WeRead Powered by ReaderPub
Herinneringen cover

Herinneringen

Chapter 5: EEN SAGE VAN JERUZALEM.
Open in WeRead

About This Book

A series of recollections and short narratives that weave household memories, folklore, and reflective observation. Early pieces portray a rural household responding to a newborn and a fortune-telling that foreshadows illness and wandering; subsequent items range from legendary and travel-tinged tales to episodes involving a balloon, a witch-child, and a courtroom. The pieces move between anecdote and fable, blending personal memory with mythic or moral elements, and probe themes of fate, belonging, mobility, and the interplay between imagination and everyday life.

[Inhoud]

[43]

EEN VERHAAL VAN EEN VERHAAL.

Er was eens een historie, die verteld worden wou en uitkomen in de wereld. Dat was heel natuurlijk, want die wist, dat ze al zoo goed als klaar was. Veel menschen hadden er aan meegewerkt door hun wonderlijke daden, anderen hadden ’t hunne gedaan door altijd weer van voren af aan van die wonderlijke daden te vertellen. Wat er nog maar aan ontbrak, was dat dit alles goed in elkaar gezet werd, zoodat de historie zonder ongelukken door ’t land zou kunnen dwalen. Nu was ze nog maar een heele massa verhalen, een vormelooze wolk van sprookjes, die heen en weer zweefden als een zwerm verdwaalde bijen op een zomerdag, en niet wisten hoe iemand te vinden, die ze in een korf zetten kon.

De historie, die verteld wou worden, was in Wermeland ontstaan en gevormd, en men kan er [44]van op aan, dat ze voortzweefde over vele fabrieken en pastorieën en officierswoningen in die mooie provincie. Ze keek door de vensters naar binnen en vroeg of iemand ze ter hand wou nemen. Maar ze moest veel vergeefsche pogingen doen, ze werd overal afgewezen. Dat kon ook eigenlijk niet anders. De menschen hadden vele gewichtiger dingen om aan te denken.

Eindelijk kwam de historie aan een oud huis, dat Mårbacka1 heette. ’t Was een kleine hoeve met lage gebouwen en door hooge boomen overschaduwd. Vroeger was het een pastorie geweest en ’t scheen alsof dit een stempel op de plaats had gedrukt, die ze niet meer verliezen kon.

Het was alsof de menschen daar meer van boeken en studeeren hielden dan ergens anders, en er heerschte altijd een stille vrede op die hoeve. Men mocht er nooit jachten met het werken en had er nooit last met de dienstboden. Haat of oneenigheid mocht er niet voorkomen, en niemand, die daar was, mocht het leven zwaar opnemen, maar moest vóór alles het als zijn plicht voelen onbezorgd te zijn en te gelooven dat onze lieve Heer alles ten beste zou besturen voor hen, die op die hoeve woonden. [45]

Als ik nu over dit alles nadenk, begrijp ik, dat de historie zich hier jaren lang moet opgehouden hebben, terwijl ze vergeefs hoopte verteld te worden. ’t Komt me voor, dat ze dat huis omzweefd moet hebben zooals een wolk een bergtop, en zoo nu en dan een van de sprookjes, die ze bevatte, heeft laten neerdalen. Zij kwamen als zonderlinge spookhistories over den landheer, die altijd zwarte stieren voor zijn wagen had, als hij ’s nachts van een feest thuis kwam, en in wiens huis de Booze zelf op den schommelstoel zat te wiegen, terwijl de vrouw des huizes speelde. Ze kwamen als wonderlijke sagen van de naburige hoeve, waar de eksters de huismoeder vervolgden, zoodat ze de deur niet uit durfde, van de kapiteinswoning, waar men zoo arm was, dat ze alles moesten leenen, en van ’t kleine huisje bij de kerk, waar zooveel oude en jonge meisjes woonden, die allen op den mooien orgelmaker verliefd werden.

