Het beroep dat niemand kent.
Lang geleden leefde er een arm menschenpaar, dat een zoon had. De oude man en zijn vrouw werkten heel hard om hun kind behoorlijk groot te kunnen brengen, en hoopten, dat hij op zijn beurt voor hen zou zorgen op hun ouden dag.
Maar toen de jongen volwassen was, zei hij tegen zijn ouders: “Nu ben ik een man en ik ben van plan te trouwen, daarom wensch ik, dat u dadelijk naar den koning gaat en hem vraagt mij zijn dochter tot vrouw te geven.” De verbaasde ouders berispten hem en zeiden: “Waar denk je aan? Wij hebben niets dan deze armoedige hut om ons te beschutten en ternauwernood genoeg brood om ons te voeden; wij durven niet eens in de nabijheid van den koning komen—noch minder hem te vragen je zijn dochter tot vrouw te geven.”
De zoon drong er echter op aan, dat zij zouden doen, wat hij verlangde en dreigde hen te zullen verlaten en de wereld in te gaan, indien zij niet voldeden aan zijn wensch. Daar zij merkten, dat het hem werkelijk ernst was met zijn verzoek, beloofden de ongelukkige ouders, dat zij zouden gaan, en ’s konings dochter voor hem als vrouw zouden vragen. Daarop maakte de moeder in tegenwoordigheid van haar zoon een huwelijkskoek en toen hij gereed was, deed zij hem in een zak, nam een staf in haar hand en ging regelrecht naar het paleis, waar de koning woonde. Daar verzochten de bedienden van den koning haar binnen te komen; zij brachten haar in de hal, waar de koning gewoon was arme lieden te ontvangen, die kwamen om aalmoezen te vragen en verzoekschriften aan te bieden.
De arme, oude vrouw stond in de hal verlegen en beschaamd om haar versleten, armoedige kleeren; zij zag er uit, of zij van steen was, totdat de koning vriendelijk tegen haar zei: “Wat verlangt gij van mij, moedertje?”
Maar zij dorst toch niet aan den koning te zeggen, waarom zij was gekomen; daarom stamelde zij in haar verlegenheid: “Niets, Uwe Majesteit.” [338]
Daar moest de koning even om glimlachen en hij zei: “Misschien komt gij om een aalmoes te vragen?”
Toen zei de oude vrouw zeer verlegen: “Ja, Uwe Majesteit, alsjeblieft!”
Nu riep de koning zijn bedienden en gaf hun bevel de oude vrouw tien kronen te geven, wat zij deden. Nadat zij dit geld had gekregen, dankte zij Zijne Majesteit en keerde naar huis terug, bij zich zelf zeggende: “Ik wed, dat mijn zoon, als hij dit geld ziet, er niet meer over zal spreken van ons heen te gaan.”
Maar hierin had zij zich schromelijk vergist, want nauwelijks was zij de hut binnen gegaan of haar zoon kwam en vroeg ongeduldig: “Wel, moeder, heeft u gedaan, wat ik u heb gevraagd?”
Nu riep zij uit: “Geef dat dwaze denkbeeld nu eens en voor goed op, mijn zoon. Hoe kon je verwachten, dat ik den koning zijn dochter voor jou ten huwelijk zou vragen? Dat zou voor een rijk edelman nog een stoutmoedige daad zijn; hoe zouden wij dan aan zoo iets kunnen denken? Doch zie eens, wat een massa geld ik heb meegebracht. Nu kunt gij zelf naar een passende vrouw uitzien en zul je de dochter van den koning vergeten.”
Toen de jonge man zijn moeder zoo hoorde spreken, werd hij zeer boos en zei tegen haar: “Wat kan mij het geld van den koning schelen? Ik verlang zijn geld niet, maar ik eisch zijn dochter! Ik zie, dat u mij voor den gek houdt; ik ga u dus verlaten, ik zal gaan—waar mijn oogen mij heenleiden.”
De arme oude ouders baden en smeekten hem hen op hun ouden dag niet te verlaten, maar hij bezweek eerst voor hun aandrang, toen zij hem oprecht beloofden, dat de moeder den volgenden dag weer naar den koning zou gaan en hem nu werkelijk zou vragen zijn dochter aan hun zoon uit te huwelijken.
