The Project Gutenberg eBook of Henoch Arden
Title: Henoch Arden
Author: Baron Alfred Tennyson Tennyson
Author of introduction, etc.: J. J. L. ten Kate
Translator: S. J. van den Bergh
Release date: November 11, 2024 [eBook #74724]
Language: Dutch
Original publication: Arnhem: Ybe Ybes, 1887
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
HENOCH ARDEN.
HENOCH ARDEN.
ARNHEM—YBE YBES.
[V]
INLEIDING.
Met een gevoel van diepen weemoed heb ik aan de nagedachtenis des dooden de kleine dienst trachten te doen, die ik gewoon was aan de vriendschap des levenden zoo blijmoedig te bewijzen. Nu wijlen mijn vriend van den Bergh toch was gewoon van elken dichtbundel, waarmede hij onze Letterkunde stond te verrijken, mij de laatste proeve ter inzage te zenden, die dan, soms met een vraagteeken of een variant hier en daar, niet zelden met een Bravo van sympathie in margine, tot hem wederkeerde. Kon het anders? Voor meer dan dertig jaren waren wij vrienden geworden; en schoon weldra de stroom des levens ons uit elkanders nabijheid voerde, zoodat de zoete gewoonte van een bijna dagelijksch verkeer sints lang tot de herinneringen onzer jeugd behoorde, toch bleef de oude toegenegenheid van weêrszijde onverminderd [VI]bestaan en bleven wij elkanders loopbaan, tot op den dag waarop de zijne zoo plotseling gesloten werd, met hartelijke belangstelling volgen.
Het past mij niet als van den Bergh’s lofredenaar op te treden: zijn naam is hem lofs genoeg. Dat het Vaderland in hem een zijner uitstekendste sieraden verliest, erkennen allen die een hart hebben voor ware verdiensten, allereerst die mede kunnen gaan in de richting, door dezen Dichter, uit den innigsten drang des geestes, gekozen en met zeldzame volharding tot den einde toe getrouw gebleven. Zij deelen de overtuiging, die hem bezielde en zich uitsprak in menig onvergetelijk Lied, dat het waarachtig Volksgeluk in nauw verband staat met de handhaving der Nationaliteit; en dat het geen vergeefsche arbeid is, waartoe de Dichter zich aangordt, als hij het Verledene aan zijn volk tracht voor te stellen als leerschool voor de Toekomst.
Van den Bergh, hoezeer aan zijne roeping getrouw, was daarom niet eenzijdig. Ook op menig ander gebied dan dat der Vaderlandsche Herinneringen of Opwekkingen, wist zijne Muze den weg te vinden of te banen, en de greep in »’t volle Menschenleven”[VII]—naar Göthe »altijd belangrijk”—was zijn meesterhand niet vreemd. Dat zal eerst recht blijken, wanneer zijn verstrooide bundels tot eene kompleete uitgave zullen worden verzameld, verrijkt met wat er onder zijne nagelaten poëzy uitstekendst voorhanden is.
Tot een proeve dier Nalatenschap moge de Henoch Arden strekken, die bij dezen het licht ziet. Wij bezitten van de pen van Erik’s Zanger een reeks van gelukkige vertalingen, waaronder naar Moore en Byron, die met de beste overzettingen kunnen wedijveren. Maar de kroon werd dezen zijnen arbeid opgezet door de vertolking van Tennyson’s meesterstuk, krachtig en toch zoetvloeiend, getrouw beide naar inhoud en vorm, als zij het oorspronkelijke terug geeft. Die »Visschers-Idylle”, zooals men haar genoemd heeft, vol eenvoud en diep gevoel, heeft in Engeland en Noord-Amerika een opgang gemaakt als misschien alleen met dien van »de Negerhut”, in der tijd, kan vergeleken worden; en de geestdrift, waarmede ook van den Bergh’s vertolking, bij de openlijke voordracht in verschillende Letterkundige Kringen van ons Vaderland, telkens werd aangehoord, bewijst te over, [VIII]dat er voor dien bijval een zeer wezendlijke grond moet bestaan.
Het is hier de plaats niet om over Tennyson’s dichterlijke beteekenis uit te wijden; eene verwijzing, onder anderen, naar de studie van Taíne, in het vierde deel van zijne Histoire de la littérature anglaise, zij voor deze plaats voldoende, in afwachting van de uitvoerige beschouwing van van den Bergh’s vertolking, die wij van onze vaderlandsche kritiek mogen te gemoet zien. Maar de mededeeling van eene anekdote, die tot den Henoch Arden in nauw verband staat, ons onlangs door de periodieke pers verhaald, mag ik niet weigeren.
