WeRead Powered by ReaderPub
Heldensagen en Legenden van de Serviërs cover

Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 159: De tweede taak.
Open in WeRead

About This Book

This collection assembles epic poems, ballads, and folktales drawn from an oral national tradition, opening with historical and cultural background and chapters on beliefs and customs. It presents long heroic narratives about legendary princes and leaders, a set of popular ballads, and numerous shorter folk tales that feature supernatural beings, tests of virtue, marriage motifs, animal helpers, trickery, and moral lessons. The volume also offers explanatory notes, a glossary, anecdotes, and colored illustrations that accompany many selections, providing both storytelling variety and ethnographic context.

[Inhoud]

De ram met de gouden vacht.

Eens ging een jager naar de bergen om te jagen, en daar kwam hem een ram met een gouden vacht tegemoet. De jager nam zijn geweer om hem te schieten, maar de ram snelde op hem toe en voordat de jager kon schieten, stootte de ram hem met zijn horens en hij viel dood neer. Eenige dagen later vonden zijn vrienden zijn lijk; zij wisten niet, wie hem gedood had; zij namen het lijk mee naar huis en begroeven het. De vrouw van den jager hing het geweer tegen den muur van haar hut. Toen haar zoon opgroeide, vroeg hij haar verlof om het te nemen en ermee op jacht te gaan. Zij wilde het echter niet toestaan, en zei: “Nooit mag je mij weer om dit geweer vragen. Het redde het leven van je vader niet en ik zou niet willen, dat het ook de oorzaak van jou dood werd!”

Op zekeren dag nam de jongeling het geweer stilletjes weg en ging ermee het bosch in om te jagen. Heel spoedig kwam dezelfde ram uit het dichte kreupelhout aansnellen en zei: “Ik heb uw vader gedood; nu is het uw beurt!” Dit verschrikte den jongeman en onder den uitroep: “God helpe mij!” haalde hij den haan van zijn geweer over en zie! de ram viel dood neer.

De jongeling was buitengewoon blij, dat hij den ram met de gouden vacht gedood had, zoo was er geen tweede in het geheele land. Hij ontdeed den ram van zijn huid en droeg de vacht naar huis,—zeer prat ging hij op zijn dapperheid. Gaandeweg verspreidde het nieuws zich over het land, totdat het ’t hof bereikte en de koning den jeugdigen jager beval hem de vacht van den ram te brengen, opdat hij er zich van overtuigen kon welke soorten van beesten er in zijn bosschen werden gevonden. Toen de jongeling de vacht bij den koning bracht, zei deze tot hem: “Vraag wat gij wilt voor deze vacht, en ik zal u geven, wat gij vraagt!” Maar de jongeling [212]antwoordde: “ik zou haar voor niets ter wereld willen verkoopen.”

Toevallig was de eerste minister een oom van den jeugdigen jager, maar hij was zijn vriend niet; integendeel hij was zijn grootste vijand. Daarom zei hij tegen den koning: “Daar hij u de huid niet wil verkoopen, moet gij hem iets opdragen, wat bepaald onmogelijk is!” De koning riep den jongeman weer bij zich en beval hem een wijngaard te planten en over zeven dagen den nieuwen wijn van den eersten oogst te brengen.

De jongeling begon te schreien en smeekte om ontheven te worden van deze onmogelijk te vervullen opdracht; maar de koning bleef bij hetgeen hij bevolen had en zei:

“Indien gij over zeven dagen mijn bevel niet hebt uitgevoerd, dan zal uw hoofd worden afgeslagen!”

De jongeling vindt hulp.

Nog steeds schreiende begaf de jongeling zich naar huis en vertelde zijn moeder alles, wat bij zijn bezoek aan den koning was voorgevallen en zij antwoordde: “Heb ik je niet gezegd, mijn zoon, dat het geweer je het leven zou kosten?”

In diepe smart en verwarring verliet de jongeman het dorp en liep een heel eind het bosch in. Eensklaps stond een meisje voor hem, dat hem vroeg: “Waarom weent gij, mijn broeder?” En hij antwoordde boos:

Waarom weent gij, mijn broeder?

