WeRead Powered by ReaderPub
Guy Mannering of de Sterrewichelaar cover

Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Chapter 8: ZESDE HOOFDSTUK.
Open in WeRead

About This Book

A mysterious visitor who reads the stars predicts a perilous crisis for a newborn unless the child is raised in strict seclusion, and that prophecy sets in motion a tale of hidden identities, contested inheritance, and the changing fortunes of a family. The narrative follows the boy’s upbringing and the consequences of secrecy and intervention, interweaving tense confrontations, comic episodes, and vivid rural detail. Recurring concerns include fate versus personal responsibility, the social effects of superstition and legal claims, and the ways loyalty and character determine outcomes amid twists of revelation and reconciliation.

[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

„– Thans treedt de rechter op,

Met ronden buik, gevuld met vet kapuin,

Met strengen blik, met deftigen baard,

Met wijze taal, en lange woorden, –

En speelt zijn rol –”

Anonymus.

Toen mevrouw Bertram van Ellangowan zoo ver hersteld was, dat zij vernemen mocht, wat er gedurende hare bevalling voorgevallen was, kwam er, ook in haar vertrek, geen einde aan al de gesprekken over den mooien jongen student uit Oxford, die het lot van den jongen heer uit de sterren voorspeld had. De gestalte, de spraak en de manieren van den vreemdeling werden [41]nauwkeurig beschreven; zijn paard, de toom, het zadel en de stijgbeugels werden niet met stilzwijgen voorbijgegaan. Dit alles maakte diepen indruk op het gemoed van mevrouw Bertram, die in hooge mate bijgeloovig was.

Zoodra zij het bed verlaten kon, was het haar eerste werk, een klein fluweelen zakje te maken, om daarin de verzegelde voorspelling te bewaren, welke haar gemaal haar gegeven had. Zij kon zich bijna niet weerhouden van het zegel open te breken; maar hare bijgeloovigheid was nog sterker dan hare nieuwsgierigheid en zij naaide dus het papier tusschen twee stukken perkament, opdat het zegel toch vooral niet beschadigd zou worden. Hierop werd het in het fluweelen zakje gestoken en, als een bezweringsmiddel, om den hals van het kind gehangen, waar het, op verlangen der moeder, blijven zou, tot het tijdstip gekomen was, waarop zij hare nieuwsgierigheid bevredigen mocht.

De vader wenschte het zijne te doen, en zijnen zoon eene goede opvoeding te verschaffen. Opdat het onderricht bij de eerste ontwikkeling van het verstand aanstonds beginnen zou, verzocht hij Sampson zijn ambt als dorpsschoolmeester op te geven en huisonderwijzer te worden. Deze stemde hierin gaarne toe en woonde van nu af op het slot, om voor een loon, waarmede een dienstbode nauwelijks tevreden zou zijn geweest, den toekomstigen heer van Ellangowan alle geleerdheid mede te deelen, welke hij bezat, alsmede alle bevalligheid en beschaafdheid, welke hij waarlijk – niet bezat, maar welker gemis hij ook nooit aan zich zelven ontdekt had. Door deze schikking verkreeg Bertram bovendien nog het voorrecht van bestendig iemand bij zich te hebben, die zijne verhalen geduldig aanhoorde, wanneer zij alleen waren, en ten wiens koste hij schertsen kon, wanneer hij gezelschap bij zich had.

Omstreeks vier jaren na dezen tijd ontstond er eene groote beweging in het graafschap, waarin Ellangowan gelegen is.

