II.
Hij wist zelf niet hoe lang hij zoo wezenloos voorover gelegen had, toen hij voelde, dat iemand zijn schouder aanraakte.
Verschrikt keek hij op, als plotseling ontwakend.
O, ’t was Paula.
„Wat is er?” vroeg ze verwonderd. Ben je hier in slaap gevallen?.… Doch spoedig trof haar ’t ontdane zijner gelaatstrekken. Meteen viel haar blik op de brief vóor hem op ’t bureautje. Ze herkende hem onmiddellijk.
God, hoe kwam dat ongelukkige ding hier?!
Paula begreep in een oogwenk haar toestand, zijn smart; en, hem kennend, voorzag zij de gevolgen van ’t gebeurde.
Eén oogenblik stond ze in beraad. Zou ze ontkennen, en er iets op verzinnen? Hij was lichtgeloovig genoeg, en wie is dat meer dan de verliefde man eener verleidelijke vrouw? Maar hoe kon dat? De brief was immers een acte van beschuldiging in optima [16]forma.… Nee, in ’s Hemels naam: bekennen dan maar, en op zijn gevoel werken. Hij aanbad haar, kon niet buiten haar, en zou vergeven, als hij maar berouw meende te zien. In ieder geval moest ze zien hem gunstig te stemmen, alle vijandigheid te voorkomen; want zoolang dat document in zijn handen was, kon hij echtscheiding aanvragen op grond van overspel van haar! Mocht het haar gelukken ’t stuk machtig te worden, wel, dan kon ze immers nog altijd elke erkenning van schuld loochenen.…
Zij zou ’t eerst spreken, dadelijk elke uitbarsting van zijn kant stuiten:
„O, ik zie ’t,” zei ze zacht. „Je hebt die brief gelezen.… Die ellendige oude geschiedenis, waar ik zooveel om geleden heb.… waar ik zooveel nachten van wroeging om doorgebracht heb.… Ik heb God zoolang om vergiffenis gebeden; maar ’t heeft niet mogen zijn.… De straf moest eenmaal komen.… O God, o God!”
En snikkend wierp ze zich voorover op een kleine sofa, die bij ’t bureautje stond.
„Dat jij ’t weten moest, weten moest.…” ging ze, telkens afbrekend, voort, „waarom, mijn God, waarom? Jij zoo goed en zoo lief voor mij, dat jij deze slag hebben moest! ’t Is vreeselijk, vreeselijk.… O, wat heb ik je lief gekregen na die verschrikkelijke dingen, die er zijn gebeurd, juist omdat ik voelde [17]hoe onwaardig ik was, dat jij zooveel van me hieldt.… En nu hoû je niets meer van me.… Nu veracht je me.… Nu wil je niets, niets meer van je Paula weten.… O, mijn God, wat ben ik ongelukkig!”
Ze hield even op, en wachtte.
Hij zeide niets, verroerde zich niet. Paula’s woorden drongen helder in zijn ooren als in een levendige droom. ’t Tooneel daar vóor hem, zijn vroolijke, luchtige Paula, wanhopig schreiend en zichzelf beschuldigend, leek hem onwerkelijk. De pijnlijke waarheid moest nog tot hem doordringen.
Paula ging voort.
„O, je antwoordt niet.… Je Paula is niets meer in je oogen. Je zult haar nu wegsturen als een straatmeid.…” En weer snikte ze, en woelde wanhopig heen en weer, terwijl ze het kussen, dat er lag, krampachtig tegen zich aan drukte.
Larsen stond op, en trad op haar toe.
„Paula!” zei hij dof.
„Willem.…” En ze barstte uit, zich neerwerpend vóor zijn voeten:
„O, mijn God, vergeef me! Willem, vergeef me wat ik misdaan heb. Ik ben zoo diep, zoo diep rampzalig!”
„Kom, sta op.…” zeide hij. „Ik kan dat niet aanzien. Kom, Paula, wees kalm. Ga daar zitten.”
Ze deed het, gedwee, en verborg het gelaat tusschen de handen. [18]
„Als je berouw oprecht is,” ging Larsen somber voort, „heeft God je de zonde al lang vergeven. En dan.… hoe zou ik dan mijn vergiffenis weigeren kunnen?…”
Met blijde verrassing keek ze op.
