WeRead Powered by ReaderPub
Heldensagen en Legenden van de Serviërs cover

Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 45: Kerstdag.
Open in WeRead

About This Book

This collection assembles epic poems, ballads, and folktales drawn from an oral national tradition, opening with historical and cultural background and chapters on beliefs and customs. It presents long heroic narratives about legendary princes and leaders, a set of popular ballads, and numerous shorter folk tales that feature supernatural beings, tests of virtue, marriage motifs, animal helpers, trickery, and moral lessons. The volume also offers explanatory notes, a glossary, anecdotes, and colored illustrations that accompany many selections, providing both storytelling variety and ethnographic context.

[Inhoud]

Hoofdstuk II. Bijgeloof en nationale gebruiken.

[Inhoud]

Algemeene eigenaardigheden.

De Serviërs, die het tegenwoordige koninkrijk Servië bewonen, hebben, daar zij ontstaan zijn uit een vermenging met de oude, oorspronkelijke bevolking van het Balkanschiereiland, het echte nationale type niet bewaard. Zij hebben voor het meerendeel een bruine gelaatskleur en donker haar; heel zelden komen blonde haren of een lichte gelaatskleur voor.

Boshnyaks (Serviërs, die Bosnië bewonen) worden beschouwd als de meest typische Serviërs, daar zij het sterkst de nationale karaktertrekken hebben bewaard van het zuivere Zuid-Slavische ras.

De gemiddelde Serviër heeft een vrij levendig temperament; hij is fijngevoelig en zijn gemoed is zeer ontvankelijk. Zijn geestdrift is snel gewekt, maar de meeste aandoeningen zijn in den regel van korten duur. Hij is echter buitengewoon ijverig en soms volhardend. Daar een oprechte vaderlandsliefde hem bezield, is hij steeds bereid zijn leven en eigendom op te offeren voor nationale belangen, die hij buitengewoon goed begrijpt, dank zij zijn volmaakte kennis van de geschiedenis van zijn volk, die hem van geslacht op geslacht is overgebracht door het aangename medium der populaire epische poëzie, bestaande uit zeer eenvoudige, rijmlooze verzen van tien lettergrepen. Hij is buitengewoon moedig en altijd gereed tot oorlogvoeren, ofschoon patriarchaal en conservatief in alles, wat nationaal is, is hij gereed en bereid nieuwe ideeën aan te nemen. Maar hij is achterlijk op ’t gebied van landbouw en industrie. Zeer onderdanig in zijn Zadrooga1 en gehoorzaam aan zijn meerderen, is hij dikwijls despotisch, als hij tot macht komt. [21]De geschiedenis van al de Zuidelijke Slaven bevat een reeks van schendingen, afzettingen, politieke verheffingen, volbracht soms door de meest wreede en verraderlijke middelen, die alle in hoofdzaak te wijten zijn aan de aangeboren, en tot nu toe onuitroeibaar gebleken fouten, eigen aan het ras: jaloezie en een onbeheerscht verlangen naar macht. Deze fouten kwamen natuurlijk het duidelijkst uit bij de edellieden; vandaar het verval van de oude aristocratie in alle Balkanstaten.

[Inhoud]

Heidendom en Godsdienst.

Er is maar weinig materiaal beschikbaar betreffende de prae-christelijke geschiedenis van de Zuid-Slavische rassen. Hun aanbidding der Natuur is niet grondig bestudeerd. Onmiddellijk na de Slavische emigratie naar het Balkanschiereiland, gedurende de zevende en achtste eeuw, vernietigde het christendom, dat al diep wortel had geschoten bij de Byzantijnen, gemakkelijk het oude geloof. De laatste getrouwen aan het heidendom leefden in het westelijk deel van het schiereiland, in de streken rondom de rivier Neretva en deze werden bekeerd tot het christendom onder de regeering van Basileios I. Een aantal Croaten waren reeds in de zevende eeuw tot het Christendom overgegaan en hadden een bisdom gesticht te Agram (Zagreb). In den loop van eenige duizenden jaren oefenden Grieksch-Oostersche mythen en legenden, oude Illyrische en Romeinsche propaganda, christelijke legenden en apocriefe geschriften zulk een invloed uit op de oude godsdiensten van de Zuid-Slavische volken, dat het onmogelijk is uit zulk een verward kluwen een zuiver Zuid-Slavische mythologie te reconstrueeren.

[Inhoud]

De God Peroon.

Van Peroon, den Russischen God van den Donder, bij wien de Russische heidenen een eed plachten te doen, als zij, omstreeks de tiende eeuw, verdragen aangingen of verbonden sloten met de Byzantijnen, resten nog slechts enkele onbeteekenende sporen. Er is een dorp in de buurt van Spalato, dat den naam Peroon draagt; ook een klein aantal personen in [22]Montenegro dragen dien naam2 en hij bleef eveneens bewaard in den naam van een plant, Peroonika (iris), die aan dezen God gewijd is. Er is nauwelijks een tuin bij eenige hut in de Servische dorpen, waar de iris niet groeit naast de huislook. (Tchu-var-Koutchye). De Serviërs zeggen, dat de God nog voortleeft als St. Elias (Elijah), en Servische boeren gelooven, dat deze heilige de macht bezit bliksem en donder te beheerschen. Zij gelooven ook, dat St. Elias een zuster heeft “Ognyena Maria” (Marie de Vlammende), die dikwijls als zijn raadgeefster optreedt.

[Inhoud]

De God Volos.

De stad “Veless” heeft haar naam gekregen van den Russischen God van het vee “Volos”; zoo ook een dorp in het westelijk deel van Servië en dan is er nog een klein dorp aan den beneden-Donau, dat Velessnitza heet. Maar de wortel van het woord komt voor in het Servische “vo” of “voll” (enkelvoud) “volovi” (meervoud) hetgeen “os” beteekent.

[Inhoud]

De Zonnegod.

Andere natuurverschijnselen werden ook gepersonifieerd en vereerd als Goden. De zonnegod “Daybog” (in het Russisch “Daszbog,” wat letterlijk beteekent “Geef, o God”) wiens afbeeldsel gevonden wordt in de groep afgoden te Kief, en wiens naam weer verschijnt als eigennaam van personen in Rusland, Moldavië en Polen, is voor de Serviërs de verpersoonlijking van zonneschijn, leven, voorspoed, van alle goeds.

Maar bij de Zuid-Slavische stammen is onder de overblijfselen van afgoden er geen gevonden, die god “Daybog” voorstelt, zooals bij de Russen, die houten beelden van hem maakten met een hoofd van zilver en een snor van goud.

[Inhoud]

De Veele.

De Servische legenden bewaren tot heden belangwekkende sporen van de aanbidding dezer heidensche goden en van mindere [23]godheden—die nog altijd een aanzienlijke plaats in het nationale bijgeloof innemen.

De “νύμφαι” en “ποταμὶ” genoemd bij den Griekschen historieschrijver Procopius, als vrouwelijke godheden van lageren rang, die boschjes, wouden, fonteinen, bronnen of meren bewonen, schijnen bewaard te zijn gebleven in de Servische populaire Veela (of Vila—in het enkelvoud; Veele of Vile—in het meervoud). Er zijn verschillende fonteinen in Montenegro, die “Vilin Izvor” zijn genoemd (bijv. op den berg Kom) zoo ook in het district Rudnik in Servië. Gedurende de Renaissance maakten de Servische dichters van Raga en andere steden in Dalmatië dikwijls melding van elfen, dryaden en bergnimfen, door hen geliefd als “veele”. De Servische barden of troubadours hebben steeds van het begin der veertiende eeuw tot op onzen tijd de veele verheerlijkt en bezongen, waarbij zij haar beschreven als zeer schoon en van eeuwige jeugd, gekleed in rein wit en fijn neteldoek met glinsterend gouden haren, die neergolfden over sneeuwwitte boezems. Men geloofde, dat de veele de liefelijkste stemmen hadden en gewapend waren met pijl en boog. Haar welluidende liederen werden dikwijls aan de oevers van de meren of op de weiden, diep in de wouden verborgen, of op hooge bergtoppen boven de wolken gehoord. Zij hielden er ook van te dansen en de kring, waarbinnen zij haar dans uitvoerden werd Vrzino (of Vilino) Kollo genoemd.

Op den berg Kom, in Montenegro, is een van deze ringen, die ongeveer twintig meter in doorsnee heeft en “Vilino Kollo” heet. Het verdrag van Berlijn noemt een ander, gelegen tusschen Vranya en Kustandil, waarover de Servisch-Bulgaarsche grens gelegd werd. Als de veele aan het dansen waren, dorst niemand haar te storen, want zij konden zeer vijandig tegen de menschen optreden. Evenals de Grieksche nimfen waren de veele somtijds ook vriendelijk gestemd, en vaak stonden zij de helden bij. Zij konden de zusters van mannen en vrouwen worden, konden zelfs huwen en kinderen hebben. Maar zij waren in het geheel niet onkwetsbaar. Prins Marko, de lievelingsheld [24]van de Serviërs, werd door een veela met bovenmenschelijke kracht begiftigd; zij gaf hem ook een bijzonder strijdros ten geschenke, “Sharatz,” dat werkelijk bijna menschelijke eigenschappen bezat. Een veela werd ook zijn possestrima (Geestelijke zuster, of zuster-in-God) en als Marko dringend hulp noodig had, daalde zij uit de wolken neer om hem bij te staan. Maar zij weigerde hem te helpen, indien hij op Zondagen duelleerde. Bij zekere gelegenheid3 versloeg Marko bijna de Veela Raviyoyla, die zijn pobratim (broeder-in-God) Voïvode Milosh had gewond. De veele waren zeer bekwaam in het aanwenden van kruiden en kenden de eigenschappen van elke bloem en elke bezie; daardoor was Raviyoyla in staat de wonden van Milosh te genezen en werd zijn doorstoken hart “gezonder dan ooit te voren.” Zij geloofden in God en den Heiligen Johannes en verafschuwden de Turken. De veele bezaten ook de gave der clairvoyance en de zuster-in-God van prins Marko voorspelde zijn dood en dien van Sharatz4. Veele hadden de macht orkanen en andere natuurverschijnselen te bedwingen; zij konden zich veranderen in slangen en zwanen. Als zij beleedigd werden, konden zij zeer wreed zijn; zij waren in staat hen, die haar met geweld dreigden, van hun zintuigen te berooven; zij leidden dan de menschen in diepe wateren of maakten prachtige gebouwen en vestingwerken met den grond gelijk5.

