WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 7: UIT: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.

Ook zing ik een lied van de Eene die uit allen geschapen is,

De vreesbre, luistervolle Eene, die groot is bovenal,

De onwrikbre, de strijdbre Eene, omvattend al en bovenal,

Hoe hoog het hoofd van iemand zij, Haar hoofd is bovenal.


Ik zal alle landen die leven hulde brengen,

Ik zal de landbeschrijving van heel de aarde volgen en een

eerbiedsgroet brengen aan elke stad, 't zij groot of klein,

En aan allen arbeid! Ik zal zeggen in mijn gedichten, dat met

U, ter land en zee, het ware held-zijn is,

En ik zal dat held-zijn gadeslaan met de oogen van een

Amerikaan.


Ik zal het lied zingen der kameraadschap,

Ik zal aantoonen wat enkel en ten slotte de menschen

moet bijeenbrengen,

Ik geloof zij zullen hun eigen ideaal van sterke liefde hebben,

zoo als dat nu reeds in mij leeft,

Aldus zal ik hoog laten opvlammen uit mijn ziel de laaiende

vuren die mij dreigden te verteren,

Ik zal deze vuren, die te lang smeulden, vrij-geven,

Ik zal hen vrijelijk laten woelen,

Ik zal schrijven het evangelium-gedicht van kameraden en

van liefde,

Want wie beter dan ik verstaat de liefde met al haar verdriet

en haar vreugd?

En wie eerder dan ik zou de dichter zijn der kameraadschap?



7.


Ik geloof in de deugd, in de eeuwen, in de rassen,

En ik ga uit voor een arbeid in den eigen geest van het volk,

Hoort dan het lied van onbeperkt geloof.


Omnes! Omnes! Laat anderen onbewust zijn van wat zij niet

kennen,

Ik maak een gedicht ook ter eere van het kwade, ik sla dit

levensdeel niet over,

Ik-zelf ben juist even kwaad als goed en zoo is ook mijn

volk—en ik zeg: in werkelijkheid is er geen kwaad.

(En zoo er kwaad is, dan is dit voor U, voor allen, voor mij

even gewichtig als wat ook in het leven).

Ook ik, velen volgend en door velen gevolgd, breng een

religie tot wijding, ik daal in den arena af,

(Misschien wel bestemd de luidste kreten, den overwinningsroep

te doen hooren,

Wie weet? Dat die kreten dan nu reeds van mij worden gehoord).


Niemand is enkel om zijnentwil,

Ik zeg de geheele aarde en al de sterren in het firmament

zijn daar om religiëns wil.


Ik zeg: niemand was tot nu half vroom genoeg,

Niemand heeft ooit aangebeden en vereerd half genoeg,

Niemand heeft er nog aan gedacht hoe divijn hij zelf en hoe

zeker de toekomst is.


Ik zeg de ware en blijvende grandeur dezer Staten moet hun

religie zijn,

Zonder religie is er geen ware en blijvende grandeur,

(Noch karakter, noch leven dien naam waardig zonder religie,

Noch land, noch man of vrouw zonder religie).



8.


Wat, jonge man, is uw streven?

Zijt gij zoo ernstig, zoo vol toewijding voor litteratuur, wetenschap,

kunst, amours?

Deze tastbare realiteiten, politiek, dingen?

Uw eerzucht of uw vak, wat dan ook?


't Is goed,—ik heb tegen dezulken niets, ik ben ook hun

dichter.

Maar zie! Zie hoe snel in brand en snel verteerd, zie dit

branden om religiëns wil;

Niet alle brandstof verwarmt in haar gloeien, niet alle vlam

geeft licht aan het eigenlijk leven dezer aarde:

Voor religie is alles meer dan dit.



9.


Wat zoekt gij zoo nadenkend en zwijgzaam?

Wat is uw nood, Camerado?

Lieve zoon, denkt gij liefde is wat gij behoeft?

