WeRead Powered by ReaderPub
Heleen cover

Heleen

Chapter 27: XXVI.
Open in WeRead

About This Book

The narrative explores the life of a young girl named Heleen, who grows up in a secluded house by a river, surrounded by a melancholic landscape that reflects her inner world. The story delves into her family dynamics, including her relationships with her mother, father, and siblings, revealing a household marked by emotional complexity and unspoken struggles. Heleen's experiences are shaped by her environment, characterized by a sense of loss and longing, as she navigates her childhood amidst the shadows of her family's past and her own feelings of empathy and attachment. Themes of isolation, familial bonds, and the passage of time permeate the text.

[Inhoud]

XXVI.

eleen gevoelde scherp, dat zijn aandeel in hun nieuwe innigheid met liefde niets gemeen had en dat zijzelf die met haar sterk ontkennen, niet alleen van gevaar en verderf, maar ook van elken dieperen zin dan die van een lieflijke en zoo al ongebruikelijke, daarom nog niet verwerpelijke omgangswijze tusschen man en meisje—, op een ander plan had gebracht.

Niets was derhalve redelijker en natuurlijker dan dat hij, op zijn fijne en bescheiden wijze nemend en genietend van wat ze hem aldus tot haar eigen vreugde aanbood en toestond, en wat hij zelfs niet meer weigeren kon, zonder haar te krenken, geenerlei belofte deed. Een instinct zeide haar, dat hij haar wellicht toch teruggewezen zou hebben, had hij de diepte en de hevigheid van haar liefde vermoed, doch hiervan zweeg ze en niet om deze reden alleen. [275]

Nimmer zei ze hem van die teedere vleierijen, waarmee ze in andere tijden andere vrienden en zichzelve had verblijd—ze achtte die vreugde door haar lichtvaardigheid verbruid—en bespaarde hem evenzoo de betuiging dat ze meer van hem dan van al haar vorige vrienden hield, tevoren in elke nieuwe illusie opnieuw gretig geloofd, door elke lichte scheiding opnieuw tot logen en ten leste tot een bespotting van zichzelf gemaakt—, want ze wilde hem op geen enkele wijze in het oude leven betrekken, niet hem ermede vereenzelvigen, noch hem iets geven, dat ze alreeds anderen gegeven en daarna weer ontnomen had. Haar zekerheid had geen betuiging van noode, maar toch ontging haar veel lieflijks zoo en ze aanvaardde dat gelaten als een redelijke vergelding.

Nimmer was hij onstuimig, hij kuste haar kalm en zacht bij komen en heengaan, lei onder het werk soms den arm om haar schouder en trok haar wel eens even en heel vluchtig tegen zich aan, terwijl hij haar in haar mantel hielp. Maar Heleen nam soms in onweerhoudbaren drang zijn hand en kuste de vingers, één voor één, zooals een kind den vader, zwijgend en met gesloten oogen hopend en vreezend tevens, dat hij in den zachten druk van haar lippen de vastheid van haar vertrouwen en de volheid van haar overgave mocht gevoelen.