Soms kwamen de lieve sprookjes om zoo te zeggen in levenden lijve in dat huis. Oude, arme officieren reden voor de stoep met stokoude paarden en in rammelende wagens. Zij bleven daar weken lang logeeren en ’s avonds, als de toddy hun moed gegeven had, begonnen zij te vertellen van den tijd, toen ze zonder kousen in de schoenen [46]dansten, om maar kleine voeten te hebben, toen ze ’t haar friseerden en hun snor verfden. Een van hen vertelde hoe hij een mooi meisje naar haar verloofde had willen terugbrengen, en onderweg door wolven vervolgd geworden was; een ander had een Kerstfeest bijgewoond, waar een verontwaardigde gast alle gebraden vogels tegen den muur slingerde, omdat men hem had wijsgemaakt, dat het kraaien waren; een derde had een ouden man gezien, die gewoon was Beethoven op een houten tafel te spelen.

Maar ook op een andere manier kon de historie haar tegenwoordigheid openbaren.

Op de vliering hing het portret van een oude dame met gepoederd haar, en als men daar voorbijkwam, kon men niet laten er aan te denken, dat het de mooie gravendochter voorstelde, die den jongen gouverneur van haar broeder had liefgehad en hem eens kwam bezoeken, toen zij een oude dame met grijze haren was, en hij een oud, getrouwd man.

Op de rommelkamer lagen groote pakken oude documenten, die koopcontracten en pachtovereenkomsten bevatten, onderteekend door de machtige vrouw, die eens zeven hoeven bestuurde, die ze van haar minnaar gekregen had. Als men in de [47]kerk kwam, dan zag men in een klein mooi kastje de kist, die vol ongeloovige geschriften was en die niet geopend mocht worden, vóór het begin van de nieuwe eeuw, en niet ver daar vandaan lagen op den bodem van de rivier, een menigte heiligenbeelden, die niet op den preekstoel en in de kerk hadden mogen blijven, die ze vroeger versierd hadden.

’t Kwam zeker wel door de vele sagen, die om de hoeve zweefden, dat een van de kinderen die daar opgroeiden, lust kreeg om te schrijven.

’t Was niet een van de jongens; zij waren niet veel thuis, maar ’t grootste gedeelte van ’t jaar buitenshuis op school, zoodat de sage niet veel macht over hen kreeg; maar ’t was een van de meisjes, die ziekelijk was, en niet zooveel spelen en springen mocht als de anderen. Zij had er ’t meeste pleizier in alles, wat er groots en merkwaardigs gebeurd was in de wereld, door boeken en vertellingen te weten te komen.

Nu moet ge toch niet denken, dat dit jonge meisje dadelijk al van plan was om de sagen en histories, die haar omringden, te schrijven. Ze dacht er in de verste verte niet aan, dat er ooit een boek kon worden van al die sprookjes, die ze zoo dikwijls had hooren vertellen, dat zij ze heel [48]alledaagsch vond. Toen zij probeerde te dichten, koos ze stof uit haar boeken en maakte met frisschen moed geschiedenissen over sultanen uit de duizend en één nacht, over de ridders van Walter Scott en de Sagenkoningen van Snorre Sturlason.

’t Is zeker onnoodig te vermelden, dat wat ze schreef ’t allerminst origineele en ’t meest onrijpe was, wat ooit geschreven werd; maar dat kon ze natuurlijk zelf niet begrijpen. Zij liep rond op die stille hoeve en vulde elk blad papier, dat ze machtig kon worden, met verzen en proza, met tooneelstukken en romans. Als ze niet schreef, liep ze op het geluk te wachten. En het geluk zou daarin bestaan, dat de een of andere vreemde, die heel wijs en machtig was, door een merkwaardig toeval ontdekken zou, wat ze geschreven had en vinden, dat het waard was gedrukt te worden. Daarna zou al het andere vanzelf gaan.

Maar zooiets gebeurde in ’t geheel niet, en toen ’t jonge meisje over de twintig jaar was, begon ze ongeduldig te worden. Ze kon niet begrijpen, hoe het kwam, dat het geluk niet komen wou.

Misschien was ze niet knap genoeg, en wat meer van de wereld dan de hoeve moest ze ook wel zien. En omdat het heel lang duren zou vóór [49]ze haar brood kon verdienen als schrijfster, moest ze iets leeren, zich een positie verschaffen, zoodat ze iets had om van te leven, terwijl ze op zich zelf wachtte.

