WeRead Powered by ReaderPub
Grashalmen cover

Grashalmen

Chapter 9: UIT: CALAMUS
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A loose, visionary sequence of free-verse poems that celebrates the individual self and the body while extending that intimacy into a broad civic and spiritual fellowship. The pieces range from brief lyrics to long, prose-like canticles and mix sensory catalogues, meditative address, and public exhortation to embrace equality, labor, nature, love, and mortality. Recurrent images and repetitive rhythms build a cumulative voice that moves between rapture, reflection, and plain observation, aiming to unite personal experience with a larger human community across urban and rural landscapes.


eigen gezicht in den spiegel,

Ik vind brieven van God in de straten en elke brief is

geteekend met Gods naam,

En ik laat hen waar zij zijn, want ik weet dat waar ik ook ga,

Ik anderen zal vinden eeuwiglijk en eeuwiglijk.



17.


En wat U betreft, Dood, en U bittere kus der sterflijkheid,

vergeefs tracht gij mij ongerust te maken.


Zonder zich op zijn weg op te houden snelt de vroedmeester

naar zijn werk,

Ik zie hoe de ervaren hand drukt, ontvangt, ondersteunt,

Ik zie aandachtig toe aan de drempels dier uitnemend gewillige

deuren,

En zie het uitlaten en merk op hoe verlichting wordt gegeven

en hoe het leven uitbreekt.


En wat U betreft, Lijk, ik denk gij zijt een voortreffelijke

mest, maar hinderen doet dit mij niet,

Ik ruik den zoeten geur der bloeiende witte rozen,

Ik strek mij uit naar de gebladerde lippen, ik strek mij uit

naar de gladde borsten der meloenen.


En wat U betreft, Leven, ik denk gij zijt de erfenis van

velerlei dood,

(En zonder twijfel ben ik-zelf vroeger reeds tienduizenden

malen gestorven.)

Ik hoor uw gefluister o hemelsche sterren,

O zon—o gras van graven—o eindeloos overbrengen en

bevorderen,

Indien gij niets zegt, hoe kan ik dan iets zeggen?


Van de troebele poel in het herfstbosch,

Van de maan die steile schachten in de suizende schemering

doet glanzen,

Valt vonkels van dag en duister—valt op de zwarte stammen

die in de drab vergaan,

Verlicht het klagelijk gefluister der verdorde rompen.


Ik stijg hooger dan de maan, hooger dan de nacht,

Ik ontdek dat de doodsbleeke schemer een weerschijn is van

de middagzonnestralen,

En goed doet aan het hechtste en middenste van alle leven,

groot of klein.



18.


Verleden en heden wijken naar achteren—ik heb er aan

gegeven, ik heb er aan ontleend,

Nu arbeid ik door en vervul den arbeid van de toekomst.


Gij daar die naar mij luistert! Wat hebt gij mij toe te vertrouwen?

Zie mij in het gezicht, terwijl ik de avondlucht inadem,

(Spreek eerlijk, niemand anders luistert, en ik wil een minuut

langer toeven.)


Spreek ik mij-zelf tegen?

Zeer goed, dan spreek ik mij-zelf tegen.

Ik ben breed, ik omvat veelheden.


Ik richt mij tot hen die mij na zijn, ik wacht op den dorpel.


Wie heeft zijn dagtaak verricht? Wie zal 't eerste klaar zijn

met zijn avondmaal?

Wie wenscht met mij te gaan?


Wilt gij spreken voor ik zal vertrokken zijn? Wilt gij zeggen

dat 't reeds te laat is?



19.


De gevlekte valk strijkt neer en beschuldigt mij, hij beklaagt

zich over mijn gesnap en getalm.


Ook ik ben niet in 't minste getemd, ook ik ben onverklaarbaar,

Ik doe mijn wilde kreten galmen over de daken der wereld.


De laatste wolkenvlucht van den dag houdt zich voor mij op,

Zij is een beeld van mij zoo gelijkend als eenig beeld kan zijn,

Het vleit mij dat ik damp ben en stof.


