XII.
Paula liet geen gras groeien over wat ze zich voornam.
Voor ’t bezoek aan de rechtskundige raadsman koos ze de avond. ’s Avonds, na het diner, is de beschaafde mensch gewoonlijk het best gestemd en ’t meest vatbaar voor indrukken, en hier hing het welslagen der onderneming van beide factoren af.
’s Avonds alleen op bezoek te komen bij een vrijgezel vond ze in dit geval verre van ongepast: Van Thiemen was de vriend van haar man, en, nu deze ziek was, lag daarin voldoende verontschuldiging voor haar om, na een dag van trouwe oppassing, ’s avonds van een oogenblik van vrijaf gebruik te maken. Bovendien, al zeî de wereld ook iets—ze maalde er wat om: zij verkoos zoo te handelen, en daarin voelde ze zich als een vorstin: zij gaf aan wat behoorlijk was, en liet het aan anderen over slaafs een anders opinie te ontzien.
Ze belde aan, en trof Van Thiemen thuis. [168]
’t Bezoek viel hem op als ongewoon, hij dacht aan kwade tijding van zijn vriend. Begeerig de reden van haar komst te vernemen, zette hij zich over een gevoel van tegenzin heen. En met zijn gewone hoffelijkheid ontving hij Paula in zijn salon.
Zij zat er toen hij binnenkwam. Zij voelde er zich behagelijk: ’t was er zoo recht gezellig en smaakvol: geen wansmaak en overvulling zooals ze bij zooveel anderen—collega’s van haar man bijvoorbeeld—waargenomen had. ’t Was duidelijk dat hier de salon geen pronkkamer was, waar alleen Zondags en anders bij buitengewone gelegenheden de huisbewoners durven zitten, en waar in de tusschentijd muffigheid en koude ongezelligheid heerschen. Evenals in zijn studeerkamer had Van Thiemen hier een harmonisch gemeubeld, behangen en versierd vertrek ingericht. Hier was alles lila en wit, behalve het mollige tapijt en de gordijnen die havana-kleurig waren. De piano stond dwars, en was eveneens gedrapeerd in die kleuren. Het daarachter gevormde hoekje had een tegen de muur staande hoekbank, lila-en-wit-geverfd hout. Een dergelijke bank, maar grooter, liep links en rechts van de andere hoek aan dezelfde wand; terwijl tegenover den achterkant der piano een zwarte standaard met een fraai wit beeld—een buste—prijkte. Een groote spiegel met witte lijst boven de schoorsteen, waarop een bronzen beeld met uurwerk. [169]Daarnaast en bij de andere hoek een sierlijke palm. Een enkel doek op een ezeltje tusschen de beide vensters, verder een tafeltje met weinig stoelen en fauteuils. Eindelijk drie groote aquarellen met witte lijsten—alle drie heerlijke bloemstukken van groote meesters—en een elektrische lamp met licht-lilakleurige lelievormige pitten.
De suite-deuren waren dicht. In den grooten haard brandde een klein vuur van briquetten. Een zachte flauwdoorgeurde temperatuur vervulde het vertrek.
Paula had net een blik in de spiegel geslagen, en zich overtuigd dat ze er bekoorlijk uitzag, toen de deur openging.
„Mevrouw!” zei Van Thiemen met zijn stem vol mollige buiging. „Waarmee kan ik U van dienst zijn? U is wel, hoop ik?”
„O, meneer Van Thiemen, dank u. Hoe maakt u ’t?”
„Een beetje druk, mevrouw, overigens volkomen gezond.”
„Ik kom u niet lang ophouden,”—een lachje—„ik heb uw raad noodig. En, u begrijpt”—dit met neergeslagen blik—„overdag geeft mijn man me te veel te doen, om aan uitgaan te denken. Daarom kom ik op dit ongewone uur.”
„O,” zei Van Thiemen, die inmiddels plaats genomen had—zij op een hoekbank, hij ervóor—„dat maakt niets uit. Hoe is ’t met de zieke?” [170]
„O, dat gaat, dank u. Ik hinder u dus niet?”
„Ik heb zelfs liever dat u ’s avonds komt: dan ben ik meestal thuis.”
„Erg druk tegenwoordig, meneer Van Thiemen?”
„Och, dat schikt. Ik ben veel in Den Haag. Koninklijke Bibliotheek,” liet hij volgen, als achtte hij noodig deze verklaring te geven.
„Ook al studies, net als Larsen?”
„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” Van Thiemen draaide zijn knevel op en keek in de lucht. „’t Hoort zoo bij ’t baantje—bij ’t „prof” zijn!”
Hij lachte even. En zij vleiend en ondeugend:
„Nu ja, prof en prof is twee. U is geen professor in de eigenlijke beteekenis.”
„Och kom, mevrouw!”
„Natuurlijk niet, en dat weet u zelf ook wel. Om te beginnen kleedt u zich te goed, en dan is u in ’t algemeen niet aartsvervelend. Dames kunnen daarover oordeelen.”
„Ik neem ’t laatste aan, ofschoon ik ’t compliment—hoezeer ook met erkentelijkheid aangehoord—niet zoo grif aanvaarden kan.”