Diegenen, die de teekenen des tijds nagingen, hadden sedert lang begrepen, dat eene verandering van ministerie onvermijdelijk was, en eindelijk na afwisselende vrees en hoop, na vele geruchten uit goede bronnen en uit verkeerde bronnen en uit geenerlei bronnen, – nadat eenige Clubs den eenen staatsman hemelhoog geprezen en de andere hem uitgescholden hadden, – na veel reizen en trekken en praten en schrijven en aanbiedingen om hulp en bijstand, viel de groote slag: het bestaande Kabinet werd ontbonden en, zooals van zelf sprak, – ook het Parlement. Sir Thomas Kittlecourt reisde, gelijk vele andere leden van het ontbonden Parlement, met allen spoed naar zijn graafschap, om stemmen te verkrijgen, maar werd niet zeer gunstig ontvangen. Hij was een aanhanger van de voormalige bewindvoerders, en de vrienden van de tegenwoordige hadden reeds met ijver gekuipt ten behoeve van iemand anders, namelijk den heer John Scatherhead, die de beste jachthonden en flinkste paarden in het graafschap hield. Onder hen, die de zijde der nieuwe partij kozen, bevond zich ook de notaris Gilbert Glossin, zaakwaarnemer van den heer van Ellangowan. Dezen braven man was door het oude parlementslid zeker deze of gene gunst geweigerd, of, wat in dit geval hetzelfde en tevens waarschijnlijker is, had alles verkregen, waarop hij eenige aanspraak kon maken, en had dus alleen van de tegenpartij nieuwe voordeelen te hopen. Glossin had eene gevestigde stem op Ellangowan’s bezittingen en hij had besloten, den heer Bertram ook eene stem te verschaffen, daar er geen twijfel was, welke zijde deze in den strijd kiezen zoude. Hij weidde bij den heer van Ellangowan zeer uit over het aanzien, dat het dezen schenken zou, wanneer hij aan het hoofd van eene machtige partij in het strijdperk verscheen en Bertram liet zich zonder moeite overtuigen. Glossin, uitgeleerd in kunstgrepen, [42]wist zoo vele stemmen op de eens zoo machtige heerlijkheid Ellangowan te vestigen en zijne zaken zoo goed in te richten, dat hij op den dag der stemming, aan het hoofd van tien stemgerechtigden over wie hij beschikken kon, en welke hun stemrecht zoo goed of slecht bewijzen konden als de meeste anderen, kon optreden. Deze machtige versterking besliste den strijd. Ellangowan en zijn zaakwaarnemer deelden de eer, doch het voordeel behield de laatste voor zich alleen. Gilbert Glossin werd tot klerk bij het vredegerecht benoemd, en Godfried Bertram had het genoegen, bij de eerste benoemingen, welke na de bijeenkomst van het nieuwe Parlement plaats hadden, tot vrederechter aangesteld te worden.

Nu had Bertram het hoogste doel bereikt, waarnaar zijne eerzucht haakte. De moeite en verantwoordelijkheid, aan zijn post verbonden, waren hem wel niet zeer aangenaam; maar hij meende, dat hij met recht aanspraak op deze waardigheid kon maken, waarvan hij, alleen door boosaardige afgunst, zoo lang verstoken gebleven was. „Dwazen moet men geene wapenen in handen geven,” zegt een oud en waar Schotsch spreekwoord; en inderdaad was Bertram van Ellangowan nauwelijks met de rechterlijke macht, waarnaar hij zoo verlangd had, bekleed, of hij begon ze eerder streng dan zacht uit te oefenen, en logenstrafte geheel en al het gunstige denkbeeld, dat men, verleid door zijne vadzige goedaardigheid, van hem opgevat had. Hij beschouwde den hem aanvertrouwden post, in vollen ernst, als een blijk van de persoonlijke gunst des Konings, en vergat hierbij geheel en al, dat hij het gemis van die onderscheiding of eer voorheen enkel aan de lagen van partijzucht had toegeschreven. Sampson moest met luider stem de aanstellingsbrief voorlezen, en bij de eerste woorden: „Het heeft den Koning behaagd, te benoemen –” riep Bertram met dankbare verrukking uit: „Behaagd! de brave man! het kan hem onmogelijk meer behagen, dan mij!”

