XVI.
Larsen was merkwaardig veranderd. De verandering in hem openbaarde zich ook in zijn kijk op menschen en dingen. Hij was geen droomer, geen fantast, geen man van oorspronkelijke gedachten of geniale invallen, geen Faust, maar een Wagner, al was ’t van de goede soort. Wetenschap en boek waren bij hem onafscheidelijk; zoodat hij in zijn denkleven steeds daardoor beheerscht werd: zijn geest had jaren en jaren achtereen in een denkbeeldige atmosfeer verkeerd, en was daarin volkomen bevredigd geweest. Zijn gevoelsleven had als onbewust daarnaast bestaan. Nooit had het hem verontrust, geen oogenblik in al die jaren had hij ernstig nagedacht over eenige gemoedsvraag. De liefde voor Paula, die alles aangrijpende drijfkracht van zijn wezen, was als de klop van zijn hart, even natuurlijk, onwillekeurig, buiten alle beheer van zijn denkvermogen.
Thans dacht hij aan die hartslag; want er was stoornis in zijn ziels-organisme. [224]
En hoe meer hij dacht, hoe ellendiger hij zich voelde, hoe meer hij besefloos toegaf aan de verwarring, het verlies van evenwicht in zijn denkbeelden. ’t Eerste gevolg der groote stoornis was angst geweest. Die angst had hem vervolgd, opgejaagd totdat hij geen ander heil verwachtte dan wat de vlucht hem schenken zou. En ’t vooruitzicht op rust had hem reeds toegeblonken: ’t had hem gesust, ’t had zijn zielebrand voor een wijl gedoofd.
En nu? Nauwelijks was hij thuis of de angst kwam terug! Wat hem voorgekomen was als makkelijk te overwinnen, misverstand, bleek thans een weldoordacht plan: niet dat hij er ’t ware besef van had—hoe kon dat in de geschokte toestand waarin hij verkeerde?—maar juist deed zijn overspannen verbeelding hem bedrog en verraad zien waar het niet was. Was werkelijk hier zijn vrouw alleen de schuldige; het duurde niet lang of hij verdacht de huisdokter van gemeene samenspanning. En van de eene verdenking kwam hij op de andere, en telkens werd de strijd, die hij er tegen voerde, zwakker.
Op reis naar huis terug had hij nog de kracht gehad angst-aanvechtingen terug te dringen: zijn vrouw had hem willen dwingen terug te keeren, zeker—waarom anders dat bevelschrift?—maar wat ’n dwaasheid te denken dat zulk een komediespel van haar vol te houden was! Och kom, hij zou [225]wel heel spoedig ’t zaakje in orde hebben. En hij was begonnen met dood-bedaard—hij deed zijn best het te wezen—in gedachten de goede Dr. Brakel nog eens al zijn bewijzen vóor te leggen, dat hier een betreurenswaardige dwaling in ’t spel was.
De heele weg over, tot aan ’t oogenblik dat Larsen met zijn geleider en de kleine Didi in de trein stapten, hadden ze nauwelijks een woord gewisseld. Larsen stapte voort met gefronste wenkbrauwen en saamgeknepen lippen, Didi naast hem, schuchtere blikken werpend op haar vader, terwijl de huisarts in vreedzaam gepeins, voldaan, maar schijnbaar onverschillig, met kleine pasjes de stoere schreden van zijn patiënt trachtte bij te houden.
In de coupé zette Larsen zich als een zak in een hoek, Didi schoof naar hem toe, greep zijn hand en keek hem met groote oogen aan, met de bezorgdheid van een klein moedertje dat troosten wil. Larsen, die reeds de oogen gesloten hield, sloeg ze op, en voelde al de streeling die van Didi’s blik uitging. Een warme opwelling van teederheid deed hem zijn arm om haar heen slaan, en zijn ruige baard raakte haar zachte wang.
„Vadertje,” zei ’t kind alleen, maar er was een wereld van hartelijkheid en belangstelling in haar toon.