Aan de veele werd ook de macht toegekend om het lot te bepalen van pasgeboren kinderen. In den zevenden nacht na de geboorte van een kind ziet de Servische boerenvrouw verlangend uit naar de Oossood, een veela, die het lot van haar kind zal voorspellen en het is alleen de moeder, die de stem van de fee kan hooren.

[Inhoud]

Voorbeschikking en onsterfelijkheid.

De Serviërs hebben een onverzettelijk geloof in de voorbeschikking en zij zeggen dat er geen dood is voor den vastgestelden [25]dag (Nema smrti bez soodyena dana). Hun geloof in de onsterfelijkheid der ziel strekt zich zelfs uit tot die van overigens onbezielde voorwerpen, zooals bosschen, meren en bergen. Na den dood van een mensch stelt de ziel haar vertrek naar hoogere of lagere sferen uit tot er zekere tijd (gewoonlijk veertien dagen) verloopen is; gedurende dien tijd zweeft ze in de lucht en heeft ze het vermogen het lichaam van een dier of een insect binnen te gaan.

[Inhoud]

Goede en kwade geesten.

Geesten zijn gewoonlijk goed; in Montenegro gelooft men, dat elk huis zijn beschermgeest heeft, dien zij syen of syenovik noemen. Zulke syens kunnen het lichaam binnengaan van een mensch, een hond, een slang, ja zelfs van een hen. Op dezelfde wijze heeft ieder bosch, meer en berg zijn syen, welke ook wel met een Turksch woord djin wordt genoemd. Zoo staat bijvoorbeeld de djin van den berg Riyetchki Kom aan de noordelijke zijde van het meer van Scutari den voorbijgangers niet toe een tak of een blad aan te raken van de eeuwig groene wouden aan den bergkant—en als een reiziger een bloem of een blad dorst te plukken, zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dichten mist en wonderlijke, schrikaanjagende visioenen zouden zich aan hem voordoen. In de streek rondom Lurya worden deze boschgeesten door de Albaneezen evenzeer gevreesd, zelfs de dorre takken van pijnboomen en lariksen durven zij daar niet aanraken. Dit herinnert aan den eeredienst van het heilige kreupelbosch, die algemeen was onder de oude Litthauwers.

Zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dikken mist

Naast de goede geesten verschijnen ook booze geesten, (byess) demonen en duivels (dyavo), door de christenen als heidensche goden beschouwd, en ook andere booze geesten (zli doossi), die in de lichamen van doode en levende menschen huizen. Deze laatste worden genoemd vookodlaks of vlkodlaks (vook, beteekent “wolf”, en dlaka, beteekent “haar”) en naar het volksgeloof zijn zij het, die de zons- en maansverduisteringen veroorzaken. Dit herinnert aan het oude Noorsche [26]bijgeloof, dat de zon en de maan voortdurend door hongerige wolven vervolgd worden; het is een soortgelijke poging om deze natuurverschijnselen te verklaren.

Zelfs nu nog gelooven de Servische boeren, dat eclipsen van de zon en maan worden veroorzaakt, doordat deze de prooi worden van een hongerigen draak, die ze dreigt te verslinden. Aan deze boosaardige en zeer machtige schepsels wordt de vernieling van korenakkers en wijngaarden toegeschreven, want zij zijn de oorzaak van de schade, die door hagelbrengende wolken wordt aangericht. Als de boeren een gedeeltelijke zons- of maansverduistering zien of meenen, dat een hagelstorm hen bedreigt, dan vergaderen zij in de dorpsstraten en allen—mannen, vrouwen en kinderen—slaan potten en pannen tegen elkaar, schieten pistolen af, luiden bellen, teneinde het dreigende monster vrees aan te jagen en te verdrijven.

In Montenegro, Herzegowina en Bocca Cattaro gelooven de menschen, dat de ziel van een slapende door den wind wordt weggedreven naar den top van een berg. Als er daar een aantal verzameld zijn, worden zij woeste reuzen, die boomen ontwortelen om ze dan als knuppels te gebruiken, en rotsen en steenen naar elkaar toeslingeren. Hun gesis en gebrom wordt vooral in lente- en najaarsnachten gehoord. Deze worstelende elementen worden niet alleen door menschelijke zielen bewoond, maar kunnen de geesten van vele dieren bevatten, bijv. van ossen, honden, en zelfs van hanen, maar vooral ossen nemen aan de worstelingen deel.

[Inhoud]

Heksen.

Vrouwelijke booze geesten worden gewoonlijk genoemd veshtitze (enkelvoud, veshtitza, klaarblijkelijk afgeleid van het oude Boheemsche woord ved, dat “weten” beteekent). Verondersteld wordt, dat het oude vrouwen zijn, die door een boozen geest bezeten zijn en die een onverzoenlijke vijandschap koesteren tegenover mannen, andere vrouwen en het meest tegen kinderen. Zij komen min of meer [27]overeen met de wezens, die men elders “heksen” noemt.

Als een oude vrouw gaat slapen, verlaat haar ziel het lichaam en dwaalt rond, totdat ze het lichaam van een hen ingaat of nog vaker dat van een zwarten nachtvlinder. Fladderend gaat ze die huizen binnen, waar een aantal kinderen zijn, want haar lievelingsvoedsel is een kinderhart. Nu en dan komen veshtitze te zamen om haar avondeten gezamenlijk in de takken van den een of anderen boom te gebruiken. Een oude vrouw, die de eigenschappen van een heks heeft, mag aan zulke samenkomsten deelnemen, na zich bereid te hebben verklaard zich aan de regelen te zullen onderwerpen, welke voorgeschreven zijn door de ervaren veshtitze en die meestal bestaan in het uitspreken van zekere stereotiepe zinnen. De boeren beproeven zulke schepsels te ontdekken en als zij er in slagen een heks te vinden, dan wordt er haastig een jury gevormd, aan wie volmacht wordt gegeven om haar ter dood te brengen. Een van de onfeilbare middelen, die gebruikt worden, om te ontdekken of een verdachte werkelijk een heks is of niet, is de waterproef, waarbij het slachtoffer in het water wordt geworpen. Want als zij blijft drijven, dan is zij zeker een heks.

In dat geval wordt zij meestal verbrand. Deze proef was ook in West-Europa welbekend.

[Inhoud]

De Vampiers.

Het geloof aan het bestaan van vampiers is in de Balkanstaten algemeen verbreid en zelfs in sommige deelen van Westelijk Europa wordt het aangetroffen. Eenigen beweren, dat dit bijgeloof verband moet houden met de meening, die velen in de orthodoxe kerk aanhangen, dat het lichaam van hen, die sterven, nadat de banvloek der kerk hen getroffen heeft, niet als het stoffelijk omhulsel van andere stervelingen aan ontbinding onderhevig zijn, doch onmiddellijk na den dood in bezit worden genomen door booze geesten, die dan op eenzame plaatsen aan de menschen verschijnen en hen vermoorden. [28]

In Montenegro worden vampiers lampirs of tenatz genoemd en men meent, dat zij het bloed van slapende menschen opzuigen, ook van vee en andere dieren en na hun nachtelijke tochten weer in de gedaante van muizen naar hun graven terugkeeren. Ten einde te ontdekken, waar het graf van de vampier is, nemen de Montenegrijnen een zwart paard zonder vlek en brengen het naar het kerkhof. Het verdachte lijk wordt opgegraven, doorboord met staken en verbrand. Natuurlijk verzet de overheid zich tegen zulke bijgeloovige praktijken; daarbij kwam het echter voor, dat de bevolking van een gemeente dreigde de woningen te verlaten, zoodat hun dorpen ontvolkt zouden worden, indien hun niet werd toegestaan op hun wijze voor hun veiligheid te zorgen. De code van keizer Doushan den Machtige beveelt, dat een dorp, waar lichamen van gestorven personen zijn opgegraven en verbrand, even streng gestraft zal worden als ware er een moord begaan; en dat de ban zal worden uitgesproken over een resnik, dat is een priester, die bij zulk een ceremonie de godsdienstoefening geleid heeft. Militchevitch, een beroemd Servisch ethnograaf, verhaalt, hoe een resnik in het begin van de negende eeuw gebeden las uit de apocriefe boeken van Peronius, als het noodig was den booze uit te drijven. De weerzinwekkende gewoonte is geheel onderdrukt in Servië. In Montenegro beproefde de aartsbisschop Peter II ze uit te roeien, maar volkomen was zijn succes niet. In Bosnië, Istrië en Bulgarije wordt er ook nu en dan van gehoord. Het geloof in vampiers is een bijgeloof, dat over Roemenië, Albanië en Griekenland algemeen verbreid is6.

[Inhoud]

Aanbidding der natuur.

Zelfs in onze dagen zijn er nog sporen over van zon- en maanvereering en vele Servische en Bulgaarsche gedichten herdenken het huwelijk van de zon en de maan en bezingen Danitza (de morgenster) en Sedmoro Bratye (De zeven broeders, [29]klaarblijkelijk de Pleiaden7). Ieder mensch heeft zijn eigen ster, die aan het uitspansel verschijnt op het oogenblik van zijn geboorte en uitgebluscht wordt, als hij sterft. Vuur en bliksem worden ook aangebeden. Het is een algemeen geloof, dat de aarde rust op water en dat water rust op een vuur en dat dit vuur weer op een ander vuur ligt, dat Zmayevska Vatra (vuur van de draken) wordt genoemd.

Ook de vereering van dieren is tot op onzen tijd bewaard gebleven. De Serviërs gelooven niet minder dan dat de beer een mensch is, die voor zijn straf in een dier veranderd werd. Dit gelooven zij, omdat de beer rechtop kan loopen, evenals een mensch. De Montenegrijnen beschouwen den jakhals (canis aureus) als een half-menschelijk wezen, omdat zijn gehuil ’s nachts klinkt als het weeklagen van een kind. Van de hinde (capreolus caprea) wordt verondersteld, dat zij de bijzondere bescherming van de veele geniet en daarom zoo dikwijls ontsnapt aan den jager. In enkele deelen van Servië en door geheel Montenegro wordt het als een zonde beschouwd een vos of een bij te dooden.

