X.
Pietje de kamermeid zat die avond alleen in de keuken, of, beter gezegd, die avond na achten; want haar collega de keukenmeid had haar „uitgangsdag” en verdween dan vrijwel onmiddellijk na de maaltijd; terwijl ze de „vaten”, zoo juist van tafel afgenomen, in hun onreine toestand op haar thuiskomst—klokke half elf—liet wachten. Pietje had dus ’t rijk alleen, en daarin verheugde zij zich deze keer. Zeker iets ongewoons, want Pietje praatte anders graag, en vond het gewoonlijk „zielig” zoo op haar eentje in het spijzen-laboratorium haar avonduren te slijten.
Ze had iets bizonders die avond, iets heel bizonders, dat haar volle aandacht in beslag nam. En ’t was niet alleen iets buitengewoons, ’t was ook een bezigheid die tijd en omzichtigheid eischte. Daarvoor moest ze ongestoord minstens een paar uur kalmpjes kunnen neerzitten. Niettemin was ’t een aangename bezigheid. Zeker, zeer aangenaam, hoe onwaarschijnlijk [142]dit ook moge klinken van een zoo bizonder gezellig, praatziek en ongeduldig schepseltje als Paula’s vertrouwelinge, Pietje van Groenewoud.
Pietje’s oogen stonden dan ook heel genoegelijk. Er blonk een eigenaardig schijnsel in van innige verkneukeling, van ondeugende dartelheid. En ze had nòg hoogere kleur dan anders.
Nauwelijks was de „glazen deur” met ’t mousseline gordijntje achter Kee’s breede rokken gesloten, of Pietje zette haar stoel, waarop ze achteroverleunend tegen de gootsteen had gewiebeld, toen Kee er nog was, met de rugleuning naar de deur tegen de tafel, ging er voorzichtig op zitten, schoof een paar borden en glazen een heel eind van zich af op de withouten tafel, zoodat ze zeker een vrije ruimte van een halve meter straal om haar boezem vóor zich had, maakte een drievoudig vreugdegeluidje met haar keel, waarbij haar mond eens zoo lang opgrijnsde, en—tastte in de zak.
„Ziezoo, dat ’s éen,” mompelde ze, bekeek het kleine voorwerp aandachtig, draaide het om, vertrok haar mond even spijtig, en leî het vóor zich neer, heel in de hoogte. ’t Was een stukje papier zoo groot als een cent, en er stond niets op. Onmiddellijk frommelde ze weer in haar zak, en haalde er ditmaal twee stukjes uit, van ongeveer dezelfde afmeting.
Weer het aandachtig onderzoek. Een teleurstelling [143]en een vreugde: weer een onbeschreven stukje, en een ander met eenige letters erop.
Wat stond er? Pietje kon er niets uit maken, met de beste wil niet! Maar, zie, de eerste letter was een groote, een hoofdletter. En Pietje had genoeg geleerd op school om te weten dat een zin met een hoofdletter begint.
Dat stukje—met de hoofdletter—dus weer bovenaan, links, naast ’t witte van zooeven, en ’t andere blanco-stukje rechts, ver van zich af.
Met een zucht kwam er een vierde stukje—tweemaal zoo groot als dat met de hoofdletter, en daarop stond—heerlijk!—een drietal woorden: „hand te drukken.”
„Best,” zei Pietje bijna hardop. Dat was al iets, al was er geen slot of zin aan. Ze leî het na eenig overleg en aarzeling in ’t midden. Voorloopig, zie je.
’t Volgende papiertje was een ware vondst: .…udolf.… stond er, duidelijk. Wel, dat was een stuk van een naam.… En daar hoorde die hoofdletter bij, want dat was een R! Rudolf dus, mooi.
Pietje was verrukt, en in haar extaze vergat ze een oogenblik het gevonden woord op de vermoedelijk juiste plaats te zetten.
Wel, wel, Rudolf! Hij heette dus Rudolf.… Een liefje van mevrouw? Natuurlijk! Maar wie zou [144]’t wezen?.… Daar hadden ze dus ruzie over gehad, boven in de studeerkamer.… toen ze mevrouw zoo hoorde „te keer gaan.…”
Pietje kon haar lachen niet bedwingen. Wel, wel, wel, wat was ze dom geweest iets anders te denken!
In blij gepeins verzonken lag ze achterover in haar stoel, de oogen half dicht. Ze had waaratje gedacht dat.… meneer.… nee, maar verbeel’ je, meneer, die goeie, doodgoeie meneer.… Nee, ’t was om te proesten! Dat meneer een liefje gehad had en een brief van haar gekregen had, en dat mevrouw daarom zoo boos geweest was. Waarom was ze dan anders zoo verschrikkelijk nijdig geweest.… en nou ja.… die goeie sullen van mannen.… als ’t erop aankwam waren ze al net als de rest, hoor! Dat dacht ze zoo.… Maar toch.… nee, dit was waarschijnlijker, veel waarschijnlijker. Een liefje van mevrouw! En die heette Rudolf.… Zeker die officier.…
Nog een minuut lang peinsde Pietje. Toen greep ze energiek in haar zak, en haalde er een heele dot papiertjes uit. Ze moest er gauw meer van weten, hoor. Ziezoo, nu uitspreiden, uitzoeken.
