IV.
Paula stond op, en trad op Larsen toe. Met kinderlijke smeeking in haar oogen keek ze hem aan:
„Je gaat Van Thiemen spreken?…,” zei ze aarzelend.
„Wat zou dat?”
„Over onze scheiding? En ga je hem nu alles.… alles zeggen?”
„Nee.… natuurlijk niet, wat noodig is, meer niet.… En niet aan Van Thiemen: Ik wou naar Den Haag.…”
Ze greep hem bij de hand.
„Och,” smeekte ze, „stel dat uit! Waarom zoo’n haast? Je kunt immers morgen gaan.…”
Hij antwoordde niet, met gefronste wenkbrauwen. Haar smeekend dringende toon deed hem onaangenaam aan. Hij had haar nooit zoo gekend.
„Kom, ga morgen. Je zult er niet bij verliezen, als je éen dag wacht, om.… van je slechte vrouw.… af te komen.” [43]
„Och,” mompelde hij onwillig.
Toch ging hij zitten, reeds half overgehaald.
Paula bracht haar zakdoek aan de oogen, en stond te schreien.
„Doe toch niet zoo dwaas!” riep hij. „Je doet je zelf en mij onnoodig verdriet aan. De zaak verandert er niet door.…”
„Daarom kan je van-avond nog wel thuis blijven.…”
„Nu goed, ik blijf thuis.…”
„En blijf je dan hier zitten?”
Zij zette zich weer op haar plaats.
„Vanavond alleen nog maar.… Nog eens samen met je Paula.… zooals vroeger.…” Ze snikte.
„Als je redelijk bent.…” antwoordde hij onaangenaam te moede. „Maar ik begrijp niet dat je er op gesteld bent.”
Paula herstelde zich, en hem met haar groote betraande oogen vol aanziende:
„Erop gesteld.… natuurlijk. De laatste maal misschien.… nee, zeker de laatste maal.…”
Geen antwoord. Larsen verschuift onwillig op zijn stoel, en neemt de courant op, om zich een houding te geven.
„Och, je gelooft ook niet dat ik.… nog van je hoû.… nog altijd.… en meer dan vroeger.… heel veel.…”
Paula’s stem klinkt huilerig, als die van een kind, [44]dat klappen gehad heeft en beterschap belooft, en wordt afgebroken door snikken. Ze houdt de blik neergeslagen, de handen lusteloos in haar schoot.
„Waarom zou ik dat niet gelooven?” zegt Larsen eindelijk zacht en met groote droefheid. „De zaak wordt er niet beter door. Integendeel.…”
„Woû je dan dat ik niet meer van je hield?” Schuchter slaat ze even de oogen op.
„Och.… ’t verdriet zou dan minder groot zijn.…”
„Als we scheiden?”
„Dat bedoel ik.” ’t Antwoord hindert hem zelf: ’t was niet noodig geweest. Waarom wilde ze hem dan ook niet begrijpen?
Als Larsen zich dan quasi in zijn courant verdiept, zwijgt ze eenige minuten. Dan op eens:
„Willem.…” Paula’s stem klinkt gedempt, zwak.
Als hij opziet, kijken haar oogen hem wanhopig smeekend aan, drijvend in tranen.
„Willem, is ’t nu alles waar?”
„Wat?”
„Dat we.… voor goed.… voor altijd van elkaar gaan?”
„Och.… Paula.…”
„Ja? ’t Kan.… ’t kan immers niet waar wezen. Zeg nu, toe! Je kunt, je wilt je Paula nog wel vergeven?”.…
Larsen staat op. Die blik vol angstige smeeking [45]doet hem zeer. ’t Eeuwig misverstand van vergeven of niet vergeven maakt hem wrevelig, ten einde raad.
„Ga je heen?” vraagt ze, en grijpt zijn hand.
„Ik vin’ dit gesprek.… onmogelijk.…” antwoordt hij afwerend. „Ik kan er verder niets over zeggen.…”
„Och, wees nu maar niet boos. Ik zal zwijgen.… Ga nu maar weer zitten.”
