WeRead Powered by ReaderPub
Heilige Banden: Roman cover

Heilige Banden: Roman

Chapter 21: XXI.
Open in WeRead

About This Book

A married couple's quiet domestic world is sketched through the husband's attentive interior life and the wife's lively social habits, revealing enduring affection, small rituals, and shared grief. Scenes move between the husband's study and the wife's writing table, where colorful letters and everyday gestures illuminate personality, habit, and intimacy. Recollections of a deceased infant and the presence of their surviving daughter lend a tone of elegiac tenderness, while explorations of language, social exchange, and the contrast between scholarly reserve and spontaneous charm structure the narrative’s focus on marriage and memory.

[Inhoud]

XXI.

„Zoo, m’n kindje, nu al op!” riep een nog jonge vrouw opkijkende van ’t werk waarmee ze druk in de weer was: ze rangschikte een heerlijke overvloed van bloemen op een ontbijttafel. De buitendeuren van de serre achter de kamer stonden wijd open, en een frissche lentelucht woei binnen uit de tuin. Van de kamer uit zag men ’t lieflijk kleurenspel van gaarde, weiland en bosch, en daarboven de hemel: groen, rood, wit, geel, bruin, oker, zwart, weer groen in drie schakeeringen en eindelijk een zachtblauw van fluweelige molligheid over alles heen, een jubeling van tinten, een bont gestoei in zonneroes.

’t Jonge meisje dat binnenkwam trad op de bezige toe, kuste haar op beide wangen en fluisterde haar toen in ’t oor:

„Ik ben vandaag zestien!” Ze trok het hoofd terug en keek haar stiefmoeder lachend in ’t vriendelijk gelaat.

„Kom je me dat vertellen? Zie je dan niet waaraan [307]ik bezig ben?” Ze wees op de bloemen op tafel, terwijl ze haar eene arm om ’t middel van ’t meisje sloeg.

„Och, maatje, je bent een schat! Je maakt me verlegen.” Ze kuste haar stiefmoeder nogmaals, als wilde ze daarmee een indruk van onverschilligheid voor de lieve attentie wegnemen. „Maar ik denk aan iets anders.… een belofte van je.…”

„Kom je me daaraan ’s morgens om half zeven herinneren? En wat is dat wel voor een mooie belofte?”

Lachend streek de spreekster door ’t lange afhangende haar van ’t jonge meisje, en liet haar blik met ingenomenheid over haar gestalte glijden. Ze verlustigde zich voor de zooveelste maal aan dit beeld van frissche jeugd, en een warme aandoening van beschermende liefde overstroomde haar gemoed. Ze dacht aan haar goede vader, aan Larsen.

’t Meisje antwoordde niet dadelijk, en wilde de ander meetroonen in de richting van de tuin.

„Nee, kindjelief: ik ga onmiddellijk met je mee, als dit af is. Kijk hier, nog even dit. Ik ben bijna klaar. Een minuut nog.” En, terwijl mevrouw Larsen de laatste hand legde aan de versiering der ontbijttafel, hier nog iets verleggend, daar een kleuren-paring wijzigend, stond de zestienjarige met haar verstandige, peinzende oogen toe te kijken.

„Jammer dat je me gestoord hebt, Didi,” zeî haar [308]stiefmoeder. „Je hadt een tien minuten later moeten komen, en dan pas moeten kijken—als alles klaar was.…”

„Niets jammer,” antwoordde ’t jonge meisje. „Als ’t af was geweest, had ik je niet bezig gezien.…”

„Nu, wat zou dat? Zie je dat dan zoo graag?”

„Ja, omdat ik dan zie dat je bezig bent lief voor me te zijn. Dan betrap ik op heeterdaad: dat ’s veel aardiger.

Mevrouw Larsen lachte even helder met haar kristallenklokjes-lach, zonder in haar werk op te houden.

„Hier, doe deze roos in je haar. Een pracht, vin’ je niet? Kijk dat heerlijke rood! Wacht, ik zal ’m zelf in je haar doen.—Ziezoo, jarige meid! Nu gaan we naar de tuin.” Ze sloeg haar arm weer om het slanke middel van ’t jonge meisje, en beiden begaven zich door de serre naar de trap, die naar de tuin omlaag leidde.