Daarop ging de oude vrouw den, volgenden morgen weer naar het paleis en de bedienden lieten haar in dezelfde [339]hal, waar zij den vorigen keer was geweest. Toen de koning haar daar zag staan, vroeg hij: “Wat verlangt gij nu, moedertje?” Maar zij voelde zich zoo beschaamd, dat zij ternauwernood kon stamelen: “Niets, Uwe Majesteit.”
De koning, die veronderstelde, dat zij weer kwam bedelen, beval zijn bedienden haar ook dezen keer tien kronen te geven.
Met dit geld keerde de arme vrouw naar haar hut terug; baar zoon kwam haar reeds tegemoet en vroeg: “Wel moeder, dezen keer hoop ik, dat gij gedaan hebt, wat ik heb gevraagd?” Maar zij antwoordde: “Ach, mijn lieve zoon, laat ’s konings dochter met rust. Hoe kun je in ernst aan een huwelijk met haar denken? Zelfs al wilde zij je trouwen, waar is het huis, waarheen je haar zoudt brengen? Zwijg er dus over en neem dit geld, dat ik je heb meegebracht.”
Op het hooren van deze woorden was de zoon nog boozer dan te voren en hij zei scherp: “Daar ik zie, dat u mij met de dochter van den koning niet wilt laten trouwen, ga ik op staanden voet heen om nooit meer terug te keeren,” en hij snelde de hut uit. Zijn ouders liepen hem hard achterna en haalden hem eindelijk over om terug te keeren, door hem te bezweren, dat zijn moeder den volgenden morgen weer naar den koning zou gaan—en waarlijk en oprecht dezen keer Zijne Majesteit om zijn dochter zou vragen.
De jonge man stemde er dus in toe terug te keeren en tot den volgenden dag te wachten.
’s Morgens ging de moeder met een bezwaard hart naar het paleis en werd evenals te voren in tegenwoordigheid van den koning gebracht. Nu hij haar hier voor den derden keer zag, vroeg Zijne Majesteit ongeduldig: “Wat verlangt gij nu weer, oude vrouw?” En over het geheele lichaam bevende zei zij: “Om u te dienen, Uwe Majesteit—niets.” Toen riep de koning uit:
“Maar dat is onmogelijk. Iets moet gij verlangen. Zeg [340]mij dadelijk de waarheid, indien gij aan uw leven gehecht zijt.” Daarop was de oude vrouw wel genoodzaakt het geheele verhaal aan den koning te doen; dat haar zoon den wensch koesterde de prinses te trouwen en haar had gedwongen den koning te gaan vragen hem zijn dochter tot vrouw te geven.
Toen de koning alles had gehoord, zei hij: “Wel, indien mijn dochter haar toestemming geeft, zal ik er niets tegen inbrengen.” Hij zei daarop tot zijn bedienden, dat zij de prinses moesten gaan halen. Toen zij kwam, vertelde hij haar alles en vroeg haar: “Zijt gij bereid den zoon van deze oude vrouw te trouwen?”
De voorwaarde.
De prinses antwoordde: “Waarom niet? Indien hij alleen maar eerst het beroep leert, dat niemand kent!” Daarop beval de koning aan zijn bedienden de arme vrouw geld te geven, die nu met een verlicht hart naar haar hut terugkeerde.
Zoodra zij binnen kwam, vroeg haar zoon: “Hebt u de toestemming?” En zij antwoordde: “Laat mij eerst wat op adem komen. Nu heb ik het werkelijk aan den koning gevraagd: maar het heeft je niet veel verder gebracht, want de prinses verzekert, dat zij je niet wil trouwen, tenzij je het beroep hebt geleerd, dat niemand kent!”
“O, dat doet er niets toe!” riep de zoon uit. “Nu ik de voorwaarde ken, komt alles in orde!” Den volgenden dag begaf de jongeman zich op reis. Hij trok de wereld in om den man te zoeken, die hem het beroep zou kunnen leeren, dat niemand kende. Op zekeren dag, toen hij heel moe was van het loopen en heel terneergeslagen ging hij op een gevallen boomstronk aan den kant van den weg zitten. Nadat hij zoo een poosje had gezeten, kwam er een vrouw naar hem toe, die vroeg: “waarom zijt gij zoo treurig, mijn vriend?” En hij antwoordde: “Waarom vraagt gij mij dat, als gij mij niet kunt helpen?” Maar zij vervolgde: [341]“Vertel mij maar, wat er aan scheelt en misschien kan ik u helpen.” Daarop zei hij: “Nu, als gij het dan bepaald weten wilt, ik reis al geruimen tijd de wereld door om den meester te vinden, die mij het ambacht kan leeren, dat niemand kent.”
