WeRead Powered by ReaderPub
Heldensagen en Legenden van de Serviërs cover

Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 94: Historische data.
Open in WeRead

About This Book

This collection assembles epic poems, ballads, and folktales drawn from an oral national tradition, opening with historical and cultural background and chapters on beliefs and customs. It presents long heroic narratives about legendary princes and leaders, a set of popular ballads, and numerous shorter folk tales that feature supernatural beings, tests of virtue, marriage motifs, animal helpers, trickery, and moral lessons. The volume also offers explanatory notes, a glossary, anecdotes, and colored illustrations that accompany many selections, providing both storytelling variety and ethnographic context.

[Inhoud]

Hoofdstuk V: Banovitch Strahinya.

[Inhoud]

Historische data.

De ballade, die op Banovitch Strahinya betrekking heeft, is een van de mooiste en beroemdste, die de naamlooze barden van de middeleeuwen voortbrachten. De schrijver was waarschijnlijk een dienaar van een van Banovitch’ afstammelingen en benutte een paar historische en biografische data, die hij gevonden moet hebben in de manuscripten, welke aan zijn heer toebehoorden of die zich bevonden in de andere kasteelen, die hij nu en dan bezocht.

Prins Ourosh (van de dynastie der Nemany’s) huwde met Helene, een Fransche prinses van het huis de Courtenay en door haar onderhield hij vriendschappelijke betrekkingen met het Fransche hof van Karel van Anjou in Napels. Hiervan maakte hij gebruik om te onderhandelen over een verdrag tusschen Serviërs en Franschen ter verdeeling van het Byzantijnsche rijk.

Eenige Servische historici zijn de meening toegedaan, dat Banovitch Strahinya werkelijk de doorluchtige Strashimir Balshitch-Nemanyitch was, die te zamen met zijn twee broers van 1360–1370 in Skadar, de hoofdstad van Noord-Albanië, regeerde en een afstammeling was van de oude Provencaalsche familie des Baux.

In de eerste geschriften, waarin hij voorkomt, is de naam Baux gelatinizeerd en werd dus Balcius, terwijl de leden der familie, die aan het Hof te Napels verkeerden, hun naam in Italiaanschen vorm goten en zich Balza noemden. Verder veronderstelt men, dat deze Seigneurs des Baux, die den Italiaanschen naam aannamen, door huwelijk met het koninklijk huis van Nemanyitch vermaagschapt werden.

Bij hun vestiging in Servische landen veranderden zij hun geslachtsnaam dan in Balsha of Balshitch—itch of ich of ic is de eigenaardige uitgang van de meeste Servische namen.

Skadar was in dien tijd nog de hoofdstad van Zeta [121](het Montenegro van de moderne tijden). De dappere Nicholas I Petrovitch, de tegenwoordige koning van Montenegro, stamt uit een zijlinie van Balshitch af. Deze werd door de Groote Mogendheden genoodzaakt de stad te ontruimen, nadat hij ze dank zij den heldenmoed van zijn troepen veroverd had. Overal, het geheele koninkrijk door, improviseeren de Servische barden balladen, waarin zij voor volgende geslachten de droeve gebeurtenissen van den tegenwoordigen tijd bewaren, gelijk hun voorouders dat deden met de heldendaden van Strahinya. Maar laat ons terugkeeren naar de geschiedenis van Banovitch, zooals die in de oude ballade wordt gegeven.

[Inhoud]

De Valk Banovitch.

In de eerste verzen beschrijft de bard den held en looft hem als “een valk zonder wederga.” Hij vertelt van de bevelen door Banovitch aan zijn dienaren en pages gegeven met betrekking tot de voorbereidselen, die voor hem zelf getroffen moeten worden; voor zijn getrouw paard Dyogo, en den hazewind Caraman, zijn onafscheidelijken metgezel. Hij gaat echter niet op jacht; hij is voornemens den bejaarden Youg Bogdan te bezoeken en is gekleed in louter zijde en fluweel, prachtig met goud geborduurd.

Bogdan, zijn geliefde schoonvader, resideert in zijn weelderig kasteel in Kroushevatz. De oude man verheugde er zich in hem te zien. Zijn negen zoons en hun vrouwen, evenals de schoonzoons van Bogdan, waarvan er een in rechte lijn van koning Nemanya afstamde, begroetten hem hartelijk.