Dr. Brakel keek toe. Er was niets dan medelijden in zijn blik, en toch was ’t Larsen of hij er spot in [226]las, of hij met een zweepslag opgeschrikt werd. Driftig wendde hij zich half om:
„Doe me genoegen, dokter,” zei hij scherp, „en kijk me niet zoo.… vreemd aan! Ik weet waaraan u denkt. Bewaar in Godsnaam uw observaties voor later.…”
De toegesprokene raakte even de klus kwijt—hij was een schuchter, weinig imponeerend man—maar herstelde zich dadelijk. De meewarige uitdrukking in zijn oogen werd nog sterker en hij antwoordde op gemaakt luchtige toon:
„Maar professor, ik denk er niet aan.…”
Larsen wilde uitbarsten, maar bedwong zich. Ongemakkelijk verschoof hij zich op zijn plaats. Hij vergenoegde zich met een blik vol misnoegdheid; thuis, wanneer de tegenwoordigheid van ’t kind hem niet langer zou storen, zou hij die onzin wel wegpraten: zóo en zóo en zóo.… Als hij nu toegaf aan zijn drift en hevigheid, zou de zaak er zeker eer slechter dan beter door worden.
Toen de trein aankwam, stond een rijtuig te wachten, door Paula afgezonden. Larsen merkte met verbeten ergernis op dat er een voorzorgsmaatregel genomen was: er zat een man naast de koetsier op de bok. Zijn verlangen naar huis werd haast onduldbaar, die komedie moest zoo gauw mogelijk uit wezen! [227]
Nauwelijks zijn voordeur binnen, vroeg hij naar Paula. Het welbekende gezicht van Pietje vertoonde een vreemde, medelijdende verwondering.
„Mevrouw?.… Dat weet ik.… heusch niet, meneer,” zei ze met een kleur.
Larsen voelde weer zijn bloed koken: hij, de kalme, zelden kregelige man, had nu telkens moeite om zijn drift te bedwingen.
„Is ze uit?” vroeg hij stuursch.
De dokter nam de verlegen Pietje even apart, fluisterde haar een paar woorden in, waarop ze, eveneens fluisterend, zenuwachtig antwoordde.
Larsen, die ’t zag, wendde zich kort om, streelde zijn kind, dat zich schuchter tegen hem aan drong; en verborg zoo zijn wrevel zoo goed hij kon.
Dr. Brakel zeide daarop:
„Mevrouw is niet dadelijk te spreken, professor. Ik moet haar voorbereiden. Ik zou u raden voorloopig naar uw kamer te gaan.” Daarna gaf hij een teeken aan ’t dienstmeisje en wees op Didi. Zijn heele optreden had iets autoritairs, iets korts en afdoends, als gold het hier een weloverdacht plan van handelen.
De anders zoo zachtmoedige professor kon zich niet meer inhouden.
„Ik moet mevrouw spreken, versta je dat, Pietje?” riep hij woedend, niet lettend op de dokter. „Zeg me onmiddellijk waar mevrouw is.” En hij ging [228]eenige schreden de gang in, in de richting van de trap.
„Ik.… weet.… ’t niet,” stamelde de verschrikte Pietje, wie de angst om ’t hart sloeg: je kon nooit weten, nu meneer gek was.… En haar voorschoot aan de oogen brengend, begon ze te schreien.
Haar vrees dat „meneer” haar aanpakken zou werd niet bewaarheid, tot haar groote verlichting; want ze zag hem met ongekende haast de trap opgaan, nog voordat de dokter een woord van protest kon uitbrengen. Bij wijze van schrik-afleider nam ze Didi bij de hand, en troonde haar met zich mee naar achteren: de dokter moest ’t maar verder klaarspelen met meneer, zij moest er niks van hebben, hoor!