“O, is het anders niet,” riep de oude vrouw, “luister dan maar naar mij! Wees niet bang, ga recht het bosch in, dat voor u ligt en daar zult gij vinden, wat gij noodig hebt.”
De jonge man was heel blij, toen hij dit hoorde, stond dadelijk op en ging naar het bosch. Toen hij vrij ver het bosch in was gegaan, zag hij een groot kasteel en terwijl hij er naar stond te kijken en zich afvroeg, wie daar wel kon wonen, kwamen er vier reuzen uit naar buiten rennen, die hem met donderende stem vroegen: “Wenscht gij het ambacht te leeren, dat niemand kent?” Hij antwoordde: “Ja, dat is precies de reden, waarom ik hier kom.” Daarop namen zij hem mee in het kasteel.
Den volgenden morgen maakten de reuzen zich gereed om op de jacht te gaan en voordat zij vertrokken, zeiden zij tot hem: “Gij moogt in geen geval de eerste kamer bij de eetzaal binnengaan.” Nauwelijks echter waren de reuzen goed en wel uit het gezicht, of de jonge man begon aldus bij zich zelf te overleggen: “Ik zie heel goed in, dat ik ergens terecht ben gekomen, waar ik nooit levend vandaan raak; daarom kan ik even goed in de kamer gaan; voor mij blijft het hetzelfde, wat er ook van komt.” Daarom ging hij er heen, deed de deur een eindje open en gluurde naar binnen. Daar stond een gouden ezel, gebonden aan een gouden voederbak. Hij keek er een poosje naar en was juist op het punt de deur te sluiten, toen de ezel zei: “Kom binnen, neem den halster van mijn hoofd en steek hem stilletjes bij je. Hij zal je goede diensten kunnen bewijzen, als je hem maar weet te gebruiken.” Hij nam den halster dus en na de deur gesloten te hebben, verborg hij hem vlug onder zijn kleeren. Hij zat nog niet heel lang, of de reuzen kwamen terug. Zij vroegen hem [342]dadelijk, of hij in de eerste kamer was geweest en hij antwoordde allesbehalve op zijn gemak: “Neen, ik ben er niet in geweest.” “Maar wij weten, dat gij er wel in zijt geweest,” zeiden de reuzen zeer vertoornd en zij namen groote stokken en sloegen hem zoo geweldig, dat hij ternauwernood op zijn voeten kon staan. Het was zijn geluk, dat hij den halster onder zijn kleeren om zijn middel had gewonden, anders zouden zij hem zeker doodgeslagen hebben.
Den volgenden dag maakten de reuzen zich weer gereed om op de jacht te gaan, maar voordat zij vertrokken, gaven zij hem opnieuw bevel in geen geval de tweede kamer binnen te gaan.
Bijna onmiddellijk na hun vertrek, werd hij zoo vreeselijk nieuwsgierig, wat er wel in de tweede kamer zou zijn, dat hij geen weerstand kon bieden aan de verzoeking om de deur te openen. Hij stond nog een oogenblik aarzelend voor de deur stil, maar bedacht toen: “Ik ben toch al meer dood dan levend; veel erger kan het toch niet worden!” Daarop opende hij de deur en keek naar binnen. Hij was zeer verbaasd, toen hij daar een heel mooi meisje zag, in louter goud en zilver gekleed, dat bezig was haar haar te kammen; in elke vlecht hechtte zij een grooten diamant. Hij bleef haar eenige oogenblikken bewonderen en stond juist op het punt de deur weer te sluiten, toen zij sprak: “Wacht even, jonge man. Neem dezen sleutel en zorg er voor hem goed te bewaren. Hij zal u eens te pas komen, als gij slechts weet, hoe gij hem gebruiken moet.” Toen kwam hij binnen om den sleutel van het meisje aan te nemen, waarna hij het vertrek verliet, de deur achter zich sloot en ging zitten op de plaats, waar hij gezeten had.