Terwijl zij aan het feestvieren waren, werd er een brief gebracht van de moeder van Banovitch, waarin zij hem mededeelde, dat zeer talrijke Turksche horden op de vlakte van Kossovo gekampeerd waren. Strahinya greep den brief en las met ontzetting den vloek zijner moeder: “Wee u en uw feestvreugde in het vervloekte kasteel van den vader uwer vrouw!” [122]

In den brief werd verder medegedeeld, dat een hoofdman, Vlah-Ali, een even trotsch als hooghartig man, en onafhankelijk niet alleen van Mehmed, den groot-vizier, maar ook van Sultan Amouradh zelf, zijn kasteel had aangevallen, veroverd en geplunderd, zijn bedienden gevangen genomen en zijn vrouw had meegenomen naar zijn tent op een berg bij de vlakte van Kossovo, waar zij naar het scheen zonder eenigen tegenzin bleef. Youg Bogdan, die de smart van Strahinya opmerkte, vroeg hem ongerust of er iets niet in orde was, of hem iets in zijn kasteel ontbrak, of een van zijn familieleden hem had beleedigd. Banovitch dankte zijn schoonvader en verzekerde hem, dat een geheel ander ongeluk hem bedroefde, waarop hij den brief hardop voorlas. Banovitch verzocht Youg Bogdan zijn zoons toe te staan hem te vergezellen naar de vlakte van Kossovo, daar hij besloten was zijn vrouw te redden uit de handen van den vijand. Maar Youg Bogdan, die van oordeel was, dat het slechts dwaasheid zou zijn, indien zoo weinigen duizenden bloeddorstige Turken tegemoet traden, raadde Banovitch met klem aan de gedachte te laten varen. Hij beloofde zelfs een mooiere bruid voor hem te zoeken, die hem meer waardig zou zijn dan zijn eigen ontrouwe dochter. Maar Strahinya bleef bij zijn besluit en overtuigd van het gemis aan ridderlijkheid bij zijn schoonvader, spoedde hij zich naar de stallen, weigerde, zoo groot was zijn minachting, de hulp van Bogdans bedienden, zadelde Dyogo en steeg onmiddellijk op en reed vol verontwaardiging en droefheid weg. Toen hij het plein afreed, herinnerde hij zich plotseling Caraman, daarom floot hij en onmiddellijk snelde Caraman naar zijn meester en troostte hem.

[Inhoud]

Banovitch zoekt den Turk.

Zoo reed Banovitch over velden en over bergen recht naar Kossovo met moed en blijheid, want zijn hond was hem zelfs nog dierbaarder dan zijn paard. Te Kossovo [123]gekomen zag hij de vlakte bedekt met tenten en soldaten, en toen hij er naar keek, voelde hij iets als vrees in zich; maar ondanks dat riep hij den naam van den waren God aan, en vermomd als een Turk doorkruiste hij de vlakte. Gedurende verscheidene dagen zocht hij, maar helaas! te vergeefs, de tent van Vlah-Ali. Eindelijk, aan de oevers van de Sitnitza gekomen, zag hij een ruime, groene tent. Op de middenpaal glinsterde een gouden appel; voor den ingang stond een Arabisch paard en trappelde vurig met zijn voorpooten op den grond. Strahinya meende stellig, dat dit de tent moest zijn van Vlah-Ali en hij zette zijn Dyogo krachtig aan. In een oogenblik had hij de tent bereikt met zijn lans in de hand en schoof stoutmoedig het zijden gordijn terzijde, dat den ingang bedekte. Tot zijn teleurstelling zag hij, dat de eenige aanwezige in de tent een oude derwisch was met een witten baard, die hem tot aan de knieën reikte. De oude man dronk wijn, iets wat hem verboden was door de wetten van zijn orde, en hij beantwoordde den groet van Strahinya, die goed Turksch sprak, met een diepen salaam. Toen zei de derwisch tot verbazing van Strahinya: “Heil u! o Banovitch Strahinya, heer van Klein Banyska bij Kossovo!”

Banovitch werd er eenigszins door van zijn stuk gebracht, maar hij liet dit zoo weinig mogelijk blijken en vroeg: “Wie is de man, die gij Banovitch Strahinya hebt genoemd?” De halfdronken derwisch lachte luid. “Gij kunt mij niet misleiden,” zei hij, “ik zou u onmiddellijk herkennen, al ontmoette ik u op den top van den berg Goletch.” Toen vertelde hij Banovitch, hoe hij enkele jaren geleden in zijn kasteel gevangen had gezeten en zeer menschelijk behandeld was geworden, zelfs dagelijks een zekere hoeveelheid wijn had ontvangen.