Misschien was ’t ook wel heel eenvoudig zoo omdat de sage geen geduld meer met haar had. Die dacht misschien: „Nu dat verblinde menschenkind niet ziet wat vlak voor haar oogen ligt, moet ze maar gedwongen worden op reis te gaan. Ze moet in grauwe steenen straten loopen, in nauwe stadskamertjes wonen, zonder ander uitzicht dan grauwe huismuren. Ze moet leven onder menschen, die alles verbergen wat ze voor eigenaardigs hebben, en die allemaal op elkaar schijnen te lijken. Dat kan haar misschien leeren dàt te zien, wat buiten de deur van haar huis staat te wachten, alles wat leeft en ademt tusschen de reien groene heuvels, die ze alle dag voor oogen heeft.”

En zoo, in het najaar, toen ze al twee en twintig jaar oud was, trok ze naar Stockholm om te gaan studeeren voor onderwijzeres.

’t Jonge meisje was spoedig geheel door haar werk in beslag genomen. Ze schreef niet meer, maar ging op in lessen en repetities. ’t Zag er nu naar uit alsof de sage haar heelemaal zou verliezen.

Toen gebeurde er iets merkwaardigs. In datzelfde [50]najaar, toen ze een paar maanden tusschen grijze muren en straten geleefd had, kwam ze op een morgen door de Malmskilnadstraat, met een pak boeken onder den arm. Kort te voren had ze een les in letterkunde gehad. Daar had ze zeker over Bellman of Runeberg gehoord, want ze liep aan die twee schrijvers te denken en aan figuren uit hun werken. Zij zei tegen zich zelf dat Runebergs goedige krijgslieden en Bellmans zorgelooze drinkebroers de allerbeste stof vormden, die een dichter onder handen kon hebben. En toen opeens kreeg ze een idee: „De wereld, waarin je thuis in Wermeland leefde, was niet minder eigenaardig dan die van Fredman of van Vaandrig Stål. Als je die maar meester wordt, heb je ten minste een even goede stof als die twee.”

Zoo kwam het, dat ze voor ’t eerst de sage in ’t oog kreeg. En op datzelfde oogenblik, dat ze haar zag, begon de grond onder haar voeten te beven. De heele lange Malmskilnadstraat, van den heuvel aan de haven tot aan het brandweerstation, steeg op tot aan den hemel en zonk weer neer—steeg en zonk.…

Ze moest een heele poos stilstaan tot de straat weer kalm werd en ze zag verbaasd naar de voorbijgangers, die daar zoo rustig voortliepen en niet merkten, wat een wonder er gebeurd was. [51]

Op dat oogenblik besloot het jonge meisje, dat zij de historie van de Kavaliers uit Wermeland schrijven zou, en die gedachte liet zij nooit weer los. Maar lange jaren duurde het, eer dat besluit werd uitgevoerd.

Ten eerste was ze nu een anderen weg ingeslagen en had ze geen tijd voor een groot literair werk. Ten tweede mislukten haar eerste pogingen om de sage te schrijven heelemaal.

Maar telkens gebeurde er toch in deze jaren iets, dat haar hielp de historie een vorm te geven.

In een vacantie zat ze met haar vader aan ’t ontbijt en sprak met hem over den ouden tijd. Toen begon hij te vertellen van een kennis uit zijn jeugd, dien hij beschreef als een bizonder innemend mensch. Die man bracht vreugde en vroolijkheid meê, waar hij kwam. Hij kon zingen, hij componeerde, hij improviseerde. Als hij dansmuziek speelde, dan dansten niet alleen de jonge, maar ook de oude mannen en vrouwen, hoog en laag, en als hij sprak, moesten de menschen lachen of schreien, zooals hij verkoos. Als hij dronken was, kon hij beter spelen en spreken, dan wanneer hij nuchter was, en als hij verliefd op een vrouw werd, kon ze hem onmogelijk weerstaan. Deed hij domme dingen, dan vergaf [52]men hem; was hij bedroefd, dan had men er alles voor over om hem weer blij te zien. Maar hij bracht het niet ver in de wereld, hoe begaafd hij ook was. Meestal leefde hij als gouverneur in Wermeland op de groote buitens. Eindelijk werd hij predikant. Verder had hij ’t nooit gebracht.