Om nu zijne dankbaarheid niet bloot bij gevoelens en woorden te bepalen, liet hij zijn nieuwgeboren ambtsijver vrijen loop en zocht, door strenge en onvermoeide vervulling der nu op hem rustende plichten, te bewijzen, dat hij de verkregene eer waardig was. „Nieuwe bezems vegen schoon,” zegt een oud spreekwoord en ik zelf kan getuigen, dat bij de aankomst van eene nieuwe werkmeid, de oude, huiszittende spinnen, die met haar weefsel de onderste rijen mijner boekenplanken, (voornamelijk rechtsgeleerdheid en theologie bevattende) hebben bedekt onder de vreedzame regeering harer voorgangster, spoedig op de vlucht gejaagd worden door de nieuw aangekomen dienstbare. Zoo ging het ook met den heer van Ellangowan. Zonder eenig medelijden begon hij zijne rechterlijke hervormingen ten koste van verscheidene landloopers en gauwdieven, die sedert eene halve eeuw ongestoord in zijne nabuurschap geleefd hadden. Als een tweede Hertog Humphrey deed hij wonderen, en door middel van den stok zijner dienaren leerde hij menigen kreupele loopen, menigen blinde zien en menigen lamme werken. Hij ontdekte wild- en ooftdieven; en de goedkeuring van het gerechtshof, benevens de roemvolle naam van een ijverig ambtenaar, was zijne belooning. Doch al dit goede, dat algemeen erkend werd, had ook zijne kwade zijde. Verouderde, oogluikend toegelatene misbruiken moeten niet zonder voorzichtigheid uitgeroeid worden. De ijver van onzen waardigen vriend bracht vele lieden, wier neiging tot lediggang en bedelarij hij door zijne eigene onverschilligheid zoo lang aangemoedigd had, dat het kwaad onherstelbaar was, of welke, door wezenlijke ongeschiktheid tot werken, volgens hunne eigene spreekwijze, „geschikte voorwerpen voor de liefdadigheid van alle welgezinde Christenen” [43]waren, ìn groote verlegenheid. De alombekende bedelaar, die twintig jaren lang geregeld in de nabuurschap rondgegaan was, en eerder als een nederig vriend dan als een voorwerp van liefdadigheid ontvangen was, werd naar het naburig werkhuis gezonden. Hetzelfde lot wedervoer de oude gebrekkige vrouw, die reeds langen tijd op een kruiwagen van huis tot huis rondgereden werd. De halfwijze, oolijke, doove Hans, die sedert een groot gedeelte van eene eeuw de dorpsjeugd tot tijdverdrijf verstrekt had, moest naar het tuchthuis wandelen, waar hij van de frissche buitenlucht, waaraan hij zoo gewoon was, verstoken, begon te sukkelen en binnen zes maanden stierf. De oude zeeman, die sedert vele jaren de dienstboden in alle keukens met zijne vroolijke matrozenliederen vermaakt had, werd, alleen omdat hij een merkbaar Iersch dialect had, uit het graafschap verbannen. Ja, zelfs het jaarlijksche rondgaan der marskramers werd, in zijn blinden ijver voor de handhaving der politie, verboden.

Dit alles bleef niet onopgemerkt en werd door velen gelaakt. Wij zijn niet van hout of steen, en dingen, waaraan wij door neiging of gewoonte gehecht zijn, kunnen niet gelijk mos of klimop van een boom weggerukt worden, zonder dat wij het gemis gevoelen. De pachtersvrouw miste haar gewoon nieuws en misschien ook wel de zelfvoldoening, waarmede zij aan den bedelaar, die haar het nieuws vertelde, eene handvol havermeel gaf. In iedere hut scheen iets te ontbreken, toen de kleine handel, welke de rondreizende marskramers dreven, ophield. De kinderen misten hunne snoeperijen en speelgoed; de meisjes hadden gebrek aan spelden, aan linten, kammen en liedjes, en de vrouwen konden de eieren niet meer tegen zout, snuif of tabak verruilen. Al deze omstandigheden verschaften den ijverigen heer van Ellangowan een slechten naam onder de landlieden, en zulks te meer, omdat hij voorheen zoo bemind bij hen geweest was. Zelfs zijne voorouders moesten dienen, om hem te veroordeelen. Wat andere heeren, zoo als een Greenside, of een Barnville, mochten verkiezen te doen, – dat kwam er niet op aan; dat waren vreemdelingen; maar Ellangowan! het was een naam, die sedert onheugelijke tijden onder hen bekend was: hoe kon die de arme lieden toch zoo kwellen! Zijn grootvader werd „de booze heer” genoemd; maar, ofschoon die erg genoeg was, wanneer hij in slecht gezelschap kwam of te veel gedronken had, zóó zou hij toch nooit gehandeld hebben! Neen, neen, in zijn tijd rookten de schoorsteenen in het oude slot als smeltovens, en er waren evenveel arme lieden bij de deur en op het slotplein, die zich met het overschot verzadigden, als aanzienlijken in de eetzaal. En op ieder kersfeest gaf zijne gemalin aan alle armen in de nabuurschap zilveren stuivers, ter eere van de twaalf apostelen. Dat heette toen papisterij; maar de groote heeren mochten ondertusschen wel een voorbeeld aan zulke paapschen nemen. Zij hielpen de arme lieden anders, dan door hun enkel des zondags eene kleine gift te schenken, en hen de overige zes dagen van de week te kwellen en te onderdrukken.

Zulke gesprekken hoorde men bij eene kan dunbier in iedere dorpsherberg, in den omtrek van een paar uren van Ellangowan, zoover zich het grondgebied uitstrekte, waarin onze vriend, de vrederechter Godfried Bertram, als het grootste licht schitterde. Maar nog meer werden de booze tongen in beweging gebracht, door het verdrijven van een troep Heidenen, die sedert lange jaren hun hoofdzetel op het grondgebied van Ellangowan gehad hadden, en van wie ééne reeds eenigszins aan den lezer bekend is. [44]