Hè, ’t was om tureluursch te worden! Er waren zeker wel dertig stukjes. ’t Passen en schikken, ’t vreugdevol bijschuiven, en verdrietig wegvegen [145]duurde zeker een half uur. En Pietje zuchtte en lachte en kirde zoo tusschenbeide. Hè, lam zoeken was dat! En toch.… ze zou weten wat er in die brief stond.… daar hielp geen lieve vader of moeder aan. Nee, mevrouwtje, daar zou ze achter komen, en lekker ook!
De legkaart begon wat vorm te krijgen: ’t voornaamste was ontdekt, lag op zijn plaats, behoorlijk, ontwijfelbaar juist.…
Telkens las ze.… raadde ze.
Wat stond er nu? Om des te meer voldoening van haar werk te hebben, had ze een heele poos de woorden der verschillende stukjes niet in hun onderling verband willen lezen.
Nu deed ze ’t.… Jawel.… goed, maar was zij dáarom zoo boos geworden?.… En, wat was dat? „Zíjn kind.… óns kind.…” Lieve deugd, had mevrouw?.… Nee, maar.… En daar was hij dus achter gekomen, meneer! Nee, dàt had ze toch niet gedacht.… Dus.… o, nu snapte ze alles! Pietje’s voldoening bij de volledige ontdekking van de geheimzinnige inhoud van ’t schriftuur had een bijsmaak.
Pietje was geen slechte meid: wat wuft, erg nieuwsgierig.… maar wat ze daar las was toch heel erg, hoor.… Ze moest nog aangenomen worden bij de dominé, en.… dat zou over een maand al wezen. [146]
Zoo’n onbescheidenheidje.… nou ja.… maar Pietje vond.… dat zij, als ze mevrouw was.… ’t nooit zoo ver had laten komen. Een onschuldig vrijagetje, dat had er nog door gekund. Maar, heî je nou ooit, zoo’n geschiedenis, en dan tegenover die goeie meneer!
Weer verzonk Pietje in gepeins achterover in haar stoel, de eene hand—klein, maar met krootroode werkvingertjes—slap op de tafel voor zich, de andere in haar schoot.
Die Rudolf was toch niet.… Nee.… meneer Van Breehorst heette.… och, hoe heette die ook weer?.… O, ja, Frederik.… of eigenlijk Frits: zeker, ze had mevrouw wel ’s Frits hooren zeggen. Die kwam een poos geleden nogal veel in huis, en mevrouw mocht hem heel graag: o, zeker dat had ze wel kunnen zien. Ze was toen pas in dienst.… drie jaar geleden.… Maar dan dat kind.… Och, hoe kon ze nou zoo ezelachtig wezen.…! Ja, maar die groote dames kunnen dat zoo mooi stilhouden.… en dan uitbesteden ergens.… dat kind.… en dat was toen gestorven.… Och nee, dat was toch „krimmeneel” onmogelijk: daar zou ze als kamermeid toch wel iets van gemerkt hebben.… ’t Is waar, mevrouw liet haar bij alle vertrouwelijkheid nooit in de badkamer, als ze daar bezig was met water te knoeien.… maar nou ja, je kunt zoo iets [147]toch wel snappen.… Pietje kon zoo iets wel snappen.… Nee, Pietje wist te veel van mevrouw.… meer dan meneer, hoor. Nee, nee, nee, die veronderstelling was te gek. ’t Moest van vóor haar tijd wezen. Hoe zou ze daar licht in krijgen?.… Ze wou ’t toch zoo graag weten.… Niet om ’t een of ’t ander tegen mevrouw.… nou, dat moest er nog bijkomen; ze hield immers zooveel van mevrouw! Maar, och, zie je, ze.… ze.… nou ja, ze woû, ze moest en zou ’t weten.…
Pietje’s gepeins werd dieper, absorbeerender.
Opeens sloeg ze op de tafel met haar kleine roode vuistje. Ze schrok er zelf even van.
Die Rudolf.… wel, dat was die vriend.… nee, die neef van meneer, die jaren geleden naar „de Oost” gegaan was! Daar had je ’t! O, dat was het vast. Zeker, die heette Rudolf. Ze had er meneer wel ’s over hooren spreken. Meneer, ja, mevrouw niet. Nee, mevrouw had nooit iets van hem gezegd.… Laatst, ’t was voor eenige weken nog, had meneer een brief uit Indië gehad, van z’n broer—ja, van z’n broer, ze wist het nog goed—en toen had ie nog tegen mevrouw gezegd: „Hoe vreemd, nie waar, vrouwtje, dat we maar altijd niets van Rudolf hooren?”.… Ja, en toen zei mevrouw nog: „Ja, erg vreemd”—niet meer—en toen zei hij weer: „Ik had zoo gehoopt eindelijk ’s wat van ’m te hooren.” Ze herinnerde [148]zich nog best dat ze juist wat in de huiskamer ronddribbelde, toen Mevrouw haar gebeld had, aan de koffietafel.