Na dit gesprek kon ze beter dan vroeger den held van de historie voor zich zien en er kwam een beetje leven en beweging in hem. Op een goeden dag kreeg de held ook een naam en werd Gösta Berling genoemd. Waarom hij dien naam kreeg, heeft ze nooit geweten. ’t Was alsof hij dien zichzelf gegeven had.

Op een anderen keer was ze thuis in de Kerstvacantie. Op een avond ging men naar een Kerstfeest, ver weg, ’t was slecht weer en de tocht duurde langer dan iemand gedacht had. ’t Paard werkte zich stap voor stap vooruit. Verscheidene uren zat ze daar in den storm aan de historie te denken. Toen men eindelijk ’t doel van den tocht bereikt had, was ze klaar met haar eerste hoofdstuk. ’t Was dat van den „Kerstnacht in de smederij”.

Wat was dat voor een hoofdstuk! ’t Was haar eerste en bleef jaren lang haar eenigste.

’t Werd eerst in verzen geschreven, want volgens het eerste plan zou de historie een reeks gedichten [53]worden zooals de sage van Vaandrig Stål. Maar langzamerhand veranderde dit en een tijd lang was het de bedoeling, dat het als tooneelstuk geschreven zou worden. Toen werd de Kerstnacht omgewerkt tot de eerste akte van een tooneelspel. Maar die proef lukte ook niet en nu nam zij zich eindelijk voor, de historie neer te schrijven als een roman. Toen werd het hoofdstuk in proza geschreven. Het was ongehoord lang en vulde op dat oogenblik veertig geschreven bladzijden. Toen het voor ’t laatst omgewerkt was, vulde het er maar negen.

Een paar jaar later kwam er een ander hoofdstuk bij. Dat was het verhaal van het bal op Borg en van de wolven, die Gösta Berling en Anna Stjärnhok vervolgden.

Dit was oorspronkelijk in ’t geheel niet geschreven met de bedoeling, dat het in de historie zou komen, maar als een soort gelegenheidsgedicht om op een bijeenkomst te worden voorgelezen. Maar daar kwam niet van, en de novelle werd naar „Dagny” gezonden. Kort daarna zond de redactie het terug als niet geschikt voor „Dagny”. Inderdaad was het nergens voor geschikt. ’t Was nog in ’t geheel niet met kunst bewerkt.

Intusschen peinsde de schrijfster er over, waar [54]die ongelukkige novelle wel voor te gebruiken zou zijn. Of ze die in de historie zou zetten?

Maar ’t was immers een sprookje op zich zelf, een afgerond geheel. Wat zou het vreemd staan tusschen die andere, die beter bij elkaar hoorden. Misschien, dacht ze toen, zou het niet kwaad zijn als al de hoofdstukken van de historie dergelijke op zichzelf staande sprookjes waren, elk een afzonderlijk geheel. Dat zou misschien moeilijk zijn, maar ’t was toch wel te doen. Hier en daar zouden dan wel leemten komen. Ja, maar het zou ’t boek groote kracht en rijkdom geven.

Nu waren twee gewichtige zaken uitgemaakt. Dit was klaar: ’t boek zou een roman worden, en elk hoofdstuk zou een geheel zijn, maar nu was ze nog niet zooveel verder. Zij, die ’t idee gekregen had de Sage van de kavaliers van Wermeland te schrijven toen zij 22 jaar oud was, ging nu al tegen de dertig en zij had nog maar twee hoofdstukken klaar. Waar waren de jaren toch gebleven! Zij had het Seminarium doorloopen en was al verscheidene jaren onderwijzeres in Landskrona; zij had zich voor allerlei geïnteresseerd en met van alles zich beziggehouden, maar de historie was nog ongeschreven. Wel had ze een massa stof verzameld, maar hoe kwam het toch, dat het haar zoo [55]zwaar viel te schrijven? Waarom kwam de geest nooit over haar? Waarom gleed de pen zoo langzaam over het papier? In dien tijd heeft ze stellig donkere uren gekend. Zij zou zeker nooit met haar roman klaarkomen. Zij was als de ontrouwe dienaar, die zijn talent begroef en ’t nooit probeerde te gebruiken.

