De taal der dieren.
Hoeveel overeenstemming er is in de folklore van verschillende volken wordt op zeldzame wijze geïllustreerd [228]door het volgend verhaal, dat een treffende gelijkenis vertoont met een verhaal, dat ook bij de negers van West-Afrika algemeen bekend is. Daarin wordt door den Koning der Dieren aan den held als gunst toegestaan de taal der dieren te verstaan; hij ontvangt daarbij de waarschuwing, dat hij zal sterven, zoodra hij aan iemand het bezit van deze gave openbaart. De gave, die hem verleend is, maakt hem tot een rijk man; hij lacht om een gesprek tusschen dieren, die hij beluistert; zijn vrouw vraagt hem, waarom hij lacht. Tot op dit punt zijn de beide verhalen aan elkaar gelijk, maar in het West-Afrikaansche verhaal openbaart de man het geheim en boet zijn overtreding met den dood; terwijl het Servische slot veel minder tragisch is, zooals wij zullen zien.
Een rijk landbouwer had een schaapherder, die hem een groot aantal jaren trouw en eerlijk had gediend. Op zekeren dag, toen hij zijn schapen door een bosch naar de weide leidde, hoorde hij een sissend geluid en hij vroeg zich verbaasd af, wat het kon zijn. Aandachtig luisterend liep hij steeds dichter naar de plaats, van waar het geluid kwam; en nu zag hij, dat het bosch in brand stond en dat het gesis werd uitgestooten door een slang, die door vlammen was omringd. De herder keek toe, wat het arme schepsel zou doen in haar nood en toen de slang den schaapherder zag, riep ze te midden der vlammen uit: “O, herder, ik smeek u, red mij uit dit vuur!” De herder stak haar zijn staf toe en de slang kronkelde zich snel om den stok, om zijn arm en verder tot zijn schouders en rondom zijn hals.
De slang kronkelde zich snel om zijn arm
Toen de herder besefte, wat er gebeurde, werd hij aangegrepen door afschuw, en riep uit: “Wat zijt gij van plan te doen, gij ondankbaar schepsel! Heb ik je leven gered, om het mijne te verliezen?” En de slang antwoordde hem: “Wees niet bang, mijn redder! Maar breng mij naar het huis van mijn vader! Mijn vader is de koning van de slangenwereld.” [229]
De herder beproefde de slang te bewegen medelijden met hem te hebben en smeekte hem te willen verontschuldigen; want hij kon zijn schapen niet verlaten.
Daarop zei de slang tot hem: “Wees gerust, mijn vriend! Maak u niet bezorgd over uw schapen; er zal niets met ze gebeuren, maar haast u nu naar het huis van mijn vader!” De herder ging dus met de slang om zijn hals door het bosch, totdat zij aan een grot kwamen, waarvan de ingang door slangenlichamen werd bedekt. Toen zij bij de poort kwamen, siste de gids van den herder tegen haar dienaressen, waarop al de slangen onmiddellijk uit elkaar gingen, en een weg voor den herder open lieten, die er zonder eenig letsel te bekomen doorging. Toen zei de slang tegen haar redder: “Als wij voor mijn vader verschijnen, zal hij u zeker als belooning voor uw vriendelijkheid jegens mij alles geven, wat gij wenscht: goud, zilver en kostbare steenen; maar niets van dat alles moet gij aannemen. Ik zou u aanraden te vragen de taal der dieren te leeren verstaan. Hij zal zich ongetwijfeld tegen uw wensch verzetten, maar eindelijk zal hij toegeven.”
Zij traden nu de vertrekken van den koning binnen, die blijkbaar aanmerkelijk verlicht vroeg: “Mijn dochter, waar zijt gij al dien tijd geweest?”
Het reptiel vertelde toen alles van den brand in het bosch en van de vriendelijkheid van den schaapherder, die zijn leven had gered. Nu richtte de slangenkoning zich aangedaan tot den herder: “Welke belooning mag ik u geven, omdat gij het leven van mijn dochter hebt gered?”
