III.
Hoe weinig kenden Larsen en Paula elkander! Hadden ze onmiddellijk na hun laatste gesprek in elkanders harten kunnen lezen, hoe zouden ze geschrokken zijn!
Larsen twijfelde geen oogenblik aan Paula’s oprechtheid, haar innig berouw.
Zij dacht het eerst aan haar eigen domheid om die brief te laten slingeren, en overlegde vrij kalm haar plan: òf hem weer aan zich binden door liefdevolle onderwerping, door berouwvertoon, door de bekoring harer lichamelijke aantrekkelijkheid, òf als dat alles niet baatte—als!—dan hem de brief op de een of andere wijze zien te ontfutselen: dan was alle bewijs verloren. ’t Kwam geen oogenblik bij haar op dat Larsen’s edelmoedigheid waarschijnlijk niet gedogen zou van het bewijsstuk tegen haar gebruik te maken. O, en àls hij dat deed, dan zou haar houding ook plotseling veranderen, dan zou ze eindelijk het dwangbuis harer gehuichelde liefde voor hem afwerpen; [25]’t had haar reeds zooveel jaren beklemd! Dan zou ze, alleen met hem, alle veinzen laten varen. Dan was hij haar vijand, haar verklaarde tegenstander; en hoe dieper hij dàn zijn ellende en machteloosheid voelde, hoe meer voldoening haar de overwinning zou geven: vóor de rechter zou ze hardnekkig ontkennen.…
Haar kind? Och, daarom zou ze ’t niet doen: het te verliezen in zooverre dat Larsen het krijgen zou, was haar als moeder niet bepaald ondragelijk. Ze hield van ’t kind, op haar manier, zonder diepte. Zij behoorde nu eenmaal tot dat soort van vrouwen, bij wie elk gevoel aan de oppervlakte blijft. Didi was een soort troetelpopje voor haar geweest, vooral toen ze nog klein was: ’t kind zag er altijd keurig uit, en in stoffelijke zin ontbrak haar niets. Innige omgang tusschen moeder en dochter had nooit bestaan, en de liefste indrukken van Didi’s gemoedsleven dankte ze alle aan haar vader. Deze onderhield zich ernstig en vriendelijk met haar, stelde belang in al haar kleine verdrietjes en genoegentjes, haar gelukjes en tegenspoedjes; vermaande en leerde haar, en was haar zelden vermoeide raadsman en inlichter. Bij de moeder wist ze al spoedig dat ze voor al wat buiten materieele zorg ging niet terecht kon. Gezegden als „Och, kind, zeur niet! Jengel zoo niet! Verveel me niet!” waren haar maar al te wel bekend. Neen, zij [26]zou Didi weinig missen, en als ze ’t kind maar nu en dan eens zag, zou haar moederlijke behoefte voldoende bevredigd wezen. Dat was ’t niet; maar ’t verlies van haar waardigheid, haar wereldsch aanzien, en haar gemakkelijk vrij leven naast een domverliefde, lichtgeloovige, doodgoede man, ’t verlies van haar naam.… dat was wat anders: die kans te ontloopen was wat strijd en inspanning waard. Ze besefte zoo goed dat haar vrijheid van handelen als getrouwde vrouw veel grooter was, en van harte stemde zij in met die Fransche wereldkenner, die beweerde dat een kokette vrouw, wil ze ’t goed hebben, getrouwd moet wezen. En „gescheiden” te zijn! ’t Was een schrikbeeld, waar ze niet aan denken woû. Wat was een gescheiden vrouw in ’t oog der wereld, ook al geloofde men aan haar onschuld? Ze wist hoe men er de neus voor optrok, als droeg zulk een vrouw een schandmerk op ’t voorhoofd. O, afschuwelijk, akelig.…
Deze gedachten speelden Paula door ’t hoofd, toen ze met gefronste wenkbrauwen bezig was beneden in de huiskamer voor de thee te zorgen. Didi, een slank opgeschoten meisje met mooi zwart afhangend haar en heldere groote kijkers, zat lusteloos bij de tafel, met een boek vóor zich. Ze las veel: vaak ook haar eenige troost, waar haar vader zoo dikwijls ongestoord werken wilde, en haar moeder òf uithuizig, [27]òf aan haar toilet, òf op andere wijze „bezig” was en „geen tijd” had.