Dit alles nu gebeurde tusschen 1880 en 90, in den besten tijd van de strenge schildering van de werkelijkheid. Zij bewonderde de groote meesters van dien tijd, en dacht er nooit aan, dat men voor literatuur een andere taal zou kunnen gebruiken dan de hunne. Zij voor zich hield meer van de romantiek, maar die was dood, en zij dacht er niet aan de vormen en uitingen daarvan te doen herleven. Schoon haar hoofd vol was van geschiedenissen van spoken, en woeste liefde, en wonderschoone dames en ridders op avontuur belust, probeerde ze toch daarover in realistisch proza te schrijven. Zij zag niet helder. Ieder ander zou gauw gezien hebben, dat het onmogelijke onmogelijk was.

Eens schreef ze toch een paar hoofdstukken in een anderen stijl. De eene was de scène op ’t kerkhof te Swartsjo, de andere handelde over den ouden filosoof: Oom Eberhard en zijn ongeloovige [56]geschriften. Zij schreef ze hoofdzakelijk voor de grap met veel Ach!s en O!s in een proza, dat bijna rhythmisch was. En ze merkte, dat ze op diè manier schrijven kon, dáár was inspiratie in, dàt voelde zij. Maar toen die twee hoofdstukken klaar waren, legde zij ze weg. Ze waren maar bij wijze van uitspanning geschreven. Op die manier kon men toch geen heel boek schrijven.

Maar nu had toch de historie lang genoeg gewacht. Die dacht zeker even als toen ze ’t meisje de wereld inzond: „Ik moet dit verblinde mensch weer een groot verlangen geven, dat haar de oogen kan openen.”

Dat verlangen kwam over haar op deze manier, dat de hoeve, waar zij was opgegroeid, verkocht werd. Zij reisde naar haar ouderlijk huis, om het voor ’t laatst te zien, eer vreemde menschen het in bezit zouden nemen.

Den avond vóór ze van daar vertrok om de dierbare plek misschien nooit meer terug te zien, besloot zij in allen ootmoed het boek te schrijven op haar eigen manier en met haar eigen zwakke kracht. ’t Zou geen meesterwerk worden, zooals ze gehoopt had. ’t Zou een boek worden, waar de menschen misschien om zouden lachen, maar ze wilde ’t toch schrijven. Ze zou het schrijven [57]om haar zelfs wil, om nog te redden, wat er van haar thuis te redden was: de lieve, oude vertellingen, de blijde vreugd der zorgelooze dagen, en ’t mooie landschap, met het lange meer en de blauwe, telkens van kleur veranderende bergen.

Maar voor haar, die gehoopt had, dat ze toch eens een boek zou leeren schrijven, dat de menschen graag zouden lezen, was het alsof ze nu afstand gedaan had van wat ze ’t liefste wilde op deze wereld. ’t Was het grootste offer, dat ze ooit had gebracht.

Een paar weken later was ze weer in haar huis te Landskrona en ging voor haar schrijftafel zitten.

Ze begon te schrijven. Ze wist nog niet recht wat ze schrijven wilde, maar dit wist ze, dat ze niet terugdeinzen zou voor sterke woorden, voor uitroepen en vragen. Ook zou ze niet bang zijn zichzelf te geven met al haar kinderlijkheid en haar droomen.—En toen ze dit besluit had genomen liep haar pen bijna vanzelf voort! Dit bracht haar als in een roes, ze was buiten zichzelf van verrukking. Ja—dìt was schrijven. Ongekende visioenen en gedachten, of liever dingen, waar ze nooit over gedacht had, dat in haar waren, stroomden neer op het papier. De bladzijden werden [58]gevuld met een snelheid, waar ze nooit van had gedroomd. Dat, waar ze anders maanden, ja, jaren voor gebruikt had om uit te werken, was nu klaar in een paar uren. Dien avond schreef ze ’t verhaal van den tocht van de jonge gravin over ’t ijs van het Löfvenmeer en de overstrooming bij Ekeby.

Den volgenden middag schreef ze ’t hoofdstuk waarin de jichtige oude Fänrik Rutger von Örneclou probeert van ’t bed op te staan om La Cachucha te dansen, en den volgenden avond dat van de oude juffrouw, die uitreed om den gierigen predikant van Broby te bezoeken.