Ik ga heen als lucht, ik schud mijn witte lokken bij het wegsnellen

van de zon,

Mijn vleesch wordt damp en drijft weg in sierlijk-gewaaide

vlokken.


Ik vermaak mij-zelf aan het slijk om er het gras uit te laten

groeien dat ik liefheb,

Indien gij mij opnieuw mocht wenschen te zien, zie dan naar

mij uit onder uwe voeten.


Gij zult nauwelijks kunnen weten wie ik ben of wat ik bedoel,

Maar niettemin zal ik U welzijn schenken,

En uw bloed zuiveren en krachtig maken.

En indien gij mij aanvankelijk niet mocht kunnen vinden,

verlies den moed niet,

Onderzoek dan, na de eene, de andere plaats,

Ergens toef ik en ergens wacht ik op U.





UIT: ADAMSKINDEREN




EEN UUR VAN WOEST GENOT


Een uur van woest genot, O geweldig! O laat mij bandeloos

wezen!

(Hoe komt 't toch dat ik mij in stormen zoo vrij gevoel?

Wat beteekent toch mijn gejuich onder het lichten des

bliksems en het woeden der winden?)

O laat mij meer van de mystieke deliria drinken dan eenig

ander man!

O wilde en teedere pijnen! (Ik vermaak ze U mijn kinderen,

Ik deel ze gaarne aan U mede o bruidegom en bruid.)

O laat me mij aan U overgeven wie gij ook zijt en gij geef U

over aan mij ten trots van de wereld!

O laat ik teruggaan naar het Paradijs! O schaamte en Vrouw!

O laat ik U tegen mij aandrukken om op uwe lippen voor 't

eerst de kussen te planten van een zelfbewusten man.


O, het raadsel, de drievoudig-gelegde knoop, de diepe, duistere

afgrond, alles ontbonden en verlicht!

O ik wil heensnellen waar ik eindelijk ruimte en lucht genoeg

vind!

Ik wil vrijgemaakt zijn van vroegere banden en vooroordeelen,

ik van de mijnen zoo goed als gij van de uwen!

Ik begeer een nieuw en ongekend vrijmoedig omgaan met het

beste van natuur!

Ik wil de beklemming van onzen mond losgemaakt hebben!

Heden of morgen het gevoel bezitten: ik ben genoegzaam

zooals ik ben.


O geef mij iets nog onbewezens! iets in een verrukking des

geestes!

Laat mij geheel ontsnappen aan de ankers en de grepen van

anderen!

Vrij te drijven! vrij te leven! zorgeloos gevaarvol door te

slaan!


Verdelging aan te zien met hoon en haar te lokken!

Op te stijgen tegen de hemelen der liefde waarvan ik droom,

er tegen op te tuimelen!

En steeds hooger te klimmen met mijn liefdedronken ziel!

Verloren te gaan indien dat zijn moet!

Het geheele verdere leven te voeden met een uur van volkomen

zaligheid en vrijheid!

Met een kort uur van woest genot.



OER-MOMENTEN


Oer-momenten—wanneer gij over mij heen gaat—o reeds

komt gij weer,

Geeft mij nu enkel het genot van wellust,

Geeft mij den drank mijner hartstochten, geeft mij welig, wild

leven,

Heden ben ik de metgezel van de lievelingen der natuur,

hedennacht tevens,

Ik behoor tot hen die gelooven in den vrijen wellust, ik neem

deel aan de nachtelijke orgieën van jonge mannen,

Ik dans met wie dansen en drink met wie drinken,

De echo's weergalmen ons ontuchtig gezang, ik neem een

diepgevallene tot liefsten vriend,

Hij moet een wetschender zijn, ruw, ongeletterd, hij moet

iemand zijn door anderen veroordeeld om bedreven daden,

Ik wil niet langer veinzen, waarom zou ik vèr blijven van hen

die mijn ware makkers zijn?