De vereering van enkele slangen is algemeen in alle Balkanstaten. In Montenegro gelooft men, dat onder elk huis een zwarte slang haar hol heeft; als iemand ze zou dooden, dan kan men zeker zijn, dat het hoofd van het gezin sterft. Enkele waterslangen met vurige koppen worden op één lijn gesteld met de booze draken (of hydra’s), die in sommige tijden de schepen bedreigen, welke op het meer van Scutari zeilen.

Van een van deze hydra’s wordt nog altijd verondersteld, dat hij in het meer Rikavatz leeft, in de verlaten bergen van oostelijk Montenegro, waar het verborgen monster nu en dan uit de diepte van het water oprijst; zijn terugkeer wordt aangekondigd door heftige donderslagen en bliksemstralen.

Maar de zuidelijke Slaven hebben van den draak niet dezelfde voorstelling als de Hellenen, dat wil zeggen: een [30]monster in de gedaante van een reusachtige hagedis of slang, met gekuifden kop, vleugels en groote, sterke klauwen, want zij weten, dat deze uiterlijke vorm alleen maar wordt gebruikt als een misleidend masker. De ware gedaante van den draak is die van een knap jongeling, met bovenmenschelijke kracht en moed begiftigd; in de verhalen en liederen is hij meestal verliefd op de een of andere schoone prinses of keizerin.8

[Inhoud]

Toovenaars.

Onder de heidensche priesters worden tcharobnitzi (toovenaars) vermeld, van wie bekend is, dat zij ook in Rusland voorkwamen, waar zij gedurende de elfde eeuw het nieuwe christendom ondermijnden. De Slavische vertaling van het Evangelie, door de kerk erkend in de negende eeuw, geeft den naam tcharobnitzi ook aan de drie Heilige Koningen.

Tot diezelfde categorie behoorden de resnitzi, die zooals uit reeds genoemde code van Keizer Doushan blijkt, de lichamen van de dooden plachten te verbranden. Resnik, dat als eigennaam voorkomt in Servië, Bosnië en Croatië beteekent naar alle waarschijnlijkheid “degeen, die zoekt naar waarheid.”

[Inhoud]

Godsdienstige ceremoniën bij de offers gebruikt.

Door vertalingen van Grieksche heiligenlegenden is de juiste terminologie, die gebruikt werd bij allerlei ceremonies, offerfeesten, enz. bewaard gebleven. Procopius noemt de ossen als de dieren, die meestal werden geofferd, maar wij vinden, dat kalveren, geiten en schapen met ossen werden gebruikt door de Poolsche Slaven en Litthauwers en dat volgens Byzantijnsche autoriteiten de Russen zelfs wel vogels namen.

Wanneer in Montenegro een nieuw huis wordt gebouwd, wordt gewoonlijk een ram of een haan geslacht, opdat een hoeksteen besprenkeld kan worden met het bloed van dit dier en bij de plechtigheden, waarmee het inwijden van een nieuwe fontein vergezeld gaat, wordt een geit gedood. Volgens de overlevering schoot Prins Ivan Tzrnoyevitch eens vlak voor [31]een grot een ongewoon zware, wilde geit, die, daar ze doornat was, zich het water van haar huid schudde, tengevolge waarvan daar onmiddellijk een rivier begon te stroomen. Die rivier wordt nu nog de rivier van Tzrnoyevitch genoemd.

Het verhaal herinnert aan de horens van geiten en de lichamen van geiten, die op het altaar prijken, gewijd aan den Illyrischen God Bind, bij een fontein in de provincie Yapod.

Het is een feit, dat Russische en Poolsche Slaven gewoon waren menschenoffers te brengen. Wat de zuidelijke Slaven betreft, worden zulke offers alleen genoemd in den cyclus van mythen, die de geschiedenis behelzen van zekere gebouwen, waarin men bij het begin van den bouw een levend mensch begroef of inmetselde, omdat het bijgeloof wilde dat ze anders nooit geheel voltooid zouden worden. Zulk een legende leeft onder de Serviërs en Montenegrijnen voort met betrekking tot het bouwen van de vesting Skadar (Scutari) en de brug nabij Vishegrad; bij de Bulgaren met betrekking tot het bouwen van het fort Lidga-Hyssar bij Plovdiv en de Kadi-Köpri (Turksch voor “de brug van den rechter”) over de rivier Stroema; en nog onder de moderne Grieken in hun geschiedenis van de brug over de rivier Arta en bij de Roemeniërs van de kerk “Curtea de Ardyesh”. Het is zeer waarschijnlijk, dat zekere raadselachtige bas-reliefs, die ovale menschelijke gezichten voorstellen, alleen met oogen, neus en mond, welke gevonden zijn onder de cementen muren van oude gebouwen, eenig verband houden met genoemde wijze van offeren. Er zijn drie zulke hoofden in het fort van Prins Dyouragy Brankovitch te Smederevo (Semendria) niet ver van Belgrado aan de binnenzijde van den middelsten slottoren aan de Donauzijde, en twee andere tegen den buitenmuur van het klooster Rila vlak bij de Doupitchka Kapiya.

[Inhoud]

Begrafenisgebruiken.

Gedurende het beleg van Constantinopel in het jaar 626 verbrandden de Serviërs hun dooden. De Russen deden hetzelfde gedurende de veldslagen bij Silistria, 971. In later tijd [32]werden in alle deelen van Rusland begrafenisdiensten gehouden, waarna de overblijfselen der dooden werden begraven.

De Slaven van Noord-Rusland waren gewoon de asch van den doode in een of ander klein vaatwerk te bewaren, dat zij dan op een pilaar aan den openbaren weg plaatsten; die gewoonte bleef zelfs in de twaalfde eeuw bestaan bij de Vyatitchs van zuidelijk Rusland. Deze begrafenisgebruiken zijn het langst bewaard gebleven bij de Litthauwers; de laatste heidensche begrafenis, welke vermeld wordt, is die van Keystut, den broeder van groothertog Olgerd, in het jaar 1382. Hij werd verbrand met zijn paarden, wapenen, valken en honden.

Er bestaan nog rechtopstaande steenen, zware steenen platen, of vierkante blokken, zelfs kolommen, die in de Middeleeuwen kami werden genoemd, of bileg, en nu stetjak of mramor. Zulke steenen worden in grooten getale vlak bij elkaar gevonden; er zijn er bijvoorbeeld meer dan 6000 in de provincie Vlassenitza en 22,000 in geheel Herzegowina; eenige worden ook in Dalmatië aangetroffen, bijvoorbeeld in Kanovli en in Montenegro te Nikshitch; in Servië worden ze echter alleen in Prodigne gevonden. Deze steenen zijn gewoonlijk versierd met primitieve nabootsingen van het werk van Romeinsche beeldhouwers; bogen op kolommen, plant- en boommotieven, zwaarden en schilden, de figuren van krijgslieden, die bogen dragen, ruiters, herten, beren, wilde zwijnen en valken; er zijn ook tafereelen van mannen en vrouwen, die samen dansen en spelen doen.

Het symbool van het kruis duidt er op, dat het Christendom zijn intrede gedaan heeft. Inscripties verschijnen pas na de elfde eeuw. Veel grafsteenen hebben klaarblijkelijk hun oorsprong in de Middeleeuwen. Eenige graftomben, die ver van de dorpen zijn gelegen, worden in de kronieken genoemd bij het aanduiden der grenzen van grondgebieden, bijvoorbeeld Bolestino Groblye (het kerkhof van Bolestino), bij Ipek en Druzetin Grob (de graftombe van Druzet). In Konavla bij Ragusa was er in het jaar 1420 een punt, waar belangrijke wegen elkaar kruisten, bekend onder den naam [33]van “Obugonov Grob.” Zelfs in onze dagen is er daar een grafsteen zonder inscriptie genaamd “Obugagn Greb.” Het is het graf van den landvoogd Obuganitch, een afstammeling van de familie van Lyoubibratitch, beroemd in de veertiende eeuw.

[Inhoud]

Klassieke en Middeleeuwsche invloeden.

Toen het heidendom verdwenen was, gingen in de Zuid-Slavische legenden vele elementen uit die der Grieken en Romeinen over. Er zijn zoowel verwijzingen naar de keizers Trajanus en Diocletianus, als naar mythische personen. In de Balkan-staten wordt Trajanus vaak verward met den Griekschen koning Midas. In het jaar 1433 hoorde de chevalier Bertrandon de la Broquière van de Grieken te Trajanopel, dat deze stad gebouwd was door keizer Trajanus, en dat deze boks-ooren had. De historicus Tzetzes noemt ook de boks-ooren van dien keizer (ῶ τὶα τράυου). In Servische legenden schijnt keizer Trajanus ook verward te zijn met Daedalus, want hij wordt met oorlogs-vleugels aan zijn ooren voorgesteld.

Aan den cyclus van Middeleeuwsche mythen danken wij ook het geloof aan de djins (reuzen), die in holen woonden, en die bekend zijn onder den Turkschen naam div—wat oorspronkelijk een Perzisch woord is. Het merkwaardige van hen was, dat zij maar een oog hadden—zij zouden een varieteit van de cyclopen genoemd kunnen worden—en in de Bulgaarsche, Croatische en Sloveensche mythologie worden zij ook genoemd. Aan de oevers van de rivier Moratcha, in Montenegro, bevindt zich een weide, Psoglavlya Livada genoemd, met een spelonk, waarin, naar gezegd wordt, nog in historische tijden zulke schepsels hebben gewoond.

[Inhoud]

De verbreiding van het Christendom.

Toen de heidensche Slaven de Romeinsche provinciën bewoonden, was het Christendom beperkt tot de Byzantijnsche provincie. In Dalmatië werd na den val van Salona de zetel van het aartsbisdom overgebracht naar Spalato (Splyet), maar in de pauselijke bullen van de negende eeuw bleef het steeds [34]genoemd Salonitana ecclesia en het eischte voor zich de jurisdictie op over al de landen tot aan de Donau.

Volgens Constantijn Porphyrogenetus namen de Serviërs in twee verschillende tijdperken het Christendom aan, eerst gedurende de regeering van keizer Heraclius, die den paus verzocht had een aantal priesters te zenden, om deze lieden tot het christendom te bekeeren. Het is echter zeer goed bekend, dat de Slaven in Dalmatië, zelfs gedurende de regeering van paus Johan IV (640–642) heidenen bleven; zonder twijfel verbreidde het christendom zich langzamerhand van de Romeinsche steden van Dalmatië over de verschillende Slavische provincies. De Croaten behoorden reeds tot de Romeinsche kerk, toen haar priesters de Serviërs tot het christendom bekeerden, wat geschiedde tusschen de jaren 642 en 731, dat is na den dood van paus Johan IV en voor dat Leo de Isauriër zijn betrekkingen met Rome had verbroken.