Nu wist ze, dat ze zóó een boek schrijven kon, maar even zeker was ze er van, dat niemand ’t zou kunnen uithouden dat te lezen.

Intusschen waren ’t niet veel hoofdstukken, die zoo achter elkaar geschreven konden worden. De meeste eischten veel arbeid en ’t waren maar korte middaguurtjes, die ze aan haar schrijven kon wijden. Toen ze een half jaar geschreven had, gerekend van den dag, dat ze zich overgaf aan de romantiek, waren er ongeveer twaalf hoofdstukken klaar. ’t Was vooruit te zien, dat het heele boek over drie of vier jaar klaar zou zijn.

In ’t voorjaar van 1890 schreef „Idun” een [59]prijsvraag uit voor een novelle van ongeveer 100 bladzijden.

Dat was een uitweg voor de historie, die verteld wilde worden en de wereld in gaan. Ze heeft zeker zelf de zuster van ’t jonge meisje ingeblazen, dat die haar moest aanmoedigen om die gelegenheid aan te grijpen. Hier was nu eindelijk een mogelijkheid om te weten te komen of wat ze geschreven had heelemaal niets waard was. Als ze den prijs kreeg, was er veel gewonnen. Kreeg ze dien niet, dan was zij even ver als ze nu was.

Zij had er niets tegen de proef te wagen, maar ze had zoo weinig zelfvertrouwen, dat ze nog geen besluit kon nemen.

Eindelijk, precies acht dagen voor de tijd van inzending voorbij zou zijn, besloot ze vijf hoofdstukken, die zooveel onderling verband hadden, dat ze voor een novelle konden gelden, uit den roman te lichten, en het daarmeê te probeeren.

Maar die hoofdstukken waren verre van klaar. Drie kon men desnoods afgewerkt noemen, maar van de twee andere bestond alleen nog maar een schets. En dan moesten ze nog alle overgeschreven.

Daarbij kwam, dat ze in dien tijd niet in haar eigen huis was. Ze logeerde bij haar zuster en [60]zwager, die nog in Wermeland woonden. En wie een korten tijd ergens op bezoek is bij lieve vrienden, kan toch niet den heelen dag aan de schrijftafel zitten.

Ze schreef dus ’s nachts en zat in die week elken nacht tot vier uur op.

Eindelijk had ze nog maar één etmaal kostbaren tijd over. En nog moest ze twintig bladzijden schrijven. En in dit etmaal was de familie uitgevraagd. Allen zouden meegaan en ergens anders logeeren. Zij moest natuurlijk ook mee.

Eindelijk was het gastmaal voorbij en zij zat des nachts in ’t vreemde huis te schrijven.

Soms werd het haar heel wonderlijk te moede.

De plaats, waar ze zat te schrijven, was juist de hoeve, waar de booze Sintram gewoond had. ’t Lot had haar op wonderbare wijze daarheen gebracht, juist in den nacht, dat ze schrijven moest over hem, die in den schommelstoel zat te schommelen.

Nu en dan keek ze van haar arbeid op en luisterde of ze soms een stoel hoorde schommelen in de groote zaal.

Maar er was niets te hooren en toen ’t zes uur in den morgen was, waren de vijf hoofdstukken klaar.

Tegen twaalf uur reisde men naar huis met een [61]vrachtboot. Aan boord pakte haar zuster het manuscript in, verzegelde ’t met lak en cachet, dat ze van huis voor dat doel hadden meegebracht, schreef ’t adres er op, en verzond de novelle.

Dit gebeurde in ’t eind van Juli. In ’t laatst van Augustus vond men in Idun een kort bericht, dat er meer dan twintig antwoorden op de prijsvraag waren ingekomen, maar dat enkele zoo verward waren, dat ze niet meêgeteld konden worden.

Toen gaf ze ’t op langer op den uitslag te wachten. Ze wist wel wat dat was voor een novelle, die zóó verward was, dat ze niet meegeteld kon worden.

In November kreeg ze op een middag een wonderlijk telegram. Dit bevatte alleen de woorden: „Jubelende gelukwenschen!” en was onderteekend door drie oude schoolkameraden van het Seminarium.

