VII.
Larsen spoedde zich huiswaarts langs de stille straten. Hij zag of hoorde niets om zich heen. Het bezoek aan zijn vriend had hem niet voldaan, en toch, hoe onrustig hij zich ook voelde, er was meer orde in zijn denken dan enkele uren te voren, en hij zag duidelijker een uitweg uit de doolhof zijner ellende.
Haastig liep hij zijn gang door, de trap op. Hij wilde Paula spreken, zoo spoedig mogelijk. Er moest een beslissing komen, hoe dan ook, zoo mogelijk vandaag nog. Paula moest weten waar ’t op stond. Ja, Van Thiemen’s raad was wel goed: hij zou haar zeggen vandaag nog bij hem aan te gaan, om raad en inlichting. Dat was beter zoo dan lange uitleggingen van hemzelf—hij deugde er niet voor, trouwens; en ’t was hem zoo pijnlijk. Hij zou niet meer dan ’t allernoodigste zeggen; haar naar zijn vriend verwijzen—die was te vertrouwen, volkomen, die kende beide goed, die meende ’t goed met beiden.… [98]
Nu ja, humaan wàs Van Thiemen, al.… had hij geen sympathie meer voor haar. De oppervlakkige beleefdheid en aangename manieren waarmee de jurist haar steeds bejegend had, zijn bizondere takt om met vrouwen om te gaan, zijn innemend uiterlijk en oprechte bewondering voor haar uiterlijke verschijning namen immers voldoende de plaats in van die.… sympathie.…
Paula was misschien in de voorkamer. Ze zat daar nogal eens in de namiddag, ontving er haar kennissen en vriendinnen, of zat er te lezen.
Hij stiet de deur van ’t vertrek open, en trad binnen. Paula was er niet. De piano stond open. Een muziekboek stond opengeslagen op de lezenaar. Onwillekeurig wierp hij een blik op de noten: de Washington post van de Souza.… Dat had ze gisterenavond niet gespeeld.
Een vreemde gewaarwording trilde door hem heen, deed hem zijn wenkbrauwen fronsen.
Hij trad weer naar de deur en ging de trap op, onzeker waar hij heen zou gaan. Misschien zou hij Paula boven vinden, in zijn studeerkamer. Een naar vermoeden bekroop hem. Och, onzin! Waar dacht hij aan?
Daar trof hem ’t geluid van zingen. Wie was dat? De meid? Nee, onmogelijk.… ’t Kwam van boven, van de verdieping waar de slaapkamers waren, en [99]’t was nu geen bedden-opmaken—anders de geliefde zang-periode der „kamermeid”. Didi was naar school. Pietje, de eene gedienstige, kwam net de trap op, uit de keuken op weg naar boven, een paar badhanddoeken over de eene arm geslagen.
„Zeg ’s Pietje.… waar is Mevrouw?” vroeg de huisheer aarzelend.
„O, boven in de badkamer.… Meneer. Mevrouw heeft me juist om een paar handdoeken gevraagd.”
In de badkamer! Om twee uur in de namiddag.… Och, ’t is waar, ze deed dat meer. Paula baadde op elk uur van de dag en van de nacht, als ze daar trek in had, soms twee maal in de vier en twintig uren. Paula was meer dan zindelijk: baden was haar een ware wellust. Trouwens, de badkamer had er al het weelderige voor: daar te baden wàs een genot.… En, zeer merkwaardig en onbegrijpelijk voor een natuur als die van Larsen, ze baadde vaak niet uit dwang tot reinheid of zucht tot genot: neen, uit pure vroolijkheid, als uiting van overvloeiende levenslust. Geen wonder dat ze dan zong, kwinkeleerend als een kanarievogel, die zijn veertjes gepoedeld heeft.
Larsen moest dus wachten. Toch ging hij de trap op.
Hij stapte voorbij de badkamer. Paula scheen het te merken, want het zingen hield even op. Daarna hervatte zij het. Lustiger dan te voren, meende Larsen te bespeuren. Onwillekeurig wierp hij een blik [100]naar de matglazen deur, als kon hij er door heen kijken. Een flauwe geur drong naar buiten in zijn reukorgaan. Hij verhaastte zijn stap, en ging naar zijn studeerkamer. Daar wierp hij zich op de sofa, vreemd te moede. Als Paula klaar was, kwam ze misschien wel bij hem.… Dat kon niet lang meer duren: als ’t zingen begonnen was, duurde ’t gewoonlijk niet langer dan een kwartier.