Ze begrijpt dat ze van taktiek veranderen moet. Woorden zullen niets uitrichten voorloopig, hem veeleer minder vatbaar maken voor haar invloed. Eén kleine overwinning heeft ze behaald: hij is thuis gebleven. Van nu tot morgen is een heele tijd: een heele nacht ligt ertusschen, nog uren van gedwongen samenzijn.…
Zwijgend schenkt ze een kopje thee in, en zet het vóor Larsen neer. Deze heeft de lectuur hervat, of doet ten minste zoo. Zijn gedachten dwalen telkens af, verwarren zich. Hij verlangt naar ’t eind van de avond, naar zijn bed.
Daar schiet ’t hem te binnen dat hij en Paula in ’t zelfde bed slapen, ouder gewoonte, al de jaren van hun huwelijk. Zoo iets was nu niet meer doenlijk, dat begreep hij. Hij zou die nacht in de logeerkamer doorbrengen. Hoe vreemd tegenover de dienstboden!.… Och, die zouden toch spoedig op de hoogte zijn van hun breuk. En Didi evenzeer. [46]
De gedachte aan zijn kind vervult hem met nieuwe droefenis. Ze is boven in zijn studeerkamer alleen blijven zitten, de lieveling: uit gehechtheid aan hem, aan alles wat haar aan hem herinnerde.
Juist trad ze binnen.
„O,” zei ze met blijde verrassing, haar vader ontwarende.
„Ben je toch thuisgebleven, Paatje?”
Larsen streelt haar over de mooie haren.
„Ja, mijn kindje, ik ben niet gegaan.”
Als Didi zich gereed maakt om aan tafel te gaan zitten, wendt haar moeder zich ongeduldig tot haar:
„’t Is al laat, Didi. Je moet naar bed.”
„’t Is pas half negen.…” protesteert het kind teleurgesteld, en kijkt haar vader aan, als verwachtte ze hulp vandaar.
„Dat doet er niet toe. Ga dan van-avond wat vroeger.…”
’t Bijzijn van het kind verveelde haar, dwong haar tot zelfbedwang. Voor Larsen bood Didi’s naar bed gaan een welkome afleiding.
„Brengt Paatje me naar bed?” vroeg ’t kind getroost.
„Je bedoelt, of ik je straks goeie nacht kom zeggen? Ja, goed. Ga nu maar.”
Didi gaf haar moeder een kus, die deze onverschillig teruggaf. [47]
„Kom je gauw?” riep ’t meisje nog aan de deur tot haar vader.
Larsen knikte, en staarde haar na.
Paula merkte zijn blik op, en besefte al de teederheid voor zijn kind, die daaruit sprak. Zij voorzag een bizonder hartelijk samenzijn tusschen vader en dochter die avond.… Wie weet of hij dan.…
Toen Larsen, na zijn thee gedronken te hebben, naar boven wilde gaan, kon ze niet nalaten te zeggen:
„Willem.… je zegt Didi toch.… niets.…?”
Hij viel haar driftig in de rede:
„Hoe kan je zoo iets vragen? Geen woord.…”
Hoe weerzinwekkend klonk hem dit wantrouwen! En dan dat gebrek aan waardigheid, dat zichzelf vernederen tot smeeken en bidden, dat geschrei.… Hij had haar nog nooit zóo tegenover hem gezien, zijn vroolijke, overmoedige, luidruchtige Paula!
Bij het bed van zijn kind gekomen bleef hij afgetrokken, en op al haar vleiende en aanhalige woorden antwoordde hij slechts met kussen en een betoon van hartstochtelijke teederheid, zooals ze nooit van hem ondervonden had. Verbijsterd en onbevredigd op haar vragen, legde ze zich eindelijk neer: na een gebedje vol innigheid, waarin ze bij ’t „Onze Vader” slechts aan háar vader dacht. Hij trok de wollen deken terecht, en kuste haar voor ’t laatst: [48]
„Lief slapen, lieveling,” zei hij aangedaan. „Denk nu maar alleen aan prettige dingen.…”
Hij wendde zich af, sloot zacht de deur, en trad de kamer uit. Even stond hij besluiteloos: dan niet wetende wat hij beter doen kon, richtte hij zich naar ’t ander einde van de overloop, naar de logeerkamer. Maar naar bed, dan vermeed hij een pijnlijk tooneel beneden, wanneer hij straks Paula goede nacht moest zeggen.…
Met een zware zucht opende hij de deur der kamer.