O gij geschuwden, ik ten minste houd mij niet verre van U,

Ik begeef mij oogenblikkelijk in uw midden, ik zal uw dichter

zijn.

Voor U zal ik meer zijn dan voor een der anderen.





UIT: CALAMUS




OP ONBETREDEN PADEN


Op onbetreden paden,

In het gewas der poelzoomen,

Ontsnapt aan het leven dat zich bloot geeft,

Aan alle standaardmaten, die tot nu algemeen golden, aan de

genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid,

Waarmee ik te lang mijn ziel heb trachten te voeden,

Duidelijk nu voor mij dat er een eerlijke maat is nog niet

algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn ziel,

Dat de ziel van den man voor wien ik spreek welbehagen

vindt in zijne gezellen,

Hier in eenzaamheid, weg van het gedruisch der wereld,

Leg ik den kerfstok aan en hoor ik mij toespreken door welgeurende

lippen,

Niet langer beschaamd (want op deze afgelegen plek kan ik

antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven zeggen.)

Krachtig in mij het leven dat zich niet vertoont en toch al het

andere omvat,

Vast besloten heden geen andere zangen te zingen dan die

van mannelijke gehechtheid,

En neem mij voor ze door geheel mijn aardsche leven te doen

hooren,

Voortaan zal ik het voorbeeld geven van athletische liefde,

Op den namiddag van deze lieflijke Negende Maand van mijn

een en veertigste jaar,

Begin ik mijn arbeid voor allen die jonge mannen zijn of

geweest zijn,

Ik zal het geheim vertellen van mijne nachten en dagen,...

Ik zal de noodzaak van makkers loven.



WIE GIJ OOK ZIJT DIE MIJ NU VASTHOUDT


Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt,

Indien gij mist wat gij boven alles behoeft is al wat gij doet

nutteloos,

Ernstig waarschuw ik U voor gij dieper in mij doordringt,

Ik ben niet zooals gij mij dacht maar heel anders.


Wie is hij die mijn volgeling wilde worden?

Wie wilde mij toonen naar mijn liefde te dingen?


De weg is gevaarlijk, het einde onzeker, misschien ondergang,

Gij zult al 't andere moeten opgeven, ik alleen zal eenig en

alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U meet,

Ook dan zal uw discipelschap lang duren en uwe krachten

uitputten,

Al wat er in uw leven aan leer is en al wat uw leven gelijk

maakt aan de levens om U heen zult gij moeten opgeven,

Daarom laat nu van mij af voor dat uw leven nog erger door

mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van mijne

schouders,

Laat mij mijn weg gaan en ga gij den uwe.


Zoo niet, kom ga dan stil met mij in de woudeenzaamheid,

waar ik U zal beproeven,

Of achter een rots in de open lucht,

(Want in geen bedekte ruimte van eenig huis verschijn ik U,

noch zult gij mij in gezelschappen zien,

En in bibliotheken ben ik als een stomme, als een zot, of een

ongeborene of een gestorvene),

Of mogelijk met U op een hoogen heuvel, waar wij eerst

zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond ons onbemerkt

kan naderen,

Of te zeilen met U, of met U van het zeestrand af op een stil

eiland,

Daar veroorloof ik U uwe lippen op de mijne te drukken,

Met de langbezielde kus van den makker of met de kus van

den jongen echtgenoot,

Want ik ben de jonge echtgenoot en ik ben de makker.

Of zoo gij wilt, en mij vertrouwt onder uw kleed,

Waar ik het kloppen van uw hart mag voelen of rusten mag

op uw heup,

Neem mij dan met U als gij landen en zeeën oversteekt;

Want U aldus enkel te beroeren is mij goed, is mij lief,

En dus U beroerende wenschte ik zachtekens in te slapen en

gedragen te worden eeuwiglijk.


Maar indien gij U drenkt met het levenssap dezer halmen,

zal er gevaar voor U zijn,

Want noch deze halmen noch mij zult gij verstaan,

De geest dezer halmen zal U bij het begin ontsnappen en

steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk ontgaan,