„Larsen bij voorbeeld is vervelend.”
„ ! ”
„U kent hem. O, maar ik heb u nog niet goed verteld hoe ’t met hem is.” Ze had hem nooit doen weten dat er eenig gevaar bestond, en wilde dat ook [171]nu niet doen. „Hij is iets beter, eet ten minste weer.”
„Wel, ik verheug me ’t te vernemen.”
„Hij had zich wat overspannen.”
„Ja? Hij werkt veel.…”
„Ja, en.… dan,” weer met neergeslagen blik, „we hebben een verschil van gevoelen gehad, voor ’t eerst van eenigszins … ernstigen aard.…”
„Zoo.” Van Thiemen vond de wending in ’t gesprek onaangenaam.
„Hij heeft zich bizonder opgewonden, sprak zelfs van scheiden.”
„Jawel, hij heeft er mij iets van gezegd.”
„Nu, ik geloof dat de zaak wel terecht zal komen, o zeker, want ’t sop is de kool niet waard. Nee,” en ze hief ’t hoofd op, „ik zou te ongelukkig zijn als ’t ooit zoover kwam tusschen ons.”
Van Thiemen zweeg, bewonderde haar komediespel.
„Nee, trouwens zoo iets is immers onmogelijk. Er is niets.…”
„Zoo.”
„Nee, volstrekt niets. En waarom zou hij dan scheiden? Gesteld—’t is eigenlijk te dwaas ’t te veronderstellen—gesteld ’s dat hij ’t wilde, zou hij ’t immers toch niet gedaan kunnen krijgen. Als men een kostbaar bezit heeft,”—ze zuchtte—„is men soms overdreven bang het te verliezen. Mijn huiselijke vrede—nu zooveel jaren bewaard!” [172]
„Als er geen redenen zijn, ook geen gefingeerde.…”
„Gefingeerde, wat wil u zeggen?”
„Als nu hij er eens op stond van u gescheiden te worden, en een gefingeerde schuld op zich nam.”
„Ja, àls hij dat deed, en als ìk daarop een eisch instelde. Te dwaas om aan te denken! Maar ik laat dat daar. Larsen doet zoo vreemd in de laatste tijd, dat ik soms.…” Ze aarzelde.
„Aan zijn verstand twijfel?” vroeg Van Thiemen verwonderd.
„Om de waarheid te zeggen, ja. Ik vrees een dwaasheid—een vlucht of zoo iets, met mijn kind.…” ’t Kwam er zenuwachtig uit, vol angst.
„Och kom, mevrouw: Larsen, zoo’n nuchter bezadigd mensch! Is er dan zoo iets vreeselijks gebeurd? U verschoont me dat ik ’t zeg, nie’waar? U heeft mijn raad noodig, en dan mag ik wel vrijmoedig spreken.”
„O zeker. Ja, er is wel veel naars tusschen ons voorgevallen, maar, ziet u, hij is zoo overgevoelig en ik—zeg zooveel in mijn drift waar ik niets van meen.” Ze lachte bekoorlijk.
„U heeft dus dingen gezegd.… ja, ja, waardoor hij aan zoo’n dwaasheid zooals u zegt, denkt?”
Paula had zoo graag vernomen of Larsen alles gezegd had, dat wil zeggen alles van na haar handtastelijkheid. Dat hij van ’t eerste hevige tooneel tusschen hen gesproken had, wist ze vrij zeker. Maar [173]de bizonderheden? Van Thiemen doorzag haar, en liet zich niet uithooren.
„Ja, maar hij neemt alles overdreven op. Ver overdreven! Er is niets onherstelbaars. En.… zijn vrouw houdt van hem.…” ’t Laatste werd op droevige toon met neergeslagen blik uitgesproken.
„’t Is voor mij erg moeilijk, mevrouw. Zoo lang ’t op rechtskundig gebied blijft kan ik u van raad dienen; maar overigens.… U weet wat de Franschen zeggen: „entre l’écorce et le bois il ne faut jamais mettre le doigt.””
„Kom, dat zeggen al te voorzichtige menschen, niet u, die een goed vriend van Larsen is, en ook voldoende vriendschap voor mij heeft om mij geen dienst te weigeren.…”
Ze keek hem met fluweelige streeling aan. Ze was bizonder mooi die avond, met haar donkerbruin mantelpakje en haar Cleo-de-Mérode-kapsel.
„Ik geloof dat ú nu „overdreven” is, mevrouw. Larsen zal zoo iets niet doen.”
„Heeft hij u niets gezegd?” Komaan, ze waagde het ronduit de vraag te stellen.
„Van vluchten? Hij is te verstandig om zoo iets zonder goeie redenen te ondernemen.”
Paula zette haar eene voetje over ’t andere, als afleider voor een hartgrondig stampje, dat ze op de grond had willen doen. [174]
„Goed, maar ìk ben er bang voor. En ìk ben bang voor groote verwijdering tusschen ons.… U kan daar ’t uwe aan doen. Larsen houdt van u: u heeft vat op hem, meer als iemand anders. Raad u hem ten goede.…”
„Dat heb ik gedaan, mevrouw. En wat ik tot zijn bestwil nog verder raden kan, zal ik niet nalaten te doen. Geloof u me vrij.”