Dit alles gaf een nieuwen ommekeer in haar stemmingen. De weken verdwenen in het proevend herdenken van de heerlijkheid der voorbije dagen [276]en in de verwachting naar nieuwe vreugd. Heleen’s gedachten lagen stil en haar houding tegenover zichzelf en de menschen was een blijde en volmaakte vlekkeloosheid en onzelfzuchtigheid in wil en daad, met geen ander doel, dan dat zij hem aldus bekoren zou, zonder begeerte naar eenig ander doel of loon. Der hemelen klaarte scheen verwijd tot een eeuwigheid van licht en in de broze droomen harer nachten schemerde een onleefbare gelukzaligheid, dewijl ze hem liefhad. Terwijl het zomer werd, geurde de aarde en de dagen zetten zich zwellende uit als vruchten, die hun rijpheid tegemoet gaan, hoop groeide boven rede uit; de opgang van het getij begeleidde den opgang van Heleens verwachtingen. Doch tegelijkertijd minderde de staat van haar gezondheid, ze verviel zienderoogen. De spanningen der laatste weken, slapeloosheid en koortsig slapen, het zware werk in de warme school, angst en bedwang wreekten zich in veelvuldige hoofdpijn en vermoeidheid, die haar schouders brandend knakte. Ze verborg dit voor haar vriend, opdat hij haar niet zou ontraden te blijven komen en slikte drankjes om zich staande te houden. Zijn bezorgdheid streelde haar en zijn lof voor haar ijver schonk haar kunstmatige kracht en bedrieglijk vermogen tot volhouden. Doch eens op een keer, het was een warme, gedrukte middag, voelde ze zich na langen tijd gebukt staan, plotseling duizelig-klam en tot in haar lippen wit, [277]ze keek om naar een stoel maar vreesde te vallen, als ze zich er heen begaf. Ze bleef dus staande, met het hoofd in de hand tegen de werktafel geleund, hij keek op, bemerkte het, kwam snel naar haar toe, trok haar mee naar zijn stoel en liet haar neerzitten op zijn knie. Heleen had een aarzeling ondanks zichzelf, doch hij overwon die met zijn onbevangenheid. Hij zei, Heleen moest maar voor even denken dat hij haar oom was. Heleen, na even rusten gauw hersteld en in een zachte opgetogenheid vaardig tot scherts, lachte om dien voorslag, ze kuste hem speelsch en zacht op zijn haar en noemde hem „oom Lovelace.” Een lichte jaloerschheid prikkelde haar voor het eerst, ze wist niet van waar en ook niet waarom juist nu, en ze had speelschen lust hem naar de meisjes die hij kende en zijn verhouding tot haar te vragen. Een zwoele damp sluierde hun hoofden te zamen, de onbevangenheid trok even heen. Heleen zei, met een streelende, gedempte stem: „zal ik mijn oom nu nog eens kussen?” Hij antwoordde evenzoo: „ja.… toe.… doe dat.” Maar een coquette speelschheid wakkerde in haar aan, ze trok het hoofd terug, „ik kus geen mannen” Hij plaagde, „je laat je liever kussen.” Heleen beaamde dit met peinzenden knik en overdacht, dat het werkelijk altijd zoo was geweest.… ze vergat het oogenblik.… toen drong hij aan, „maar je hebt het nu beloofd.” Heleen kuste hem nu wederom teeder en speelsch op zijn wang en [278]zóó licht of haar lippen appelbloesem waren van den boom af neergewaaid naar zijn gelaat, even tippend en weer weg. Ze lachte met bedauwde oogen en was blij en had in de handen willen klappen en schreien tegelijk om deze ongedroomde verrukking, doch zijn klein, nauwelijks merkbaar gebaar beduidde haar dat hij teleurgesteld was, hij wilde het niet doen blijken, maar deed het toch; de vreugde dáárover vervoerde Heleen, ze bukte snel het hoofd en kuste hem vier maal achtereen zacht en vast op zijn mond. Maar dat was de eerste maal in haar leven, dat ze haar bloed moest bedwingen om zich niet aan zijn borst te werpen.

Plotseling begeerde ze te weten en te hooren, wat hij ervaren had. Ze lei, opgesprongen en staande naast zijn stoel, de armen om zijn hoofd en fluisterde „was het heerlijk zoo?”—en zijn „ja” was klankloos als door een nevel van verrukking en willoosheid heen. Doch toen ze dwazelijk diezelfde woorden nog wederom vragen en wederom hooren wilde, trok hij zacht het hoofd uit haar armen terug en stond op. Hij had zijn stem en zijn glimlach hersteld om effen en koel te zeggen: „Natuurlijk was het heel prettig, het gebeurt niet iederen oom iederen dag dat hij zoo door zijn nichtje gekust wordt.” Pijnlijk verschrokken om zijn lichtvaardigheid keek Heleen hem aan, doch zag zijn oogen in donkeren ernst op de hare gericht. Ze verstond hun waarschuwing: dat ze zich hieruit niet te groot en te vast een illusie zou bouwen. [279]