Hij had daar niet lang gezeten, of de reuzen kwamen terug van de jacht. Zoodra zij het huis binnen kwamen, namen zij groote stokken om hem te slaan, terwijl zij vroegen, of hij in de tweede kamer was geweest. Bevend van angst antwoordde hij: “Neen, dat ben ik niet!” [343]
“Maar wij weten, dat het wel zoo is,” schreeuwden de reuzen hevig vertoornd en sloegen hem nog erger dan den eersten keer.
De derde kamer.
Den volgenden morgen, toen de reuzen als gewoonlijk ter jacht gingen, zeiden zij tegen hem: “Ga niet in de derde kamer, voor niets ter wereld; want als gij dat doet, dan zullen wij niet als de vorige keeren barmhartigheid met je betrachten! Dan kunt gij er op rekenen, dat wij je doodslaan!” Maar ternauwernood waren de reuzen uit het gezicht, of de jongeman zei tot zich zelf: “Het is waarschijnlijk, dat zij mij zullen dooden, of ik er binnenga of niet. Bovendien, al dooden zij mij niet, zij hebben mij toch al zoo erg geslagen, dat ik meer dood dan levend ben; ik zal dus in elk geval de derde kamer binnengaan.” Hij stond op en opende de derde kamer. Maar hoe ontstelde hij, toen hij zag, dat de kamer vol menschenhoofden was! Deze hoofden behoorden aan jonge mannen, die evenals hij gekomen waren om het beroep te leeren, dat niemand kent en die, na zich stipt aan de bevelen van de reuzen te hebben gehouden, toch door hen gedood waren.
De jongeman wendde zich snel om, teneinde zich te verwijderen, toen een der hoofden riep: “Wees niet bang, maar kom binnen!” Daarop ging hij de kamer in. Toen gaf het hoofd hem een ijzeren ketting en zei: “Pas goed op dezen ketting, want hij zal u van dienst zijn, indien gij er een goed gebruik van weet te maken!” Hij nam den ketting dus en toen hij de kamer verlaten had, sloot hij de deur.
Hij ging op zijn gewone plaats zitten om de komst der reuzen af te wachten. Onderwijl werd hij zeer bevreesd, want hij was er volkomen op voorbereid, dat zij hem zouden dooden.
Zoodra de reuzen thuis kwamen, namen zij hun stokken op en begonnen zij hem te slaan zonder zich zelfs een [344]oogenblik den tijd te gunnen om hem een vraag te stellen. Zij sloegen hem zoo heftig, dat hij zoo goed als dood liggen bleef, daarna wierpen zij hem het huis uit en zeiden: “Ga nu heen, nu gij het beroep geleerd hebt, dat niemand kent.”
Nadat hij geruimen tijd gelegen had op de plek, waar zij hem hadden neergeworpen, en zich zeer pijnlijk en ellendig gevoelde, beproefde hij eindelijk zich te bewegen, waarbij hij tot zich zelf zei: “Nu, als zij mij werkelijk het ambacht geleerd hebben, dat niemand kent, dan kan ik terwille van ’s konings dochter met vreugde alle pijnen lijden—als ik haar maar win.”
Na geruimen tijd gereisd te hebben, kwam de jongeman aan het paleis van den koning, wiens dochter hij wenschte te trouwen. Toen hij het paleis zag, was hij buitengewoon treurig; hij herinnerde zich de woorden van de prinses, want ondanks al zijn rondreizen en lijden had hij geen ambacht geleerd, laat staan het beroep, “dat niemand kent.” Terwijl hij nog nadacht, wat hij het best zou kunnen doen, herinnerde hij zich eensklaps den halster, den sleutel en den ijzeren ketting, die hij, verborgen onder zijn kleeren, steeds mee had gedragen, sinds hij het kasteel van de vier reuzen had verlaten. Toen zei hij tot zich zelf: “Laat ik eens zien, wat deze dingen kunnen doen!” Hij nam den halster en sloeg er mee op den grond en onmiddellijk stond een mooi paard, fraai opgetuigd voor hem. Daarna sloeg hij de aarde met den ijzeren ketting en dadelijk verschenen een haas en een hazewind. De haas begon hard te loopen en de hazewind achtervolgde hem. Een oogenblik later herkende de jongeman zich zelf nauwelijks, want hij zag zich gekleed in een fraai jachtcostuum en hij zat op het paard en vervolgde den haas, die een richting insloeg, welke hem vlak onder het raam van ’s konings paleis moest voeren. Nu wilde het toeval, dat de koning juist voor een venster stond en naar buiten keek. Dadelijk zag hij den mooien hazewind, [345]die den haas nazat, en het zeer mooie paard met een jager in schitterend jachtcostuum er op. De koning was zoo ingenomen met het voorkomen van het paard en den hazewind, dat hij eenige bedienden riep en hen den vreemdeling nazond om dezen uit te noodigen in het kasteel te komen. Maar toen de jongeman een aantal menschen roepende en schreeuwende achter zich hoorde, reed hij snel achter een dikken struik, waar hij even den halster en den ijzeren ketting schudde. In een ommezien waren het paard, de hazewind en de haas verdwenen en hij zat weer op den grond onder de boomen, gekleed in zijn oude, versleten kleeren. Intusschen waren de knechts van den koning naderbij gekomen en toen zij hem daar zagen zitten, vroegen zij hem, of hij een knappen jager op een mooi paard voorbij had zien komen.