In zijn verbeelding zag hij haar vóor zich, zooals hij haar dien avond gezien had, nog kort geleden—nauw een week—frisscher en begeerlijker dan ooit, de loshangende weelderige zwarte haren over haar donkerroode kimóno, ’t Japansche kleed, dat ze altijd droeg als ze uit de badkamer kwam. Hij was haar toen gevolgd naar haar slaapkamer … Een lichte huivering voer door zijn leden bij de herinnering aan dat uur. Wat was hij verliefd geweest, en zij verleidelijk, dartel, beroezender dan ooit!
Hij stond op met een ruk; en ’t was of hij iets van zich af wierp. Zijn wenkbrauwen waren gefronst, zijn gelaat vertrokken—oud, wonderoud voor zijn jaren—zijn eene vuist balde zich. Hij deed een paar schreden. Daar viel zijn oog op Paula’s portret boven zijn schrijftafel—als bruid. Hij wendde zich om.
„Mijn God, mijn God,” mompelde hij.
Dan zette hij zich weer op de sofa en verzonk in dof gemijmer. [101]
Hij hoefde niet lang te wachten, veel korter dan hij gedacht had.
„Zoo, ben jij hier?” klonk het opeens aan de deur der studeerkamer.
„Paula!” Daar stond de welbekende verschijning, juist zooals een week geleden, die eene avond.
„Ja, ik hoorde je thuiskomen,” zei ze onverschillig, en wierp achteloos een hoeveelheid haar naar achteren.
Dadelijk trof hem haar toon. Er was iets kouds, iets gewild brutaals in, dat hem, als geheel nieuw in haar, met verwondering vervulde.
Ze keek even rond, op hoogst ongedwongen wijze. Toen snoof ze met een vies gezichtje even hoorbaar:
„Heb je hier gerookt? ’t Ruikt hier afschuwelijk!”
Een en al verbazing keek Larsen haar aan. Wat bezielde haar?
„Ik heb niet gerookt.… vandaag ten minste niet … gisteren misschien. Als je wil, zullen we naar beneden gaan. Ik woû met je spreken.”
„Je wil me altijd spreken tegenwoordig. Maar goed, deze keer wil ik jou ook wel ’s spreken.…”
Meteen zette zij zich op een stoel bij zijn schrijfbureau.
Larsen dacht onwillekeurig aan zijn bewijsstuk, tastte even in zijn vestzakje, en overtuigde zich dat het sleuteltje van zijn laadje er nog zat.
„Je bent zoo bij je boezemvriend geweest,” hervatte de gestalte in kimóno, terwijl ze het rechterbeen [102]over ’t linker sloeg. Een mooi geborduurd muiltje bengelde aan haar rozenteentjes, en liet zoo de rest van den eenen kleinen voet bloot.
„En,” ging ze voort, „je hebt er zeker heel wat afgepraat. Toe, vertel ’s.”
Larsen zag haar vreemd aan.
„Ik woû dat je niet zoo suf keek, zeg,” zei Paula weer. „Is er iets bizonders aan me? Je hebt me zoo wel meer gezien, geloof ik.…”
„Dat is ’t niet.…” antwoordde Larsen.… „We spreken over ernstige zaken, Paula.” Er was iets strengs in zijn woorden, dat zijn vrouw deed glimlachen.
„O zeker, best. Ik wil ook heel, heel ernstig zijn. Maar, komaan, vertel ’s op. Van Thiemen heeft gezegd dat je van me af moest zien te komen, niet?”
„Paula, wat scheel je? Waarom sla je zoo’n onverschillige losse toon aan?”
„Ik? Och, verbeelding! Zeur nou maar niet. Antwoord me maar.”
Larsen haalde de schouders op. Waarom zou hij ook dit maar niet verdragen—als de zaak maar spoedig tot een eind kwam?
„Ik heb niets beslist.…” begon hij.
„Och kom.… die is ook leuk! En gisterenavond was je zoo zeker.” [103]
„O, omtrent dat eene.… nu nòg.… Ik bedoel de manier waarop.…”
„Zoo, en die weet je dus nog niet?”
„Nee.” Larsen sprak kalm, schoon inwendig zich ergerend over haar voor hem onverklaarbare overmoedige houding. „Ik heb me alleen wat op de hoogte gesteld van de wet. Hij heeft me goeie raad gegeven.…”
„Dat begrijp ik, ha, ha!”