Luister, lieve zoon, luister Amerika, 't zij dochter of zoon,

't Is een smartenlast een man of vrouw onstuimig lief te

hebben, en toch 't verheft ons en 't is groot,

Maar er is iets anders zéér groot, iets dat het al omvat,

Dat, heerlijk boven alle stof verheven, met onvermoeide

handen uitstrooit voor allen en zorgt voor allen.



10.


Eens toen ik wandelde, in Alabama, mijn morgenwandeling,

Zag ik hoe in de struiken het wijfken des lachvogels op haar

nest zat en haar jongen koesterde.

Ook zag ik het mannetje,

En ik stond een wijl dichtbij en luisterde naar zijn heerlijk

lied van leven.


En toen ik daar wijlde kwam het in mij, dat hij niet enkel

zong voor wat dicht aan zijn zijde was,

Niet enkel voor zijn gezellinne, niet enkel voor zichzelf, noch

enkel voor de echo's die het lied aan het verleden schonken.

Maar wonder-zacht, onmerkbaar bijna, heel ver omhoog,

Schonk en vertolkte hij in 't lied een hemelgift voor hen die

pas geboren waren voor de toekomst.



11.


Democratie! dicht bij u zingt nu een stem het lied des

levens, blijde en krachtig.


Ma femme! Voor onze kinderen van toekomst en heden,

Voor hen, die om ons heen zijn en voor hen die komen,

Ik, juichend, nu mij-zelf bewust, doe opluiden mijn zangen,

kloeker zangen, hooger zangen dan ooit op aarde gehoord.


Ik zal den zangen van de passie vrijgeven,

En ook uw zangen, wetschenders en uitgestootenen, want ik

zie u aan met een goed oog, gij ook leeft in mijn hart, zoo

goed als de anderen.


Ik zal het ware gedicht der schatten schrijven,

En voor lichaam en geest winnen al wat zij behoeven en wat

leven heeft voor hen en door den dood niet wordt geschaad;

Ik wil egotisme zaaien en toonen, dat het de kiem van alles

is, en ik wil de bard van het karakter zijn,

En ik zal toonen, dat man en vrouw volkomen elkaars gelijke

zijn,

En sexueele organen en daden! Versterkt U in mij, want ik

ben vast besloten U te erkennen en luide en moedig te

verkondigen, dat gij verheven zijt,

En ik zal toonen, dat er in het leven geen onvolmaaktheid is,

en dat zij ook in de toekomst niet zal zijn,

En ik zal bewijzen, dat wat ons in het leven overkomt, de

gevolgen altijd heerlijk kunnen wezen,

En ik zal verklaren, dat ons niets lieflijkers kan overkomen

dan de dood,

En door mijne poëmen zal de gedachte vloeien, dat het

eeuwige en het tijdelijke hetzelfde zijn,

En dat alle dingen des heelals wonderen zijn, elk hunner zoo

groot als een ander.


Ik zal niet dichten om een deel slechts eer te geven,

Ik wil dichten, zingen, denken ter glorie van het Al,

En ik zal niet zingen om een enkelen dag, maar om alle

dagen te eeren,

En ik zal niet een enkel gedicht, noch een enkelen regel van

een gedicht schrijven, zonder de ziel te eeren,

Immers, na het leven des Heelals te hebben aanschouwd, vind

ik dat geheel noch deel zijn kan zonder de ziel.



12.


Vroeg daar iemand de ziel te zien?

Zie uw eigen gestalte en gelaat, de menschen, de dingen, de

beesten, boomen, stroomende rivieren, de rotsen en de

woestijnen,

Alles heeft eens het Paradijs gekend en later verloren;

Hoe kan dan waarlijk het lichaam ooit sterven en begraven

worden?


