XXVII.
oo goed als elke bloem en elke vrucht geleidelijk rijpt, zoo was ook Heleen geleidelijk gerijpt, maar zoo goed als er voor elke vrucht en voor elke bloem één oogenblik bestaat, dat hij voor het eerst rijp is tegenover een vorig, dat hij voor het laatst nog niet rijp was, zoo was er nu ook voor Heleen zulk een oogenblik geweest. De zomerdag was luw en lang, Heleen deed haar werk en sprak met de menschen, deed ineens haar stem jubelend opgaan—een vroolijkheid die in haar trilde als een vogel op gespreide vlerkjes—verviel dan plotseling tot stilte, waarin haar hart bang en zwaar bonsde in haar borst. De zoete bevangenheid week voor het een niet en voor het ander niet en drong haar tot alleen zijn met zichzelve, dat ze te mijden zocht. Er was iets, doch ze wilde nog niet weten, wat er was, in een warme huivering van zoete onrust trad ze den nacht tegemoet, die haar aan zichzelf openbaren zou. [280]
Toen dan lei ze zich op haar bed, zonder wil of lust tot slapen, zacht ademend in de zomernachts-schemering en wilde zich overgeven aan bezinnend zelfonderzoek. Doch een zoetvloeiende weelde welde in zachten aandrang uit de kern van haar hart en overstroomde als met golven haar geheele wezen, elke vastheid van gedachte voor zich uit en uiteendrijvend, zooals een zilvergrijs meer ieder vast ding oplicht en meevoert op de glinsterende toppen van vlotte golven naar een onbekenden oever toe. Roerloos voelde ze zich als opstijgend tot niets verkwijnen, haar hart trilde, uit haar borst worstelde zich een zucht naar boven en vervlood in het zomernachtsdonker; ze drukte vier malen achtereen zacht en vast haar tanden in haar onderlip en smaakte, zoeter dan in dag en licht, het zoet van haar eigen kussen op den mond van haar vriend. Verlangen schreide als zomerdauw uit haar oogen, verlangen lei zich als een vaste, zachte hand streelend tegen haar keel, fladderde als damp om haar hoofd, streek als huivering langs borst en schouders neer,—uit een nieuwe bezieling groeide een nieuw besef, en Heleen wist van nu af aan, en van nu af aan niet langer als een ingeprente les, dat in het volledig wezen der liefde meer van den mensch dan hart en rede, en ook meer dan oogen, mond en voorhoofd is betrokken.… Plotseling wist Heleen, wat ze haar vriend zou kunnen schenken, dat ze nooit een ander geschonken had. [281]
Wist ze waarlijk ook nu pas, dat ze hem liefhad? Was de twijfel aan eigen gevoelens, inzicht en standvastigheid, de harde vergelding van haar los vertrouwen en onbedwongen gretigheid sterker geweest dan de stem van hart en rede te zamen? Nooit had die twijfel geheel en al gezwegen en droeg in de zoetste oogenblikken herinnering uit oude tijden aan, aan andere zekerheid en ander vertrouwen, voor zeker en vast vertrouwd en nochtans uitgescheurd, afgeteerd, verworpen en vergeten. Heden was de nieuwe getuige opgestaan, welke bij elken man en bij elke vrouw in laatsten aanleg voor zijn liefde pleit en beslist—, in schroomvallige verrukking had haar bloed voor hem gesproken. Heleen wist, dat ze nu niet meer twijfelen zou. Ze ving haar tranen in haar open mond en ervoer plotseling uit hun smaak, dat ze deze zelfde tranen al eerder had geschreid en in haar mond geproefd, ze huiverde in een blijde pijn en bevond dat ze die huivering kende en die blijdschap en die pijn. Als naar een gerucht uit de verte, waaruit een oude zang zich weifelend kennen doet, luisterde Heleen ademloos, naar wat het verleden fluisterde uit de volheid van haar eigen hart: dit waren de tranen van den avond op het schoolplein, van de nachten vol van doodsverlangen, dit was de blijde pijn om den Ridder en zijn Bruid! Wat ze als nieuw-geboren in zich had willen begroeten—, het was er altijd geweest, in zuchten en tranen, in het benauwd drukken [282]van de handen tegen haar borst, in zoete ontroeringen; zwaarder en somberder in leed en doodsvrees, in angst en kwijnend voorgevoel, het was om den vogel, die voorbijvloog en dien ze niet grijpen kon, het was om den heer en de dame uit „De Fonkelende Sterren,” het was in zich alleen alles dat niet genoemd, maar wel gevoeld kan worden, het benauwde en bange, het blijde en droefgeestig-zoete. Liefdes-verlangen.… Doods-verlangen.… o, Liefde en Dood hadden eenzelfden bitter-zoeten smaak, het een was een droefgeestige verblijding, het andere een verblijde droefgeestigheid, elk van beiden kiemde in een oude herinnering en had den geur van een verkwijnende bloem.