„Ja, en hij acht het wenschelijk dat jij ook ’s met hem spreekt.… of.… hij wil ook wel hier komen, bij jou.…”
„Zeker, ’t is een charmant mensch.…”
„Ik zou het maar doen.… als ik jou was.…”
„En,” ging Paula voort, zonder op die laatste woorden te letten, en ze zocht iets in de ruime plooien van haar kimóno, op haar borst. „En heb je hier niet over gesproken?” Lachend keek ze hem aan. Om haar mond danste een ironietje als een satertje.
Hij zag iets in haar hand, dat ze heen en weer bewoog.
Ze zat een vijftal schreden van hem af.
„Wat is dat?” vroeg Larsen geheel de kluts kwijt.
Paula sloeg een in vieren gevouwen papier open, en liet hem de beschreven kant zien.
„Wat dit is? Herken je ’t niet? ’t Briefje van Rudolf.”
Larsen sprong op. [104]
„Hoe kom je dáaraan?” Hij deed een schrede naar haar toe.
„Wel, uit je laadje. Zie ’t goed? Daar gaat het.” Meteen, met vlugge vingertjes, verscheurde zij ’t document in kleine stukjes—rits, rits, rits.
„Daar!” riep ze triomfantelijk. „Veeg nu maar op, en zie dat je ’t weer bij elkaar krijgt.”
Een regen van witte stukjes papier viel voor Larsen’s voeten, naast en om hem heen.
Bleek van schrik staarde hij naar ’t vlug afgespeelde tooneel vóor hem. Dan trad hij op haar toe, vlammen in zijn oogen.
„Dat ’s een lage streek!” riep hij. „Daartoe achtte ik je niet in staat.…”
„Och kom, heusch niet? Ik jou ook niet tot zooveel hartstocht. Komaan, nou raak je ’s los: dat mag ik zien.”
Nog steeds zat Paula schijnbaar kalm. Doch uit de schittering harer donkere oogen sprak meer dan louter leedvermaak. Inwendig bruiste en kookte het in haar.
„Ga heen!” riep Larsen buiten zichzelven. „Ik wil je niet meer zien! Een vrouw die in staat is tot.… tot zulk bedrog.… zooveel valsch berouw.… zoo’n huichelaarster.… Ik heb niets geen medelijden meer met je.… Ga heen!”
„Medelijden? Heb ik niet van je noodig.… heb ik [105]trouwens nooit van je gehad. En dat huichelaarster.… Weet je wel, mijn waarde echtgenoot, dat je daaraan jaren van geluk te danken hebt?”
Larsen begreep er niets meer van.
„Geluk van jou soort ten minste.…” Ze lachte schril. „Van ’t mijne niet versta je? Van ’t mijne niet! Ik heb niet gehuicheld om mijn eigen pleizier.”
Paula stond op. Met een sierlijke zwaai wierp ze een loshangend deel der kimóno over de linker schouder en kruiste haar armen, uitdagend en minachtend. Strak keek ze hem aan.
„Als ik jaren geleden, kort na ons huwelijk, toen ik inzag wat ’n sufkop je was, dadelijk me getoond had zooals ik was, mijn afkeer voor je getoond had.… was dat misschien beter geweest voor mijn geluk.…”
„Voor ’t mijne misschien ook.…” zei Larsen somber.
„Voor ’t jouwe? Als jij minder egoïst was geweest, hadden we beiden gelukkig kunnen zijn.”
„Ik heb alles voor je gedaan wat ik kon.… al die jaren.”
„Dat lieg je! Of dacht je dat een vrouw—een vrouw zooals ik, versta je, een vrouw met een hart, met zenuwen, met gevoel, geen houten automaat zooals jij er een zou wezen als je vrouw was—dacht je dat een vrouw als ik genoeg had [106]aan een goed leven: goed eten en drinken en mooie kleeren?”
„Ik heb je altijd liefgehad.…”
„Liefgehad! Ik heb wat gehad aan jou liefde! Een morgenzoen en een avondzoen, en een liefkozing die ik dulden moest wanneer mijn heer en meester ’t voor zijn gezondheid noodig achtte.… Bah, wat ’n komedie!”
Paula’s bewegelijk gezicht vertoonde walg: ’t Kleine neusje trilde en haar vleezige lippen puilden vooruit.