„Je vergeeft me. Och, Willem, is ’t waar?”
„Mijn kind, wat geeft dat nog? Wat verandert dat aan onze ellende? Ik kan je vergeven—o, van ganscher harte—maar kan ik ooit vergeten?”
Hij wendde ’t hoofd af, en zette zich weer op de stoel vóor ’t bureautje, tegenover haar.
„O, maar dan vergeef je me ook niet!” riep Paula opnieuw wanhopig uit. „Dan vergeef je me ook niet!”
„Dat doe ik wel. Ik voel in mijn hart geen vijandigheid, geen wraakzucht tegen jou, maar mijn verstand kan me niet wijsmaken dat ik gedroomd heb, dat ’t gebeurde niet gebeurd is.…”
„En wat dan?” vroeg ze klagelijk.
„Wat dan? Dat verder samenleven tusschen ons onmogelijk is.”
Ze antwoordde niet, maar wachtte in spanning, ’t hoofd voorover.
„Hoe ik ook mijn best deed om goed en lief tegen je te zijn, ik zou ’t spook.… niet weg kunnen jagen. ’t Zou steeds tusschen jou en mij staan. En dan de herinnering aan ’t kind.… ik was er zoo gelukkig mee.…” [19]
Zijn stem stokte. Een dikke traan ontperste zich aan zijn oogen.
„Nee, Paula, dat zou niet gaan.… Dat zou een marteling wezen voor ons beiden.…”
„Dus hoû je dan niets, niets meer van je Paula?”
Weer wilde ze zich op de grond werpen, maar Larsen weerhield haar.
„Of ik nòg van je houd? Ik weet ’t niet.… Eén ding is zeker: mijn heilige heeft haar stralenkrans verloren.… Jij was mijn heilige.…” Weer werden zijn oogen vochtig, en hij keek strak vóor zich naar de grond, zwijgend.
„Och, Willem,” vleide zij zacht na een poos.
„Ja?” Hij keek niet op, maar luisterde.
„Als je wist, als je wist hoe alles gekomen was.… O, ik zal ’t je zeggen.”
Hij viel haar in de rede, bruusk:
„Och, waarom? Ik wil niets weten, niet meer dan wat ik weet. Ik zeg je immers dat ik je vergeef.… nu al, nu ik het nauwelijks weet. Wat je me ook vertellen wil, ’t verandert immers niets aan de zaak. Je bent me ontrouw geweest.… en dat niet alleen, groote God, maar mijn kind, ’t kind, dat ik voor ’t mijne hield, was van hèm.… van Rudolf!”
„O, maar ik kan niet uitstaan dat je me verkeerd beoordeelt, je mòet weten hoe alles gegaan is.… Ik was gek, gek toen ik.… zes jaar geleden.… [20]deed wat me later.… zulk een wroeging gaf. En ik alleen was de schuldige, toen.… dat eene oogenblik.… O, laat me je alles vertellen!”
„Goed dan,” klonk het lusteloos en mat.
„Hij was niet de verleider.… ik was ’t die hem ertoe bracht.”
„Bah, een man!” viel Larsen in. „’t Is een schande voor een man zich te laten verleiden door een vrouw!”
„Zeker, zeker, maar ’t is toch een verzachtende omstandigheid.… En wat mij aangaat.… ik wist niet wat ik deed.… Ik voelde me eenzaam, verlaten. Jij was steeds in je boeken.… Ik dacht dat je niet meer van me hieldt.…”
Larsen trok de schouders op.
„’t Was verbeelding, zeker, dat zie ik nu wel in.… maar toen.… toen geloofde ik ’t.… en hij—Rudolf—was zoo vriendelijk en zoo belangstellend, en zoo vol attenties, en zoo altijd om mij heen. Jij zat in je studeerkamer. En dan zat hij bij mij.… soms tot ’s avonds laat. Of jij was uit, naar de bibliotheek … Eens op een avond.…”
Larsen maakte een afwerend gebaar.
„Ik weet heusch niet hoe ’t kwam,” ging Paula hartstochtelijk voort. „Maar.… ’t was maar eens, net eens.…”
Weer maakte Larsen een gebaar, ditmaal van ongeduld [21]en wrevel, als wilde hij zeggen: „Alsof dat er iets toe doet!”