Tenslotte had Banovitch hem naar zijn land laten terugkeeren om zijn losgeld te verzamelen. Toen hij zijn tehuis bereikte, bemerkte hij, dat zijn bezittingen door den Sultan waren verbeurd verklaard en zijn huis en andere eigendommen [124]aan de dochters van Pasha’s als huwelijksgift waren gegeven. Alles was woest en verlaten; hij had zijn fortuin verloren—en, voegde hij er bitter aan toe, dientengevolge al zijn vrienden—daarom had hij zich genoodzaakt gezien naar Yedrenet1 te rijden, om daar zijn diensten aan den Sultan aan te bieden. De vizier, vervolgde hij, vertelde den Sultan, dat hij er uitzag, alsof hij meer dan waarschijnlijk een goed soldaat zou zijn, waarop de Sultan hem goede kleeren en betere wapens had gegeven en de vizier liet zijn naam schrijven op den rol der krijgslieden, die gezworen hadden om voor den Sultan te vechten. “Nu”, vervolgde hij, “bezit ik geen dinar meer, stel mij, bid ik u, in de gelegenheid weer een vermogend man te worden.”

Strahinya was diep getroffen door het ongeluk van den derwisch; hij steeg van zijn paard, omhelsde hem en sprak de volgende vriendelijke woorden tot hem: “Gij zijt mijn broeder-in-God! Ik schenk u graag uw losgeld kwijt, en zal u nooit een dinar vragen; dat kunt gij mij echter vergelden: Ik zoek nu den hooghartigen Vlah-Ali, die mijn kasteel verwoestte en mij mijn vrouw ontroofde! Zeg mij, o bejaarde derwisch! Waar kan ik mijn vijand vinden? Ik smeek u als mijn broeder-in-God de Turken niet in te lichten omtrent mijn tegenwoordigheid hier, en niet toe te staan, dat zij mij met list gevangen nemen.” De derwisch was blij broeder-in-God te zijn van zulk een dapper held als Strahinya en beloofde plechtig hem steeds trouw te blijven en dat hij, al zou Strahynia ook de helft van het leger van den Sultan vernietigen, hem nooit zou verraden; maar tegelijkertijd trachtte hij Banovitch over te halen van zijn voornemen af te zien om zulk een onoverwinnelijken en ontzettenden vijand aan te vallen, wiens naam zelfs al voldoende was om de besten en braafsten met ontzetting te vervullen. Hij beschreef hem uitvoerig het bloeddorstig karakter van den onoverwinnelijken opstandeling van den [125]Padishah en gaf Banovitch ten slotte de verzekering, dat noch zijn scherp zwaard, noch zijn vergiftige speer, noch zijn paard hem iets zouden baten, doch dat de verschrikkelijke Vlah-Ali hem levend zou grijpen met zijn ijzeren vuisten zijn ledematen in stukken zou breken en zijn oogen uitrukken.

Strahinya lachte luid, toen hij dit hoorde. “O mijn broeder,” zei hij, “gij bejaarde derwisch! Gij behoeft mij niet te waarschuwen tegen één krijgsman; het eenige, wat ik u verzoek, is niet het geheele leger van den Sultan tegen mij op de been te brengen. Daar gij elken avond en elken morgen uw paarden laat drinken aan de rivier Sitnitza, moet gij weten, waar de doorwaadbare plaatsen zijn, en gij zoudt mij het rijden door de modderige diepten kunnen besparen!”

Hierop herhaalde de derwisch zijn eed, en riep uit:

Strahni-Bane, ti sokole Srpski!

Tvome Dyogu i tvome junashtvu

Svud su brodi, dyegody dodyesh vodi!2

Banovitch ging de rivier over en reed zonder haast naar den berg Goletch. Hij was nog aan den voet van den berg, toen de ochtendzon de vlakte van Kossovo bescheen, en de tenten en de wapenrustingen der soldaten deed glinsteren.

[Inhoud]

De trouwelooze echtgenoote.

Wat deed de machtige Vlah-Ali, toen de dageraad kwam? De gewoonte van den Turk was den slaap slechts te zoeken bij zonsopgang. “Hoe dierbaar zijn nieuwe slavin, de echtgenoote van Strahinya, hem was,” verhaalt de bard, “kan men begrijpen, als ik vertel, dat hij zijn oogen sloot met zijn hoofd op haar ivoren schouder.” De trouwelooze [126]vrouw sliep niet; door de deur der tent keek zij over het slapende kamp. Plotseling wekte zij haar nieuwen heer en wees met schrik naar de gestalte van een naderend ruiter, in wien zij haar waren echtgenoot had herkend.