Zoo als men weet, is Koningin Victoria eene groote bewonderaarster van Tennyson’s poëzy. Daarom verwekte het haar een smartelijke verbazing toen zij vernam, dat er een gerucht rondging, dat Tennyson’s laatste gedicht, als eene apologie van het onwettige huwelijk, het brandmerk der onzedelijkheid wilde indrukken. De hooggeplaatste geestelijke, tot wien zij zich wendde, schudde bedenkelijk het hoofd; de adelijke dame, wier oordeel geraadpleegd werd, maar die, zoo als later bleek, op den man [IX]nog altijd de satyre des jongelings te wreken had, het origineel van de »Lady Vere de Vere”, om alles te zeggen, was nog strenger in haar vonnis. En zoo besloot dan de Koningin te eindigen met dat waarmede zij eigenlijk had moeten beginnen: den Dichter zelven om inlichting te vragen. Zij strekte dienzelfden middag haar wandelrid langs de kust wat verder dan gewoonlijk uit. Osborne ligt op tamelijken afstand van Tennyson’s woning, insgelijks op het eiland Wight, maar de wegen zijn er goed, en weldra schemerde de villa des Dichters door de groene denneboomen. Straks ging de Koningin aan des Dichters zijde langs de hooge westkust der blauwe zee, die van witte zeilen wemelde, en bracht het gesprek op het onderwerp dat haar voor ’t oogenblik het meest ter harte ging. Met fijnen takt wees zij op de vele schoonheden van het Gedicht, om zoo onmerkbaar den weg tot haar bezwaar te banen. Op eenmaal werd hun het pad versperd door een stapel rijshout, dat dwars over den weg lag. Een lief kind van tien of twaalf jaren, met blond haar en helder blauwe oogen, stond er bij, hoogstverlegen nu, dat zij niet vlugger te werk kon gaan bij ’t saambinden van den bundel, die het pad [X]over ’t kerkhof belemmerde, juist nu de gewone weg door de laatste regens onbegaanbaar was gemaakt.
Tennyson hielp het meisjen met zijne gewone goedhartigheid; de Koningin gaf haar een geldstuk, en vroeg hoe zij heette? Zij heette Annie. »Wat allerliefst gezichtjen was dat”, zei de Koningin eenige oogenblikken later, het kind naoogende, dat moedig haar zware houtvracht torschte. »Mij dunkt, zóó zou uwe Annie Lee er uit hebben gezien, ik bedoel, in den tijd van hare kinderspelen met Henoch en Philip, toen zij, om hunne jaloezy tot bedaren te brengen, hen met tranen bad
»Om harentwil toch niet in twist te ontsteken,
Daar zij van beiden ’t vrouwtjen wezen wou.”
—»Maar lees ik daar niet den naam van Henoch?” ging de Koningin voort, als zij in ’t voorbijgaan haren blik liet vallen op het inschrift van een der grauwbemoschte zerken, die ter wederszijde van het kerkhofpad lagen. »Ja, waarlijk, daar staat: »Henoch.” Hoe dikwerf heb ik vroeger op mijne wandelingen dien aartsvaderlijken naam met onverschilligheid tusschen anderen gelezen, en nu is hij mij zoo belangrijk geworden. Jammer”, [XI]voegde zij er bij, »dat uw Philip hier ook nog niet een naamgenoot heeft, dan zou de verdichting stellig ter wille van dit kerkhof in werkelijkheid veranderen, en dit lommerig plekjen onder den nootenboom zou als het tooneel waar zij plaats had, worden aangewezen. Wat hebt gij daarop te zeggen?”—»Zeer weinig, Uwe Majesteit”, was het antwoord.—»Hoe dat?”—»Omdat het mij innig smarten zou indien op het lieve kind van zoo even de smet eener onwettige geboorte kleven moest.”—»Wat heeft dit meisjen met uw gedicht uitstaande?”—»Zeer veel, Uwe Majesteit; want als de Bisschop van N. zijn wensch vervuld had gezien, zou de kleine Annie daar ginds de schande gedragen hebben, waarvan ik sprak.”—De Koningin bleef eensklaps staan. »Gij bedoelt toch niet dat hier op dit eilandtjen een drama als dat van uwen Henoch Arden zou zijn afgespeeld?”—En toen nu Tennyson op die vraag eenige oogenblikken het stilzwijgen bewaarde, ging zij voort: »O, ik weet, gij bewaart omtrent dergelijke dingen gaarne uw auteursgeheim; maar, waarde vriend, zeg mij, heeft Henoch Arden hier inderdaad geleefd? Ligt hij begraven onder dezen steen?”—»Koningin”, [XII]antwoordde Tennyson, »ook in de nederigste en armste standen der Maatschappij ontmoet men somtijds voorbeelden van heldenmoed en zielenadel, die de geschiedschrijver den stillen beschouwer van het volksleven zou kunnen benijden. Wel hem, die zulke voorbeelden op hunne waarde schat met een eenvoudig gemoed, dat niet angstvallig omziet naar het ontleedmes der kritiek. Wel hem, die ze in liederen kleeden mag, zonder zich te ver van de waarheid te verwijderen. Maar bovenal wel hem, dat dat Lied waardig is. Zijn nagedachtenis blijft een zegen!” Toen trad de Koningin over de graszoden naar dien lagen zerk, en leî hare hand op den bemoschten steen. Zwijgend stond zij een wijle, starende op de plek, waar de vermoeide strijder rustte. Eindelijk sprak zij, terwijl zij zich oprichtte: »Zacht drukke hem het lijkgesteente! Hij heeft toch recht gehandeld!”
En hiermede ga van den Bergh’s Henoch ter waereld in; hij vinde vele vrienden, die het herhalen: »Hij ruste zacht; en zacht ook ruste zijn tolk onder ons. Zijn aandenken ook blijft in zegen!”
J. J. L. TEN KATE. [13]