Dit was voor ’t eerst in dertien jaar dat hij zonder „goeie nacht” van zijn vrouw naar bed ging! ’t Was hem als beging hij een zonde, zoo onbehagelijk deed hem dit onvormelijk afwijken van een dierbare gewoonte aan.
Schuw schoof hij in ’t kleine vertrek, kleedde zich haastig uit, en legde zich neer. Nauwelijks in bed sprong hij op, sloot de deur. Even viel zijn oog op de spiegel, en hij schrok van zijn beeld: wat een dwaze uitdrukking van kinderlijke angst las hij op zijn gelaat!
Aan slapen dacht hij niet. Maar wat zou dat? ’t Bed was de eenige plaats waar hij zich op dat oogenblik veilig voelde, waar hij ongestoord de vrije loop aan zijn gedachten laten kon. Dat was hem een behoefte, hoe pijnlijk ook.
Met open oogen lag hij achterover. Tevergeefs [49]trachtte hij orde te brengen in zijn denken: ’t was steeds dezelfde verwarde kringloop, afmattend, martelend. ’t Was of ’t wezens waren, die zijn eigen wil ontliepen, die kwamen aanstormen in zijn hersens, daar dol dooreenraasden, hem weer verlieten, om onmiddellijk daarna terug te komen in bandelooze wanorde: scheiding—’t hoongelach der wereld—zijn kind—eenzaamheid, de schrikkelijke leegte in zijn hart—zijn vermoord geloof in haar—zijn afgod in de modder geworpen—zijn eer—haar verlatenheid—zijn deernis met haar lot—de onmogelijkheid van herstel, onmogelijk, onmogelijk—scheiding—eenzaamheid, eenzaamheid—zijn kind.… O God, hij wilde niet meer denken. En toch, hij moest, hij wilde wél, hij zocht de zelfmarteling der jagende gedachten, als in wezenlooze wellust staarde hij zich blind op hun bonte warreling.
Van beneden klonk muziek, teedere vleiende muziek. Een welbekende stem zong zacht, zichzelf begeleidend:
Lehn deine wang’ an meine wang’,
Dann fliessen die thränen zusammen!
In de bijna wezenlooze toestand waarin hij verkeerde, duurde ’t eenige oogenblikken, voordat hij zich bewust werd vanwaar die tonen klonken, en zelfs toen het besef tot hem doordrong, dat daar iets [50]ongewoons geschiedde, was de bekoring van ’t lied te sterk, om zijn afgebeulde hersens tijd te gunnen tot bewondering.
Als bij tooverslag verdwenen de spookgestalten uit zijn brein, en een zachte weemoed overstelpte hem geheel. Hij gaf eraan toe, en ’t was hem een weelde van droefenis—een heel andere dan de marteling van zooeven. Tranen welden op in zijn starre oogen. Er was daar niemand die ze zag.…
Hij kende dat lied zoo goed. Hoe menigmaal had hij er naar geluisterd als Paula het op zijn verzoek zong. Ze had een vrij goede stem, buigzaam en streelend, en hij was met weinig tevreden. Och, hij vroeg niet naar ’t zuiver artistieke in de zang: voor hem lag in de lieve voordracht van ’t lied de uitdrukking van een lief vrouwengemoed, van onbedorven oprecht gevoelsleven. Zijn vereering voor haar was zelden grooter, nooit inniger dan wanneer hij in stil genieten luisterde naar haar zang. Haar natuurlijke gratie kwam hierbij uit als in alles wat zij deed, hartveroverend voor een ieder, bij iedere persoonlijke aanraking, nijd verwinnend, vermoedens doodend bij de kwaadwilligsten. En bij hem! Bij hem, die dagelijks, schier ieder uur haar bekoring voelde, was nooit plaats geweest voor éen kwade gedachte waar ’t zijn Paula gold!
Op ’t eene lied volgden andere. Ze waren goed [51]gekozen: alle met het droefgeestige erin dat op hem altijd zulk een eigenaardig bevredigende uitwerking gehad had, als ’t klagelijk zingen eener moeder die haar vermoeid kind in slaap sust. Ook hij was vermoeid, en het zingen deed zijn reeds vage gedachten allengs vervloeien tot droomen. Hij sliep in, of althans zijn toestand was die tusschen waken en slapen geworden, waarin de geest nog vatbaar is voor halve waarneming. Hij was zich nog bewust dat Paula zong, alleen droomde hij bij haar te zitten in hun voorkamer, waar ze zoo vaak samen zaten, de laatste uren van den avond, als Larsen beneden kwam van studie of arbeid.