De tweede bekeering van de Zuidelijke Slaven, die nog heidenen waren gebleven, geschiedde omstreeks 879 door keizer Basilius I.

In het begin drong het christelijk geloof slechts oppervlakkig door, omdat de menschen de Latijnsche gebeden niet begrepen, noch de geestelijke boeken. Het schoot veel vaster en sneller wortel, toen de oude Slavische taal werd gebruikt in de kerkdiensten.

Tengevolge van de verschillen, die zich voordeden, over beelden en den vorm, die hun eeredienst zou aannemen, verminderde de geestdrift voor de bekeering der heidenen door de Latijnsche kerk aanmerkelijk. In de Byzantijnsche provincies was het echter niet noodig bijzondere pogingen in het werk te stellen om de bevolking te kerstenen, want deze Slaven kwamen in voortdurend contact met de Grieksche Christenen, wier geloof zij zonder dwang overnamen.

Door de Slavische benaming van plaatsen, die in zekere, officieele lijsten voorkomen, kan men zien, dat door de Grieksche kerk nieuwe bisdommen gevestigd werden, uitsluitend voor de Slaven. De bisschoppen leidden hun diensten in het [35]Grieksch, maar de priesters en monniken, die geboren Slaven waren, predikten en leerden het volk in zijn eigen taal. Aldus bereidden zij den grond voor de groote Slavische apostelen.

De Slavische apostelen van Salonica, Cyrillos en zijn oudere broeder Methodius, waren zeer geleerde mannen en wijsgeeren. De voornaamste van de twee Cyrillos was priester en bibliothecaris van het patriarchaat, daarbij was hij professor in de philosofie aan de Universiteit van het Keizerlijk Paleis te Constantinopel en hij was zeer geëerd om zijn geleerdheid in geestelijke dingen. Hun groote werk begon in 862 met de zending naar keizer Michael III, waarmede de Moravische vorsten Ratislav en Svetopluk hen belastten.

De Moraviërs waren reeds tot het Christendom bekeerd, maar zij verlangden leeraars in hun midden te hebben, die bekend waren met de Slavische taal. Voordat de broeders zich op reis begaven, stelde Cyrillos het Slavische alphabet samen en vertaalde het Evangelie.

Zoo werden deze Heilige Boeken voor de Serviërs geschreven in een taal, waarmede zij bekend waren en de leerstellingen van den grooten Meester verdreven langzaam maar gestadig den ouden primitieven godsdienst, die den vorm van zuiver naturalisme had aangenomen. De aanbidding der natuur verdween echter niet geheel en heeft zich zelfs tot op onze dagen in het volksgeloof op het Balkanschiereiland gehandhaafd. In de folklore van deze volken vinden we een aantal trekken van het godsdienstig leven en het bijgeloof, afkomstig uit voor-christelijke tijden, want na een worsteling van vele jaren hadden de heidensche plechtigheden nog slechts ten deele de plaats moeten ruimen voor de kerkelijke ceremoniën van de Latijnsche en later van de Grieksch-Christelijke Kerk, waartoe thans alle Serviërs, de bewoners van Montenegro, Macedonië en een gedeelte van Bosnië behooren.

[Inhoud]

Bijgeloof.

De fundamenten van het christelijk geloof werden allesbehalve stevig gelegd op het Balkanschiereiland, tengevolge [36]van het ontbreken van ontwikkelde priesters en het feit, dat de mensch nu eenmaal gehecht is aan het oude overgeleverde geloof. Hierin moet waarschijnlijk de verklaring gezocht worden voor het verschijnsel, dat de christelijke godsdienst hen nooit in het hart gegrepen heeft. Zelfs in onzen tijd is het bijgeloof vaak nog sterker dan de godsdienst en verdringt dien soms geheel. Het geheele dagelijksch leven van den zuidelijken Slaaf is doorweven van allerhande bijgeloof. Zijn bijgeloof hecht een bepaalde beteekenis aan ’t geen gebeurt, als hij ’s morgens opstaat; vooral aan ’t geen hij het eerst ziet; hij is er bijvoorbeeld zeker van een ongelukkigen dag te zullen hebben, als zijn eerste ontmoeting die met een monnik is, als hij een huis bouwt, dan moet eerst een “gelukkige plek” gevonden worden voor het fundament. ’s Nachts wil zijn bijgeloof, dat hij op een bepaalde manier ligt; hij geeft er nauwlettend acht op, of de hanen tijdig kraaien en of de honden veel blaffen en hoe ze blaffen. Hij hecht groote waarde aan het oogenblik, waarop de donder het eerst wordt gehoord, aan de soort regen die er valt, aan de wijze, waarop de sterren schijnen—of in het geheel niet schijnen, en met groote bezorgdheid neemt hij een stralenkrans om de maan waar en het schijnen van de zon door een wolk.

Al deze dingen zijn voorteekenen en maken indruk op zijn bijgeloovig gemoed. Grooten invloed hebben zij op zijn handelingen. Als hij bij voorbeeld van plan is aan een jachtpartij deel te nemen, dan tracht hij uit die voorteekenen te voorspellen, of er wild zal zijn of niet; hij gelooft, dat hij zeker wat zal schieten, als zijn vrouw of zuster (of eenig ander hem goed gezind persoon) over zijn geweer springt, voordat hij zijn honden roept. Vooral in het landbouwbedrijf neemt het bijgeloof een groote plaats in. Voor enkele bijgeloovigheden is het mogelijk zeer goede verklaringen te geven; voor andere echter is het vergeefs zoeken naar een redelijken grond. Ondanks dat worden alle voorschriften en waarschuwingen, die met het bijgeloof samenhangen, algemeen in acht genomen, omdat het volk met de moedermelk inzuigt: “het is goed zoo te doen” [37]of uitgaat van de stelling: “onze voorouders deden altijd zoo en waren gelukkig, waarom zouden wij niet evenzoo doen?”

Het gedijen van vruchtboomen en het rijpen van de vrucht wordt bevorderd door toovermiddelen. Een groot aantal feesten wordt georganiseerd, om zich een vruchtbaar jaar te verzekeren of om overstroomingen, hagelslag, droogte, vorst en andere onheilen te voorkomen. Het grootste aantal bijgeloovigheden heeft betrekking op het dagelijksch leven, vooral op geboorte, huwelijk en dood. Toovermiddelen worden gebruikt om een toekomstigen bruigom of bruid te ontdekken, een jonge man verliefd te doen worden op een meisje of omgekeerd; ook wel, als dat gewenscht lijkt, hun wederkeerigen haat op te wekken.

Tot toovermiddelen neemt men zijn toevlucht om de wenschen, die de bruid koestert omtrent de kinderen, die zij hoopt te krijgen, vervuld te zien. Men tracht hun aantal en geslacht te bepalen, hun gezondheid te voren vast te stellen en de omstandigheden zoo te regelen, dat ze een gunstigen invloed op de geboorte hebben. Men gelooft, dat de dood slechts kan komen, als de aartsengel Michael een ziel uit een lichaam verwijdert en dat kan slechts op den vastgestelden dag gebeuren.

De voornaamste nationale gewoonten van de Zuidelijke Slaven gaan gepaard met een menigte bijgeloovigheden. Daar de Serviërs het sterkst in aantal zijn onder de Balkanslaven zullen wij eenige van hun gewoonten nader beschouwen, om aan te toonen, hoe weinig van den waren christelijken geest te vinden is in sommige van hun godsdienstige plechtigheden.

[Inhoud]

Het huwelijk.

Als een kind in een Servische familie geboren wordt, dan wenschen de vrienden den ouders geluk met de woorden: “het zij u gegeven te leven, tot ge de groene kransen moogt zien!” hetgeen wil zeggen: leven tot hun kind getrouwd is. De huwelijken worden het meest in het najaar gesloten, in het bijzonder tegen Kerstmis, zeldzamer in den zomer. Indien ouders van plan zijn een bruigom voor hun dochter of een bruid voor [38]hun zoon te zoeken, dan nemen ze de geschiedenis gewoonlijk een heel jaar lang in overweging. Hun zoon of dochter vergezelt hen naar verschillende bijeenkomsten, om daar iemand te ontmoeten, die geschikt is de echtgenoot van hun dochter te worden of de vrouw van hun zoon. Indien een dochter is ingelicht omtrent de beslissing harer ouders, moet zij zich haasten met haar voorbereidselen: zij moet zorgen, dat de bochtchaluks9 (huwelijksgeschenken), die zij moet uitdeelen onder de bruiloftsgasten (svati of svatovi) spoedig gereed zijn. Deze geschenken zijn meestal artikelen, die zij eigenhandig maakt, zooals sokken, kousen, hemden, handdoeken en reisdekens. Gewoonlijk wordt het huis schoon gemaakt en misschien vergroot voor het huwelijk. Als alle toebereidselen zijn getroffen, dan mag het gerucht van haar aanstaand huwelijk zich door het dorp verspreiden. Daar de huwelijken gewoonlijk door de ouders worden vastgesteld, komen verbintenissen uit liefde helaas zelden voor. Schaken wordt beschouwd als iets phenomenaals. Er zijn echter gevallen, waarin de jongelieden zich niet voegen naar den wil hunner ouders met betrekking tot het huwelijk. Indien een meisje verliefd is geworden op een jongen man, kan zij haar toevlucht nemen behalve tot de gewone middelen en methoden, tot beroepstoovenaressen. Listen, die door deze helpsters in de liefde wel worden aanbevolen, zijn bijv.: Het meisje kijkt door den bek van een gebraden speenvarken (dat gedood is voor het Kerstfeest) naar haar geliefde, waardoor hij beslist krankzinnig verliefd op haar wordt. Het voorwerp harer liefde zal van minnesmart om haar sterven, als zij naar hem kijkt door een gat in een kers of een andere vrucht; zij is er even zeker van zijn genegenheid te verwerven, indien zij er in slaagt de aarde om te keeren onder een afdruksel van zijn rechtervoet. Deze en veel dergelijke toovermiddelen worden gewoonlijk toegepast op of omstreeks St. George’s dag (23ste April O.S.)