De herder antwoordde: “Ik wensch niets dan de macht om de taal der dieren te kunnen spreken en te begrijpen.” Maar de vorst zei: “Dat is niets voor u, want indien ik u die macht gaf, en gij zoudt het geheim aan een ander mededeelen, dan zoudt gij onmiddellijk sterven. Kies daarom iets anders.”
Maar de herder bleef volhouden. “Indien gij mij wilt [230]beloonen, schenk mij dan de gave om de taal der dieren te verstaan; indien gij mijn wensch niet wilt vervullen, dan hebben wij niets meer met elkaar te bespreken; ik zeg u vaarwel!”
En werkelijk wendde hij zich om teneinde weg te gaan. Maar de koning, die zag, dat hij volharden zou bij zijn besluit, hield hem terug en riep uit: “Kom hier, mijn vriend! Daar gij zoo vurig verlangt de taal der dieren te begrijpen, zal die gave u niet onthouden worden; open uw mond!”
De herder gehoorzaamde, en de slangenkoning blies in zijn mond en zei: “Blaas nu in mijn mond!” De herder deed wat hem gezegd werd, en de slangenkoning blies een tweeden keer in den mond van den herder. Toen sprak hij: “Nu bezit gij de taal der dieren. Ga in vrede; maar zorg er goed voor, dat gij uw geheim niet aan een ander meedeelt, anders zult gij op hetzelfde oogenblik sterven!”
De herder nam afscheid van zijn vrienden en toen hij door het bosch terugging, hoorde en verstond hij alles, wat de vogels en planten en andere levende schepsels tegen elkaar zeiden. Toen hij zijn kudde bereikte en al zijn schapen in veiligheid vond, zooals hem was beloofd, legde hij zich neer op het gras om te rusten.
De begraven Schat.
Ternauwernood had hij zich neergevlijd, of twee raven streken neer op een boom en begonnen samen te praten. “Indien deze schaapherder wist, wat er zich op de plek bevindt, waar dat zwarte schaap ligt, dan zou hij zeker de aarde opgraven, en hij zou het hol ontdekken, dat vol zilver en goud is.”
De herder ging dadelijk naar zijn heer en vertelde hem, wat hij wist van den begraven schat. Deze reed met een kar naar de aangegeven plaats, groef diep in de aarde en zie! hij vond een hol vol zilver en goud. Dat alles laadde hij op zijn kar en bracht den schat naar huis. Deze [231]heer was een eerlijk en edelmoedig man en hij gaf den geheelen schat aan zijn herder, zeggende: “Neem dit, mijn zoon; het was aan u, dat God het gaf! Ik zou je aanraden, een huis te bouwen, te trouwen en met dit geld de een of andere goede zaak te beginnen.”
De herder deed, zooals zijn vriendelijke heer hem had aangeraden en gaandeweg verdubbelde zijn rijkdom en hij werd de rijkste man niet alleen in zijn dorp, maar in het geheele gewest. Nu nam hij zelf schaapherders in dienst en vee- en zwijnenhoeders om zijn groote kudden te verzorgen. Op zekeren dag, juist voor Kerstmis, zei hij tegen zijn vrouw: “Maak wijn en eetwaren gereed, want morgen zullen wij naar onze hoeven gaan en onze knechts onthalen.” Zijn vrouw deed gelijk hij bevolen had en den volgenden dag gingen zij naar hun hoeven en de heer sprak tot zijn mannen: “Komt nu allen, en eet en drinkt te zamen; wat de schapen betreft, ik zelf zal vannacht voor ze zorgen.”
