De wraak van Marko.
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Prins Marko was reeds bij hen, terwijl hij zijn glinsterend zwaard zwaaide. Onmiddellijk verspreidden de twaalf Turken zich als een zwerm musschen, die verschrikt werden door een roofvogel. Marko viel den vizier aan, en kliefde met zijn sabel zijn hoofd. Daarna achtervolgde hij de twaalf krijgslieden; elk hunner hieuw hij, door hun Turksche sjerp heen, doormidden.
Daarna stond hij een oogenblik in twijfel: “O, wat moet ik nu doen? Moet ik naar den Sultan te Yedrenet gaan, of deed ik misschien beter terug te keeren naar mijn witte kasteel te Prilip?”
Na lang beraad kwam hij tot het besluit, dat het beter zou zijn naar den Sultan te gaan en zelf verslag te doen van wat er was gebeurd, dan zijn vijanden gelegenheid te geven hem te belasteren bij den Padishah.
Toen Prins Marko te Yedrenet kwam, werd hij onmiddellijk in de raadszaal door den Sultan ontvangen.
Een dichter zegt in de beschrijving van Marko’s oogen, dat ze even helder en wreed waren als die van een [109]hongerigen wolf; en de Sultan werd verschrikt door het bliksemend licht, dat er uit straalde. Hij achtte het verstandig geen hoogen toon aan te slaan en zei daarom vriendelijk tot den held: “O, mijn lieve zoon Marko, waarom zijt gij heden zoo verstoord? Hebt gij misschien gebrek aan goud?”
Prins Marko vertelde den Sultan, wat gebeurd was met zijn vizier Amouradh; geen enkele bijzonderheid hield hij voor zich. Toen hij zijn verhaal geëindigd had, schudde de Sultan van het lachen en stelde Prins Marko gerust: “Dat slechts zegeningen uw deel zijn, mijn lieve zoon Marko!” zei hij. “Indien gij u anders hadt gedragen, dan zou ik u niet mijn zoon genoemd hebben. Iedere Turk kan vizier worden, maar er is geen held, die zich met Marko meten kan!” Bij deze woorden stak de Sultan zijn hand in zijn met zijde gevoerden zak; haalde er een beurs met duizend dukaten uit en bood haar Prins Marko aan met de woorden: “Neem dit aan als een gift van mij, o liefste zoon Marko, drink wat wijn en ga in vrede!” Marko was gansch niet ongeneigd de beurs te aanvaarden en verliet de raadszaal.
Het was echter geen vriendelijkheid, die den Sultan tot deze schijnbare edelmoedigheid jegens Marko dreef; integendeel, hij was buitengewoon bang voor hem en verlangde slechts naar zijn spoedig vertrek.