WeRead Powered by ReaderPub
Heilige Banden: Roman cover

Heilige Banden: Roman

Chapter 11: XI.
Open in WeRead

About This Book

A married couple's quiet domestic world is sketched through the husband's attentive interior life and the wife's lively social habits, revealing enduring affection, small rituals, and shared grief. Scenes move between the husband's study and the wife's writing table, where colorful letters and everyday gestures illuminate personality, habit, and intimacy. Recollections of a deceased infant and the presence of their surviving daughter lend a tone of elegiac tenderness, while explorations of language, social exchange, and the contrast between scholarly reserve and spontaneous charm structure the narrative’s focus on marriage and memory.

[Inhoud]

XI.

Als men een fraaie fresco-schildering van een muur wegbreekt of afkrabt, blijft er een leelijke „moet” achter, iets dat het oog bizonder onaangenaam aandoet; en hij die weet wat vroeger daar tot verlustiging van de blik geschilderd was, voelt dan iets van de schrijning eener ontheiliging in zijn hart. Toch was die schildering slechts een sieraad, een bijkomend iets, en de muur zou evenzeer aan zijn eigenlijk doel beantwoord hebben zonder dat, en zal dat ook wel doen nadat het verloren gegaan is.

Voor Larsen was zijn liefde schoon als zulk een fresco, maar ze was meer dan een sieraad van zijn bestaan, ze was daarmee vergroeid. En de wonde in zijn ziel geslagen na de plotselinge wegrukking dier liefde, was daarom vreeselijk.

Larsen’s liefde was zijn gansche zieleleven: zijn godsdienst, zijn eerzucht, zijn geestdrift voor wetenschap en kunst.

Zijn liefde was zijn godsdienst, omdat voor hem [153]godsdienst de vereering was van al wat goed en schoon is. En in zijn Paula vereerde hij de belichaming van beide. Als hij zelf er zoo nuchter over had kunnen nadenken, dan zou hij ingezien hebben hoe dit verschijnsel bij hem slechts een andere vorm was van dat hetwelk men bij zooveel volken vindt: afgoden- en heiligendienst. De menschen, niet tevreden met het abstracte, willen verpersoonlijking, concentratie van vereering op een tastbaar voorwerp. Zijn aanbidding van die vrouw was te vergelijken met die van de stier Apis door de Egyptenaren of van Jan van Leiden door de Wederdoopers.

Van ’t zelfde beginsel uitgaande, was echter zijn aanbidding vuriger en dus ook meer verblindend. En toen ’t licht plotseling uitdoofde, stond hij radeloos in ’t duister.

Zijn liefde was zijn eerzucht, omdat hij zich geen geluk kon denken zonder zijn liefde, en alle streven naar geluk in dienst zijner liefde was. Zijn liefde maakte hem fier, staalde zijn werkkracht. En toen zij verdween, verzwond ook de lust, zweeg het „excelsior!” dat zijn liefde hem steeds had toegeroepen. En hij stond doelloos, verbijsterd, wezenloos.

Zijn liefde was zijn geestdrift voor wetenschap en kunst; want deze was slechts éen uiting der levensvreugde die hem vervulde door zijn liefde. Waar zij niet meer zijn ziel doorjuichte, werd ook de geestdrift [154]uitgebluscht, en leek hem mat en kleurloos wat hem zoo lang heerlijk had toegeschitterd.

Zoo was dan zijn gansche innerlijke mensch geschokt, zijn zieleleven op het doode punt gekomen.

Als een tastende in den blinde had hij naar een uitweg gezocht. En toen hij zich die afgesloten zag, was het of alles voor hem ophield. Dagen achtereen leefde hij voort in dof broeden, en zijn lichaam voldeed aan de eischen van zijn stoffelijk bestaan als een nachtwandelaar.

Hij meldde zich ziek, en gaf zijn colleges niet meer. Hoe zou hij kunnen, mijn God, met zulk een hel in zijn hart, zulk een chaos in zijn hersenen!?

Zijn ijzersterk gestel zwichtte ten slotte, en hij gaf zich geheel en al gewonnen, ook tegenover zichzelven.