En de dokter vond het geraden Larsen zijn gang te laten gaan. Zijn vrouw zou hem toch wel in geen geval ontvangen. Dr. Brakel dacht aan de afspraak, die ze vóor zijn vertrek naar Vlissingen, met hem gemaakt had, en rekende op haar voorzichtigheid. ’t Was Paula makkelijk gevallen hem te overtuigen dat ze bang voor haar man was, nu hij „zoo vreemd” was, en hij had haar dan ook de raad gegeven hem onder geen voorwendsel bij zich toe te laten: hij, Dr. Brakel, zou dan alles wel kalmpjes afdoen. Paula had het hem vast beloofd, met groote voldoening dat ze zóo een lastig tooneel met Larsen vermeed: wie weet wat de man anders in zijn razernij tegen haar zeggen zou, afgezien nog van lichamelijk letsel dat [229]hij haar zou kunnen doen: hu, zoo’n gek!—want dat wàs hij immers nu bepaald—’t was beter alle contact te ontloopen, dan was er geen kans op geklets van de meiden ook, en—de zaak zou op rolletjes gaan.…
Zoo had Paula zich dan reeds uren te voren boven in haar kleedkamer opgesloten, en iedere keer was ze naar het venster geloopen, wanneer ze meende ’t gedruisch van wielen te hooren. Over de tuinmuur heen kon ze een strook van de straat overzien. En toen eindelijk ’s avonds vrij laat ’t verwachte rijtuig langs de muur reed, stond ze weer achter ’t gordijn, en kon ze bij ’t schijnsel van een straatlantaarn aan de twee gestalten op de bok merken dat Larsen wel binnen enkele oogenblikken thuis zou wezen. Toen nog even geluisterd aan de deur, die ze met de hand aan de knop openhield: jawel, daar hoorde ze zijn stem in de gang! En ijlings sloot ze de deur, weer op slot.
Paula voelde zich zenuwachtig: zou Larsen misschien tòch trachten tot haar door te dringen? Als de dokter eens.… Ze zette zich op een fauteuil bij haar kaptafel, en wachtte af, de ooren gespitst. Het gerucht van stemmen beneden kwam flauw tot haar. Pietje of de dokter zou wel spoedig boven komen.
Daar werd aan de deur geklopt, met vrij hevige tikken. [230]
Dat moest Larsen zelf zijn! Ze voelde ’t, ofschoon de vlugge schreden op de trap en op den overloop evengoed op een ander hadden kunnen duiden; want men zou haar immers dadelijk verwittigen, wanneer de verwachte er wezen zou.
Een oogenblik bleef ze in beraad.
Nog eens hevig kloppen, vrij onmiddellijk na ’t eerste.
„Paula, mag ik binnen?” klonk het ongeduldig en gejaagd, zonder eenige inleiding.
De aangesprokene was ten hoogste ontroerd: ze beefde over haar heele lijf. Ze moest een besluit nemen: niet binnenlaten, in geen geval.… Maar dan.… als hij eens de deur forceerde?
Haastig sprong ze op, liep naar de schel en deed er drie of vier zenuwachtige rukken aan.
Larsen hoorde de beweging in de kamer en ’t geluid van de schel. O, hij begreep het: Paula was bang voor hem! Deze ontdekking die hij deed was weinig geschikt om hem tot bedaren te brengen. ’t Speet hem nu dat hij maar niet dadelijk naar binnen was gegaan. Hij had ’t niet gedaan, omdat de veranderde omstandigheden hem dwongen tot grootere vormelijkheid.… De deur zou wel open zijn.… hij moest onmiddellijk aan dien onzin een eind maken.
„Wat is dat?” riep hij buiten zich zelven toen hij merkte dat de deur op slot was. „Paula! Ik moet [231]even bij je zijn. Ik moet je spreken. Wat is dat nu voor een komedie? Laat me binnen!”
Geen antwoord.
„Paula! Hoor je me niet?”
Hij luisterde even: ’t was muisstil in de kamer. „Paula!”
Daar kwam iemand de trap op. O, de dokter. Wat had die hier te maken?
„Wat moet u hier?” vroeg Larsen.
De dokter trad op hem toe en leî een hand op zijn schouder. Larsen weerde hem driftig af:
„Dat is onuitstaanbaar! Ik heb u niet noodig.…”
„Ik u wel,” zei Dr. Brakel kalm en met beteekenis. Weer ging de bel in Paula’s kamer.