“Vervolg uw weg! Gij kunt mij niet helpen!” Daarom liep hij verder, maar het meisje volgde hem en verzocht hem nogmaals haar de oorzaak van zijn tranen te zeggen, “want misschien,” voegde zij er aan toe, “is het mogelijk, dat ik u helpen kan.”

Toen stond hij stil en zei: “Ik zal het u vertellen, maar ik weet, dat God alleen mij kan helpen.” Toen vertelde hij haar alles, wat er met hem was gebeurd en welke taak hem was opgedragen. Toen zij het verhaal had gehoord, [213]zei zij: “Wees niet bevreesd, mijn broeder, maar ga naar den koning en vraag hem, waar hij wenscht, dat de wijngaard zal geplant worden en laat dien dan aanleggen in volkomen rechte lijnen. Daarna moet gij een zak nemen met een takje thijm erin; leg u dan te slapen op de plaats, waar de wijngaard zal moeten komen en gij zult zien, dat hij binnen zeven dagen rijpe druiven zal dragen.”

Hij keerde naar huis terug en vertelde zijn moeder, wat het meisje, dat hij had ontmoet, gezegd had, en welke belachelijke dingen hij zou moeten doen. Maar zijn moeder zei ernstig: “Ga, ga, mijn zoon, doe zooals het meisje zegt; in elk geval kun je er niet slechter aan toe worden dan je nu bent.”

Hij ging dus naar den koning, gelijk het meisje hem had gezegd, en de koning gaf hem de aanwijzing, die hij verlangde. Toch was hij nog altijd treurig, toen hij zich met zijn tak thijm neerlegde op de aangewezen plek.

Toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij, dat de wijnstokken al geplant waren; den tweeden morgen waren zij bedekt met bladeren; en op den zevenden dag droegen zij rijpe druiven. Niettegenstaande de voorspelling van het meisje, was hij verbaasd rijpe druiven te zien in een tijd van het jaar, waarin zij nergens te vinden waren; maar hij plukte ze, perste wijn, en bovendien nam hij een mand vol rijpe vruchten mede naar den koning.

De tweede taak.

Toen hij het paleis bereikte, stond de koning en zijn geheele hofhouding verbaasd. De eerste minister zei: “Wij moeten hem iets opdragen, dat absoluut onmogelijk is!” en hij gaf den koning den raad den jongeling te bevelen—een kasteel te bouwen van de slagtanden van olifanten.

Toen hij deze onvervulbare opdracht vernomen had, ging de jongeling weenende naar huis, en vertelde zijn moeder, wat er gebeurd was en voegde er aan toe: “Dit moeder, is volkomen onmogelijk!” Maar weer gaf zijn [214]moeder hem raad en zei: “Ga, mijn jongen, het dorp uit, misschien ontmoet je het meisje weer!”

De jongeling gehoorzaamde, en werkelijk, zoodra hij de plaats bereikte, waar hij den vorigen keer het meisje had ontmoet, stond zij weer voor hem en zei: “Dit zal ook gemakkelijk gaan; maar ga eerst naar den koning en vraag hem een schip met driehonderd vaten wijn en evenveel kruiken brandewijn en ook twintig timmerlieden. Dan gaat ge naar die en die plaats tusschen twee bergen; ge damt daar de beek af, en giet er al den wijn en den brandewijn in. De olifanten zullen op die plaats komen om water te drinken en zij zullen dronken op den grond vallen. Dan moeten uw timmerlieden dadelijk de slagtanden afzagen en die naar de plaats brengen, waar de koning zijn kasteel gebouwd wil hebben. Daar moogt gij u te slapen leggen en binnen zeven dagen zal het kasteel gereed zijn.”