Een treffend contrast vertoonden die twee, het blonde, weelderige kroeshaar, het blanke, roodblozende gelaat, en het eenigszins stevige gestaltetje der stiefmoeder, met de helderblauwe oogen, de kleine neus, de witte wimpers en wenkbrauwen en ’t witte dons op bovenlip en wangen; en daarnaast Larsen’s dochter, met haar donker glanzig, lang haar, de eenigszins matte huidstint, de diepe donkere, denkende oogen, met de lange wimpers, het fijne spitse neusje en de [309]peinzende plooi van ’t kersenroode mondje. Hier waren Zuid en Noord tegenover elkaar: ’t Romaansche vrouwentype zag men in ’t jonge meisje, de zes-en-dertigjarige stiefmoeder vertegenwoordigde een veel voorkomende schakeering van ’t echt Saksische, dat men in Drente en Overijsel aantreft.

Paula’s trekken waren in Didi onmiskenbaar, en toch was de indruk van Didi’s verschijning zoo opvallend verschillend, afgezien nog van ’t slankere dat de dochter van de moeder onderscheidde. Er was in ’t jonge meisje een eigenaardige zachte weemoed bij al haar bedaarde, onverstoorbare goedgehumeurdheid, die oog en hart weldadig aandeed. Bij Paula boeide het schitterend levendige, vol afwisselende bekoring, bij haar kind het gelijkmatig lief-ernstige in spraak, gebaar en bewegingen. Paula’s lach had iets bedwelmends, die van Didi iets droomerig vleiends—een wals van Strauss tegenover een van Chopin.

Didi had gezwegen, wachtende tot haar stiefmoeder spreken zou. Ze aarzelde, omdat wat ze te zeggen had haar zoo moeilijk viel om uit te drukken.

„Nu, die belofte?” begon eindelijk de oudere. Ze lachte en haar lach was steeds een genot om te zien en te hooren. Haar anders eenigszins stroef gezichtje kreeg dan opeens een uitdrukking van hartveroverende vriendelijkheid. [310]

„Kom, weet je die nu niet?” antwoordde Didi. „Als ik zestien was, zou ik iets mogen weten.… zou je wat vertellen.… alles vertellen van Vader.…”

Een wolk trok over het witblanke voorhoofd der stiefmoeder. Ze had ’t begrepen. Dat ’t kind daar nu over sprak! Wat had ze ’t goed onthouden, en in twee jaar was er geen woord over gerept! Ja, ze had op een naïeve vraag van Didi eens geantwoord, wat ze met haar man afgesproken had te zullen antwoorden als Didi ooit vragen deed in verband met het sombere drama afgespeeld bij de dood van haar moeder: „Je zult alles weten, m’n kindje. Later, als je zestien bent. Dan zal je alles duidelijk en verklaarbaar worden. Nu nog niet, je zou nu nog niet alles begrijpen.” En ’t kind had gezwegen zonder verder aandringen.… Ze moest er wel veel over gedacht hebben, dat ze nu zoo’n haast maakte, wel verlangend zijn om eindelijk ’t groote mysterie geopenbaard te zien.…

Mevrouw Larsen antwoordde dus niet onmiddellijk. Didi’s woorden hadden haar gemoed te diep getroffen.

„Zullen we daar gaan zitten?” zei ze ten slotte, en wees op een bank achter in de tuin, waarvan ’t uiteinde alleen zichtbaar was, zoo was ze van schier alle kanten van groen omringd.

Beiden zetten zich, hand in hand. Mevrouw Larsen hervatte: [311]

„Woû je dat nu alles weten, kind? Nu, op je verjaardag? Ben je niet bang dat.… al die treurige dingen je dag bederven zullen? En dan je vader, zou die—als hij jou bedroefd zag ook niet zijn pleizier van deze dag erbij inschieten? Hij houdt zooveel van je!”

„Maar, mama, ik vind juist dat ik nu alles weten moet, voordat de eigenlijke dag begint.… Anders zou ik er de heele dag aan denken, en dat zou me juist ontstemmen.”

Larsen stond gewoonlijk tegen acht uur op. Het late werken maakte dit voor hem noodzakelijk. De morgen-wandelaarsters in de tuin hadden dus nog ruim een uur vóor zich.

„Je hebt eigenlijk gelijk, kind,” ging de oudere voort. „’t Zal mij ook een verlichting zijn, als voor jou alles opgehelderd is.”