Zeer tevreden over haar ontdekking klaarde Pietje’s gezicht weer op. O, maar, als ’t dàt was.… wel, recht beschouwd was ’t dàn toch zoo vreeselijk niet. De man was immers weg, heel ver weg. Ze wisten nie’ eens waar-i zat. En ’t kind was ommers dood.
Pietje vond telkens nieuwe bewijsgronden dat haar mevrouw toch nog niet zoo slecht was als ze gedacht had.
Ze stond van haar stoel op, richtte zich naar de schoorsteen, reikte even naar ’t lijmpotje in de hoek op de richel. Daarna ging ze weer zitten, schoof de lâ van de keukentafel open, haalde er een stuk van een oude courant uit, en begon te plakken.
Er ontbraken een paar stukjes hier en daar. Dat kwam er niet op aan, want de brief was toch goed in zijn geheel te begrijpen. Pietje begreep er genoeg van ten minste, en ’t was een kostbaar stuk. Ja, een papier van belang, dat besefte ze. Waar zou ze ’t bewaren? Hier in de keuken zeker niet.… nee, voor geen geld mocht Kee zoo iets zien: de zaak was ommers uit, heelemaal uit, en ’t was beter dat geen haan ernaar kraaide.
En toch was mevrouw zoo boos geweest. Nu, dat begreep ze nu wel: meneer moest ook niet zulke [149]ouwe koeien uit de sloot halen.… en dat had-i zeker erg onpleizierig gedaan. Meneer kon soms onpleizierig wezen, hoor. Niks nie vriendelijk, altijd zoo met die basstem, en dan hij lachte zoo weinig. Nee, als zij mevrouw was geweest.… zou ze toch ’n ander genomen hebben. En òf ze. Mevrouw hield toch ook zeker niet van hem. Ik had ’t altijd wel gedacht: hoe kon je nou ook van zoo’n saaie knul houden?
Die lieve mevrouw.…
Pietje voelde zich een beetje aangedaan. Als ze ’s die’ brief aan mevrouw gaf.… O, mevrouw zou misschien even boos zijn, maar dan.… per slot van rekening zou ze ’t toch wel prettig vinden dat ongelukspapier weer in haar handen te hebben. Ze kon ’t dan verbranden.… Ja, maar, was dat wel zoo zeker? Zou mevrouw niet furieus op haar zijn, omdat ze zoo brutaal geweest was die stukjes op te rapen, en de brief te lezen?.… Och, nee, ze woû ’t toch maar liever niet doen. Niet direkt ten minste. Eerst maar goed bewaren. Boven in haar „lâtafel”, haar heiligdom, daar zou ze ’t wegleggen, dat papier. Onder haar baaien rok.… nee, liever in de onderste lâ: daar kwam ze nooit in.
Plotseling keek Pietje verschrikt op.… Wat was dat? Krimmeneel, is dat schrikken, en ’t was maar die lange sladood van een mevrouw Ennery: wat sloeg dat mensch op de piano! [150]
Pietje keek ’s op de klok rechts van haar aan de wand. Kwart over tienen al. O, Kee kwam pas over een kwartier of zoo.… Haar gedachten gingen een heel andere kant uit: uitgaan, haar vrijer.… of, vrijer.… eigenlijk had ze er geen.… of meer! Ja, ze wouen haar allemaal wel hebben, maar ze had haar woord.…
Weer een schrik.
De deur ging open, en Kee stevende binnen, roodstralend van wangen, met glinsterende oogen.
„Zoo, wat voer jij uit? Je zit zoo te koekeloeren.…”
Pietje stond doodsangsten uit. Opeens liet ze haar bovenlijf over haar legkaart vallen, en steunde haar hoofd met beide handen.
„Och, ik heb slaap.…”
„Waarom ga je maar niet na’ bed?” zei Kee medelijdend en moederlijk.
„Ja.… nu jij thuis bent.… Maar die mevrouw Ennery is nog niet weg.… Dat vervelende schepsel.…”
Kee verdween in de gang. Gelukkig. Ze had haar mantel nog niet uitgedaan.
Fluks schoof Pietje het papier vóor haar in de lâ van de tafel. In vredesnaam: daar maar voorloopig. Er was niets anders op.
Pietje ging naar bed, angst in ’t hart.…
Eerst anderhalf uur later hoorde ze Kee naar boven komen. En toen ze in ’t kamertje naast haar Kee’s [151]welbekend gesnurk hoorde—die meid sliep altijd als een roos, vooral na een uitgangsavond—kroop ze voorzichtig uit haar bed, schoot haar muilen aan, en sloop de trap af. Naar de keuken.
Ze had ’t papier, hoor. Dat beroerde ding! Wat ’n angsten gaf haar dat nu al! Ze woû dat ze ’t nooit gevonden had. Ook toen ’t veilig in de onderste lâ van de bruine „lâtafel” lag; want slapen deed ze heel slecht die nacht. En droomen, nee’ maar!
Ze was er de volgende ochtend kapot van. [152]