Toen de jongeman dit gehoord had, spoedde hij zich naar huis, en vertelde zijn moeder alles, wat het meisje hem gezegd had. De moeder was vol vertrouwen en raadde haar zoon aan te doen, wat het meisje hem had voorgeschreven. Hij ging dus naar den koning en verzocht hem om het schip, de driehonderd vaten wijn en brandewijn en ook om de twintig timmerlieden; en de koning gaf hem alles, wat hij verlangde. Daarna ging hij naar de plek, die het meisje hem had aangewezen en deed alles, wat zij hem had aangeraden. En werkelijk, de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht had, dronken en vielen daarna bedwelmd neer. De timmerlieden hieuwen de ontelbare slagtanden af, brachten die naar de aangewezen plaats en begonnen te bouwen en binnen zeven dagen was het kasteel gereed. Toen de koning dit zag, was hij weer verbaasd en zei tot zijn eersten minister: “Wat moet ik nu met hem doen? Het is geen gewone jongeman! God alleen weet, wie hij is!” Daarop antwoordde de ambtenaar: “Geef hem nog een opdracht en als het hem gelukt ook die ten uitvoer [215]te brengen, dan heeft hij bewezen een bovennatuurlijk wezen te zijn.”

En werkelijk, de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht had

De derde taak.

Opnieuw gaf hij den koning raad. Deze riep den jongeman en zei tot hem, dat hij hem uit zeker koninkrijk een prinses moest brengen, die daar in een zeker kasteel woonde. “Indien gij haar niet bij mij brengt, zult gij zekerlijk uw leven verliezen!” Toen de jongeman dit hoorde, ging hij regelrecht naar zijn moeder en noemde haar zijn nieuwe taak, waarop zijn moeder hem den raad gaf zijne vriendin, het meisje, nog eens op te zoeken. Hij spoedde zich naar de plek buiten het dorp, naar de plaats, waar hij de vorige keeren haar ontmoet had en toen hij er aankwam, verscheen zij weer. Zij luisterde aandachtig naar het verhaal van het laatste bezoek, dat de jongeman aan het hof had gebracht en zei toen: “Ga naar den koning en vraag hem om een galei; in de galei moeten twintig winkels worden gemaakt, elk met verschillende koopwaren; in elken winkel moet ook een knappe jongeman zijn om de waren te verkoopen. Op uw reis zult gij een man ontmoeten, die een arend draagt; gij moet zijn arend koopen en er den prijs voor betalen, dien hij vraagt. Dan zult gij een tweeden man ontmoeten, die in zijn net een karper met gouden schubben draagt; gij moet, het koste wat het kost, den karper koopen. De derde man, dien gij zult ontmoeten, zal een duif dragen, die gij ook moet koopen. Dan moet gij een veer uit den staart van den arend, een schub van den karper, en een veer van den linkervleugel van de duif nemen—en dan de dieren hun vrijheid geven. Indien gij het verre land bereikt en bij het kasteel zijt, waar de prinses woont, dan moet gij alle winkels openen en elken jongeman bevelen bij zijn deur te gaan staan. En de meisjes, die naar den oever komen om water te halen, zullen zeker zeggen, dat zij nooit te voren een schip gezien hebben, dat met zulke wonderbare [216]en mooie voorwerpen beladen was. Het nieuws zal ook de prinses bereiken, die dadelijk aan haar vader toestemming zal vragen, om de galei te gaan bekijken. Als zij aan boord komt met haar hofdames, moet gij het gezelschap van den eenen winkel naar den anderen brengen, en de mooiste koopwaren, die gij hebt, voor haar uitspreiden; aldus moet gij haar afleiden en bezighouden en aan boord van uw galei houden, tot het avond wordt. Dan moet gij plotseling onder zeil gaan; het zal dan zoo donker zijn, dat uw vertrek niet opgemerkt wordt. De prinses zal een lievelingsvogel op haar schouder hebben en als zij bemerkt, dat de galei wegzeilt, zal zij de vogel loslaten en hij zal naar het paleis vliegen met een bericht aan haar vader, waarin zij hem meldt, wat haar is overkomen. Als gij ziet, dat de vogel is weggevlogen, moet gij de veer van den arend verbranden; de arend zal verschijnen en indien gij hem beveelt den vogel te vangen, dan zal hij dat onmiddellijk doen. Daarna zal de prinses een kiezelsteen in de zee werpen en oogenblikkelijk zal het schip stil liggen. Daarop moet gij dadelijk de schubbe van den karper verbranden; de karper zal naar u toekomen en gij moet hem bevelen den kiezelsteen te zoeken en op te slikken. Zoodra dat gedaan is, zal de galei weer verder zeilen. Dan zult gij eenigen tijd in vrede uw weg kunnen vervolgen; maar als gij een bepaalde plek tusschen twee bergen bereikt, zal uw galei plotseling versteenen en gij zult u zeer verontrusten. Dan zal de prinses u bevelen haar wat levenswater te brengen, waarop gij de veer van de duif moet verbranden, en als de vogel verschijnt moet gij haar een klein fleschje geven, waarin zij u den levenselixer zal brengen. Dan kan uw galei weer verder zeilen en gij zult zonder verdere avonturen met de prinses thuis komen.”

