeden wij ons! Spoeden wij ons! Spoed
U met mij voort naar de toekomst!
UIT: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK
1.
Ik verheerlijk mij-zelf en bezing mij-zelf,
En wat ik voor mij vorder zult gij vorderen voor U,
Want elke atoom mijns levens is een atoom uws levens.
Ik ga om in de natuur en bepeins hoe zij zich weerkaatst in
mijn ziel,
Ik dwaal rond, leg mij neder en sla een grasspriet gade.
Mijn spraak, elke bloedatoom in mij is voortgekomen uit
dezen zelfden grond en uit deze zelfde
lucht.
Hier geboren, uit ouders hier geboren oók, uit ouders gelijkelijk
hier geboren en dier ouders tevens,
Ik, nu zevenendertig jaren oud, volkomen gezond, ga uit tot
mijn arbeid,
Hopende dien arbeid te kunnen voortzetten tot mijn stervensuur.
Ik laat credo's en theorieën voor wat zij zijn,
In mijn beschouwing is hun aanzijn reeds voldoende, maar
nooit vergeet ik ze,
Goed en kwaad zijn mij welkom, beiden mogen spreken als
het leven hun dringt,
Natuur, zonder dwang, en met oerkracht.
2.
Ik heb den praat gehoord van de praters, den praat over het
begin en het einde;
Maar ik praat niet over het begin en het einde.
Nooit was het begin aanvankelijker dan het nu is,
Nooit was er meer jeugd of oudheid dan er nu is,
En nooit zal er meer volkomenheid zijn dan er nu is.
Evenmin ietwat
meer hemel of hel dan er nu is.
Vooruitgang was het begin, vooruitgang zal het eind zijn,
De scheppende vooruitgang van de wereld altijd en immer.
Licht is in duisternis en beiden gaan evenredig voort, altijd
en overal is het wezen, altijd zal de kunne er
zijn;
Altijd de vereeniging van wat aantrekt, altijd het zich-zelf
blijven der verscheidenheden, altijd een nieuw
geslacht.
Hier tegen in te gaan heeft geen nut, geleerd of ongeleerd
gevoelt dat dit de waarheid is.
Zeker als de onwankelbare zekerheid, lood in de rechtstandigheid,
goed doorvoegd, gesteund in de balken,
Moedig als een paard, vol kracht van liefde, onbevangen,
electrisch,
Staan wij hier in het leven, ik en dit
mysterie.
Zuiver en zoet is mijn ziel, en zuiver en zoet is alles wat
niet is mijn ziel.
Waar een ontbreekt ontbreken beiden, en het ongeziene wordt
door het zichtbare bewezen,
Totdat ook dit onzichtbaar wordt en bewezen wordt op
zijn tijd.