Op een morgen—een week na ’t vreeselijke tooneel met zijn vrouw—wilde hij opstaan; maar de inspanning was hem te groot, en hij zonk weer terug in zijn kussens, slap en machteloos. Hij was anders prompt om acht uur aan ’t ontbijt, zelfs in die zeven dagen van wanhoop.…

Om half negen verscheen Paula aan zijn bed. Hij was blijven slapen in de logeerkamer, en Paula had er zich niet tegen durven verzetten.

„Ben je ziek?” vroeg ze toonloos.

Hij antwoordde niet. Zijn oogen staarden haar aan. Hij lag achterover, ’t hoofd midden op ’t kussen, zonder beweging. [155]

„Wil je niet wat gebruiken.… je ontbijt.…? Zal ik ’t boven laten brengen?”

Hij schudde het hoofd, even.

Paula drong niet verder aan.

„Wacht,” zei ze, en schoof een nachttafeltje bij ’t bed, „ik zal de meid boven sturen met een tafelschel. Als je dan wat noodig heb, schel je maar even.”

Larsen knikte nauw zichtbaar, en Paula ging stil heen.

Voor haar was de wending die de zaken genomen hadden niet onwelkom. Ze voorzag een ongesteldheid van eenigen duur. Larsen was anders nooit ziek, en een afwijking in zijn „automatische” levenswijze—stipt en geregeld met alles—scheen haar een zeker teeken van ernstige stoornis. Toch dacht ze geen oogenblik aan gevaar, en zou dit haar ook verre van gewenscht zijn voorgekomen: neen, waarvoor zou ze hem dood wenschen?

Kon ze niet innig liefhebben, sterk haten was haar al even onmogelijk. Ze haatte hem niet. Ze wilde zijn herstel.

En ze wilde daartoe meewerken. Ze wilde hem oppassen. Dat zou hem immers gunstig stemmen, en dan was er kans op verzoening. Dat was toch maar ’t beste: ze hield niet van zure gezichten en ruzie.

En dan ze had een natuurlijke, men zou geneigd zijn te zeggen een dierlijke goedhartigheid, die haar er toe bracht met genoegen iemand—een medemensch[156]—en zelfs een beest, kleine diensten te bewijzen,—goed te zijn in ’t klein. Trouwens ze deed alles in ’t klein.

En dat ze hier een menschenhart vertrapt had, belette niet dat ze met pleizier lekkere schoteltjes voor de zieke wilde klaarmaken, uren bij zijn bed zitten, en hem in ’t algemeen behandelen wilde als een volmaakte verpleegster.

Zoo deed ze.

Haar eerste zorg was de huisdokter te raadplegen, haar tweede naar haar moeder te gaan, en in vredesnaam maar alles te vertellen. Ze kon dan ’s „vrij praten”, iets waar ze ten slotte toch naar verlangde. Dit bestond daarin dat ze op haar manier al het voorgevallene naar waarheid beschreef en besprak. Ze wou dat met niemand anders zoo doen, al was dan ook deze hartuitstorting verre van een volledige bekentenis met „de waarheid en niets dan de waarheid.” Neen, dat liet haar aard eenvoudig niet toe. ’t Was haar een behoefte te „borduren”—onoprechtheid was bij haar natuur en viel haar nooit zwaar, hoezeer ze ook in een oogenblik van hevige beroering zich en Larsen wijsgemaakt had dat ze uit zelfbedwang gehuicheld had in haar verhouding en gevoelens jegens hem; doch evengoed was haar een behoefte zich te uiten, hoe dan ook. Ze praatte veel, suggereerde zichzelf daarbij, en wist ook anderen meesterlijk de indruk [157]te geven die zij wenschte te geven. Ze was een volleerde tooneelspeelster, zooals slechts enkele vrouwen, met hun fijnbewerkte zenuwen en wonderlijk plooi- en wisselvermogen, dat vermogen te wezen.

Van haar moeder zou Paula waarlijk weinig raad te wachten hebben, aangenomen dat ze die verlangd had. De oude vrouw was een onbeteekenend menschje, vol bewondering voor haar dochter, een-en-al toegevendheid voor deze; zonder overtuigingen—behalve die dat Paula een buitengewone vrouw was, voor wie alles geoorloofd was, en dit alleen nog maar omdat de betoovering telkens en telkens vernieuwd werd—willoos en karakterloos; voor wie het leven éen lange dommel was, waaruit ze slechts nu en dan even wakker schrikte tot halve bewustheid.