„Ik zeg ’t alleen, omdat ik wil hebben dat je alles begrijpt.… Ik ben geen slechte vrouw.…” Ze snikte en kon bijna niet voortgaan. „Ik bèn niet slecht.… ’t was een „surprise des sens”.… een dolheid.… een oogenblik van waanzin.… Niets overdachts.… geen bedrog.…”
„Maar ’t bedrog kwam later,” zei Larsen bitter.
„Later? Ja, hoe kon ik anders.… En juist dit was mijn straf. Ik moest je bedriegen, omdat.… omdat.…”
Larsen keek op, een vraag in de oogen.
„Omdat ik je niet verliezen woû, omdat ik je liefde niet verliezen woû, omdat ik zooveel van je hield.”
„O zeker, dat wàs zoo, hoe ongelooflijk ’t je nu ook klinkt. Ik hield door mijn berouw.… meer van je dan ooit te voren.…. Dat wàs zoo, dat wàs zoo!”
Weer schreide ze hartstochtelijk.
„Goed, laat dat zijn,” zei Larsen bedaard, „maak je nu maar niet zoo naar. De zaak wordt er niet beter door. ’t Gedane is onherstelbaar. En mijn geluk is toch verwoest.”
Hij liet het hoofd weer zinken, in doffe smart.
„Wat bedoel je? Kan ik dan niet meer goed maken wat ik deed toen ik buiten mezelve was? God, dat [22]kan je niet meenen.… jij zoo goed en vergevensgezind.…”
„Maar, mijn hemel, begrijp me dan toch! Zoo iets is niet goed te maken. Jij kunt me niet het geloof teruggeven, mijn geloof in jou, dat ik voor goed verloren heb.… Dat heeft niets met vergeven of goedheid te maken.… Ik heb medelijden met je.… veel medelijden. Maar dat jaagt ’t spook van mijn schande en mijn verdriet niet weg!”
Paula antwoordde niet. Ze zag haar spel verloren, en dit dreef haar schier tot wanhoop.
„Mijn God, mijn God,” bracht zij eindelijk uit. „Eisch van me wat je wil. Ik wil je slavin zijn, boete doen als een ellendige zondares. Ik zal je je geluk teruggeven. Och, Willem, geloof me, ik zàl ’t je teruggeven! Maak me niet ellendig. Ik kan niet zonder jou leven.… Een scheiding zou me doen sterven van verdriet.…”
Ze wist hoe zijn liefde voor haar geweest was: ze geloofde niet dat zulk een liefde plotseling dood kon wezen.
Haar lang geoefende kunst om komedie te spelen kwam haar uitstekend te pas. O, ze zou winnen ten slotte. Hij kon niet buiten haar, en niets kon hem meer verteederen dan de betuiging van haar liefde voor hem. Ze had hem daarmee immers reeds zoo dikwijls bekoord. Thans speelde ze hoog spel: ’t gold [23]haar heele toekomst, haar aanzien als vrouw van de wereld, ’t voorkómen van een schandaal.
„Ik zie geen andere uitweg,” antwoordde Larsen en stond op. „Kom Paula, laat me alleen met mijn ellende. Verder spreken hierover is me nu te pijnlijk. Laat me in Godsnaam alleen. Wat geeft ’t alles: we kunnen ’t niet eens worden.…”
Zij zag ’t nuttelooze van verder tegenspreken voor ’t oogenblik in, en achtte het wijs thans maar toe te geven. O, ze zou hem wel verteederen: ’t moest, ’t moest.…
En opstaande richtte ze zich naar de deur, met gebogen hoofd en loome tred.
Even hield ze op, en keek om. Dan zei ze op bedeesder toon, als een kind dat knorren gehad heeft:
„En je thee? Wil je van avond geen thee? Hier boven?”
„Och, laat maar.”
Toen ze de deur achter zich gesloten had, zuchtte hij diep, hief de rechter arm op, liet zijn hand met kracht op zijn dij neervallen, en schudde ’t hoofd met verwrongen gelaatstrekken.
Dan verzonk hij in zijn vorig broeden. [24]