En Paula was lieftalliger dan ooit.… Hoe smaakvol zat haar die peignoir—geel met witte kant—hoe teeder was de uitdrukking dier fluweelige oogen: ’t was of ze teederheid uitstraalden, over de toetsen, die haar fijne vingers liefdevol streelden, over het muziekblad, waar ze de melodie lazen als met kinderlijk vrome aandacht; over hem nu en dan, als ze even opkeken en een nauw merkbaar lachje hem dankte en liefkoosde tevens. Hij zat ditmaal vlak bij haar op een poef; gewoonlijk leunde hij achterover op de sofa in de hoek schuin achter haar. Nu wilde hij haar niet alleen hóoren, ook haar zien, zich bedwelmen aan klank, aan vorm en lijn, aan de subtiele geur die van haar uitging. Ze was mooi [52]die avond, mooier dan ooit te voren, frisscher, jonger dan op andere avonden. Haar blik had opgewekter schittering dan de gewone levenslustige glans, het ravenzwarte haar lag in wilder overmoed en met meer ongekunstelde bevalligheid om haar blank voorhoofd; de dunne incarnate lippen met de lichte donslijnen hadden naïever en toch bewuster, overmoediger verlokking in haar even merkbare uitpuiling in rust, meer vleiing en genotsbesef dan anders in ’t lachend ontsluiten, om tonen door te laten zóo innig en toch zóo eenvoudig als welden ze rechtstreeks uit het hart—’t hart van een rein en dartel kind, dat jubelt in levensvreugde. Haar boezem scheen rijker, weelderiger, heerlijker van lijn en welving, haar houding in ’t telkens even accentueeren van de zang harmonieuzer zich parend aan de luchtige darteling der vingers over ’t klavier. Haar gansche wezen was bekoorlijker, begeerlijker die avond dan hij haar ooit gekend had—o, hoe veel intenser wordt bij naturen als de zijne de liefde na jaren van weten en kennen!
Larsen had haar nooit zóo liefgehad.… Hij zat daar in extaze, zijn blik dronk haar beeld.…
Op eens verstomde de zang. De lieve gestalte wendde zich plotseling tot hem in een van die bruuste bewegingen en opwellingen die haar eigen waren.
Hij voelde haar hand streelend langs zijn voorhoofd, [53]tegen zijn haar. Hij hoorde haar stem, zacht, zielroerender dan ooit:
„Willem, je houdt van me als altijd!”
Larsen zuchtte zwaar, en keek op.
Paula stond naast zijn bed, half erover heen leunend.
Ze was binnengekomen, want Larsen had in zijn zenuwachtigheid het slot slechts half omgedraaid, en toen Paula de knop bewogen had, was het teruggesprongen.
Ze had hem slapende gevonden, met een glimlach op de lippen en ’t oogenblik gunstig geacht om daadwerkelijk zich in zijn droom te mengen, waarin ze reeds in de verbeelding de hoofdrol speelde: dat vermoedde ze dadelijk met groote voldoening.
Larsen bleef haar eenige oogenblikken aankijken.
Door het eenige venster in ’t kleine vertrek, dat op straat uitkwam, drong een schemerachtig licht binnen, voldoende om de voorwerpen te onderscheiden; want Larsen had verzuimd het gordijn neer te laten.
„Paula,” lispte hij droomerig, eerst half ontwaakt.
Als eenig antwoord kuste ze hem op ’t voorhoofd, dan op de mond, en haar kussen waren kort, maar zinverbijsterend vurig. Dan keek ze hem vlak in de oogen, haar hoofd over ’t zijne gebogen, dat de neerhangende geurige lokken zijn slapen streelden. Haar blik vroeg niet, maar eischte begeeren, zelfvergeten, dolle lust. Haar weelderige boezem hijgde warm tegen [54]zijn borst, omwasemde zijn dommelige zinnen.…
Hij sloeg zijn armen om haar volle schouders, waar de peignoir achteloos afgegleden was.… wilde haar tot zich trekken. Doch plotseling kwam ’t besef, nog vaag, maar onmiddellijk winnend in kracht.