Ook jonge mannen nemen hun toevlucht tot tooverij, indien [39]zij de liefde willen opwekken van het een of andere ongevoelige meisje. Indien bijvoorbeeld de jonge man zich op een Vrijdagnacht, klokke twaalf naar het erf begeeft bij de woning van de jonkvrouwe van zijn hart en daar een boom drie maal schudt en even zooveel keeren haar voornaam noemt, zal zij zeker aan zijn verlangen gehoor geven en zijn liefde beantwoorden. Een even onfeilbaar middel is een bepaalde visch te vangen en die bij zijn hart te laten sterven; daarna het vleesch te braden, totdat het geheel verkoold is, de overblijfselen tot poeder te stampen en dit stilletjes in water of een anderen drank te doen.—Indien het meisje overgehaald kan worden het te proeven, kan zij er niet meer aan ontkomen hem lief te hebben. Deze hulpmiddelen herinneren aan de bekende handeling van den Franschen troubadour Pierre Vidal, om de liefde van zijn schoone patrones Donna Azalais de Baux te winnen. ’t Was een recept, dat succes in de liefde beloofde, afkomstig van iemand, die het van een Arabisch monument ontcijferd had. De dichter kreeg het van Huges de Baux, een boosaardige, jeugdige ridder, de schoonbroer van de schoone Donna Azalais. De lichtgeloovige Vidal moest op zekeren maannacht op een varken drie keer rondom het kasteel van zijn geliefde rijden. Natuurlijk wist hij niet, dat zijn snaaksche vriend al de bewoners op het terras had gebracht om deze belachelijke vertooning gade te slaan.

[Inhoud]

Huwelijksonderhandelingen.

Als de ouders zich een bruid voor hun zoon hebben uitgekozen, sturen zij iemand met volkomen volmacht (navodagjya) naar haar ouders, om te vragen of zij al dan niet hun toestemming tot een huwelijk van hun dochter met den jongeman willen geven. Daar huwelijken zelden worden gesloten zonder de hulp van deze gevolmachtigden, zijn er een aantal personen, wier eenig ambt het is over huwelijken te onderhandelen. Zij ontvangen een som geld, indien hun diensten met succes worden bekroond. Naast geldelijke belooning ontvangt de navodagyja van de toekomstige bruid op zijn minst [40]een paar sokken. Indien de vader van het meisje het voorstel niet aanvaardt, geeft hij gewoonlijk geen beslist afwijzend antwoord, maar verschuilt hij zich achter het een of ander voorwendsel; hij zegt bijvoorbeeld, dat zijn dochter nog te jong is, of dat zij niet geheel gereed is met de voorbereidselen voor haar huwelijk. Maar als de jongeman genade in zijn oogen vindt, en de vader bereid is zijn toestemming te geven, dan antwoordt hij gewoonlijk, dat hij zijn dochter graag getrouwd zou zien met zulk een uitnemend man, tenminste als het paar elkaar liefheeft. Dan wordt een samenkomst voorbereid, ofschoon dit in werkelijkheid slechts een kwestie van vorm is, daar de eindbeslissing in handen van de ouders zelf ligt, zonder dat de gevoelens van den aanstaanden man en de vrouw daarbij veel gewicht in de schaal leggen. De ouders vragen den jongelieden, of zij elkaar mogen lijden; gewoonlijk wordt een bevestigend antwoord gegeven, waarop alle aanwezigen elkaar omhelzen. Geschenken worden gewisseld, zoowel tusschen de ouders als tusschen den aanstaanden echtgenoot en zijn bruid. Deze gebeurtenis wordt dikwijls gevierd door het afvuren van pistolen en geweren, teneinde door het geheele dorp bekend te maken, dat er huwelijksfeesten op til zijn. Spoedig na de plechtigheid, die de inleiding tot een verloving genoemd kan worden, brengen de ouders van den jongeman en enkele zeer intieme vrienden een officieel bezoek aan de woning der bruid. Het bezoek heeft gewoonlijk in den avond plaats en nadat de bruigom aan de bruid een ring heeft gegeven, beginnen de feestelijkheden, die tot den volgenden morgen duren. Eenige dagen later gaan de bruid en de bruidegom naar de kerk, door enkele vrienden vergezeld en de priester doet hun de stereotiepe vragen, waaronder deze: “Wenscht gij te trouwen uit vrijen wil?” Waarop zij om zoo te zeggen gedwongen zijn “Ja” te antwoorden.

En daar een boom driemaal schudt

[Inhoud]

De huwelijksprocessie.

Een week voor den trouwdag, brengen beide families hun huis in gereedheid om een groot aantal gasten te ontvangen, [41]die zij gedurende verscheidene dagen zeer gastvrij onthalen. Zeer kort geleden nog moest de huwelijksprocessie, indien de bruid in een verwijderd dorp woonde, soms verscheidene dagen reizen om haar te halen en daar goede wegen, waarlangs voertuigen zich konden voortbewegen, niet overal voorkwamen, was de geheele, lange stoet vaak genoodzaakt den weg te paard af te leggen. Tot de huwelijksstoet behooren de dever10 (dat wil zeggen geleider van de bruid) die haar bij de heele reeks van plechtigheden terzijde staat, in zekeren zin haar voogd; de koom (voornaamste getuige, die bij gelegenheid een soort peetvader van de kinderen wordt); en de stari-svat, die de tweede getuige bij de huwelijksplechtigheid is. Gedurende de huwelijksplechtigheden moet de koom achter den bruigom staan en de stari-svat achter de bruid. De stari-svat is ook een soort ceremoniemeester op den huwelijksdag; hij bewaart de orde onder de gasten, en presideert bij de huwelijksmaaltijden. De dever brengt ook zijn ouders mee en de koom en de stari-svat moeten ieder vergezeld zijn van een bediende om hen te assisteeren gedurende de plechtigheid. Deze twee getuigen moeten zorgen twee groote was-kaarsen bij zich te hebben, die gewoonlijk versierd zijn met zijden kant en bloemen, welke met veel andere geschenken aan de bruid worden aangeboden.

Voor de processie zich op weg begeeft, vuren de jongelieden pistolen af en zingen en dansen, terwijl de ouderen zich neerzetten en ververschingen gebruiken. De verschijning van den bruigom in zijn huwelijksgewaad, waarbij de hoed met bloemen is versierd, is het teeken, waarop een koor van meisjes de traditioneele huwelijksliederen inzet. Als de rijtuigen klaarstaan om te vertrekken, zingen zij het volgende:

Een valk vloog van het kasteel

Met een brief onder zijn vleugel

Laat den brief vallen op de knie van den vader,

Zie, vader! De brief zegt u, [42]

Dat uw zoon ver zal reizen,

Over veel stroomende rivieren,

Door veel groene wouden,

Totdat hij u een schoondochter brengt.

Het Tzigan-(Zigeuners) korps begint zijn vroolijke melodieën, de bruidegom, de vaandeldrager en andere jongelieden stijgen te paard, allen versierd met bloemen, de processie begeeft zich op weg naar het huis van de bruid. De ruiters rijden meestal twee aan twee, pistolen afschietend en zingende. De processie wordt steeds geleid door een vroolijken jongeling, die een tchoutoura meevoert, (een plat houten vat) dat rooden wijn bevat. Het is zijn taak ieder, die het huwelijksgezelschap op weg mocht ontmoeten, een dronk aan te bieden en hij heeft het privilege gedurende het huwelijksfeest ten koste van iedereen grappen en geestigheden ten beste te geven. Voor dien dag geniet hij de vrijheden van een hofnar en niemand mag zijn geestige zetten kwalijk nemen, hoe ruw en onkiesch die soms ook zijn.

Eenige schreden achter de tchoutouradrager rijdt de voïvode (generaal of leider), wiens taak het is den eerste bij te staan in zijn geestige uitvallen en den vaandeldrager, die de nationale vlag draagt; achter hen, in een rijkelijk met bloemen versierd voertuig, rijden de bruidsmeisjes, die gekozen worden uit de familiebetrekkingen van den bruigom. Met andere geschenken dragen de meisjes het trouwgewaad en de bloemen, die de vader van den bruigom voor zijn aanstaande schoondochter heeft gekocht. Onmiddellijk achter de bruidsmeisjes rijdt de bruigom tusschen den koom en den stari-svat. Daarna komen andere bloedverwanten en gasten, twee aan twee in optocht. Soms leveren deze huwelijksprocessies een zeer indrukwekkenden aanblik.

[Inhoud]

De aankomst.

Indien de huwelijksstoet het huis van de bruid nadert, wordt haar komst aangekondigd door het afvuren van pistolen en geweren, waarop een aantal meisjes verschijnt, die verschillende liederen zingen, waarin het verdriet wordt uitgedrukt [43]over het vertrek der bruid uit het ouderlijk huis. In enkele deelen van Servië is nog een vreemd, oud gebruik overgebleven; de vader van de bruid verlangt, dat aan enkele voorwaarden wordt voldaan, eer hij bereid is de poorten van het binnenplein voor den stoet te openen. Hij stuurt bijvoorbeeld een goed worstelaar, die de mannen uit het gezelschap van den bruidegom uitdaagt. Een van de bruiloftsgasten moet hem dan overweldigen, voordat de poorten worden geopend. Natuurlijk is de worstelproef in den regel niet ernstig gemeend. In andere deelen van het land wordt als voorwaarde gesteld, waarop den aangekomenen toegang wordt verleend, dat een hunner een pot of ander terra-cotta vaatwerk, dat aan den top van den schoorsteen bevestigd is, er met zijn pistool afschiet.