Of waarlijk uw lichaam, of waarlijk het lichaam van welken

man of welke vrouw ook,

Iedere atoom van ons lichaam ontsnapt aan de hand des

afleggers en wijkt naar de sferen die van gelijk leven zijn,

Met zich nemende al wat bezeten en ontvangen werd van het

moment der geboorte tot het oogenblik des doods.


De lettertypen door den zetter bijeengevoegd geven in hun

afdruk de meening en de bedoeling des schrijvers niet

beter weer,

Dan eens mans wezen en leven of eener vrouw door lichaam

en ziel worden weergegeven,

Onverschillig voor den dood of na den dood.


Zie dan, het lichaam bevat de meening en de bedoeling Gods,

het bevat en is de ziel;

Wie gij ook zijt, hoe heerlijk en hoe goddelijk is uw lichaam

en ieder deel uws lichaams!



13.


O Camerado dien ik liefheb! O gij en ik vereend ten laatste

en wij tweeën nu voor ons-zelf alleen!

O, één woord dat het leven schoon en kostelijk en eindeloos

maakt!

O, iets dat ons extase geeft en niet van deze aarde! O muziek

van passie!

O, nu is mijn triumf volkomen en de uwe met de mijne;

O, hand in hand—O, enkel vreugde—O, een die mij

begeert en liefheeft meer!

O, het leven is ons! Spoeden wij ons! Spoeden wij ons! Spoed

U met mij voort naar de toekomst!





UIT: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK




1.


Ik verheerlijk mij-zelf en bezing mij-zelf,

En wat ik voor mij vorder zult gij vorderen voor U,

Want elke atoom mijns levens is een atoom uws levens.


Ik ga om in de natuur en bepeins hoe zij zich weerkaatst in

mijn ziel,

Ik dwaal rond, leg mij neder en sla een grasspriet gade.


Mijn spraak, elke bloedatoom in mij is voortgekomen uit

dezen zelfden grond en uit deze zelfde lucht.

Hier geboren, uit ouders hier geboren oók, uit ouders gelijkelijk

hier geboren en dier ouders tevens,

Ik, nu zevenendertig jaren oud, volkomen gezond, ga uit tot

mijn arbeid,

Hopende dien arbeid te kunnen voortzetten tot mijn stervensuur.


Ik laat credo's en theorieën voor wat zij zijn,

In mijn beschouwing is hun aanzijn reeds voldoende, maar

nooit vergeet ik ze,

Goed en kwaad zijn mij welkom, beiden mogen spreken als

het leven hun dringt,

Natuur, zonder dwang, en met oerkracht.



2.


Ik heb den praat gehoord van de praters, den praat over het

begin en het einde;

Maar ik praat niet over het begin en het einde.


Nooit was het begin aanvankelijker dan het nu is,

Nooit was er meer jeugd of oudheid dan er nu is,


En nooit zal er meer volkomenheid zijn dan er nu is.

Evenmin ietwat meer hemel of hel dan er nu is.

Vooruitgang was het begin, vooruitgang zal het eind zijn,

De scheppende vooruitgang van de wereld altijd en immer.


Licht is in duisternis en beiden gaan evenredig voort, altijd

en overal is het wezen, altijd zal de kunne er zijn;

Altijd de vereeniging van wat aantrekt, altijd het zich-zelf

blijven der verscheidenheden, altijd een nieuw geslacht.


Hier tegen in te gaan heeft geen nut, geleerd of ongeleerd

gevoelt dat dit de waarheid is.


Zeker als de onwankelbare zekerheid, lood in de rechtstandigheid,

goed doorvoegd, gesteund in de balken,

Moedig als een paard, vol kracht van liefde, onbevangen,

electrisch,

Staan wij hier in het leven, ik en dit mysterie.


Zuiver en zoet is mijn ziel, en zuiver en zoet is alles wat

niet is mijn ziel.

Waar een ontbreekt ontbreken beiden, en het ongeziene wordt

door het zichtbare bewezen,

Totdat ook dit onzichtbaar wordt en bewezen wordt op

zijn tijd.