„Wacht u dan beneden op me. Ik kom bij u in de voorkamer, straks. Ik moet even mijn vrouw spreken. Dat wil u me toch niet beletten?”
Merkwaardig stak de drift van de eene bij de kalmte van de ander af. Dr. Brakel waagde nog een poging tot overreding. Vriendelijk vervolgde hij:
„Ik heb u immers gezegd dat uw vrouw u niet dadelijk ontvangen kan. Ze komt misschien straks beneden. Ga nu met me mee, of ga naar uw kamer. Daar doet u heusch verstandiger aan. U begrijpt toch dat uw vrouw na ’t gebeurde.… niet opeens begrijpt.… wat ze aan u heeft.”
Misschien zou Larsen voor die zachte drang [232]gezwicht zijn, als niet juist op dat oogenblik iets voorviel dat zijn reeds bedarende drift heviger dan ooit deed opvlammen.
De man op de bok, op wie Larsen bij ’t thuiskomen in zijn staat van afgetrokkenheid niet meer gelet had, was een kameraad gaan halen en beiden bleven buiten wachten nadat het rijtuig weggereden was. Pietje had van mevrouw de uitdrukkelijke last gekregen ze in te laten zoodra de dokter ’t noodig oordeelde, en als dat gebleken was voorloopig niet het geval te wezen, zou ze hun dit aan de deur zeggen. De politie-mannen—want dit waren zij, al verraadde niets in hun kleeding hun kwaliteit—wandelden op en neer vlak vóor ’t huis. Pietje, die op mevrouw’s bellen de oude dokter naar boven had zien „hollen”, vond ’t geraden naar hulp uit te kijken: wie weet wat er anders gebeurde! Ze was anders juist bezig Didi allerlei vragen te doen, en had zoo graag wat meer uit haar gekregen—Didi was uit haar humeur geweest, had nauwelijks bij Pietje willen blijven, en toch had deze dit noodig gevonden „in de omstandigheden”. En Pietje stoof de gang in, terwijl ze Didi in de keuken sloot, keek schuw links en rechts uit de voordeur, wenkte met hevig gebaar toen ze de twee gestalten gewaar werd.
„Doet-i vreemd?” vroeg de een, die ’t zaakje niet onaardig vond. Mevrouw van de Prefesser was al [233]zoo gul geweest. ’t Was daar ’n goeie boel in huis: cognac en sigaren, asjeblief en fijn, hoor!
„Ja, kom gauw,” zei Pietje zenuwachtig, en keek nog eens of er ook menschen op straat waren.
En de beide mannen kwamen stil binnen. Pietje sloot de voordeur, met bevende vingers, en ze deed zich pijn aan de koperen knop. Ze stak haar duim in haar mond—hè, dat lamme ding aan die deur!
„Mevrouw is boven,” stamelde ze.
„Ja, en?” De gebaarde politie-agent met het blozende gezicht, die iets Duitsch krijgshaftigs in zijn uiterlijk bewaard had, al was hij ook reeds tien jaar „uit dienst”, had zijn minder militair uitziende kameraad—een bleek, beenig stadsmensch met kaal gezicht, iets ouder en minder stevig—met een wenk duidelijk gemaakt dat hij wachten moest: hij had in dienst manieren geleerd, wat blief je.…
„Meneer.… is ook boven. En de dokter is ook boven. Ga maar ’s kijken.”
De Germaan van de twee glimlachte goedig over Pietje’s zenuwachtigheid.
„Blijf jij maar hier wachten, Van Turnhout,” zeî hij op gedempte toon tot de ander. „Ik zal je wel roepen als ’t noodig is. Ik zal wel alleen gaan.”
„Gauw dan toch!” jengelde Pietje zoo zacht als haar angst toeliet. Mevrouw had haar weer gebeld.…
En zoo kwam ’t dat er zich een ruige krijgsmanstronie [234]boven de trap vertoonde, juist toen Larsen die kant uitkeek, en er reeds aan dacht toe te geven aan de aandrang van Dr. Brakel.