Heleen had jaren lang genomen wat ze vond, omdat ze niet wist, wat ze zocht; ze had gekust en gekoosd in een vluchtige verblijding, de wierook en den wijn der vleierij in eenzelfde uur opgezogen en vergeten, doch de zoete vlijmen van het verlangen, dat was alsof haar hart werd losgetornd uit haar borst, en alleen in den nacht zijn weg ging tot hem, niet gekend. En dit moest dan het naar den klank langgekende, doch in wezen niet begrepene, dit moest dan hartstocht beduiden? Als een zucht uit duister woei het woord haar aan, doch grofheid en onverstand hadden het eens voor al voor haar ontluisterd, ze wendde zich af als met een wrevelen schouderschok. Dit zou moeten zijn, waarvan menschen in gesprek en geschrift getuigd hadden, dat het hen als een koorts had [283]bezeten, als een scherpe doorn het bloed uit de aderen opgetornd, als een loopend vuur in hen geteerd, als een wild beest in hen gewoed? Dit de hartstocht, die het haten na stond, die met rauwe klacht en groot gebaar omging, die nog kermen en krijten wilde in den ure-zelf, dat hij werd gestild en een geesel werd geheeten en een plaag werd genaamd en nochtans tot haar pijn en afschrik met liefde, die ze had gemeend te kennen, in eenzelfden naam en adem genoemd?
Voor haar verscheen dit alles niet—, maar wel het onvermoede uitzicht op een ongedroomd land van zwijgen, innigheid en roerloosheid, en zoo heerlijk, dat de bitterheid der vrees zich reeds mengde in het zoet van den eersten voorsmaak, daar het leven zoo weinig heerlijkheid voor haar verwezenlijkt had.
Eerder was Heleens blik, heden was voor enkele seconden haar hartslag in dien van haren vriend opgegaan—, van nu af aan zou haar geheele wezen met zijn verborgenste trillingen en windingen, pijnen en geheimen, met al datgene, dat menschen nauwelijks in zichzelven kennen en zelden aan zichzelf belijden, door het gelukkige zwijgen in hem opgaan—, zoodat ze rust in zaligheid zou smaken.
En nu ze, in zomernachtelijke, lichte verdwazing, uit elke werkelijkheid losgeraakt, deze zaligheid in haar bereiken wanend, het einde van strijd en wisselvalligheid, van dolen en tasten in donker en [284]eenzaamheid nabij meende te zien, nu voelde ze, als nooit te voren, hoe haar lichaam en haar geest, van de jaren die achter haar lagen ten doode toe waren vermoeid.
Ze viel in slaap en had een droom als een vluchtige bedwelming. Het was een zijige zomerschemer, het land en de luchten geurden koel en zoet naar erwtenbloesem. Haar vriend en zij traden elkaar tegemoet, hij nam haar in zijn armen en ze kusten elkander tot ze maar één glimlach en één blik en ten leste ook maar één enkelen adem te zamen behielden. Toen niets meer. [285]