Als aan zulke of andere voorwaarden tot genoegen is voldaan, wordt het huwelijksgezelschap in huis toegelaten, en geleid naar tafels, beladen met gebraden lams- en varkensvleesch, koeken, vruchten, wijn en cognac. De vader van de bruid geeft den vader van den bruidegom de eereplaats en onmiddellijk naast hem zit de stari-svat, dan de koom en dan de bruidegom. Als de gasten zijn gezeten, wordt er een groote, platte koek (pogatcha) voor den vader van den bruidegom neergezet en hij legt er eenige goudstukken op; soms ook een geheele keten van gouden ducaten, die de bruid later om haar hals moet dragen. Zijn voorbeeld wordt onmiddellijk gevolgd door den stari-svat, den koom en al de andere gasten. Ten slotte haalt de vader van de bruid de huwelijksgift, die hij zijn dochter meegeeft en plaatst die op den koek. Al het aldus verzamelde geld wordt aan den stari-svat overhandigd, die het te zijner tijd aan de bruid zal geven. Dan brengen de bruidsmeisjes het trouwgewaad naar het vertrek van de bruid, waar zij haar met groote zorg en veel ceremoniën kleeden. Indien haar toilet gemaakt is, neemt een van haar broers of, indien zij die niet heeft, een van haar naaste mannelijke bloedverwanten, haar bij de hand om haar naar de verzamelde familie en vrienden te geleiden. Zoodra zij verschijnt, begroeten de bruiloftsgasten haar met een levendig vuur uit hun pistolen; de [44]bruidsmeisjes geleiden haar naar den bruigom, aan wien zij een bloemkrans aanbiedt. Daarna wordt zij naar den stari-svat en den koom gebracht, wier handen zij kust. Indien deze ceremonie is verricht, gaat zij het huis binnen, waar haar ouders op lage, houten stoelen voor den haard zitten. Daar werpt zij zich neer, en kust den grond voor het vuur. Dat is blijkbaar een overblijfsel van de vuuraanbidding, maar nu het symbool van de vereering van den huiselijken haard. Zoodra zij is opgestaan, kust het meisje de hand van haar vader en moeder, die haar, terwijl zij haar omhelzen, den zegen geven. Nu brengt haar broer of bloedverwant, al naar het geval is, haar terug naar den bruigom en geeft haar met inachtneming van alle vormen aan den dever over, die van dat oogenblik zorg voor haar draagt en haar in de eerste plaats de geschenken geeft, die hij heeft verzameld.

[Inhoud]

Terugkomst uit de kerk.

Nadat zij feest hebben gevierd en onthaald zijn, stijgen de gasten te paard en onvermoeid hun pistolen afschietend begeven zij zich met de bruid naar de naaste kerk. Nadat de godsdienstige ceremoniën voorbij zijn, keert het bruiloftsgezelschap terug naar de woning van den bruidegom, waar de bruid van haar paard of uit haar rijtuig moet stappen op een zak haver. Terwijl de anderen het erf opgaan door de hoofdpoort, kiest de bruid meestal een anderen ingang, omdat zij bevreesd is anders betooverd te worden. Zoodra zij binnenkomt, brengen de familieleden van den bruigom haar een bak met verschillende soorten graan, die zij op den grond uitstort, “opdat het jaar vruchtbaar moge zijn.” Dan brengen zij haar een kind van het mannelijk geslacht, dat zij kust, en driemaal opheft. Daarna treedt zij het huis binnen; onder haar armen heeft zij brooden en in haar handen flesschen wijn—zinnebeelden van weelde en voorspoed.

Ofschoon de bruiloftsgasten goed zijn onthaald in de woning der bruid, heeft de reis hun eetlust opnieuw gewekt; daarom nemen zij in dezelfde volgorde als wij reeds genoemd hebben [45]aan tafels plaats en worden zij onthaald op een groot feestmaal. Gedurende dit maal geven de voïvodes en de tchoutouradrager evenals bij het vorige grappen ten beste ten koste van iedereen. Deze vroolijke uitlatingen getuigen, zooals wij reeds hebben gezegd, gewoonlijk niet van zeer goeden smaak, maar niemand voelt er zich door beleedigd, en iedereen lacht hartelijk om de minste aardigheid. Gedurende dit feest, en terwijl de jongelieden nationale dansen (kollo) uitvoeren en de traditioneele bruiloftsliederen zingen, brengt de dever de bruid naar den drempel van haar vertrek (vayat) en geeft haar over aan den koom, die haar nu binnenleidt, haar hand in die van den bruidegom legt en hen alleen laat. De gasten blijven echter vaak in het huis tot het ochtendgrauwen, drinkende en zingende.

[Inhoud]

Slava (of Krsno Ime)

Deze gewoonte wordt beschouwd als een overblijfsel uit de tijden, toen de Serviërs tot het christendom werden bekeerd. Iedere Servische familie heeft een dag in het jaar, die bekend is als slava, gewoonlijk den een of anderen heiligendag, waarop zekere ceremoniën worden vervuld, gedeeltelijk van godsdienstigen, gedeeltelijk van maatschappelijken aard. De heilige, dien het hoofd der familie herdenkt als zijn beschermheilige of naamheilige, wordt ook herdacht door zijn kinderen en hun afstammelingen.

Eenige dagen voor de viering komt de priester naar het huis van iederen svetchar—den man, die als hoofd der familie den heilige herdenkt—om het water te zegenen, dat voor dit doel in een specialen bak gereed wordt gehouden, daarna besprenkelt hij het hoofd van alle familieleden met het heilige water, waarin hij een klein takje bazielkruid heeft gedoopt. Hij gaat daarop van kamer tot kamer om overal dezelfde ceremonie te verrichten.

Ten einde hun naamheilige aangenaam te zijn, vasten alle leden der familie een week voor het feest. Den avond voor den heiligen dag wordt voor het beeld van den heilige een [46] kaars aangestoken, die gedurende twee dagen blijft branden. Een of twee dagen voor het feest bereiden de vrouwen een kolatch (een bijzondere koek, gemaakt van tarwebloem) die ongeveer 37½ c.M. middellijn heeft en ongeveer 7½ c.M. dik is. De oppervlakte is verdeeld in vier parten, doordat ze met een kruis is geteekend; elk vierde deel heeft een schild waarop de letters I.N.R.I. staan. In het midden bevindt zich een cirkel, en daarbinnen en poskurnik (monogram van deze initalen). Behalve de kolatch wordt een andere koek gemaakt van witte tarwe, goed gekookt, en vermengd met poedersuiker, gehakte noten en amandelen. Deze wordt kolyivo genoemd (letterlijk: “iets, dat met het mes is gedood”). Dit is blijkbaar een reliquie uit heidensche tijden, toen men met kolyivo de dieren bedoelde, die op het altaar werden geofferd. Toen de Serviërs bekeerd waren tot het christelijk geloof, werd hun gezegd, dat de God der christenen en zijn heiligen geen dierenoffers en nog minder die van een mensch verlangden, en dat daarvoor in de plaats gekookte tarwe moest worden gebruikt. Wel eigenaardig is het, dat kolyivo slechts bereid wordt voor die heiligen, van wie het volk gelooft, dat zij dood zijn en niet voor hen, van wie verondersteld wordt, dat zij nog leven, wat bijv. het geval is met St. Elias (Elyah), de beschermheilige van den donder, en daarom ook wel de “Donderaar” genoemd, de aartsengel Michael en eenige anderen.

[Inhoud]

De Slava-ontvangavond.

Op den vooravond van den Slavadag wordt er voldoende voedsel voor de twee volgende dagen gereedgemaakt en tegen zonsondergang zijn al de tafels wel voorzien van ververschingen, berekend op de komst van een groot aantal gasten. Vrienden en bloedverwanten worden door een boodschapper, die daartoe speciaal wordt uitgezonden, genoodigd. In verschillende door het gebruik geijkte vormen wordt deze uitnoodiging overgebracht; een er van is de volgende: “Mijn vader (of mijn oom, al naar het geval is) heeft mij gezonden om u zijn groeten te brengen en noodigt u heden avond in ons huis [47]om een glas cognac te drinken. Wij wenschen met u te deelen de zegeningen, die God en onze beschermheilige over ons hebben uitgestort. Wij vragen u dringend te komen!” Bij deze woorden overhandigt de boodschapper aan den genoodigden gast een tchoutoura, gevuld met wijn en versierd met bloemen, waaruit de gast dan altijd een teug drinkt. Daarna maakt hij het teeken des kruises en zegt: “Ik dank u; dat uw Slava een gelukkige en voorspoedige zij!” Na den wijn geproefd te hebben, vervolgt hij: “Wij zullen ons best doen om te komen. Wij zijn dankbaar voor de uitnoodiging, die ons ten zeerste vereert.” Onveranderlijk spreekt hij deze woorden uit, hetzij hij werkelijk van plan is de uitnoodiging aan te nemen of niet.

Terwijl de boodschapper op weg is om de gasten uit te noodigen, zijn de vrouwen van het huis bezig al de noodige toebereidselen te maken voor hun ontvangst. Elke gast roept, als hij den drempel nadert: “O heer van het huis, zijt gij bereid gasten te ontvangen?” Zoodra hij dat hoort, snelt de svetchar den gast tegemoet en begroet hem met deze woorden: “Zeer zeker ben ik dat en ik hoop, dat er nog veel meer gasten komen even welkom als gij!” Daarna treedt de gast binnen, omhelst den svetchar en zegt: “Ik wensch u een zeer aangenamen avond en een gelukkige Slava!” En dan antwoordt de gastheer als ware dat van zelf sprekend: “Ik dank u en heet u welkom in mijn huis!”

Op dezelfde wijze worden de andere gasten begroet. Indien zij allen aanwezig zijn, noodigt de gastheer hen uit hun handen te wasschen. Want geen Servische boer zou ooit gaan zitten, om voedsel te gebruiken, voordat hij dit had gedaan. Daarna wijst de gastheer ieder zijn plaats aan, altijd met stipte inachtneming van de volgorde, waarop ieders rang hem aanspraak geeft.

De meisjes van het huis dienen cognac rond aan de verzamelde gasten en deze wordt, althans in den winter, gewoonlijk gewarmd, terwijl er honig of suiker aan is toegevoegd. De gasten zijn intusschen blijven staan en wachten zwijgend en eerbiedig tot de ceremoniën van de Slava zullen beginnen.

De gastheer zet in het midden van de tafel een groote waskaars, [48]die hij niet aansteekt, alvorens het teeken des kruises driemaal gemaakt te hebben. Daarna neemt hij een bak, waarin wat gloeiende asch ligt, plaatst daarin eenige stukjes wierook en laat den geur dan opstijgen naar het heiligenbeeld, dat volgens de gewoonte de eereplaats in de woning inneemt. Nog steeds met het wierookvat in de hand staat hij enkele oogenblikken stil voor elken gast. Indien deze plechtigheid voorbij is en er geen priester aanwezig is, noodigt de gastheer zijn gasten uit zelf hun gebed op te zeggen. Veel Servische boeren hebben het talent om geïmproviseerde gebeden op te zeggen en daar is bij deze ceremoniën altijd vraag naar. De gastheer geeft het wierookvat aan zijn vrouw, wier plicht het is toe te zien, dat de damp van den wierook elk deel van het huis bereikt. Daarna verbreekt de gastheer de stilte met het volgende gebed: “Laat ons, o broeders, zeer eerbiedig bidden tot den almachtigen Heer, onzen God, en tot de heilige Drieëenheid! O Heer, Gij almachtig en genadig Schepper van Hemel en Aarde, bevrijd ons, wij bidden het u, van alle onvoorziene kwaad! O, Heilige George! (hier noemt hij den naam van den beschermheilige, wiens feest zij vieren) onze beschermheilige, bescherm ons en wees onze voorspraak bij den Heer onzen God; wij, die hier verzameld zijn, vragen het u. Gij heilige Apostelen, gij vier Evangelisten en pilaren, op wie de hemelen en de aarde rusten, wij, die zondaars zijn, smeeken om uwe bemiddeling;” enz. Als het gebed is geëindigd, maken de gasten verscheidene malen het teeken des kruises en dan begint het avondeten.

