eigen gezicht in den spiegel,
Ik vind brieven van God in de straten en elke brief is
geteekend met Gods naam,
En ik laat hen waar zij zijn, want ik weet dat waar ik ook ga,
Ik anderen zal vinden eeuwiglijk en eeuwiglijk.
17.
En wat U betreft, Dood, en U bittere kus der sterflijkheid,
vergeefs tracht gij mij ongerust te
maken.
Zonder zich op zijn weg op te houden snelt de vroedmeester
naar zijn werk,
Ik zie hoe de ervaren hand drukt, ontvangt, ondersteunt,
Ik zie aandachtig toe aan de drempels dier uitnemend gewillige
deuren,
En zie het uitlaten en merk op hoe verlichting wordt gegeven
en hoe het leven uitbreekt.
En wat U betreft, Lijk, ik denk gij zijt een voortreffelijke
mest, maar hinderen doet dit mij niet,
Ik ruik den zoeten geur der bloeiende witte rozen,
Ik strek mij uit naar de gebladerde lippen, ik strek mij uit
naar de gladde borsten der meloenen.
En wat U betreft, Leven, ik denk gij zijt de erfenis van
velerlei dood,
(En zonder twijfel ben ik-zelf vroeger reeds tienduizenden
malen gestorven.)
Ik hoor uw
gefluister o hemelsche sterren,
O zon—o gras van graven—o eindeloos overbrengen en
bevorderen,
Indien gij niets zegt, hoe kan ik dan iets zeggen?
Van de troebele poel in het herfstbosch,
Van de maan die steile schachten in de suizende schemering
doet glanzen,
Valt vonkels van dag en duister—valt op de zwarte stammen
die in de drab vergaan,
Verlicht het klagelijk gefluister der verdorde rompen.
Ik stijg hooger dan de maan, hooger dan de nacht,
Ik ontdek dat de doodsbleeke schemer een weerschijn is van
de middagzonnestralen,
En goed doet aan het hechtste en middenste van alle leven,
groot of klein.
18.
Verleden en heden wijken naar achteren—ik heb er aan
gegeven, ik heb er aan ontleend,
Nu arbeid ik door en vervul den arbeid van de toekomst.
Gij daar die naar mij luistert! Wat hebt gij mij toe te vertrouwen?
Zie mij in het gezicht, terwijl ik de avondlucht inadem,
(Spreek eerlijk, niemand anders luistert, en ik wil een minuut
langer toeven.)
Spreek ik mij-zelf tegen?
Zeer goed, dan spreek ik mij-zelf tegen.
Ik ben breed, ik omvat veelheden.
Ik richt mij tot hen die mij na zijn, ik wacht op den dorpel.
Wie heeft zijn dagtaak verricht? Wie zal 't eerste klaar zijn
met zijn avondmaal?
Wie wenscht met mij te gaan?
Wilt gij spreken voor ik zal vertrokken zijn? Wilt gij zeggen
dat 't reeds te laat is?
19.
De gevlekte valk strijkt neer en beschuldigt mij, hij beklaagt
zich over mijn gesnap en getalm.
Ook ik ben niet in 't minste getemd, ook ik ben onverklaarbaar,
Ik doe mijn wilde kreten galmen over de daken der wereld.
De laatste wolkenvlucht van den dag houdt zich voor mij op,
Zij is een beeld van mij zoo gelijkend als eenig beeld kan zijn,
Het vleit mij dat ik damp ben en stof.
Ik ga heen als lucht, ik schud mijn witte lokken bij het wegsnellen
van de zon,
Mijn vleesch wordt damp en drijft weg in sierlijk-gewaaide
vlokken.
Ik vermaak mij-zelf aan het slijk om er het gras uit te laten
groeien dat ik liefheb,
Indien gij mij opnieuw mocht wenschen te zien, zie dan naar
mij uit onder uwe voeten.
Gij zult nauwelijks kunnen weten wie ik ben of wat ik bedoel,
Maar niettemin zal ik U welzijn schenken,
En uw bloed zuiveren en krachtig maken.
En indien gij mij aanvankelijk niet mocht kunnen vinden,
verlies den moed niet,
Onderzoek dan, na de eene, de andere plaats,
Ergens toef ik en ergens wacht ik op U.
UIT: ADAMSKINDEREN
EEN UUR VAN WOEST GENOT
Een uur van woest genot, O geweldig! O laat mij bandeloos
wezen!
(Hoe komt 't toch dat ik mij in stormen zoo vrij gevoel?
Wat beteekent toch mijn gejuich onder het lichten des
bliksems en het woeden der winden?)
O laat mij meer van de mystieke deliria drinken dan eenig
ander man!
O wilde en teedere pijnen! (Ik vermaak ze U mijn kinderen,
Ik deel ze gaarne aan U mede o bruidegom en bruid.)
O laat me mij aan U overgeven wie gij ook zijt en gij geef U
over aan mij ten trots van de wereld!
O laat ik teruggaan naar het Paradijs! O schaamte en Vrouw!
O laat ik U tegen mij aandrukken om op uwe lippen voor 't
eerst de kussen te planten van een zelfbewusten
man.
O, het raadsel, de drievoudig-gelegde knoop, de diepe, duistere
afgrond, alles ontbonden en verlicht!
O ik wil heensnellen waar ik eindelijk ruimte en lucht genoeg
vind!
Ik wil vrijgemaakt zijn van vroegere banden en vooroordeelen,
ik van de mijnen zoo goed als gij van de
uwen!
Ik begeer een nieuw en ongekend vrijmoedig omgaan met het
beste van natuur!
Ik wil de beklemming van onzen mond losgemaakt hebben!