Zacht stootte hij haar van zich af.
„Wat is er? Wat moet dat?” zei hij verward. „Mijn God, Paula, wat wil je? Hoe kom je hier?”
Ze keek hem lachend aan, nu rechtop staande, met het volle schijnsel van ’t venster op haar gestalte; geen spoor van verlegenheid of verwarring in haar houding, slechts bedroefde verwondering.
Larsen had zich in zijn bed opgericht.
„Mag je Paula je niet meer goeie nacht kussen.… voor ’t laatst?” Weer die kinderlijke vleitoon vol klaging.
„Paula, doe me genoegen.… ga hier vandaan.… Laat me met rust, wat ik je bidden mag.…”
Ze greep zijn hand. Hij trok de zijne onwillig terug, bang voor zichzelf, nog trillend van ’t nauw onderdrukte begeeren. Bij God, hij mocht niet zwak zijn! Als hij nu zwichtte, zou hij zichzelf minachten. Sedert dat hij zijn schande kende, was zij zijn vrouw niet meer: alles moest uit zijn, voor goed, voor goed, of hij moest zich beschouwen als een eerlooze, die genoegen neemt met zijn vernedering.…
„Willem, geef me éen kus.… en ik zal heengaan, [55]heusch. Ben ik zoo laag en gemeen in je oog, dat je me.… geen kus waard acht.… Nu, op eens.… Je zegt dat je me vergeeft, en nu behandel je me zoo!.… Dacht je dat ik dat verdragen kon?.… Je gaat heen zonder een woord, en.… nu van nacht slaap je hier, in een andere kamer.… Onze scheiding moet nu al beginnen, nu dadelijk al, zonder overgang.… zoo bruusk mogelijk! Is ’t zoo veel gevergd dat je afscheid van me neemt.…”
„Onzin,” viel Larsen in. Hij voelde zich hoogst onbehagelijk. De positie werd met elke minuut onmogelijker.
„Je weet heel goed dat dat.… zoo niet is”.… ging hij voort, „dat ik niet van je weg zal gaan.… zonder afscheid.… zonder je ’t.… beste toe te wenschen dat ik je wenschen kan.…”
Zijn stem stokte hem in de keel.
„Kom, Paula, wees verstandig, ga nu heen. Hier, ik wensch je een goeie nacht, hier is mijn hand.… Maar ga nu.…”
Paula greep de haar toegestoken hand met beî de hare, en, weer over ’t bed leunend, klampte zij zich aan zijn heele arm en leî haar hoofd er tegen aan. Luid snikkend schokte haar lichaam tegen ’t zijne.
Larsen keek verbijsterd naar dit beeld van hartstochtelijke smart. Hij kon ’t niet aanzien.
Met zacht geweld drong hij Paula van zich. [56]
„Och, ik kan niet, ik kan zoo niet gaan,” kreet zij.
Haar haren hingen nu verward, de peignoir was aan de eene schouder geheel afgegleden, en ontblootte een deel van haar borst. Zijn blik viel huiverend over haar wilde schoonheid.
Het geweld dat hij zichzelf aandeed, maakte hem ruwer dan hij had willen zijn, gaf zijn stem harder klank dan hij erin had willen leggen. Opspringend zeide hij:
„Paula, ik meen ’t.… Je kunt hier niet langer wezen. Ga nu heen, in Gods naam, ga, of.… je maakt me boos.…”
Wezenloos keek ze hem met haar groote vochtige oogen aan, en toen hij haar omvatte, en haar half voortduwende naar de deur bracht, liet ze zich leiden als een kind. „Goeie nacht, wees nu bedaard om Gods wil.”
Ze stond reeds buiten op ’t portaal.
Buiten zichzelf van verwarde gevoelens—ergernis, medelijden, verlegenheid—sloot Larsen de deur der logeerkamer tusschen haar en hem, en wierp zich te bed, dof kreunend.
Paula, op de half verlichte overloop, stond even stil, verbluft, vernederd.
„Idioot,” siste ze met opeengeklemde tanden, en langzaam ging ze de trap af. [57]