Ze zocht naar haar woorden. Hoe kon ze toch de vreeselijke waarheid in de zachtste vorm, op de minst kwetsende wijze aan dat teedere gemoed en dat jeugdige verstand meedeelen, hoe de groote liefde en hoogachting, die zij Larsen toedroeg, en die van zijn kind, voor hem ’t zorgvuldigst in overeenstemming houden met Didi’s vertrouwen in haar? Liep ze niet de kans dat de schok te hevig zou blijken te zijn? Dat vertrouwen van Larsen’s kind was haar zulk een schat, ’t was haar zulk een heerlijke voldoening [312]dag aan dag te ondervinden, hoe volkomen zij de plaats eener moeder innam voor ’t aanhankelijke, liefde-behoevende jonge meisje! ’t Was haar zulk een bron van telkens wederkeerende vreugde te zien, hoe de man die zij liefhad en vereerde zich gelukkig voelde in haar innig-hartelijke verstandhouding tot zijn oogappel, hoe onder de wondere werking harer toewijding aan beiden, allengs de spoken der herinnering aan die donkerste dagen zijns levens geweken waren! O, ze dacht met ijzing terug aan die eerste jaren van haar huwelijksleven, toen, ondanks al haar zorgen, de schrikbeelden uit die tijd hardnekkig terugkwamen en hem soms dagen achtereen zijn rust benamen. Dan sprak hij nauwelijks een woord, verwaarloosde zijn lievelings-bezigheden, sloot zich op in zijn studeerkamer om zich over te geven aan somber broeden.… Ze had dat alles vooruit vermoed: haar liefde voor hem en zijn kind, haar grenzeloos medelijden hadden de taak blijmoedig aanvaard, om beiden het geluk te doen hervinden dat ze zoo wreed verloren hadden. Ze had oogenblikken gekend dat ze de wanhoop nabij was, dat die taak haar te zwaar scheen, doch haar geloof had haar telkens weer opgericht. En ze had overwonnen: in ’t laatste jaar waren Larsen’s aanvallen van zwaarmoedigheid niet meer teruggekomen, nadat ze zich langzamerhand met grooter tusschenpoozen hadden vertoond.… [313]

Nog eenmaal dacht ze terug aan al de bizonderheden van ’t schrikkelijk treurspel, welks ontknooping nu vijf jaar geleden het gansche land met ontzetting had vervuld, aan ’t geruchtmakende proces, de dreigende veroordeeling, op zoo schitterende wijze bezworen door het pleidooi van Mr. David Zomer. ’t Was een wonderdaad van welsprekendheid geweest, dat pleidooi! O, ze kende ’t van buiten, ieder woord. En dan wat er aan voorafging: Larsen’s onverzettelijk, hardnekkig volharden in zijn zelf-beschuldiging, de onvermoeide overtuigings-gave, die zijn jonge vereerder had aangewend, om eindelijk die muur van tegenstand te breken, hoe levendig stond dat alles haar thans weer vóor de geest!

Larsen had haar alles verteld in de tijd dat hij zich tot haar aangetrokken begon te voelen, en zijn eerlijke inborst hem gedwongen had tot openbaring van al wat haar geluk in de weg had kunnen staan wanneer zij ’t later onvoorbereid vernam, en zij niet meer terug kon. Veel was haar toen duidelijk geworden wat haar raadselachtig voorkwam in al wat ze over de groote zaak gelezen en gehoord had. ’t Pleidooi zelf had ze eerst na haar huwelijk gelezen. ’t Was toen ze te Amsterdam logeerde, en de jonge advocaat haar bezocht.… Hij had zich onmiddellijk na afloop der „cause célèbre” daar gevestigd: ’t plan daartoe had reeds lang bij hem bestaan, doch de vrees [314]dat zijn verdere ontmoetingen met Larsen dezen telkens te veel aan al ’t doorleefde in die bange dagen zouden herinneren, en op die wijze nadeelig op zijn zielsrust zouden werken, deed hem de uitvoering van zijn voornemen verhaasten. Een overdruk van het pleidooi had de tweede mevrouw Larsen in haar kast liggen: ze had er de jonge advocaat om verzocht; want ze wilde het bezitten voor haarzelve en wellicht later ook voor het jonge meisje dat aan haar zorgen was toevertrouwd.