Larsen was altijd te gelukkig geweest om zich over de tekortkomingen zijner schoonmoeder te ergeren. Trouwens, ze was altijd „wel” met hem, zei nooit een onvertogen woord, en Larsen was in zijn oordeel over medemenschen steeds zóo zacht en verdraagzaam, dat hij tegenover Paula’s moeder moeilijk anders wezen kon: goedaardige menschen worden door ’t geluk edelmoedig, en hier maakte de uitstraling van Paula’s bekoring hem bovendien blind voor iemand die haar zoo na stond.

De tijding van Larsen’s ongesteldheid met wat er aan voorafgegaan was wekte mevrouw Lindes op tot [158]werkdadige hulp. Ze kwam op Paula’s wensch logeeren, en stond haar dochter dagelijks bij in de bereiding van bouillon, het verzinnen van nieuwe smakelijke schoteltjes—voor haar en voor „Willem”—en het gewone beheer in huis; zoodat Paula zich aan haar zieke wijden kon.

„Zou je niet ’s?”.… stelde ze voor, en Paula zei:

„Waar denkt u aan, moeder? Geen kwestie van, hoor,” en dan zij weer:

„O, ik dacht maar zoo, zie je. Maar ’t is goed, kind.… Zeker je hebt weer gelijk.…”

Dan was haar regelmatig gezicht weer een en al sluimerglimlach, een uitdrukking die er vrijwel altijd op lag.

Ze sprak zacht en gedempt, liet bij ’t spreken zelden haar mooie valsche tanden zien, en had iets afgemetens en slepends in al haar bewegingen en gebaren. In dit opzicht een tegenbeeld van de luidruchtige Paula met haar allegro-brioso-natuur. Deed Paula’s stem aan Rossini’s oppervlakkige dartelmuziek denken, haar moeders orgaan herinnerde in zijn uitingen aan een psalm die gezongen wordt in de protestantsche kerk.

Toen de dokter kwam deed Paula ’t woord. Hij scheen Larsen’s toestand nogal ernstig te vinden. Na het bezoek aan de zieke bleef hij even praten.

„Hevige gemoedsbewegingen, mevrouwtje?” vroeg hij nu. [159]

„Wat bedoelt u—hij? Larsen?”

„Ja.… ik begrijp die plotselinge overgang niet best. Lichamelijk letsel is hem toch niet overkomen.”

„Volkomen juist, dokter.… Hij heeft zich wat opgewonden over.… een kleinigheid.…”

„Erg opgewonden.…”

„Ja, eigenlijk wel. Dat is nu een week geleden.…”

„En in die tusschentijd?”

„O, stil, ziet u.… in zichzelf gekeerd; veel meer dan anders.…”

„Hm. Oppassen, mevrouwtje. Sterk gestel, maar.… als die menschen eenmaal gaan sukkelen, kan ’t heel ernstig worden.”

De huisdokter, een man van ongeveer Larsen’s leeftijd, had veel van de wereld gezien, en hij kende zijn menschen. Hij schoof dus een aandrang van gedachten als niet voor uiting vatbaar op zij, en zeî alleen nog maar:

„Hij is in goeie handen bij u. U zal hem wel goed verplegen. En voorzichtig, nie’waar?”

„Zeker, dokter, geen zorg,” zei Paula met een allerliefste lach.

„Goed, goed. Ik kom van avond weer kijken. ’t Beste! Dag, mevrouwtje, dag mevrouw Lindes, tot ’t genoegen.…” Weg was hij. [160]

„’n Vreemde dokter heb ik dat altijd gevonden, Paula,” teemde mevrouw Lindes. „Nou schrijft hij ook geen recept.…”

„Och, moeder, wat weet ú daar nou van? ’t Is een goeie dokter.”

„O, ja kind—ik spreek je niet tegen.”

En statig ging ze naar de keuken, om Kee over ’t eten te spreken. Paula ging weer naar de ziekekamer.

In Larsen geen verandering. Hij sprak niet, en verlangde niets. Haar bijzijn scheen hem niet te hinderen, en evenmin te behagen. ’t Ontbijt stond onaangeroerd.

Paula had haar boek meegebracht, en zette zich tot lezen. Wat de dokter gezegd had vervulde haar niet lang. Marcel Prévost wist haar spoedig belang te doen stellen in zijn „Jardin Secret”.