Hij gaf hun ruw ten antwoord: “Neen: ik heb niemand voorbij zien komen, ik stel er ook geen belang in, wie er voorbij gaat!”
Toen vervolgden de dienaren van den koning hun weg en doorzochten het bosch, waarbij zij zoo hard riepen als zij konden, maar het was alles vergeefsch, zij zagen noch hoorden iets van den jager. Eindelijk gingen zij terug naar den koning en vertelden hem, dat het paard en de jager zoo buitengewoon hard reden, dat zij niets van hem bespeurd hadden in het bosch.
De zoon keert terug.
Nu besloot de jongeman naar de hut te gaan, waar zijn ouders woonden. Zij waren blij, toen zij hem terugzagen.
Den volgenden dag zei de zoon tegen zijn vader: “Nu vader, zal ik u toonen, wat ik heb geleerd. Ik zal mij zelf veranderen in een mooi paard en u moet mij naar de stad brengen en verkoopen, maar zorg er voor, dat u den halster niet weggeeft, anders moet ik altijd een paard blijven!” Hij veranderde zich onmiddellijk in een [346]paard van buitengewone schoonheid, en heel hooge prijzen werden voor hem geboden; maar de oude man zette den prijs hooger en hooger bij elk bod. Het nieuws verspreidde zich snel door de stad, dat er een prachtig paard op de markt te koop was en eindelijk hoorde de koning zelf er van. Hij zond eenige bedienden om het paard voor hem te halen, zoodat hij het zou kunnen zien.
De oude man bracht het paard dadelijk voor het paleis en de koning kon, nadat hij het een poos bewonderd had, niet nalaten uit te roepen: “Op mijn woord, ofschoon ik een koning ben, heb ik nog nooit zoo’n mooi paard gezien, noch minder ooit op zoo’n beest gezeten!”
Toen vroeg hij den ouden man, of hij het hem wilde verkoopen. “Ik wil het heel graag aan Uwe Majesteit verkoopen”, zei de oude man, “maar alleen het paard, den halster niet.” Daarop lachte de koning en zei: “Wat zou ik met uw vuilen halster moeten doen? Voor zulk een paard wil ik een halster van goud laten maken!” Het paard werd nu voor zeer hoogen prijs aan den koning verkocht en de oude man keerde met het geld terug.
Den volgenden morgen heerschte er groote beweging en ontsteltenis in de koninklijke stallen, want het mooie paard was gedurende den nacht verdwenen. En op hetzelfde oogenblik, dat het paard zich uit de voeten had gemaakt, keerde de jongeman in de hut zijner ouders terug.
Een paar dagen later zei de jongeman tegen zijn vader: “Nu zal ik mij in een mooie kerk veranderen en niet ver van het koninklijk paleis gaan staan en als de koning het gebouw mocht willen koopen, dan kunt gij het hem verkoopen, maar zorg er voor den sleutel niet af te geven, anders moet ik altijd een kerk blijven!”
Toen de koning dien morgen opstond en naar zijn raam ging om uit te kijken, zag hij een mooie kerk, die hij tevoren nooit had gezien. Hij stuurde zijn knechts op onderzoek uit, en spoedig daarna kwamen zij terug en vertelden, dat “de kerk aan een ouden pelgrim behoorde, [347]die zei, dat hij bereid was ze te verkoopen, indien de koning ze wenschte te koopen”.
