WeRead Powered by ReaderPub
Heldensagen en Legenden van de Serviërs cover

Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 165: De belofte.
Open in WeRead

About This Book

This collection assembles epic poems, ballads, and folktales drawn from an oral national tradition, opening with historical and cultural background and chapters on beliefs and customs. It presents long heroic narratives about legendary princes and leaders, a set of popular ballads, and numerous shorter folk tales that feature supernatural beings, tests of virtue, marriage motifs, animal helpers, trickery, and moral lessons. The volume also offers explanatory notes, a glossary, anecdotes, and colored illustrations that accompany many selections, providing both storytelling variety and ethnographic context.

[Inhoud]

Pepelyouga.

Op een hooggelegen weiland, bij een onmetelijk diepen afgrond waren eenige meisjes bezig met spinnen, terwijl zij haar vee hoedden, toen een oude, vreemd uitziende man met een witten baard, die hem tot aan den gordel reikte, naderde en tot haar sprak: “O, schoone meisjes, neemt u in acht voor den afgrond, want indien een uwer haar spoel van de klip zou laten vallen, dan zou haar moeder op hetzelfde oogenblik in een koe veranderen!”

Na dit gezegd te hebben, verdween de oude man en de meisjes, die onthutst waren door zijn woorden, naderden, terwijl zij het vreemde geval bespraken, het ravijn tot dicht bij den rand; eensklaps was hun belangstelling voor de diepe kloof gewekt. Zij gluurden nieuwsgierig over den rand, als verwachtten zij iets ongewoons te zullen zien, totdat eensklaps de mooiste van haar allen haar spoel uit haar hand liet vallen, en voor dat zij die weer kon grijpen, viel zij van rots tot rots in de diepte onder haar. Toen zij dien avond thuis kwam, bevond zij, wat zij reeds [223]gevreesd had, dat de voorspelling bewaarheid was, want haar moeder stond, veranderd in een koe, voor de deur.

Korten tijd daarna hertrouwde haar vader. Zijn nieuwe vrouw was een weduwe en bracht een eigen dochter in haar nieuw tehuis. Dit meisje was door de natuur allesbehalve begunstigd, en de moeder begon onmiddellijk haat te koesteren tegen haar stiefdochter om haar goed uiterlijk. Zij verbood haar voortaan haar gelaat te wasschen, haar haar te kammen of van kleeren te verwisselen en op alle mogelijke manieren trachtte zij haar ongelukkig te maken.

Op zekeren dag gaf zij haar een zak vol hennep, zeggende: “Indien gij dit niet spint, en zorgt dat het van avond tot een mooi kluwen geworden is, behoeft gij niet thuis te komen, want dan ben ik van plan u te dooden.”

Het arme meisje was diep terneergeslagen; zij liep achter het vee, onderwijl met ijver spinnende, maar op het middaguur, toen het vee zich neerlegde om te rusten, zag zij, dat zij nog slechts heel weinig gevorderd was en zij begon bitter te weenen.

Nu werd haar moeder dagelijks met het andere vee naar de weide gedreven en toen zij de tranen van haar dochter zag, kwam zij nader en vroeg, waarom zij schreide, waarop het meisje haar alles vertelde. Toen troostte de koe haar dochter met de woorden: “Mijn lief kind, wees getroost! Laat mij de hennep in mijn mond nemen en ze kauwen; ze zal als een draad uit mijn oor komen. Je hebt niets anders te doen dan het einde te nemen en het op een klos te winden.”

Dit gebeurde; de hennep was weldra gesponnen en toen het meisje ze ’s avonds aan haar stiefmoeder gaf, was deze ten hoogste verbaasd.