[Inhoud]

Slava toasten.

Gedurende de eerste twee of drie gangen gaan de gasten door met cognacdrinken; wijn wordt niet gepresenteerd, voordat zij vleesch hebben genomen. Bij het drinken van het eerste glas wijn brengt de oudste gast, of de voornaamste in rang (gewoonlijk is het de dorpsgeestelijke of de burgemeester) den eersten toast, waarvan evenals van alle volgende de bewoordingen door de traditie zijn bepaald. In sommige deelen van [49]Servië brengt de gastheer zelf den eersten toast op den aanzienlijksten van zijne gasten uit, door tot hem de volgende woorden te richten: “Ik dank u, evenals al uw broederen, voor de eer, die u mij genadiglijk bewijst mijn slava met uw tegenwoordigheid te vereeren. Laat ons het eerste glas drinken ter eere van den genadigen God. Waar wijn in zijn naam gedronken wordt, daar moge altijd voorspoed zijn.” De voornaamste gast aanvaardt den toast, maakt het teeken des kruises en antwoordt in de volgende bewoordingen: “Ik dank u zeer, vriendelijke en milde gastheer! Moge uw slava u voorspoed brengen, en laat ons dit tweede glas drinken ‘op het betere uur’.” De derde toast is meestal ter verheerlijking van de Drieëenheid. In het Servisch: Tretya-sretya, sve u slavu Svete Troyitze!

In enkele deelen van Servië worden er zeven of zelfs meer heildronken gebracht, maar deze gewoonte vertoont gelukkig neiging om te verdwijnen.

[Inhoud]

De ceremonie in de kerk.

Den volgenden morgen staan al de leden der familie vroeg op, om het huis weer in orde te brengen, en de svetchar gaat naar de naaste kerk. Hij neemt de kolyivo, de kolatch, wat wijn, wierook en een waskaars mee. Al deze dingen plaatst hij voor het altaar, waar zij gedurende den ochtenddienst moeten blijven, waarna de dienstdoende priester in de slavakoek van onderen insnijdingen maakt, die overeenkomen met de lijnen van het kruis aan de oppervlakte. Daarna breekt hij de koek en draait die in een cirkel met behulp van den Svetchar, terwijl zij samen zekere gebeden opzeggen. Nadat deze ceremonie geëindigd is, neemt de gastheer de eene helft van de koek, en laat de andere helft voor den priester. Indien de kerk ver af ligt en de gastheer niet lang van huis kan zijn, dan mag de slavakoek in zijn eigen huis door hem in tweeën worden gesneden met behulp van zijn mannelijke gasten, onder het opzeggen van de voorgeschreven gebeden; terwijl zij in een kring staan, houden zij de koek zoo, dat hun duim er op is geplaatst en zij haar met vier vingers ondersteunen. [50]

[Inhoud]

Het slava-feest.

Tegen den middag, eenige minuten voordat de zon haar hoogste punt bereikt, wordt een deel van de slavakoek op de tafel geplaatst met een aangestoken kaars. Aan dit maal in den middag worden gewoonlijk veel meer gasten genoodigd dan bij het avondeten van den vorigen avond, bovendien heeft op dezen dag zelfs een vreemdeling—welke zijn godsdienst ook moge zijn—het recht het huis binnen te gaan en gastvrijheid te verlangen. De koninklijke Prins Marko had bijvoorbeeld veel vrienden onder de Turken en zij kwamen altijd als gast op zijn slavadag. Al de gasten verheffen zich tegelijk van hun zetel, maken met grooten eerbied een kruis, en in volmaakte stilte, met gevulde glazen, wachten zij op de toespraak, die de Svetchar zal houden. Weer worden er drie of misschien meer heildronken uitgebracht en aanvaard en natuurlijk worden even dikwijls de glazen geledigd en weer gevuld, zelfs nog voor het maal van den middag is begonnen. Etend en drinkend ter eere van God, de heilige Drieëenheid, de heilige slava, en zoo voort, blijft men bijeen, tot laat in den nacht, wanneer de gasten zich herinneren, dat het tijd is om naar huis te gaan. Velen brengen echter den geheelen nacht in het huis door en blijven ook nog den volgenden dag. Eenige vereerders van goeden wijn ontzagen zich soms niet drie achtereenvolgende dagen en nachten te blijven. Deze buitengewone toewijding aan de heiligen werd vooral betoond te Nish en in den omtrek daarvan, en leverde den beroemden Servischen romanschrijver Stephanus Strematz de stof voor een van de mooiste en zonder twijfel een van de geestigste romans, die in Servië geschreven zijn.

[Inhoud]

De dag voor Kerstmis.

Een ander feest, dat de Serviërs evenals andere volken met vele plechtigheden en gebruiken van onmiskenbaar heidenschen oorsprong vieren, en dat aller hart met vreugde vervult, is het Kerstfeest. Het is zelfs een bekende zegswijs van de [51]Serviërs, dat “er geen dag is zonder licht—noch eenige werkelijke vreugde zonder Kerstmis.”

In den regel staat de Servische boer vroeg op, maar op den dag voor Kerstmis (Badgni dan) is ieder nog vroeger dan gewoonlijk bij de hand. Want het is de dag, waarop ieder lid van het gezin de handen vol werk heeft. Twee of meer der jonge mannen worden van elk huis uitgezonden naar het bosch11 om een jongen eikenboom te hakken en thuis te brengen, die Badgnak wordt genoemd. (De afleiding van het woord ligt in het duister, het is waarschijnlijk afkomstig van den naam van een heidenschen God.)

Als de jonge man, die den boom moet hakken, hem heeft uitgekozen, knielt hij neer en woorden van begroeting prevelend en het bij deze gelegenheid gebruikelijk gebed opzeggend, werpt hij er een handvol koren naar toe; daarna maakt hij driemaal het teeken des kruises en draagt dan zorg den kant, waar hij begint met hakken zoo te kiezen, dat de boom naar het Oosten moet vallen en wel juist op het oogenblik, dat de zon zich boven den horizon vertoont. Hij moet er ook op letten, dat de boom bij het op de aarde vallen geen takken aanraakt van een nabijstaanden boom, anders zou meer dan waarschijnlijk de voorspoed van het huis in het komend jaar worden verstoord. De stam van den boom wordt nu in drie blokken gehakt, waarvan het eene wat langer is dan de beide andere.

Tegen den avond, als alles gereed is en al de leden van de familie verzameld zijn in de keuken, het voornaamste vertrek in de woning, wordt een groot vuur ontstoken en het hoofd van de familie brengt plechtig de Badgnak binnen, die hij zoo op ’t vuur plaatst, dat het dikke einde ongeveer 30 c.M. buiten den haard blijft; ondertusschen spreekt hij op luiden toon zijn goede wenschen uit voor den voorspoed van het huis en alle bewoners. [52]

Op dezelfde manier brengt hij de andere deelen van den Badgnak binnen, en als ze alle drie branden, pakken de jonge herders het grootste blok vast, want zij gelooven door zoo te doen zich de gehechtheid hunner schapen aan haar lammeren te verzekeren, van de koeien aan haar kalveren en van alle andere dieren aan haar jongen.

Op dit oogenblik brengt het oudste lid der familie een bos stroo en overhandigt dien aan de huisvrouw, aan wie hij tegelijkertijd “een goede en gelukkige Badgni dan” wenscht. Dan werpt zij een handvol koren naar hem toe, dankt hem voor het stroo en begint in de keuken en aangrenzende kamers het stroo op den vloer uit te strooien onder het nabootsen van het geklok der hennen, terwijl de kinderen haar vroolijk volgen en de geluiden nabootsen, die jonge kuikens maken.

Terwijl de kinderen haar vroolijk volgen

Indien dit gedaan is, moet om te beginnen de moeder een gele kaars brengen en een aarden bak, gevuld met brandende kolen.

De vader maakt weer eerbiedig een kruis, steekt de kaars aan en doet wat wierook op de asch. Intusschen hebben de overige familieleden zich al in een halven kring opgesteld, waarbij de mannen rechts en de vrouwen links staan. Nu gaat de vader overluid gebeden opzeggen en loopt van het eene einde van den halven kring naar het andere; voor ieder staat hij een korte poos stil, opdat de damp van den rookenden wierook in het wierookvat, dat hij in zijn rechterhand houdt, ieder op zijn beurt in het gelaat komt. De gebeden, die zij bij deze gelegenheid opzeggen, duren ongeveer vijftien of twintig minuten en verschillen in bijna elk district. Na vijftien gebeden nemen zij allen plaats voor het avondeten, dat niet neergezet is op een tafel, maar op den grond. Want het wordt als een goede orthodoxe gewoonte beschouwd om op den avond voor Kerstmis zakken over den steenen of leemen vloer te leggen en kussens in plaats van stoelen te gebruiken. Gedurende het avondeten, waarbij geen vleesch wordt gebruikt, drinkt de huisvader met geestdrift heildronken op de Badgnak, daarbij gelijktijdig zijn wenschen uitsprekende voor hun aller [53]voorspoed in het nieuwe jaar. Hij giet ook een glas wijn over de uitstekende einden van het blok. In verscheidene deelen van Servië vasten al de boeren—mannen, vrouwen, zelfs kleine kinderen—de vijf en veertig dagen voor Kerstmis; zij onthouden zich van vleesch, eieren en melkspijs en eten eenvoudig groenten en vruchten.

Als het avondeten voorbij is, gaat de geheele familie naar bed, behalve een der jonge mannen, die bij het vuur blijft, om toe te zien, dat de Badgnak niet geheel verbrandt en het vuur niet uitdooft.