Daarna liet de koning vragen voor welken prijs hij ze wilde verkoopen en de pelgrim antwoordde: “Ze is heel veel geld waard.”
Hooger geboden dan de koning.
Terwijl de knechts met den vader onderhandelden, naderde er een oude vrouw. Dit was dezelfde oude vrouw, die den jongeman naar het kasteel van de vier reuzen had gezonden; zij zelf was er ook geweest en had het ambacht geleerd, dat niemand kende. Daar zij dadelijk begreep, wat er aan de hand was, en zij er allerminst op gesteld was een mededinger in haar beroep toe te laten, besloot zij den jongeman onschadelijk te maken. Daarom bood zij steeds hooger dan de koning, en bood tenlaatste zulk een groote som baar geld, dat de man verbaasd en verlegen werd op het zien van al het geld, dat zij hem toonde. Hij nam haar bod dus aan, maar terwijl hij het geld telde, vergat hij geheel en al den sleutel. Eindelijk herinnerde hij zich, wat zijn zoon hem had gezegd, en, daar hij een onheil vreesde, liep hij de oude vrouw hard achterna en vroeg den sleutel terug. Maar de oude vrouw was niet te overreden den sleutel terug te geven. Ze zei, dat die bij de kerk behoorde, die zij had gekocht en betaald. Toen hij begon te merken, dat zij den sleutel in geen geval terug zou willen geven, werd de oude man hoe langer hoe meer bevreesd, dat zijn verzuim zijn zoon duur te staan zou komen. Daarom greep hij de oude vrouw bij haar hals en dwong haar den sleutel te laten vallen. Zij deed haar uiterste best hem weer terug te krijgen en terwijl zij en de oude man worstelden veranderde de sleutel in een duif en vloog weg hoog in de lucht over de tuinen van het paleis.
Toen de oude vrouw dat zag, veranderde zij zich in een havik en joeg de duif na. Maar juist toen de havik op [348]haar neer wilde schieten, veranderde de duif in een mooi bouquet, dat in de handen van de dochter des konings viel, die juist in den tuin wandelde. Toen veranderde de havik weer in een oude vrouw, die naar de poort van het paleis ging. Dringend verzocht zij de prinses haar het bouquet te geven of althans een enkele bloem er uit.
Maar de prinses zei: “Neen! voor niets ter wereld! Deze bloemen vielen uit den hemel op mij neer.” Maar de oude vrouw was vast besloten een der bloemen te krijgen en ging daarom regelrecht naar den koning en smeekte hem zoo deerniswaardig, dat hij zijn dochter bevelen zou haar een bloem te geven, dat de koning, die meende dat de vrouw een der bloemen noodig had om van een ziekte te genezen, zijn dochter bij zich riep en beval er een aan de bedelaarster te geven.
Maar juist, toen de koning dit zei, veranderde het bouquet in een hoop gierst, die zich over den grond verspreidde. Toen veranderde de oude vrouw vlug in een hen met kuikens en begon gretig de korrels op te pikken. Maar eensklaps verdween de gierst en in de plaats er van stond een vos, die op de hen toesprong en haar doodde.
Daarna veranderde de vos in een jongeman, die aan den verbaasden koning en de prinses verklaarde, dat hij gekomen was om de hand van de prinses te vragen en dat hij de wereld rond was getrokken, tot hij iemand gevonden had, die hem het beroep, dat niemand kent, had geleerd.
Toen de koning en zijn dochter dit hoorden, verklaarden zij zich bereid de belofte te houden, die zij gegeven hadden.
Kort daarop trouwde de dochter van den koning den zoon der arme lieden. De koning liet voor de prinses en haar echtgenoot een paleis vlak bij het zijne bouwen. Daar woonden zij lang en kregen er een overvloed van kinderen en men zegt, dat eenige van hun afstammelingen nog leven, en dat die dikwijls naar de kerk gaan bidden, die altijd open moet blijven, omdat de sleutel er van veranderd is [349]in een jonge man, die de dochter van den koning trouwde, nadat hij bewezen had aan de gestelde voorwaarden te kunnen voldoen en terwille van haar het beroep had geleerd, “dat niemand kent.”