Den volgenden morgen beval de vrouw het meisje op ruwen toon een nog grooteren zak hennep te spinnen en toen het meisje, dank zij haar moeders hulp alles spon en opwond, gaf haar stiefmoeder haar den volgenden dag tweemaal zooveel om te Spinnen. Desondanks bracht het [224]meisje ’s avonds zelfs die ongewone hoeveelheid goed gesponnen thuis, waaruit de stiefmoeder opmaakte, dat zij niet alleen spon, maar dat andere meisjes, haar vriendinnen, haar hielpen. Daarom zond zij den volgenden morgen haar eigen dochter om het meisje te bespieden en haar te vertellen, wat zij zou zien. Het meisje merkte spoedig, dat de koe de arme wees hielp door de hennep te kauwen, terwijl deze niets anders te doen had, dan de draad op een klos te winden. Zij snelde naar huis en vertelde haar moeder, wat zij had gezien. Deze drong er toen op aan, dat haar man bevel zou geven die bijzondere koe te slachten. Eerst aarzelde haar echtgenoot, maar daar zijn vrouw meer en meer aandrong, besloot hij te doen, wat zij verlangde.

De belofte.

Toen zij hoorde, wat besloten was, schreide de stiefdochter meer dan ooit en toen haar moeder vroeg, wat er aan scheelde, vertelde zij haar onder tranen wat er zou gebeuren. Daarop zei de koe tot haar dochter: “Wisch uw tranen af en schrei niet meer. Indien zij mij slachten, moet gij er alleen maar voor zorgen, dat ge niets van mijn vleesch eet, en na den maaltijd zorgvuldig mijn beenderen verzamelt. Begraaf die achter het huis onder een steen; mocht gij ooit hulp noodig hebben, kom dan naar mijn graf en daar zult gij vinden, wat gij zoekt.”

De koe werd gedood, en toen het vleesch werd opgediend, weigerde het arme meisje er van te eten; zij wendde voor, dat zij geen honger had; na den maaltijd verzamelde zij met groote zorg de beenderen en begroef die op de plek, die door haar moeder was aangewezen.

De naam van het meisje was Marra, maar daar zij het ruwste huiswerk moest doen, zooals waterdragen, wasschen en vegen werd zij door haar stiefmoeder en stiefzuster “Pepelyouga” (asschepoester) genoemd.

Op zekeren Zondag, toen de stiefmoeder en stiefzuster [225]zich gekleed hadden om naar de kerk te gaan, strooide de vrouw door het huis een mandvol gierst en zei: “Luister, Pepelyouga; zoo gij al de gierst niet hebt opgeraapt en zoo het eten niet gereed is, als wij uit de kerk komen, dan zal ik je dooden!”

Toen zij vertrokken waren, begon het arme meisje te schreien. Zij dacht: “wat het eten betreft, dat kan ik gemakkelijk gereed maken, maar hoe zou het mogelijk zijn, al de gierst op te rapen?” Maar op hetzelfde oogenblik dacht zij aan de woorden van de koe: indien ge ooit hulp noodig hebt, kom dan slechts naar mijn graf achter het huis en daar zult gij onmiddellijk vinden, wat gij zoekt. Dadelijk snelde zij naar buiten, en toen zij het graf naderde, zie! een koffer lag wijd geopend op het graf, en daarin waren prachtige gewaden en alles wat noodig was voor het toilet eener dame. Twee duiven zaten op het deksel van den koffer, en toen het meisje nader kwam, zeiden zij tegen haar: “Marra, neem het gewaad, dat ge het mooist vindt, uit den koffer, kleed je en ga naar de kerk; en wat de gierst en het werk betreft, daar zullen wij op toezien en zorgen, dat alles in orde is!”

Marra gaat naar de kerk.

Marra had geen tweede uitnoodiging noodig; zij nam het eerste zijden kleed, dat haar hand aanraakte, kleedde zich en ging naar de kerk, waar haar komst groot opzien baarde. Iedereen, mannen zoowel als vrouwen, bewonderden haar schoonheid en de dure kleeren, maar zij vroegen elkaar vergeefs, wie zij was en van waar zij kwam. Er was toevallig dien dag een prins in de kerk en ook hij bewonderde het schoone meisje.