Zoo ging de vriendelijke man zijn schapen hoeden. Omstreeks middernacht begonnen de wolven te huilen en zijn honden blaften uitdagend. De wolven zeiden in hun eigen taal tegen de honden: “Kunnen wij komen en de schapen dooden? Er zal genoeg zijn ook voor u.” Daarop antwoordden de honden in hun eigen taal: “O zeker, kom toch, wij wenschen ook een feestmaal!” Maar onder de honden was een heel oude, die maar twee tanden over had. Dat trouwe dier blafte verwoed tegen de wolven: “Naar den duivel met jelui allemaal! Zoolang ik deze twee tanden heb, zult gij de schapen van mijn heer niet aanraken!” En hun meester hoorde en begreep alles, wat zij zeiden. Den volgenden morgen beval hij zijn knechts al de honden, behalve den ouden, te dooden. De knechts smeekten hun meester dit niet te doen. Zij zeiden: “Beste meester, het is zonde hen te dooden!”
Maar de heer gedoogde geen tegenspraak en beval streng: “Doet, zooals ik bevolen heb!” Daarna stegen [232]hij en zijn vrouw te paard en zij begaven zich op weg naar huis; hij op een hengst en zij op een merrie. Op de reis bleef de merrie wat achter den hengst. Deze hinnikte en zei: “Haast je wat, waarom treuzel je zoo?” En de merrie antwoordde: “Voor jou is het niet moeilijk—jij draagt alleen je heer, en ik draag een tirannieke vrouw, wier bevelen een last voor het geheele huishouden zijn!”
De lastige vrouw.
Toen hij dit hoorde, keerde de heer zich om en barstte in lachen uit. Zijn vrouw merkte zijn plotselinge vroolijkheid op, gaf haar merrie de sporen en toen zij haar echtgenoot had bereikt, vroeg zij hem, waarom hij had gelachen. Hij antwoordde: “Er was geen bepaalde reden voor; ik lachte maar zoo—” Maar de vrouw was niet tevreden met dit antwoord, en liet haar man niet met rust. Tevergeefs beproefde hij er zich af te maken met de woorden:
“Vraag mij niet langer; als ik je de ware reden zeg, waarom ik heb gelachen, dan moet ik dadelijk sterven!”
Maar zij geloofde haar man niet, en hoe vaker hij weigerde het haar te vertellen, des te hardnekkiger drong zij er op aan, dat hij het zou doen, totdat de arme man eindelijk ten einde raad was door haar aandringen.
Zoodra zij thuis waren, beval de man een doodkist gereed te maken en toen die gereed en voor de huisdeur was geplaatst, zei hij tegen zijn vrouw: “Ik zal in deze kist gaan liggen, want op hetzelfde oogenblik, waarop ik je vertel, waarom ik lachte, zal ik sterven.” Hij ging dus in de kist liggen, en toen hij nog een laatsten blik in het rond wierp, zag hij zijn getrouwe hond van de akkers komen. Het arme dier liep op de doodkist van zijn meester toe en ging huilende van verdriet naast zijn hoofd zitten. Toen zijn heer dit zag, vroeg hij zijn vrouw den hond eten te geven. De vrouw bracht brood en gaf het aan den hond, die er niet naar taalde, nog minder er van at. [233]Het stuk brood trok echter een haan aan, die naderbij kwam en er van begon te pikken. De hond verweet hem dit en zei: “Jij onverzadigbaar schepsel! Je denkt aan niets dan aan eten en je ziet niet, dat onze beste heer op het punt staat te sterven!”
Op deze bestraffing antwoordde de haan: “Laat hem dood gaan, als hij zoo’n dwaas man is! Ik heb een honderdtal vrouwen en ik verzamel haar allen rondom een graankorrel, dien ik gevonden heb, en als zij allen bijeen zijn, eet ik hem zelf op! Mocht een harer daar geen genoegen mee nemen, dan pik ik naar haar; maar hij, de dwaas, is niet in staat een vrouw te regeeren.”
Hierop sprong de man uit de kist, nam een stok en riep tot zijn vrouw: “Kom in huis, vrouw, en ik zal je vertellen, waarom ik heb gelachen!”
Toen zij zag, wat de bedoeling van haar man was, verzocht zijn vrouw hem van zijn voornemen af te zien en beloofde nooit meer nieuwsgierig te zijn of te beproeven zich in zijn zaken te mengen.