Het meisje had spoedig gezien dat er wat haperde: Mama was uit haar humeur, en dan zweeg ze maar.
De lamp was aan in de smaakvol ingerichte huiskamer. Paula voorzag een lang samenzijn met Didi, en in de gemoedsstemming waarin zij verkeerde, hinderde haar het gezelschap. Ze kwam op een inval: Larsen was dol op zijn dochtertje, dat wist ze, en was nu zeker niet aan ’t werk: ’t kind zou hem afleiden, zijn teedere gevoelens wakker roepen, hem gunstiger stemmen ook tegenover de moeder.
„Kom, Didi, ga maar naar boven, naar vader. Neem je boek mee, als je wil. Vader werkt nu toch niet.”
„Vader” en „moeder” waren de door Paula ingevoerde benamingen, waarmee het kind haar ouders toesprak en over hen sprak: dat was ’t nieuwste. Bij alle deftige families was dat zoo; want Papa en Mama begon meer en meer „burgerlijk” te klinken: dat zeiden zoo alle kinderen tegenwoordig bij bakker en kruidenier.
’t Kind gehoorzaamde zwijgend. Ze ging graag naar haar vader, en het bijzijn van haar ontstemde, knorrige moeder had niets om haar te weerhouden.
Didi opende zacht de deur der studeerkamer.
Ze vond haar vader op en neer stappend, met zware tred en gebogen hoofd. [28]
Hij zag haar eerst niet.
„O, kindje!” riep hij opschrikkend, toen ze hem bij een arm nam en lachend tot hem opkeek.
Hartstochtelijk nam hij haar om ’t middel, en kuste haar herhaaldelijk.
Wat had vader toch? Zoo iets deed hij zoo zelden!
„Ik kom wat bij je zitten, mag dat?”
Ook het gebruik van „jij en jou” was op Paula’s wensch tusschen kind en ouders ingevoerd.
„Zeker, lieveling.”
Hij trok haar met zich mee naar de sofa, en daar zetten ze zich naast elkaar neer.
„Heeft vader ’t niet druk van avond?” vroeg Didi met eigenaardige stembuiging, waaruit verwondering sprak.
„Nee, mijn kindje.”
„En komt moeder ook niet boven thee drinken?”
„Nee.”
„Waarom niet? Moeder zei ’t toch van middag aan tafel.…”
„Ze heeft hoofdpijn—ze wil liever alleen zitten.”
„O,” en ’t lieve ernstige kopje keek peinzend.
Voor Larsen was de verschijning van zijn innig geliefd kind een ware lafenis. Zijn heele ziel hing thans aan haar.
In de verbijstering van zijn plotseling veranderd levenslot had de gedachte aan wat er van haar worden [29]zou, wanneer het tot een echtscheiding kwam, hem nog niet verontrust. ’t Was alsof het voor hem vanzelf sprak dat dan Didi en hij bijeen zouden blijven. Didi was veel meer zijn kind dan ’t hare, o, veel, veel meer! Ook thans, nu hij haar weer vóor zich zag, scheen het dat een scheiding nooit tusschen hem en zijn kind eenige verwijdering zou kunnen brengen: Neen, hij dacht zelfs niet aan ’t vraagstuk, dat hem later zou kwellen.…
’t Begon donker te worden op die herfstavond. Om zeven uur was anders ’t licht op in Larsen’s studeerkamer, als hij daar zat, en dat deed hij meestal. Eerst tegen tien placht hij beneden te komen voor een „boterhammetje” en een praatje met zijn vrouw. Klokke half twaalf was bedtijd, waar zelden van afgeweken werd. Paula noemde deze geregelde leefwijze, die zich bij Larsen in zijn meeste dagelijksche handelingen openbaarde „een domme machinegang”. Haar levendige natuur hield van afwisseling en ongestadigheid.