Het kinderlijk, kalm jongensgezicht met de groot-starende, blauwe kijkers had op Larsen een wonderlijke uitwerking. Zonder zich rekenschap te geven van wat hij deed—de impulsies namen meer en meer de overhand in zijn handelen—vloog hij op de verschijning toe.
„Mijn trap af.… Mijn huis uit, zeg ik je!” bulderde hij vlak bij hem.
Weer dat starende blauw, zonder spoor van verbazing; dat massieve geheel van bewuste kracht.
Larsen weifelde. Meteen was onze Germaan boven, en stond nu naast de woedende. Hij wierp even een blik naar de deur aan ’t einde van de overloop, die van Paula’s kamer. Dat was in orde: de dokter stond ervoor, en die wenkte: hij kon zijn gang gaan.
Larsen zag en begreep zijn blik. En smartelijker, honender dan ooit flikkerde dit angstbeeld vóor zijn geest op: Paula wilde hem verwijderen, naar ’t gekkenhuis laten brengen, zonder hem een oogenblik gelegenheid te laten het misverstand uit de weg te ruimen, en de dokter en zijn heele huis spanden samen in een duivelsch komplot!
Dat zou niet, bij God! Hij was nog meester in zijn huis.… Maar ’t bevelschrift dat de oude Brakel [235]hem te Vlissingen had laten zien? ’t Mocht wat! ’t Was al mooi dat hij daarom gewillig mee was gegaan, terug naar zijn huis! ’t Was immers schreeuwend onrecht iemand zoo maar weg te willen halen zonder een woord van explicatie! Dat was Paula’s toeleg: een machinatie zonder naam, op touw gezet omdat ze haar kansen anders tegenover hem verloren zag. Daar zou hij zich tegen verzetten, en hij wou wel ’s zien, of hij zich geen recht zou weten te verschaffen tegenover dat wijf!!
En er niets van beseffende hoe hij hier juist bezig was zijn eigen spel voor goed te bederven, liet hij zich blindelings voortsleepen door zijn toorn.
„Versta je me niet?” riep hij weer tot de agent met gebalde vuisten en vlammende oogen. „Onmiddellijk naar beneden!”
De ander zweeg, maar de dreiging in Larsen’s blik en gebaar ziende, bracht hij snel een fluitje voor den dag, en blies er even met kracht op. Had hij geroepen, dan was er kans geweest dat zijn kameraad beneden een minder gunstig denkbeeld van zijn correct militair optreden gekregen had.
Bij Larsen deed dit de maat overloopen. Met zijn groote kracht, vroeger ondanks al zijn ingespannen studie steeds onderhouden en geoefend door dagelijksche huis-gymnastiek, ’s morgens na ’t bad, en thans nog wonderlijk vermeerderd door zijn dolle [236]woede, greep hij de agent bij zijn schouder, en duwde hem in de richting van de trap, slechts enkele schreden daarvandaan. De man was een oogenblik overbluft door de vlugheid van Larsen’s optreden. Doch zich dadelijk herstellende, wist hij met groote tegenwoordigheid van geest bovenaan de leuning te grijpen, en zoo een anders zekere val te stuiten, toen zijn eene voet reeds van ’t portaal af op de bovenste trede der trap was gegleden. Nauw zijn evenwicht herkregen, zette hij zich schrap. ’t Massieve eikenhout der leuning kraakte bedenkelijk door de forsche druk van die athleten-arm; doch ’t was maar éen oogenblik; want de onbesuisde tegenstander was bedwongen voordat hij nog recht wist wat er gebeurde: de ander had hem met de eene vrije arm en zijn eene knie achteruit gedrongen, was een ommezien later weer op het portaal, en had Larsen de handboeien aangelegd.
„’t Spijt me, meneer,” zei de handige politie-agent met kranig geaffecteerde bedaardheid—hij was blij dat ’t zoo goed afgeloopen was, nou; want de perfesser was niet meegevallen, om de dood nie!—„maar u zal me moeten volgen. Als u zich kalm houdt wil ik u straks die boeien wel afdoen, in ’t rijtuig misschien al.”