’t Viel haar heel lang te wachten tot den middag van den volgenden dag, toen de courant uit Stockholm komen kon. Nadat ze ’t blad in de hand had, moest ze lang zoeken zonder iets te vinden. Eindelijk vond ze in de laatste kolom een kort berichtje met kleine letters gedrukt, dat zij den prijs gewonnen had. Dat zou voor een ander misschien [62]niet zoo veel te beduiden gehad hebben, maar voor haar beteekende het, dat zij zich zou kunnen wijden aan de roeping, die ze haar geheele leven verlangd had te kunnen volgen.


Na dit is er niet zooveel meer te vertellen. De historie, die de wereld in wou, was haar doel zeer nabij. Nu zou ze ten minste geschreven worden, al duurde ’t misschien ook eenige jaren eer ze klaar zou zijn.

Zij, die haar schreef, kwam in de volgende Kerstvacantie naar Stockholm.

De redacteur van „Idun” bood aan den roman te drukken, zoodra die klaar zou zijn.

Ja! als zij maar ooit tijd kreeg dien te schrijven. Den avond vóór ze naar Landskrona terug zou gaan, zat ze bij haar oude trouwe vriendin, Mevrouw Adlersparre, en las haar een paar hoofdstukken voor.

Esselde luisterde, zooals alleen zij luisteren kon en het interesseerde haar. Na ’t lezen zat ze een poosje zwijgend na te denken.

„Hoe lang moet het duren eer dit heelemaal klaar is?” vroeg ze eindelijk.

„Drie of vier jaar.”

Zoo scheidden ze, maar den volgenden morgen, [63]twee uur vóór ze Stockholm verlaten zou, kreeg ze een briefje van Esselde, dat zij haar nog even bezoeken moest voor ze vertrok.

De oude dame was in een vastbesloten en ondernemende bui.

„Nu moet je een jaar vacantie nemen en je boek afmaken. Ik zal wel voor ’t geld zorgen.”

Een kwartier later was ze op weg naar het hoofd van de kweekschool om haar te vragen haar te helpen met ’t zoeken naar een plaatsvervangster.

Om één uur zat ze gelukkig en wel in den trein, maar reisde nu niet verder dan tot Sörmland waar ze goede vrienden had, die een verrukkelijk thuis hadden.

En daar gaven zij—Ingenieur Otto Gumelius en zijn vrouw—haar gastvrijheid op hun buitentje, daar genoot ze rust, ongestoorden werktijd en goede verzorging, bijna een jaar lang, tot haar boek klaar was.

Nu kon ze eindelijk schrijven van den vroegen morgen tot den avond, en dat was de gelukkigste tijd, dien ze ooit beleefd had.

Maar toen de historie klaar was tegen ’t eind van den zomer, zag die er wonderlijk uit. Die was wild en uitgelaten, en onverbeterlijk, en wat den samenhang betreft,—nog altijd hadden de verschillende [64]gedeelten hun ouden lust elk hun eigen weg te gaan.

Ze werd nooit zooals ze wezen moest. ’t Was haar ongeluk, dat ze zoolang had moeten loopen wachten, eer ze verteld werd. En als ze niet behoorlijk onder handen genomen werd en onder tucht kwam, is ’t vooral, doordat haar schrijfster te overgelukkig was, dat ze haar eindelijk schrijven mocht. [65]


1 Het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf. 

[Inhoud]

[67]

EEN SAGE VAN JERUZALEM.

In de oude eerwaardige moskee El Aksa te Jeruzalem is in een lage gang, die in bochten achter het hoofdgebouw omloopt, een buitengewoon diepe en breede vensternis. In die nis ligt een oude versleten mat en op de mat zit dag in dag uit de oude Mesullam, die waarzegger en droomuitlegger is en tegen een kleine betaling de bezoekers van de moskee hun toekomstig lot voorspelt.

Nu gebeurde het eenige jaren geleden op een namiddag, dat Mesullam, die als gewoonlijk in zijn venster zat, zoo slecht gehumeurd was, dat hij niet eens de groeten der voorbijgangers wilde beantwoorden.