„Ik was voor jou niets dan een objet à plaisir—een maîtresse die je betaalt, die je wegschopt als je genoeg van haar hebt.”
„Paula!”
„Nou ja. Wegschoppen deê je niet. Moreel kwam ’t op ’t zelfde neer. Als je me niet noodig hadt, keek je niet naar me om.”
„Ik die dagelijks genoot van je gezelschap.…”
„Ja, als je geen pleizier meer in je boeken hadt.… En dan nòg! Je zat bij me en verveelde me. O, mijn God, die dagen, die jaren van verveling! Ik vrat me op!.… En daar merkte jij niets van. Niets, niets! Je hadt je boeken, je studie was je alles, je vrouw bijzaak.…”
Larsen dacht aan ’t bekende woord: de wetenschap is een jaloersche minnares: ze wil de heele mensch. En toch bij hem was zijn liefde voor Paula en zijn [107]studie, zijn eerzucht, alles éen geweest. Zijn liefde deed hem ’t leven liefhebben, staalde zijn werkkracht, prikkelde zijn eerzucht. Haar verwijten sneden hem door de ziel. Maar hij zweeg, tevergeefs trachtend die vrouw, die hem een raadsel was, te begrijpen. Hij had haar nooit begrepen. Zou hij ’t thans eindelijk beseffen?
„’t Begon al op onze huwelijksreis,” ging Paula hartstochtelijk voort. „Ik kan er nauwelijks aan denken. God, wat een tijd! ’t Was een hel. En jij dacht dat ’t een hemel vol zaligheid was! Voor mij ook!” Ze lachte bitter.
„Toen heb ik gehuicheld. Zeker dat heb ik, en ik heb er voldoening van. Ik achtte het mijn plicht. Ik deed mijn hart dat bersten wou, mijn wil die in opstand kwam, geweld aan. Ik overwon mezelf. En jij? Wat deê jij ooit dan toegeven aan jezelf? Heb jij je ooit moeite gegeven om anders te zijn? Anders te zijn om mij, om mij alleen? Geloof jij dat het ideaal van liefde tegenover een vrouw maar daarin bestaat dat je je geeft zooals je bent? Altijd dezelfde lodderige, vervelende, aangapende vereering? Een vrouw is geen godheid zonder hartstochten. Jou Newfoundlander’s verliefdheid wàs geen liefde, niet waaraan een vrouw behoefte heeft. Wat kan ’t me schelen of je me vereert en heel diep in je hart liefhebt? Ik wil die vereering niet! Ik wou warmte, gloed, [108]passie, je gaf me vereering!.… En je was zoo degelijk, zoo in-degelijk. Ik spuug op jou degelijkheid, jou ellendige zelfzuchtige degelijkheid! Wat geeft het mij of ik weet dat je me degelijk, inwendig lief hebt? Als ik er niets van zag, niets van voelde? Van een vuur wil je vlammen zien, wil je de vonken zien schitteren, je wil er de warmte van voelen. Hu, ik heb koû geleden al die tijd! Jou ijsbeerennatuur straalde niets dan koû af.… Je hebt je eigen ongeluk bewerkt. Al was er ook niets dan koelheid in je aard, had dan wat warmte gehuicheld. Een enkel woord van warmte om mij, een liefkozing om mij had me tot je gebracht. Je hebt me afgestooten, voortdurend. Liefde is illuzie, je deedt niets om die illuzie te doen leven.… En toen ik een man zag die me begreep—die wist wat een vrouwenhart wil, toen die altijd om en bij me was.… toen heb ik me gegeven.… omdat ik niet anders kon. Ik was krankzinnig geworden anders.”
Zij hijgde. Tartend boog ze naar hem over, haar gelaat vlak bij ’t zijne. „En ik zou ’t weer doen, tienmaal, honderdmaal over. En ik geniet er nu van ’t jou in je gezicht te slingeren. Hoor je ’t?! En ik heb meer gedaan, na wat jij en de wereld mijn val zouen noemen. Ik heb méer amants gehad.…”
Larsen trad achteruit. [109]
„Dat is niet waar!” kreet hij verbijsterd. „Je zegt dat alleen om mij te beleedigen.”
„Niet waar! Wil je namen?”