De gevangene stond wezenloos, verlamd. Met uitpuilende oogen staarde hij de agent aan, zijn neusvleugels [237]trilden, uit zijn open mond kwamen benauwde ademschokken. Een akelig geluid, half snik, half kreunen ontwrong zich aan zijn borst, en hij zakte in elkaar. Een wit gipsen beeld achter hem wankelde en viel van zijn voetstuk met een harde slag.
Met goedige verbazing in zijn blik ondersteunde de agent het slappe lichaam van Larsen. De dokter schoot toe, gaf orders.
Inmiddels was de tweede agent bovengekomen.
En Pietje schichtig daarachter, op de trap nog, aarzelend, nieuwsgierig, bang.
„Zal ik koud water halen?” riep ze.
Larsen werd naar een bank geleid bij een raam op de overloop. De dokter liet hem zitten, maakte zijn vest los. De eene agent ontdeed hem van zijn boeien, de ander haalde wat water: de duinwaterkraan was vlak bij de hand. Hij nam ’t zeepbakje weg en vulde dat.
„Daar neerzetten,” zeî Dr. Brakel, toen de agent terugkwam. En dan tot de schichtige Pietje:
„Breng even een spons, Pietje.” En toen Pietje de trap weer af wilde:
„Uit mevrouws kamer maar.”
Paula, die achter haar deur had staan luisteren, een en al beving en schrik, vermoedde wat er gaande was. Ze liet Pietje dadelijk binnen, toen deze met huilerige stem om toegang vroeg. [238]
De dokter had intusschen zijn patiënt een flacon met „vlugzout” onder de neus gehouden—hij had het bij zich genomen voor alle gebeurlijkheden; daarna het voorhoofd wat gebet, met zijn zakdoek. Larsen opende flauw de oogen.
Toen Pietje terugkwam, stak haar meesteres ’t hoofd uit de deur van haar kamer.
„Dokter!” riep ze zacht.
De geroepene belastte Pietje met het toezicht over zijn patiënt.
„Ja?” antwoordde hij bijna fluisterend.
„Hoe is ’t, dokter? Hij komt bij, nie’waar?”
„O ja, dat gaat al. Maak u maar niet ongerust.”
„Moet hij niet naar zijn bed?”
„Ja, dat zal wel ’t beste zijn. Waar zal ik hem laten brengen?”
„Och.… wat dunkt u?.… Heeft hij daar ook niet een goed bed?”
„Daar.… Wat bedoelt u?”
„In.… in ’t gesticht.”
„O, jawel. Maar woû u?.…”
Paula hield even op. Toen nog zachter dan te voren:
„Ik ben zoo bang.… voor hem, dokter. Voor hèm, ziet u? Als u toch verzekert dat ze hem daar goed behandelen. Zou ’t heusch niet beter zijn?”
„Och, eigenlijk wel.…”
„Doet u ’t maar. Wacht, ik zal Pietje om een [239]rijtuig laten telefoneeren.… U vindt ’t immers goed zoo, nie’waar, dokter?”
„O zeker, zeker, u heeft gelijk. Beter zoo.”
Hij ging naar Larsen terug, loste de bevende Pietje af van haar akelige taak: och, meneer zag zoo wit als een doek, en dan die natte haren vóor zijn oogen!
Beneden in de gang gekomen, hoorde ze Didi weeklagen in de keuken. ’t Kind was buiten zichzelve. „Ik wil naar vader, ik wil naar vader!” kreet ze telkens tusschen zenuwachtig snikken in.
Pietje gebood haar gevoelig hart te zwijgen, en hanteerde het spreekwerktuig met zenuwachtige haast.
Een half uur later—’t was half twaalf in de nacht—reed op de weg naar Den Haag met eenzame wielrateling een dicht rijtuig in de richting der hofstad. Op de bok zat ditmaal alleen de koetsier met nog een man; op de achterbank binnen het korte lichaam van Dr. Brakel, met gekruiste armen achterover leunend, en tegenover hem Larsen in kussens half weggezakt, in doffe onverschilligheid. [240]