De zware gordijnen in Larsen’s studeerkamer—donkergroen als ’t heele meubilair—de stijve rijen donkere boeken langs bijna drie wanden, de zware stoelen en zijn massieve, groote schrijftafel, alles gaf aan ’t groote vertrek met zijn vrij lage zoldering iets sombers, en ’t was er vroeg duister. Slechts Paula’s smaakvol bureautje brak—bij licht—de ernst dezer werkplaats des geestes. [30]
Voor Didi had de stilte die er heerschte, bij al die ernst, een groote aantrekkingskracht. Zij zat er gaarne, en vóor achten was ze er dan ook dikwijls, soms met, maar liever zonder haar moeder. Larsen babbelde graag met zijn „kleine meid”, zooals hij haar steeds bleef noemen, ondanks haar opgeschoten gestalte, die bijna aan zijn schouder reikte, en, als moeder erbij was, zat zij gewoonlijk stil.
Nu was ’t wat laat, en vader week van zijn gewoonte af. Ze vond het vreemd, begreep er niets van. En vader was zoo innig, zoo heel anders dan gewoonlijk. O ja, ze herinnerde zich goed, dat hij eens, net eens, heel lang geleden, ook zoo lief—nee teeder, meende ze, want lief was vader altijd—geweest was: dat was toen ze weer voor ’t eerst haar ouders mocht omhelzen na de wekenlange afzondering toen ze diphteritis had. Toen was vader net zoo geweest, ja net zoo. Moeder was dikwijls bizonder druk met kussen en liefkoozen; maar hoe kwam ’t toch dat ze al die hartstochtelijke aanhalerij zoo weinig prettig vond, terwijl een tikje op de wang van vader, of een zoentje op haar voorhoofd van hem, haar altijd opnieuw aangenaam stemde? Moeder was zoo ongelijk. Soms beknorde ze haar hevig, zag kort daarna haar overdrijving, soms onrecht, in, en dan draaide ze ineens om. „Mijn engel, mijn snoes, mijn alles, mijn beestje, mijn hondje” was ’t dan, [31]en Didi stikte haast onder een overvloed van kussen en omhelzingen.
Larsen sloeg zijn arm weer om Didi’s middel, en drukte haar tegen zich aan. Zij vleide haar donkere kopje tegen zijn schouder, innig gelukkig en toch vreemd te moede.
„Wat is er toch, vadertje?” vroeg ze na een oogenblik, niet langer weerstand kunnende bieden aan haar nieuwsgierigheid.
Larsen zag niet duidelijk hoe de uitdrukking harer oogen was, toen ze dat zeide. Anders had hij bespeurd hoe er iets van ondeugende plaagzucht in lag, vermengd met een beetje bezorgdheid tevens.
Haar vraag deed hem aan ’t laatste alleen denken, en al de ellende van eenige oogenblikken te voren overstelpte hem opeens weer. Hij besefte voor ’t eerst welke schrikkelijke dingen ook zijn vaderhart bedreigden, wanneer hij en Paula.…
„Hoe bedoel je dat, kindlief?” vroeg hij op zijn beurt, met moeilijk bedwongen beving in zijn stem.
„Dat u van avond zóo is.…” Verlegen trok ze haar hoofdje terug.
„Zoo? Hoe, mijn lieveling?”
„Zoo.… zoo.… och, hoe zal ik dat zeggen? zoo bizonder lief!”
Larsen deed alsof hij lachte. O, hij moest zijn droefenis vóor zich houden.… haar niets laten merken.… [32]Hij was zichzelf zoo weinig bewust van zijn onmacht tot veinzen.
„Maar, Didi, is je vader dan niet altijd lief?”
„Nou ja.… maar zooals van avond toch niet.…”
Weer vleide ze zich tegen hem aan. Hij drukte haar vast aan zich. Hij worstelde nog een oogenblik tegen de stroom van droeve teederheid, die zijn gemoed overstelpte met ongekende kracht. Och, hij kòn niet, ’t was te machtig.…
Hij antwoordde niet. De duisternis verborg voor Didi’s blikken een traan, die uit zijn oogen welde.
Ze werd ongerust: Vader had zeker iets, dat hem verdriet deed. Zou hij ’t voor haar willen weten? Waarom zou ze maar niet ronduit vragen wat hij had: tegenover haar vader was ze immers nooit terughoudend!