Allerlei tooneelen, brokstukken uit de loop dier gebeurtenissen kwamen haar te binnen, zooals ze haar bij verschillende gelegenheden door Larsen zelf en tijdens haar ontmoeting met David Zomer waren verteld: diens herhaalde bezoeken aan ’t gesticht in Den Haag, waarheen Larsen weer teruggebracht was, de dag na het herstel uit zijn bezwijming bij de brand, zijn talentvolle, geduldige gesprekken daar met zijn vriend gehouden, het laatste gesprek vooral toen hij eindelijk de zege behaalde door zijn welsprekend treffen van dat éene gevoelige punt bij Larsen: de liefde voor zijn kind, en hij toestemming kreeg om als Larsen’s verdediger te mogen optreden; dan de moeite die Zomer zich gaf, om bewijzen bij elkaar te krijgen—Pietje’s „legkaart”, die gered was geworden met de bundel goed uit haar lâtafel, waarmee ze zoo wanhopig op het stoeppaaltje van het buurhuis [315]gezeten had in de nacht van de brand, en Pietje’s wanhoop toen ze ’t stuk „’t lammenaardig ongelukspapier” af moest geven, en tegen „haar mevrouw” getuigenis moest afleggen vóor de rechter; het eerste wederzien van vader en dochter in haar moeder’s huis, na de vrijspraak, en nog zooveel meer.…

Wat was haar leven innig saamgeweven geweest met al die gebeurtenissen, sinds het oogenblik dat de brand der buren angst en ontzetting gebracht had in ’t stille gezin van de weduwe Eldring—haar moeder! De in zichzelf gekeerde Berta, zich reeds oude vrijster voelend op haar dertigste jaar, verzoend met een leven van onthouding, vrome overpeinzing en obscure werkzaamheid ten goede—armenverpleging, Zondagschool, kostelooze lessen aan arme kinderen—was toen plotseling tot een ander leven ontwaakt: de offervaardige, toewijdende vrouw was in de plaats getreden van de bekrompen denkende en handelende oude juffer. Kort na zijn ontslag uit het gesticht was Larsen een bezoek komen brengen bij de Eldrings, en weldra was de omgang vrij gemeenzaam geworden. Hun huwelijk was voor haar en voor hem de ontsluiting van een nieuw leven.

Alles was zoo goed gegaan, ze had zooveel zegen gehad op haar streven. Thans kwam deze laatste betrekkelijk kleine beproeving.

Ze had er nu en dan aan gedacht, als Didi’s [316]ontwikkeling in haar voortgang sterker dan anders haar opmerkzaamheid trok. Niettemin zag ze er thans tegen op, was ’t haar alsof ze een beslissende stap in haar leven ging doen. Toch moèst het er eindelijk toe komen. Didi werd „groot” naar lichaam en geest. ’t Argelooze, onnadenkende kind, was een verstandig, schrander en scherpzinnig vrouwtje geworden: ’t was beter dat ze nu van haar beste vriendin de zuivere waarheid vernam, dan dat ze door eigen broeden over vage, vaak onzuivere herinneringen in verband met wat ze hier of daar hoorde of las tot een averechtsche voorstelling der feiten kwam, welke noodlottige gevolgen voor haar hebben kon.

Didi zat vóor zich te kijken, geduldig afwachtende wat „mama” zeggen zou, en toch met popelend hart.

„Nu?” vroeg ze na enkele minuten met allerliefste stem-interval, zacht en streelend.

Mevrouw Larsen stond van de bank op.

„Blijf hier even zitten,” zei ze, „’t is beter dat ik je iets laat lezen, dat ik boven bewaard heb. ’t Is zoo moeilijk je alles duidelijk en goed te zeggen.”

En toen Didi eenigszins teleurgesteld keek, liet ze volgen:

„Je mag daarom wel vragen doen. Zooveel als je wil, hoor. Maar dat zal misschien niet eens noodig zijn.” En ze stond op om naar ’t huis te gaan.

De kleine gestalte der spreekster bewoog zich met [317]eigenaardige, schijnbaar driftige pasjes en wendinkjes door de tuin. Haar lichtblauw reform-morgenkleed dook op en verdween tusschen de struiken. Didi’s na-turende blik omsloot haar beeld met liefde.

Binnen enkele minuten was ze terug. Ze had het stuk, het document dat het eenig geheim uitmaakte tusschen haar en haar man: het pleidooi van David Zomer.