[Inhoud]

Kerstdag.

Algemeen neemt men aan, dat de plechtigheden en gebruiken bij dit kerkelijke feest, dat wij Serviërs in onze eigen taal Bojitch noemen, wat “de kleine God” beteekent, niets anders zijn dan min of meer gewijzigde vormen van aanbidding van den heidenschen god Dabog (of Daybog), dien wij al genoemd hebben.

Onze heidensche voorouders waren gewoon een varken aan hun zonnegod te offeren en in onzen tijd is er geen enkel huis in geheel Servië, waar met Kerstmis niet als een van zelfsprekend feit, gebraden varkensvleesch wordt opgediend. De mannen en jongens van het gezin staan op dien dag heel vroeg op, om een groot vuur op het erf aan te leggen en een speenvarken aan een spit te braden, waarvoor alle voorbereidselen op Badgni dan gemaakt zijn. Op het oogenblik, dat men het kleine varken boven het vuur houdt, wordt er om het te begroeten, heftig met pistolen of geweren geschoten. Daar schot na schot valt, is het duidelijk, dat het geheele dorp in beweging is. Want bijna al de gezinnen in het dorp houden deze gewoonte in eere en elke jongeman beschouwt het als zijn natuurlijke plicht een pistool af te schieten, zoodat de naburige heuvelen telkens weergalmen, alsof er een aanhoudende schermutseling plaats heeft. Nog vroeg in den morgen gaat een der meisjes naar den gemeenschappelijken put om drinkwater te halen, en als zij den put bereikt, brengt zij hem haar groet, [54]wenscht hem een gelukkigen Kerstmis en werpt er gelijktijdig een handvol koren en een bosje of soms alleen een takje bazielkruid in. Het koren wordt geofferd in de hoop, dat de oogst even overvloedig moge zijn als het water, en van het bazielkruid verwacht men, dat het het water altijd helder en zuiver houdt. De eerste beker water, dien zij ophaalt, wordt gebruikt voor het maken van een koek (Thesnitza), die aan den middagmaaltijd in evenveel stukjes wordt gebroken, als het gezin leden telt. Een zilveren geldstuk wordt in het deeg gedaan en hij of zij, die het vindt, wordt beschouwd als een lieveling van het geluk in het komende jaar.

Gedurende den morgen verwacht elk huis een bezoeker (polaznik), die gewoonlijk een jonge knaap is uit een naburig huis. Als de polaznik het huis binnen gaat, breekt hij een klein takje van het einde der smeulende Badgnak, terwijl hij het hoofd van het gezin begroet met de woorden: “Christus is geboren!” en al de anderen antwoorden hem met den kreet “waarlijk, Hij is geboren.” De moeder werpt een handvol tarwe naar hem toe. Dan nadert hij den haard en slaat herhaaldelijk op de Badgnak met het takje, dat hij afgebroken heeft, zoodat duizenden vonken den schoorsteen in vliegen, daarbij spreekt hij zijn heilwenschen uit: “Moge de Heilige Kerstmis dit huis even veel schapen, even veel koeken, even veel bijenkorven (en zoo voort) geven, als er vonken in dit vuur zijn!” Dan legt hij op de Badgnak, hetzij een zilveren, hetzij een gouden geldstuk, dat het hoofd van het gezin behoudt om den smid te geven teneinde het door het ijzer te smelten als zijn nieuwe ploeg wordt gemaakt, want, naar hij meent, is dit een onfeilbaar middel om den grond vruchtbaarder te maken en van tegenspoed bevrijd te blijven. De polaznik wordt natuurlijk uitgenoodigd te blijven en deel te nemen aan den maaltijd en daarna wordt hem een koek voorgezet, die ook een geldstuk bevat, soms van goud, soms van zilver.

Na den maaltijd gaan al de jongelieden naar buiten om de een of andere sport te beoefenen, meestal sledevaren, terwijl de ouderen zich verzamelen rondom een gooslar (een nationalen [55]zanger) en veel, ja eindeloos vermaak scheppen in het luisteren naar zijn voordracht van hun oude balladen.

[Inhoud]

De Dodola, een godsdienstige plechtigheid.

De onheilen, die de Servische boeren het meest vreezen, zijn van tweeerlei aard—droogte en zeer hevige stormen. In de heidensche tijden was er een godin, die, naar men geloofde, heerschappij had over de wateren en den regen. Toen de Serviërs tot het christendom bekeerd waren, kenden zij de macht om den oceaan, rivieren en stormen te bedwingen aan St. Nicolaas toe; en de Dalmatiërs, zeevarende lieden, bidden nog altijd alleen tot hem; terwijl men in het hartje van Servië, waar de boeren geen begrip hebben van wat groote schepen, en nog minder van wat zeeën en meren zijn, zijn toevlucht neemt tot de geliefde godin Doda of Dodola, telkens als er een overmatig lange droogte heerscht.

De Dodola is een zeer bijzondere godsdienstige plechtigheid. Gewoonlijk wordt een Zigeunermeisje ontkleed en dan dicht omwikkeld met gras en bloemen, zoodat zij er bijna geheel onder verborgen is. Zij draagt een wijden krans van wilgentakken, doorweven met wilde bloemen om haar middel en heupen en in dit fantastisch gewaad moet zij in het dorp dansende van huis tot huis gaan, terwijl elke huisvrouw een emmer water over haar uitstort en degenen, die haar vergezellen een lied zingen, dat tot refrein heeft: Oy Dodo, oy Dodole.

Val, o regen! en lieflijke dauw!

Oy, Dodo! Oy Dodole!

Verfrisch onze weiden en akkers!

Oy, Dodo! Oy Dodole!

In elken volgenden regel wordt telkens voor een andere graansoort of een andere plant aan Doda gesmeekt er spoedig regen op te doen vallen. Dan geven de vrouwen van de kleine hoeven haar geschenken, hetzij voedsel of geld; en de meisjes zingen andere liederen voor haar, altijd in hetzelfde rhytme, bedanken, bieden haar goede wenschen aan en vertrekken. [56]

[Inhoud]

De Pinksterdagen.

Gedurende de Pinksterfeesten gaan ongeveer vijftien meisjes, meestal Christen-Zigeunerinnen, van wie een de Banierdraagster, een andere de koning en weer een andere de koningin (kralyitza) voorstelt, gesluierd en begeleid door een groot aantal eerejonkvrouwen van deur tot deur zingende en dansende het geheele dorp door. Haar liederen hebben betrekking op het huwelijk, de keuze van een man of vrouw, het geluk van het huwelijksleven, de zegen van het bezit van kinderen. Op elk vers van haar liederen volgt het refrein, Lado, oy, Lado-leh!, wat waarschijnlijk de naam is van de oude Slavonische God der Liefde.

[Inhoud]

Palmzondag.

In den winter, juist voor den vastentijd, wordt het groote feest ter eere van den Dood gevierd, waarbij allen plechtig hun gestorven bloedverwanten en vrienden herdenken en zoodra komt niet Palmzondag, of allen vereenigen zich in de viering van het nieuwe leven.

Den voorafgaanden Zaterdag verzamelen de meisjes zich op een heuvel en dragen verzen voor over de Opstanding van Lazarus en op Zondag, voor zonsopgang, komen zij op de plaats samen, waar zij water putten en dan voeren ze haar landelijke dansen (kollo) uit, terwijl zij daarbij een lied zingen waarin o.a. wordt meegedeeld, dat het water dof wordt door het gewei van een damhert en helder door zijn oog12.

[Inhoud]

St. George’s Dag.

Met St. George’s Dag, 23 April (Dyourdyev Dan), lang voordat de dag aanbreekt, staan al de leden van een Servisch gezin op en nemen een bad in het water, waarin den vorigen dag voor zonsondergang een aantal grassen en bloemen zijn geworpen—waarvan elk zijn bijzondere beteekenis heeft. Van hem, die niet tijdig opstaat en door de zon in bed wordt verrast, wordt gezegd, dat hij in ongenade is gevallen bij [57]St. George en dientengevolge maar weinig of geen geluk zat hebben, bij al wat hij in de eerstvolgende maanden onderneemt.

Men ziet in deze plechtigheid een bewijs, dat de Servische boeren daarmee hun onafhankelijkheid van de verschillende invloeden der opnieuw ontwakende natuur verzinnelijken.

Ieder, die hun volksgewoonten bestudeert, zal opmerken, dat elk jaargetijde op zijn beurt de Serviërs noopt, wat bij een eenvoudig primitief volk ook zeer begrijpelijk is, om ceremoniën in acht te nemen, die wijzen op de geheimzinnige betrekking, waarin de mensch tot de natuur staat. [58]


1 De mannelijke leden van een Servische familie blijven na hun huwelijk in het ouderlijk huis wonen. Indien het huis te klein is, om het jonge paar te huisvesten, wordt het familiehuis met een bijgebouw vergroot. Op deze manier kan het huis tot in het oneindige uitgebreid worden en het is bekend, dat wel tachtig leden van een familie samen hebben gewoond. Zulke familievereenigingen worden “zadrooga” genoemd. 

2 Een van de hoofdpersonen in het drama van koning Nikita “De Keizerin van de Balkanstaten” is een krijgsman, genaamd Peroon. 

3 Zie Prins Marko en de “Veela” bladz. 104. 

4 Zie De dood van “Marko” bladz. 117. 

5 Zie “Het bouwen van Skadar” bladz. 198. 

6 Monnik Marcus van Seres: Ζήτησις περί βουλχολάχων, ed. Lambros; Νέος Ἑλληνομνήμων I (1904) 336–352. 

7 Pleiaden zijn ook bekend onder den naam Sedam Vlashitya. 

8 Zie “De Tsarina Militza en de Zmay van Yastrebatz” bladz. 130. 

9 Een Servisch woord van Turkschen oorsprong. 

10 Deze persoon is gewoonlijk een broer of een zeer intieme vriend van den bruigom. Hij komt eenigszins overeen met den bruidsjonker, maar zijn functies zijn gewichtiger, zooals blijken zal. 

11 Bosschen werden tot kort geleden beschouwd als gemeenschappelijk eigendom. Zelfs in onze dagen staat het iederen boer vrij een Badgnak-boom te hakken in welk bosch hij wil, al is het ’t eigendom van vreemdelingen. 

12 Aangehaald door den historicus Leopold von Ranke.