Toen ze twee uur had zitten lezen, zonder een oogenblik gestoord te worden, keek ze nog eens naar de gestalte in ’t bed, zag dat Larsen eindelijk de oogen gesloten hield, en, tot het besluit komende dat hij sliep, stond ze met een zucht op en ging naar beneden.

„M’n hemel, moeder, wat ’n zieke!” riep ze beneden in de huiskamer, waar de oude mevrouw druk in de weer was met de „koffietafel”.

„Hoe zoo, kind?” zei deze, ’t hoofd even langzaam [161]omwendend, en met haar gewone schaapachtig goedige uitdrukking.

„Ik hoû ’t niet uit: Hij is gek, geloof ik.”

„Wat zeg je?” Dit was geen vraag, maar een gewoon niets-zeggend antwoord van de spreekster.

„Ik zeg wat ik zeg. Ik geloof dat-i gek wordt.… Dat zou ’t einde wezen van al dat gesuf in z’n boeken.”

„Denk je dat heusch, Paula? ’t Zou misschien wel kunnen wezen.”

„Nee, stellig.… De man doet niets dan staren, zegt niets, eet niet, drinkt niet, vertrekt geen spier in z’n gezicht. Ik heb ’t nog nooit zoo gezien.”

„Zou hij ook een kop koffie willen hebben? Zou dat ’m niet goed doen?”

Paula antwoordde niet, maar keerde zich driftig om:

„Kom, moeder, laten we maar aan tafel gaan.”

„Och, ik dacht maar zoo.…” zeî moeder vergoelijkend, en nog in dezelfde gedachtengang.

Paula schoot in een lach.

„U dacht, u dacht, u denkt veel te veel, moeder! Ha! ha!”

Haar overborrelende levenslust had ’t weer gewonnen; ze moest weer spotten en lachen.

„Stel je voor!” riep Paula, bezig met haar eerste broodje te smeren.

„Wat, kind?”

„Dat hij ’s gek werd. Een prettig vooruitzicht!” [162]

„Maar je zou ’m toch niet in huis houden.”

„Naar Meerenberg zenden?”

„Vin je niet?”

„Ik denk er niet over. Ik zou ’m hier houden. Natuurlijk! Zou u ’t niet gezellig vinden een gekke schoonzoon te hebben?”

Mevrouw Lindes’ gelaat was éen vraagteeken.

„Nou?” drong Paula.

„Och, zie je, niet erg.… Maar, als jij ’m in huis wil houden.”

„Als Willem gek wordt, is hij zeker niet kwaadaardig. Mijn goeie zooltreder kan niet anders dan een bizonder mak gekje worden, en zoo iemand is een juweel van een man, en een puikje van een schoonzoon: nooit klachten, nooit ruzie.… Nou u, moeder?”

„Ik weet niet, kind; maar als jij ’t zegt.… Mijn man die dood is, jou goeie vader, was wel lastig—dat is zoo—maar.…”

„U had toch liever niet dat hij gek was geweest.… Groot gelijk, moeder. U is toch een brave ziel. Gelooft u nu vast dat ik dat alles zooeven gemeend heb? Och kom! ’t Komt terecht, hoor. Gek! Geen idee van.”

„’t Doet me heusch pleizier, kind.”

Mevrouw Lindes lachte schaapachtig, en sliep weer in.

Ondertusschen was Paula lang niet zoo zeker van [163]het „terechtkomen” in kwestie, als ze wel voorgaf te wezen, en onwillekeurig dacht ze verder door over de mogelijkheid van verstandsverbijstering bij Larsen. ’t Vooruitzicht lachte haar niet toe; want ze had vast geloofd aan een volkomen herstel der betrekkingen met hem, en een terugkeer van de oude toestand. Dan, ze wenschte hem niets kwaads, ja ’t zou haar in alle oprechtheid leed doen als zulk een ramp hem zoo plotseling alle verder geluk onmogelijk zou maken. He, nee, ’t was akelig, griezelig, zoo iets.… Ze wilde aan wat anders denken.

Met ongeduld wachtte ze die avond op de dokter. Larsen had weer niets willen eten, had ook geen woord gesproken, zelfs geen klaaggeluid doen hooren. Ze werd er wee van het aan te zien. Had hij geslapen? Ze wist het niet.