Zoo’n slimmerd! dacht Paula: zoo’n raad kon even goed tegen haar gericht wezen. Maar.… zou dat wel? Had hij iets tegen haar? Ze had zich altijd verbeeld dat hij tot haar stille aanbidders behoorde, dat hij alleen daarom niet méer voor den dag was gekomen, omdat zij hem geen voet gegeven had. Had ze maar éen vinger uitgestoken.… Hij was immers altijd zoo voorkomend, zoo echt hoffelijk geweest. Misschien had Paula geen gelegenheid gehad Van Thiemen’s houding tegenover andere dames waar te nemen, anders had ze zeker spoedig gezien, hoe weinig al die hoffelijkheid beteekende. Van Thiemen was nu eenmaal hoffelijk jegens iedere dame; en eerst dan maakte deze nietszeggende uiterlijkheid plaats voor degelijker sympathie-betuiging wanneer hij te doen had met een vrouw voor wie hij groote achting gevoelde. En zoo iets kwam zelden voor. Hij hield van de vrouwen, maar vreesde al te groote toenadering: zijn feminisme hield er zulk een hoogstaand [175]vrouwen-ideaal op na, dat de meeste vrouwen hem slechts aantrokken als belangwekkend studiemateriaal. Slechts enkelen hadden het vermocht hem op andere, inniger wijze te boeien. Hij had eens werkelijk liefgehad, jaren geleden; maar sinds de dood van het meisje zijner keuze had geen vrouw de leege plaats in zijn hart kunnen innemen. Zijn hoffelijkheid diende hem als schild, dat alle intiemere aanrakingen afweerde; dat tevens wonderwel zijn eigen gevoelens over deze of gene zijner vrouwelijke kennissen verborg. Zoo ook tegenover Paula. Zij had nooit kunnen merken hoe een aanvankelijke genegenheid al heel spoedig had plaats gemaakt voor onverschilligheid en zelfs voor antipathie.
Toch ging zijn neutrale vriendelijkheid—om ’t zoo eens te noemen—niet zoo ver dat hij in echte huichelarij verviel. Zoodra het op daden aankwam, zoodra belangen van eenige beteekenis op ’t spel stonden, zou hij niet aarzelen zijn ware gezindheid volkomen duidelijk te toonen, hoe onaangenaam hij dit zelf ook mocht vinden.
Hij vreesde dat zulk een zeldzaam geval zich thans zou voordoen, en hij gedwongen zou wezen kleur te bekennen.
Paula begon te weifelen. Ze bedacht zich even, en zeide toen:
„Ik zou u willen vragen wat meer bij ons te komen. [176]We hebben u in dagen niet gezien.… Maar ik ben bang dat u ’t te druk heeft.…”
„Ik wou juist dezer dagen eens naar Larsen komen kijken. Ik hoorde gisteren pas dat hij ziek was.”
„O, Larsen mag niemand bij zich ontvangen, behalve mij,” zei Paula snel. „Maar,” liet ze volgen, „u kan daarom toch wel komen. Moeder ziet u ook graag. Die logeert bij ons, om me te helpen.”
„O, als ik kan, zal ik niet nalaten te komen. Zoo, is mevrouw uw moeder bij u? Is mevrouw wel?”
„Dank u. Ik mag dus op u rekenen? U weet niet hoe’n groot genoegen u ons doet, ook Larsen, al kan hij u ook niet spreken.… Als hij merkt dat u mij dezelfde vriendschap toedraagt als te voren, zal hem dat zeker gunstig stemmen.…”
Van Thiemen bepaalde zich tot een beleefde glimlach.
„Dus,” zei Paula, opstaande, half als ongeduldsuiting, half omdat ze inzag dat ze niet verder kwam, „u komt gauw ’s aanloopen? Aan de thee vindt u ons altijd.”
„Ik zal ’s zien wat ik doen kan, mevrouw.” Hij stond eveneens op. „Intusschen dank voor uw vriendelijkheid. Maar, u weet hoe druk ik ’t heb.… Wil u wel mijn eerbiedige groeten aan mevrouw uw moeder doen, en ook Larsen beterschap voor me wenschen?” [177]
Hij bracht haar naar de gang, hielp haar met haar mantel, en geleidde haar naar de voordeur.
„Tot ziens, meneer Van Thiemen!”
„Mevrouw,” zei Van Thiemen, boog en sloot de voordeur.
Op straat stootte de schoone avondbezoekster een hartgrondig diepe zucht uit, en stapte met driftige pasjes, niet in de richting van haar huis, dat in de buurt lag, maar verderop de straat in.
Ze keek op haar horloge bij een lantaarn: kwart voor acht.
Gelukkig, ’t was nog vroeg. En Larsen zou nog wel slapen. Hij sliep toen ze uitging.
Toen ze aan de schel trok van een groot huis op een der grachten, bonsde haar hart zoo hevig, dat ze zich geweld moest aandoen om op kalme toon aan de meid te vragen, of mevrouw Boudewijns en de jonge meneer thuis waren. [178]