Eerst lachte de Turk over haar angst en zei, dat het slechts een gezant van den Sultan kon zijn.

“Waarlijk,” zei hij, aanstalten makend om weer te gaan rusten, “Strahinya zal het niet wagen de tent te naderen!”

Spoedig werd Vlah-Ali weer door zijn gezellin gewekt, die hem zei, dat de ruiter geen boodschapper van Amouradh was, maar haar eigen echtgenoot, Banovitch Strahinya zelf, en zij waarschuwde Vlah-Ali, dat hij in levensgevaar verkeerde.

Nu sprong de machtige Vlah-Ali op, bond een lange, zijden sjerp om, bevestigde daarin een scherpe, glinsterende yataghan, gordde snel zijn blinkend zwaard om, en zat weldra stevig in zijn zadel.

[Inhoud]

Het gevecht.

Een oogenblik later verscheen Banovitch, en de ontzettende strijd tusschen de twee kampioenen begon—helden van bijna dezelfde vermaardheid, ofschoon niet van dezelfde kracht.

Strahinya overlaadde zijn tegenstander met verwijten en schampere woorden en Vlah-Ali antwoordde met even beleedigende termen. Maar zij vochten niet alleen met woorden; Banovitch gaf Dyogo de sporen en wierp met groote kracht zijn speer, die de machtige Turk in zijn uitgestoken handen opving en in stukken brak.

“O Strahinya,” riep hij spottend, “gij noemt mij een lafaard. Weet gij tegen wien gij spreekt? Hier is geen vrouw van uw Servisch land, die door uw bedreigingen verontrust kan worden; gij hebt hier te doen met den machtigen Vlah-Ali, die noch den Sultan, noch den groot-vizier vreest, ja, zelfs niet de ontelbare horden, waarover zij bevelen! Allen te zamen, zijn zij voor mij niets dan [127]een zwerm mieren!” Aldus sprekende, hield hij zijn forsch paard vlug in en zond zijn speer fluitend door de lucht. Zoo recht ging zij op Strahinya’s borst af, dat hij zeker getroffen zou zijn, indien de rechtvaardige God hem niet had geholpen. Dyogo, die gewoon was aan tweegevechten, knielde snel en op het juiste oogenblik, zoodat het wapen van den Turk over het hoofd van Banovitch vloog en tegen een rots stootte, waar het in drie stukken brak.

Nu hun speren vernield waren, grepen de verwoede krijgslieden naar hun zware knotsen en snelden op elkaar toe. Hun slagen vielen dof en snel, totdat Vlah-Ali Strahinya zoo geweldig raakte, dat hij verdoofd werd en voor op den nek van Dyogo viel. Weer stond de ware God Strahinya bij; zijn geliefd grijs paard, geoefend in zulke worstelingen, bewoog zijn kop en nek zoo behendig, dat zijn meester terug viel in het zadel. En nu raakte Strahinya op zijn beurt den schouder van zijn tegenstander met groote kracht. Maar de machtige Turk bleef oogenschijnlijk ongedeerd zitten, ofschoon de pooten van zijn paard nu tot aan de knieën wegzonken in de zwarte aarde.

En zoo ging het gevecht voort, totdat de strijders elkaars knotsen braken en naar hun zwaard grepen in de hoop den strijd daarmee spoediger te beslissen. Maar zie! Het zwaard van Banovitch was geen gewoon wapen; twee sterke smeden hadden er een week aan besteed om het te vormen, en het allerfijnste staal te smelten voor het lemmet. De Turk deed een snellen houw naar zijn vijand, maar Strahinya ving het glinsterend staal met zijn eigen kling op en het zwaard was onmiddellijk gescheiden van het gevest. Dit verheugde Banovitch zeer en woest op den Turk aandringend, beproefde hij nu zijn tegenstander de armen af te hakken. Maar de helden waren tegen elkaar opgewassen. Vlah-Ali beschermde zijn hoofd heel handig met het overgebleven stompje van zijn zwaard, en stukje bij stukje brak hij het wapen van zijn tegenstander weg, totdat beiden weer in dezelfde omstandigheden verkeerden. Zij stegen [128]nu af en grepen elkaar stevig vast; zij zwoegden en worstelden met al hun kracht.