De arts vond de zieke lang niet bevredigend, wist nog niet wat te denken, maar zeide weinig of niets. „Rust.… en nog eens rust.” Hij beloofde de volgende dag terug te komen.

Zoo ging het dagen achtereen, alleen met dit verschil, dat de patiënt de tweede dag wat at, telkens weinig en machinaal, na herhaald aandringen. Hij sliep veel en onrustig, droomde of ijlde—soms moeilijk te onderscheiden; want zijn gansche toestand leek éen verdooving.

Wat hij sprak liep steeds over ’t zelfde: Paula, [164]zijn echtscheiding, haar ontrouw, zijn kind. En, hoe verward de woorden ook waren, Paula bemerkte duidelijk hoe steeds deze éene gedachte hem door ’t hoofd gespookt had: de onherstelbaarheid hunner breuk. Zoo, hij had dus ook die zeven voorafgaande dagen steeds dat denkbeeld gehad, dacht ze, en ze voelde zich teleurgesteld: ze had zich zijn zwijgen gedurende die dagen als een gunstig overgangs-tijdperk voorgesteld! Nu was ze voorzichtig genoeg te zorgen, dat er geen getuigen waren bij die al te openhartige uitingen. De dokter kwam telkens maar even. Hij zeide iets van „cerebralis” en van „stupor”, herhaalde zijn rustvoorschrift, en liet verder alles op zijn beloop. Haar moeder hield ze zorgvuldig buiten de ziekenkamer, en deze vond ’t veel te aangenaam Paula’s weelderige huishouding te besturen, om in dit verbod iets hinderlijks te vinden, verondersteld al dat ze ooit iets hinderlijk vond wat van haar dochter uitging.

Wat Paula trof in Larsen’s ijlen was een verward plan om te vluchten samen met Didi, ver weg, als eenige uitredding; en telkens had hij ’t over een huisje waar ze samen woonden, vader en dochter elkaar vertroostend in de eenzaamheid.…

Hij had dus over zóo iets gedacht? Dat moest dan wel: hoe kwam hij er anders aan? In zoo’n geval zou zij er al heel leelijk aan toe zijn.… [165]

Bij háar was de mogelijkheid van zulk een vlucht nooit opgekomen: verbeeld je, hij, die doodgoeie prozaïsche Larsen! ’t Was al te romantisch. En hij zou ’t slim moeten aanleggen ook, dat zij ’t niet merkte.… Maar toch.… juist omdat ze zoo iets nooit vermoed had, zou ’t hebben kùnnen gebeuren.… Goed dat ze nu gewaarschuwd was. Ander gevaar had ze nooit gevreesd. Haar uitlatingen waren immers zonder getuigen gesproken: hij had er toch geen gebruik van kunnen maken.…

Zoo had Paula stof te over om na te denken, terwijl ze haar zieke oppaste.

Het denkbeeld om Van Thiemen in de arm te nemen, dat door Larsen’s schijnbaar onderworpen houding op de achtergrond gedrongen was, vertoonde zich weer: ja, van die kant was wel hulp te wachten, als ze ’t maar handig aanlegde. En handig wàs ze! Ze was een van die vrouwen die een aangeboren takt schijnen te bezitten voor alles wat ze ondernemen. Iedereen nam ze met de grootste gemakkelijkheid voor zich in. Daarbij een aan ’t naïeve grenzende natuurlijkheid—bij háar hoogste kunst—die niemand eenige valschheid deed vermoeden, ja menigeen iedere verdenking daarvan met verontwaardiging van zich deed werpen.

Ja, ze moest naar Van Thiemen, en zoo spoedig mogelijk. Ze kon nu moeilijk hem bij zich aan huis [166]ontvangen. De aanwezigheid van de zieke in huis zou onwillekeurig een drukkende invloed op de stemmingen uitoefenen—bij Van Thiemen echt, bij haar als gedwongen fraaiigheid.

Lukte haar opzet bij hem niet—’t kon gebeuren, ofschoon ze er al heel weinig bang voor was—wel, dan zou ze zelf zien te handelen. In alle geval kon Van Thiemen haar wel van raad dienen, al wilde hij niet daadwerkelijk helpen. [167]