De jongeling keerde terug bij zijn moeder en zij raadde hem aan te doen, zooals het meisje hem had voorgeschreven. Hij begaf zich dus naar den koning en vroeg om de [217]dingen, die hij noodig had voor zijn onderneming, en weer gaf de koning hem alles, waarom hij vroeg.

Op zijn reis ging het juist, zooals het meisje voorspeld had en hij slaagde er in de prinses in triomf thuis te brengen. De koning zag vanaf het balkon, waar hij zich met zijn eersten minister bevond, de galei terugkeeren en de eerste minister zei: “Nu moet u hem werkelijk dooden, zoodra hij landt; anders zult u hem nooit weer kwijt raken!”

Toen de galei de haven bereikte, stapte de prinses met haar hofdames het eerst aan land; daarna volgden de knappe jonge mannen, die de waren te koop hadden aangeboden en eindelijk de jongeman zelf. De koning had zijn beul bevolen zich gereed te houden, en zoodra de jongeman aan land stapte, werd hij door de dienaren van den koning gegrepen en zijn hoofd werd afgekapt.

De koning was van plan de schoone prinses te trouwen—en zoodra hij haar zag, naderde hij haar met complimenten en vleierijen. Maar de prinses wilde niet naar zijn honigzoete woorden luisteren; zij wendde zich af en vroeg: “waar is de jongeman, die mij geschaakt heeft en die zooveel deed om mij hier te brengen?”

En toen zij zag, dat zijn hoofd was afgeslagen, nam zij onmiddellijk de kleine flesch en goot wat van den inhoud over het lichaam en zie! de jongeman stond volmaakt gezond op. Toen de koning en zijn minister dit wonder aanschouwden, zei de laatste: “Deze jongeman moet nu wijzer zijn dan ooit, want was hij niet gestorven—en is hij niet tot het leven teruggekeerd?” Waarop de koning, die verlangend was te weten, of het inderdaad waar was, dat hij, die, na uit den dood weer verrezen te zijn, alle dingen wist, den beul beval hem zelf het hoofd af te houwen, waarbij hij er op rekende, dat de prinses hem tot het leven zou terugroepen door de kracht van haar wonderdoend levenswater.

Maar toen het hoofd van den koning afgehouwen was, [218]wilde de prinses er niet van hooren hem het leven terug te schenken; integendeel: zij schreef dadelijk aan haar vader, wien zij vertelde, dat zij een groote liefde had opgevat voor den jongeman en dat het haar innigste wensch was hem te trouwen. Zij verhaalde haar vader alles, wat er gebeurd was. Haar vader antwoordde, dat hij de keuze zijner dochter goedkeurde en hij deelde den eersten minister mee, dat hij hem en zijn volk den oorlog zou verklaren, indien zij den jongeman niet tot hun vorst zouden uitroepen. De mannen van dat land zagen onmiddellijk in, dat dit niet anders dan rechtvaardig zou zijn en zoo werd de jongeman koning. Hij huwde de schoone prinses en gaf groote landgoederen en titels aan al de knappe jongelieden, die hem bij zijn expeditie hadden geholpen.