„Lees dat maar ’s aandachtig, kind.”

Gretig nam het jonge meisje het geschrift aan. Mevrouw Larsen’s hand beefde even bij ’t overreiken.

Ze zette zich weer op de bank, hield Didi om ’t middel.

Zeker tien minuten spraken beiden geen woord. De oudere der twee keek in gedachten verdiept vóor zich, op ’t witte duinzand van ’t pad.

Toen ze even de blik opsloeg, zag ze dat het jonge meisje tranen in de oogen had, en dat haar lippen trilden.

Nog zwegen beiden een poos. Mevrouw Larsen hervatte haar gepeins; Didi zuchtte nu en dan, soms zwaar, om op adem te komen, zoo gespannen was haar aandacht.

„Mama,” hoorde de eerste opeens. Didi’s stem klonk gesmoord.… „Mama.…”

„Ja, kind, wat is er?” vroeg de ander met innige belangstelling. [318]

„Heeft.…” haar stem stokte, „iedereen.… gehoord wat hier staat?”

Mevrouw Larsen begreep dadelijk wat Didi bedoelde, toen ze even naar de bladzijde gekeken had: ’t was dat gedeelte van ’t pleidooi waarin de advocaat in schrille kleuren schilderde hoe Larsen ’t slachtoffer was geweest van jarenlang bedrog van de zijde van Paula.

„Nee, zeker niet, mijn liefje,” antwoordde mevrouw Larsen, en streelde Didi’s wang. „Er was geen publiek bij toen ’t pleidooi uitgesproken werd: daar was voor gezorgd. Ikzelf wist niet hoe ’t geweest was, totdat meneer Zomer mij dat schriftuur gaf, na mijn trouwen met je vader.”

Didi droogde de oogen, en hervatte de lezing van ’t stuk.

Toen ze na veel zuchten, en telkens ophouden om zich de zakdoek aan de oogen te brengen, eindelijk de laatste woorden gelezen had, legde ze de brochure haastig naast zich neer op de bank, stond op, en verwijderde zich snel naar ’t achterdeel van de tuin.

Mevrouw Larsen volgde haar onmiddellijk, vol ongerustheid. Ze haalde haar weldra in, en zag dat het jonge meisje ten prooi was aan de hevigste gemoedsbeweging. Zonder te schreien had haar fijn gezichtje zulk een vertrokken uitdrukking dat ze ervan schrok. [319]

Zelfverwijt, dat ze toegegeven had waar ze toch nog wel een dag had kunnen wachten, overstelpte haar. Als nu Larsen eens kwam.… Dan was ’t leed misschien niet te overzien. Ze keek op haar horloge: twintig minuten vóor acht. ’t Beste was dat ze Didi mee naar boven nam.

’t Meisje liet zich gewillig meetroonen, zonder een woord.


Toen Larsen, stipt als altijd, om acht uur in de ontbijtkamer kwam, vond hij wel zijn vrouw, maar niet de jubilaris.

„Waar is Didi?” vroeg hij verwonderd nadat hij zijn vrouw gekust had. „Moet ze al dat moois niet zien? Vrouwtje, wat heb jij je geweerd!”

Bewonderend en met echte vreugde in de oogen liet Larsen zijn blik over de tafelversiering gaan. Er hingen ook bloemen over Didi’s stoel.

„Zal ik ’s gaan kijken?” antwoordde mevrouw Larsen, en ze ging de deur uit, om naar Didi’s kamer te gaan.

Toen dochter en stiefmoeder eenige oogenblikken later binnenkwamen, en de eerste haar vader tegemoet liep, om zijn liefkozing te ontvangen, bemerkte Larsen daarna vochtigheid aan zijn wang.

„Hoe heb ik ’t nou met je? Huil je, kindjelief, en dat op je verjaardag?! Malle meid!.…” [320]

„Och, vader!” riep Didi eenigszins verlegen met een lachje door haar tranen heen. „Dat is een druppeltje water: ik heb me niet goed afgedroogd in de badkamer. Ondertusschen feliciteer je me niet eens! Dan zal ik ’t maar doen: ik feliciteer je wel met je jarige dochter.”

Ze kuste hem nog eens op zijn ruig gelaat.

Haar kus was nooit zoo hartelijk geweest.