Eindelijk riep Strahinya, voelende dat zijn krachten opraakten, zijn vrouw toe het andere stuk van het zwaard van den Turk te nemen en den strijd te beslissen door hetzij zijn hoofd, hetzij dat van Vlah-Ali er mee te klieven. Daarop riep Vlah-Ali: “Mijn lieveling! O, gij vrouw van Strahinya! Raak mij niet, maar raak liever Banovitch, daar gij hem nimmer meer dierbaar kunt zijn; hij zal u steeds laken en hoonen. Maar gij zult mij altijd zeer dierbaar zijn. Ik zal u geleiden naar Yedrenet, dertig meisjes zullen daar zijn om u te bedienen, om uw statiekleed te dragen en uw wijde mouwen. Met bonbons zal ik u voeden en u met gouden dukaten bedekken van het hoofd tot de voeten!”

Vrouwen zijn gemakkelijk te misleiden door mooie woorden; en zoo sprong de vrouw van Strahinya op, raapte het scherpe lemmet van den grond, en wikkelde het zorgvuldig in zachte zijde, want zij was bevreesd haar hand te zullen verwonden. Daarna snelde zij vlug naar de strijdende helden en zich alle moeite gevende Ali niet te kwetsen, sloeg zij heftig op het hoofd van Banovitch en doorsneed den gouden pluim en den witten helm. Het lemmet wondde het hoofd van Strahinya niet ernstig, maar het bloed stroomde snel en dik over zijn gelaat en verblindde hem bijna.

Op dit bittere oogenblik dacht Strahinya aan zijn trouwe Caraman en riep hem tweemaal.

De hond snelde verwoed op de trouwelooze vrouw toe en hield haar in bedwang,3 waardoor zij zeer ontstelde en luid gilde. Zij wierp het lemmet ver weg en greep den hond bij de ooren. De Turk, verontrust en in verwarring gebracht, keek om, ten einde te zien, wat er gebeurde. Strahinya werd zoo aangemoedigd door dit nieuwe bewijs van de trouw en het verstand van zijn hond, dat hij er [129]nieuwe kracht uit putte en van de gunstige gelegenheid gebruik maakte om zijn tegenstander op den grond te werpen en hem met zijn tanden te dooden, “zooals de wolf een lam slacht.” Daarna voerde hij zijn vrouw (die door de verstandige Caraman ongedeerd was gelaten) naar het kasteel van haar vader terug.

[Inhoud]

De terugkeer van den valk.

Toen Youg Bogdan en zijn zoons Strahinya bedekt met bloed zagen, waren zij ten hoogsten verbaasd, dat een Turk dapper genoeg was om een held als Strahinya te wonden. Maar Strahinya vertelde hun het schandelijk gedrag van zijn vrouw, en het verhaal maakte Youg Bogdan zoo woedend, dat hij zijn zoons beval hun zuster met hun zwaard te doorsteken. Maar de altijd ridderlijke Strahinya verzette zich hiertegen en riep uit: O, mijn schoonbroeders, zoudt gij u heden met schande bedekken? Tegen wie zoudt gij uw zwaard trekken? Indien gij, o broeders, zoo bloeddorstig en moedig zijt, waar waren dan uw messen en uw glinsterende zwaarden, toen ik naar de vlakte van Kossovo ging? Waarom vergezeldet gij mij toen niet, en spreiddet gij uw dapperheid niet ten toon tegenover de woeste Turken? Waarom hebt gij toen niet bewezen mijn vrienden te zijn? Ik kan niet toelaten, dat gij uw zuster doodt; ook zonder uw hulp zou ik haar zelf hebben kunnen dooden. Zij is maar een teere en gemakkelijk te misleiden vrouw! Maar ik zal haar niet dooden: integendeel, zij zal mij voortaan even dierbaar zijn als voorheen.”

De bard eindigt zijn gedicht:

Pomalo ye takiyeh younaka,

Ka’ shto beshe Strahinyityou Bane!

(“Hoe weinigen zijn de helden, die vergeleken kunnen worden met Banovitch Strahinya!”) [130]


1 Adrianopel. 

2 Deze regels worden beschouwd als de schoonste, welke ooit door eenig Servisch bard zijn geschreven; vrij vertaald beteekenen zij: “O heer Strahinya, gij roemrijke Servische valk! Gij die steeds op uw trouw paard Dyogo, en op uw eigen moed vertrouwt, zult, waar gij ook gaat, een weg vinden, waar geen gevaar u bedreigt.” 

3 Hier wijst de bard in de naïeve beschouwingen, waarmede hij zijn verhaal onderbreekt, op het verschijnsel, dat het schoone geslacht altijd op slechten voet staat met trouwe honden.