„Vader,”.… fluisterde ze bijna, met innige vleiing.
„Kind?”
O, nu wist ze ’t zeker: vader schreide bijna.
„Heb je verdriet?”
Weer geen antwoord dan alleen een krampachtig drukken van haar handje in zijn hand, achter om haar middel heen.
„Wil je ’t me niet zeggen, vadertje?” vleide ’t meisje voort, haar gezicht vlak bij ’t zijne. Ze zag zijn tranen blinken. Haar hartje zwol van warm [33]medegevoel, van echt vrouwelijke bezorgdheid, van troostbehoefte.
„Hou je veel van je vader, mijn kindje?” vroeg hij, niet lettende op wat ze gezegd had.
„Natuurlijk, heel veel.… Maar.…?”
„Niets, je moet ’t me alleen oprecht en eerlijk zeggen.”
„Maar, vader.…!”
„Zou je ’t vreeselijk vinden als.… ik doodging.… of zoo?”
„Waarom vraagt u toch zulke dingen? Maar ’t spreekt immers van zelf, dat ik.… dat ik ’t vreeselijk zou vinden. O, vader, ik wil er niet aan denken.…”
En weer kroop ze dichter op hem, drukte zijn arm, in angstige verbazing.
„En moeder?” vroeg Larsen na een oogenblik zwijgens.
„Of ik van haar hoû? Dat weet u toch ook wel.… Zeker, natuurlijk.… een kind houdt altijd van zijn moeder.…”
Zij was een oogenblik verlegen, zocht naar woorden.
’t Verschil in de beide liefdesbetuigingen viel Larsen vreemd op. Zou ’t kind werkelijk zooveel minder van haar moeder houden dan van hem? ’t Was hem nooit op die wijze klaar geworden, al hadden vage vermoedens soms zijn vaderlijke eigenliefde gestreeld. [34]
„Nu?” zeide hij uitvorschend.
„Ik hoû toch meer van jou, vadertje.…”
„Och, dat zeg je nu maar zoo, omdat je denkt, dat ik verdriet heb.…”
„Och, wel nee.… nee, heusch.… ik hoû meer, veel meer van jou”.… ’t Kwam er vreemd uit, met overtuiging, maar op een toon als ware zij zelve verbaasd deze verhouding waar te nemen, ’t verschil duidelijk uit te spreken. Ze had er nooit over nagedacht, al had ze ’t vaak, o zoo vaak gevoeld.…
„Maar,” ging ze aarzelend voort, „waarom vraag je dat alles toch? Je gaat toch niet van me weg.… en je bent toch ook niet ziek, wel?”
„Goddank niet, mijn lieveling,” antwoordde hij in gedachten verzonken. „Ik vraag het.… zoo maar.… omdat ik ’t weten wilde.”
„Och kom! En waarom ben je dan zoo bedroefd?”
Zijn hart drong tot spreken. Maar hoe kòn hij haar zeggen wat hem die vragen had ingegeven? Hij verzon een leugentje, blij dat het vrijwel geheel donker in de kamer was, en zij de uitdrukking van zijn gezicht niet kon zien.
„Ik denk aan klein broertje.…” zeide hij.
Er was een kern van waarheid in de uitvlucht.
„O,” zei Didi, en zweeg even. Ze drukte weer zijn arm, en, bijna fluisterend: „Arm vadertje.…” [35]
Toch was haar groote onrust eenigermate bedaard. Iets bleef bij haar hangen: de opgegeven reden scheen haar niet bevredigend.
En hij, meenend nog iets te moeten zeggen, liet volgen:
„Ja, mijn kindje, als ouders zooveel verdriet hebben om een kind dat sterft.… dan denken ze.… verwachten ze, dat een kind nog grooter verdriet heeft, als vader of moeder heengaat.…”
Hij zuchtte zwaar en rees op. „Wacht, ik zal de lamp aansteken,” zeide hij, om iets te zeggen.
Juist klopte de meid, en bracht twee kopjes thee: ’t groote waaruit hij placht te drinken en een kleine voor Didi.
„Zit u nog in ’t donker?” zei de binnentredende verbaasd. „Zal ik even licht maken?”