Heden of morgen het gevoel bezitten: ik ben genoegzaam
zooals ik ben.
O geef mij iets nog onbewezens! iets in een verrukking des
geestes!
Laat mij geheel ontsnappen aan de ankers en de grepen van
anderen!
Vrij te drijven! vrij te leven! zorgeloos gevaarvol door te
slaan!
Verdelging aan te
zien met hoon en haar te lokken!
Op te stijgen tegen de hemelen der liefde waarvan ik droom,
er tegen op te tuimelen!
En steeds hooger te klimmen met mijn liefdedronken ziel!
Verloren te gaan indien dat zijn moet!
Het geheele verdere leven te voeden met een uur van volkomen
zaligheid en vrijheid!
Met een kort uur van woest genot.
OER-MOMENTEN
Oer-momenten—wanneer gij over mij heen gaat—o reeds
komt gij weer,
Geeft mij nu enkel het genot van wellust,
Geeft mij den drank mijner hartstochten, geeft mij welig, wild
leven,
Heden ben ik de metgezel van de lievelingen der natuur,
hedennacht tevens,
Ik behoor tot hen die gelooven in den vrijen wellust, ik neem
deel aan de nachtelijke orgieën van jonge
mannen,
Ik dans met wie dansen en drink met wie drinken,
De echo's weergalmen ons ontuchtig gezang, ik neem een
diepgevallene tot liefsten vriend,
Hij moet een wetschender zijn, ruw, ongeletterd, hij moet
iemand zijn door anderen veroordeeld om bedreven
daden,
Ik wil niet langer veinzen, waarom zou ik vèr blijven van hen
die mijn ware makkers zijn?
O gij geschuwden, ik ten minste houd mij niet verre van U,
Ik begeef mij oogenblikkelijk in uw midden, ik zal uw dichter
zijn.
Voor U zal ik meer zijn dan voor een der anderen.
UIT: CALAMUS
OP ONBETREDEN PADEN
Op onbetreden paden,
In het gewas der poelzoomen,
Ontsnapt aan het leven dat zich bloot geeft,
Aan alle standaardmaten, die tot nu algemeen golden, aan de
genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid,
Waarmee ik te lang mijn ziel heb trachten te voeden,
Duidelijk nu voor mij dat er een eerlijke maat is nog niet
algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn
ziel,
Dat de ziel van den man voor wien ik spreek welbehagen
vindt in zijne gezellen,
Hier in eenzaamheid, weg van het gedruisch der wereld,
Leg ik den kerfstok aan en hoor ik mij toespreken door welgeurende
lippen,
Niet langer beschaamd (want op deze afgelegen plek kan ik
antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven
zeggen.)
Krachtig in mij het leven dat zich niet vertoont en toch al het
andere omvat,
Vast besloten heden geen andere zangen te zingen dan die
van mannelijke gehechtheid,
En neem mij voor ze door geheel mijn aardsche leven te doen
hooren,
Voortaan zal ik het voorbeeld geven van athletische liefde,
Op den namiddag van deze lieflijke Negende Maand van mijn
een en veertigste jaar,
Begin ik mijn arbeid voor allen die jonge mannen zijn of
geweest zijn,
Ik zal het geheim vertellen van mijne nachten en dagen,...
Ik zal de noodzaak van makkers loven.
WIE GIJ OOK ZIJT DIE MIJ NU VASTHOUDT
Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt,
Indien gij mist wat gij boven alles behoeft is al wat gij doet
nutteloos,
Ernstig waarschuw ik U voor gij dieper in mij doordringt,
Ik ben niet zooals gij mij dacht maar heel anders.
Wie is hij die mijn volgeling wilde worden?
Wie wilde mij toonen naar mijn liefde te dingen?
De weg is gevaarlijk, het einde onzeker, misschien ondergang,
Gij zult al 't andere moeten opgeven, ik alleen zal eenig en
alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U
meet,
Ook dan zal uw discipelschap lang duren en uwe krachten
uitputten,
Al wat er in uw leven aan leer is en al wat uw leven gelijk
maakt aan de levens om U heen zult gij moeten
opgeven,
Daarom laat nu van mij af voor dat uw leven nog erger door
mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van
mijne
schouders,
Laat mij mijn weg gaan en ga gij den uwe.
Zoo niet, kom ga dan stil met mij in de woudeenzaamheid,
waar ik U zal beproeven,
Of achter een rots in de open lucht,
(Want in geen bedekte ruimte van eenig huis verschijn ik U,
noch zult gij mij in gezelschappen zien,
En in bibliotheken ben ik als een stomme, als een zot, of een
ongeborene of een gestorvene),
Of mogelijk met U op een hoogen heuvel, waar wij eerst
zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond
ons onbemerkt
kan naderen,
Of te zeilen met U, of met U van het zeestrand af op een stil
eiland,
Daar veroorloof ik U uwe lippen op de mijne te drukken,
Met de langbezielde kus van den makker of met de kus van
den jongen echtgenoot,
Want ik ben de jonge echtgenoot en ik ben de makker.
Of zoo gij wilt,
en mij vertrouwt onder uw kleed,
Waar ik het kloppen van uw hart mag voelen of rusten mag
op uw heup,
Neem mij dan met U als gij landen en zeeën oversteekt;
Want U aldus enkel te beroeren is mij goed, is mij lief,
En dus U beroerende wenschte ik zachtekens in te slapen en
gedragen te worden eeuwiglijk.
Maar indien gij U drenkt met het levenssap dezer halmen,
zal er gevaar voor U zijn,
Want noch deze halmen noch mij zult gij verstaan,
De geest dezer halmen zal U bij het begin ontsnappen en
steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk
ontgaan,