Juist voor de dienst was afgeloopen, sloop het meisje de kerk uit en snelde naar huis, deed haar kleeren uit en legde ze weer in den koffer, die zich onmiddellijk sloot en onzichtbaar werd. Daarna spoedde zij zich naar de keuken en bemerkte, dat het middagmaal gereed was en [226]de gierst verzameld in de mand. Spoedig daarop kwam haar stiefmoeder met haar dochter terug en zij waren er verbaasd over, dat de gierst opgeraapt en de maaltijd gereed en al het overige werk ook klaar was. De wensch om het geheim te kennen, kwelde de stiefmoeder nu geweldig.

Den volgenden Zondag gebeurde alles als te voren, behalve, dat het meisje een zilveren kleed in de koffer vond en de prins haar nog meer bewonderde, zoozeer, dat hij niet in staat was ook maar een oogenblik zijn oogen van haar af te wenden. Op den derden Zondag maakten moeder en dochter zich weer gereed naar de kerk te gaan en nadat zij de gierst weer had neergestrooid, herhaalde zij haar vorige bedreigingen. Zoodra zij vertrokken waren, liep het meisje regelrecht naar het graf harer moeder, waar zij evenals bij de vorige gelegenheid de open koffer en dezelfde twee duiven vond. Dezen keer vond zij een gewaad van gouden kant. Zij kleedde er zich haastig in en ging naar de kerk, waar zij nog meer dan te voren door allen werd bewonderd. Wat de zoon van den tsaar betrof, hij was dezen keer gekomen met het voornemen haar niet uit het oog te verliezen, maar haar te volgen en te zien, waar zij heenging. Toen de dienst dus ten einde liep, en het meisje stil als te voren vertrok, volgde de verliefde prins haar. Marra spoedde zich voort, want zij had niet al te veel tijd en onder het loopen, verloor zij een van haar gouden muiltjes. Zij was te gehaast om stil te staan en het op te rapen. Maar de prins, die het meisje uit het oog had verloren, zag het muiltje en stak het in zijn zak. Marra deed haar gouden gewaad uit, toen zij thuis kwam, borg het op in den koffer en spoedde zich naar het huis.

Marra deed haar gouden gewaad uit

De Prins zoekt het mooie meisje.

De prins besloot nu van huis tot huis te gaan, het geheele rijk van zijn vader door, om de eigenares van het muiltje te vinden, en alle mooie meisjes uit te noodigen [227]het gouden muiltje aan te passen. Maar helaas, zijn pogingen schenen tot mislukking gedoemd; voor eenige meisjes was het muiltje te lang, voor anderen te kort en voor weer anderen te nauw. Er was er niet een, wien het paste.

Op zijn tocht van de eene deur naar de andere kwam de prins eindelijk aan het huis van Marra’s vader. De stiefmoeder had hem verwacht en had haar stiefdochter onder een grooten voedertrog op het erf verborgen. Toen de prins haar vroeg, of zij dochters had, antwoordde zij, dat zij er maar een had en zij bracht haar dochter bij hem. De prins verzocht het meisje het muiltje te passen, maar hoe zij ook wrong, er was zelfs geen ruimte genoeg voor haar teenen! Daarop vroeg de prins, of het waar was, dat er geen ander meisje in het huis was, en de stiefmoeder antwoordde, dat dit werkelijk waar was.

Op hetzelfde oogenblik vloog een haan op den voedertrog en kraaide krachtig: “Kook-oo-ryeh-koooo! Hier is zij onder dezen trog!”

De stiefmoeder riep woedend uit: “Sst—! Ga heen! Dat een arend je grijpe en met je wegvliege!” De nieuwsgierigheid van den prins was gewekt; hij liep naar den trog, tilde dien op, en, tot zijn groote verbazing zag hij daar het meisje, dat hij driemaal in de kerk had gezien, gekleed in hetzelfde gouden gewaad, dat zij den laatsten keer had gedragen, en met slechts een muiltje aan.

Toen de prins het meisje herkende, was hij buiten zich zelf van vreugde. Snel paste hij het muiltje aan haar sierlijken voet; het paste haar niet alleen uitstekend, maar vormde een paar met dat, hetwelk zij reeds aan haar linkervoet had. Hij tilde haar teeder op en geleidde haar naar zijn paleis. Later verwierf hij haar liefde en zij leefden gelukkig samen.