„Goed.”
Larsen zette zich weer op de sofa.
„Waar heb je je boek gelegd, Didi?” vroeg hij. „Ik zag je met een boek binnenkomen.…”
„Hier, vader.” En, verwonderd, trad ze naar het bureautje, waarop ze haar boek bij ’t binnenkomen had neergelegd.
„Ga nu wat lezen. Hier heb je je thee.”
„Goed, vader.”
’t Kind gehoorzaamde, en liet haar vader aan zijn gepeins over. [36]
In de stilte, die nu volgde, was ’t of hun gedachten nog gemeenschap hadden: zij achteloos bij haar boek zittende, lezende zonder goed te verstaan, dacht aan „vadertje, die verdriet had,” hij aan de schipbreuk van zijn huiselijk leven.
O, hij moest en zou spoedig zekerheid hebben. Zou hij misschien toch afstand moeten doen van ’t samenzijn met zijn kind, en alleen tot die prijs van Paula kunnen scheiden? Maar dat zou hij niet willen, niet kunnen dragen.… Dan om ’t kind van scheiding afzien? Een hel in huis hebben, ook al toonde Paula zich de boetvaardige en berouwvolle.… dat was even onduldbaar! O, als er geen keuze was dan die, dan zou hij ’t besterven of krankzinnig worden. Hoe zou hij ’t kunnen aanzien, dat zijn kind de verwijdering, de onhuichelbare verkoeling zijner liefde voor haar moeder, opmerkte en eronder leed? Hij zou ’t immers niet verborgen kunnen houden. En was ’t dat nog maar alleen! En in ’t andere geval: hoe zou hij in eenzaamheid zijn smart kunnen dragen, zonder zijn aangebeden kind, thans ’t eenige schepsel ter wereld dat hem zou kunnen troosten en door haar liefde zijn vreeselijk gemis wat vergoeden? Hij had niemand buiten haar: zijn ouders waren lang gestorven, hij had geen broeders of zusters, terwijl zijn schoonmoeder natuurlijk haar partij zou kiezen. Want die zou immers nooit vernemen, [37]wat de reden hunner plotselinge scheiding was! Wie wist ervan, wie zou er ooit van weten, als hij er niet over sprak? Nee, hij zou zwijgen als ’t graf, dan alleen.… tegen zijn kind. Haar zou hij eenmaal, in later jaren, alles openbaren. En ook bij haar zou ’t geheim veilig wezen.… En de rechter? Ook die niet.… Om die reden, om haar ontrouw, mocht hij geen scheiding vragen. Er was immers wel een andere weg. Welke wist hij niet recht. O, maar die moest er zijn! Men kon immers echtscheiding krijgen waar ’t noodig was.…
In zijn onwetendheid omtrent de burgerlijke wetten op dit punt stelde hij zich de zaak als vrij gemakkelijk voor. O, ja zeker, er was wel wat op te vinden, stellig, zeker.… Alleen ’t kind, dat moest hij zeker weten: daaromtrent was hij nog niet gerust.