„Hoû je mond.…” viel Larsen in. „Ik wil ’t niet weten. Ik kan je niet.… niet meer verachten dan ik nu al doe.…”
„Je zult me verachten! Je zult je ergeren tot je me verafschuwt! Gerards is mijn vriend geweest.… en Van Breehorst, en.… nu kort geleden Steeman. Wat kon ’t mij schelen? Toen ik eenmaal ’t met jou opgegeven had.… ik moest toch iets hebben aan mijn jonge leven!” Ze zweeg even. Haar neusvleugels trilden, haar wangen gloeiden, haar oogen vonkten: ’t heele gelaat had iets sculpturaal sprekends.
Larsen, die onbewegelijk met de handen op de rug stond, was onder de ban harer wilde schoonheid.
„En nu wil je van me af, nie’ waar? ’t Zal je niet lukken, mijn baasje. Ik blijf bij je en je zult me dulden, versta je? En ik zal je behandelen of ik je niet kende. Je zult me niet meer aanraken, en je zult je cocu-rol die je zelf.…”
’t Werd Larsen te machtig. ’t Bloed steeg hem naar ’t hoofd.
„Zwijg, vrouw,” riep hij heesch van woede. „Ga heen, of.…” En wat hem zelf later onbegrijpelijk voorkwam, hij greep haar bij een arm. Had zij meegegeven, [110]dan had ’t hem met zijn stoere kracht weinig moeite gekost haar de kamer uit te duwen. Doch nauwelijks had hij zijn hand op haar kleed gelegd, of hij wankelde, en ’t dwarrelde een oogenblik vóor zijn oogen.
Ze had hem met volle kracht vlak in ’t gezicht geslagen.
Al de verkropte woede van de ondergane vernedering van den vorigen avond, aangewakkerd door ’t juist afgespeelde tooneel tusschen hen, was op eens opgevlamd in lichte laaie.
Toen hij bijkwam, lag zij voorover op de grond te snikken.
Larsen’s verontwaardiging was als bij tooverslag geweken. En zijn gevoelig hart kreeg, ondanks alles, de overhand: hij had deernis met die vrouw. Ze moest wel diep rampzalig wezen.… Hij die zelf bijna nooit uiting gaf aan opwellingen of hevige aandoeningen, de schijnbaar hartstochtelooze kon geen zwakke zien schreien, zonder dat ’t schrijnde in zijn ziel: geen kind, geen vrouw, en hier was ’t zijn pas verloren afgod, zijn Paula.
’t Snikken duurde voort, stuipachtig, wanhopig snikken, dat haar gansche lichaam deed schokken en trillen.
Wat moest hij doen, wat kon hij zeggen?
Troostwoorden, opbeuring—’t leek hem dwaas na [111]wat er juist was voorgevallen. En dan, hij voelde zich verbijsterd, verward, oneens met zichzelf, verlegen tegenover deze vrouw, die hij nooit zóo gezien had, die zich daar aan hem geopenbaard had in zulk een nooit gekende gedaante. Dat was zijn Paula niet, de Paula van zijn droomen, van zijn vereering. En weer bleek de waarheid van ’t bekende gezegde: dat men niet het beminde voorwerp zelf liefheeft, maar een denkbeeldig wezen, ’t beeld dat de ziel van ’t beminnend individu er zich van vormt.
Zijn onmacht om hier iets ten goede uit te richten inziende, trad Larsen naar de deur, ging het vertrek uit, en sloot de deur weer achter zich.
Hij voelde zich als een slaapdronkene. ’t Was alles vaag om en in hem. Hij moest de straat op, in de frissche lucht. In huis zou hij ontmoetingen moeten dulden, met Didi, met de meiden.… Buiten zou hij al wandelend wellicht tot kalmte komen; in staat wezen het voorgevallene bedaard na te gaan, een besluit kunnen nemen.… Of zou hij Van Thiemen.…? Neen, nu niet: hij wilde alleen zijn met zijn gedachten. Later, vanavond misschien nog zou hij naar hem toe gaan, zijn oordeel vragen in de veranderde omstandigheden.
In de gang beneden keek hij op de hangklok: half drie! Hemel, een half uur was er verstreken [112]sinds zijn thuiskomst van Van Thiemen, en hoe verschillend was zijn toestand nu vergeleken met dertig minuten tevoren! Toen scheen er wat licht te gloren in de duisternis van zijn ellende, thans was alles weer nacht, troostlooze, ondoordringbaar donkere nacht. [113]