Er kwamen zooveel echtscheidingen voor. Onder zijn kennissen waren er die zoo iets doorgemaakt hadden. Dat was schijnbaar zoo vlot gegaan. Zeker niet wegens overspel of iets van dien aard.…
Larsen’s onbekendheid met de menschelijke maatschappij in haar ruwe naaktheid, was al even groot als zijn onwetendheid in zake menschelijke wetten, ondanks zijn veertig jaren en ondanks zijn geleerdheid. Zijn liefde en zijn studie waren zijn leven geweest, zijn geluk had hem belet de wereld te leeren kennen zooals die is. Hij was een zondagskind—[38]in zijn waan, maar dat was voor de gevolgen ’t zelfde—en de gelukstralen, die hem als ’t ware omgaven, deden hem veel anders zien dan minder bevoorrechten ’t zagen; hij was door en door goedhartig en edeldenkend, wars van, vreemd aan alle veinzen, en naar de maatstaf van zijn eigen wezen beoordeelde hij anderen. Hij had zich in Paula bedrogen, met wie hij dagelijks, haast uur aan uur verkeerde; hoe bedroog hij zich in anderen, die hij slechts oppervlakkig kon waarnemen!.…
De eenige groote moeilijkheid zag hij in ’t vraagstuk van ’t kind. Daaromtrent moest hij zoo spoedig mogelijk ingelicht, gerustgesteld worden. Zijn vriend Van Thiemen zou hem raad kunnen schaffen: dat was een collega en een goed rechtsgeleerde. Maar hij zag er tegen op juist een collega voor zoo iets te nemen. Nee, dan liever Cruijt, zijn oude academie-vriend, club-genoot in zijn studenten-jaren te Utrecht. Die woonde in Den Haag, en was er een bekend advocaat, die zeker tal van zulke zaken in handen had gehad. Ja, hem zou hij de zaak toevertrouwen, dadelijk, zoo spoedig mogelijk. Hij zou maar dadelijk naar Den Haag gaan, en hem zien te spreken te krijgen. Nog vóor den avond moest hij gerust wezen, zeker: dat zou hem heel wat ellendige zorg uit het hoofd nemen. Om kwart over acht ging er een trein.… [39]
Hij stond op.
„Zeg, kindje,” zei hij vriendelijk tot Didi: „Ik moet noodzakelijk uit.”
Didi sloeg groote, vragende kijkers op.
„Hè!” antwoordde ze spijtig. „Ga je nu weg?”
„Ik moet wel. Ga maar beneden bij moeder zitten, of wil je hier blijven?”
„Hè ja, een uurtje, en wachten tot je terugkomt.”
Ouder gewoonte kwam Larsen zijn dochtertje iederen avond, voordat zij slapen ging „nog ’s goeie nacht zeggen”. Dat wil zeggen dat hij eenige minuten met het kind babbelde, soms een kwartier lang. ’t Kind was er zóo aan gewend, dat ze ’t bedpraatje als een recht beschouwde.
„Over een uur ben ik nog niet terug. Ga maar rustig slapen, als ’t je tijd is. Ik zal je nu maar goeie nacht zeggen. Nacht, lieveling.” En hij kuste haar hartelijk en innig.
„Kom je van-avond niet aan mijn bed?” vroeg Didi schroomvallig.
„Dat zal niet gaan, vrees ik. ’t Zal wel laat worden.…”
„Mag ik dan opblijven?”
De dringend vleiende toon van ’t verzoek klonk hem thans zoo pijnlijk. Welk een kinderlijke teederheid sprak er uit, en hoe smartelijk leek hem die [40]eene korte scheiding, noodig voor een stap die voor haar lot beslissend kon wezen!
„Och, kindje, doe dat maar niet.…”
„Ik blijf toch wakker in mijn bed tot je thuis komt.…” ’t Kwam er pruilend uit.
Larsen kuste haar nog eens.
„Nu goed dan, maar ga dan straks bij moeder zitten.…”
Zonder een antwoord af te wachten stapte hij de kamer uit. Een zonderlinge beklemming maakte zich van hem meester. ’t Was hem alsof hij zijn kind voor goed ging verlaten.…
Hij verzette zich daartegen, en sprak zich moed in. ’t Moest nu eenmaal. ’t Was dwaasheid zoo sentimenteel te zijn.…
In de huiskamer vond hij Paula in haar gewone leuningstoel. Ze zat met in elkaar gevouwen handen in gedachten.
Haar opkijken bij zijn binnenkomen had iets verwilderds en schuws.
„Ik moet uit.…” zei Larsen zenuwachtig.
Een bang vermoeden sprak haar van onherstelbare stappen, die hij ging doen voor hun echtscheiding. Ze had van dat scheiden zeer verwarde voorstellingen, maar zooveel wist zij ervan, dat de vrouw in die zaken vaak in ’t nadeel was. Zou hij soms nu reeds een advocaat gaan spreken? Wie? Van [41]Thiemen misschien. Hij was daar zeer wel mee. God, dat mocht niet, voordat ze nog met hem gesproken had. Hij had haar niet laten uitspreken in hun eerste stormachtig onderhoud. Ze moest en zou hem van avond thuis zien te houden; ’t kostte wat het wilde.… [42]