Niemand dacht er toch aan om zich over zijn onbeleefdheid te ergeren, omdat men wist, dat hij bedroefd en gekwetst was door een vernedering, die hem dien dag was overkomen. [68]

Jeruzalem werd namelijk in dien tijd bezocht door een machtig monarch uit het Westen, en op dien morgen had de hooge vreemdeling met zijn gevolg de El Aksa bezocht. Vóór zijn komst had de bestuurder der Moskee alle hoeken en gaten in het oude gebouw laten vegen en stoffen, en hij had ook bevolen, dat Mesullam van zijn plaats zou heengaan. Hij had het volstrekt onmogelijk gevonden hem daar te laten zitten gedurende dat hoog bezoek. Niet alleen omdat zijn mat kapot en versleten was en omdat hij om zich heen een menigte vuile zakjes had opgestapeld, waarin hij zijn toebehooren bewaarde, maar hij zelf, Mesullam, was op verre na geen sieraad voor de moskee. Hij was eigenlijk een ongeloofelijk leelijke, oude neger. Zijn lippen waren monsterachtig groot, zijn onderkaak stond ver vooruit, zijn voorhoofd was bizonder laag en zijn neus leek ’t meest op een snuit. Als men daar nog bij denkt, dat Mesullam een grove en rimpelige huid en een dik, lomp lichaam had, dat maar armoedig gehuld was in, en omwonden met een vuile, witte shawl, dan kan men er zich niet over verwonderen, dat het hem verboden werd, zich in de moskee te vertoonen zoo lang de gevierde gast daar vertoefde.

De arme Mesullam, die wist, dat hij niettegenstaande [69]zijn leelijkheid een buitengewoon wijs man was, voelde ’t als een bittere teleurstelling, dat hij den hoogen reiziger niet zou zien. Hij had gehoopt hem eenige bewijzen te mogen geven van de groote kennis van verborgen zaken, die hij bezat en op die wijze zijn eer en aanzien te verhoogen. Nu die hoop verijdeld was zat hij uur in, uur uit, te treuren, in een wonderlijke houding, met de lange armen omhoog geheven, alsof hij den hemel om rechtvaardigheid aanriep en met het hoofd ver achterover gebogen.

Toen het tegen den avond liep, werd Mesullam uit dien toestand van alles overweldigende smart gewekt door dat een vroolijke stem hem riep. ’t Was een Syrische tolk, die, door een eenzamen reiziger gevolgd, bij den waarzegger kwam. Hij zei hem, dat de vreemdeling, die hem vergezelde, verlangd had een proeve van de wijsheid der Oosterschen te zien en dat de tolk hem toen gesproken had van Mesullams talent om droomen uit te leggen.

Mesullam antwoordde hier in ’t geheel niet op, maar bleef onbeweeglijk in zijn vorige houding. Eerst toen de tolk hem nog eens vroeg of hij naar de droomen wilde luisteren, die de vreemde hem wenschte te vertellen en of hij die wilde [70]uitleggen, liet hij de armen zinken, legde die gekruist over de borst en terwijl hij de ootmoedige houding van een verongelijkt man aannam, antwoordde hij, dat zijn ziel dien avond zóó vervuld was van zijn eigen bekommeringen, dat hij niet helder kon oordeelen over iets wat een ander aanging.

Maar de vreemde, die er heel levendig en gebiedend uitzag, scheen zich om zijn tegenspraak niet te bekommeren. Daar er geen stoel bij de hand was schopte hij eenvoudig Mesullams mat op zij en ging in de vensternis zitten. Toen begon hij met een heldere stem, duidelijk sprekend, een paar droomen te vertellen, die later door den tolk voor den ouden waarzegger werden vertaald.

„Zeg hem,” zei de reiziger, „dat ik eenige jaren geleden in Kaïro in Egypte was. Daar hij een geleerd man is, weet hij natuurlijk, dat daar een moskee is, El Azhar genaamd, die de beroemdste inrichting voor onderwijs in het Oosten is. Ik ging er op een dag heen om die te zien en ik vond het geheele reusachtige gebouw, alle vertrekken en arcaden, alle gangen en zalen vol met leerlingen. Daar waren oude mannen, die geheel hun leven aan het zoeken van kennis hadden gewijd, en kinderen, die juist bezig waren de eerste letters [71]te leeren schrijven. Daar waren sterk gebouwde negers uit het hart van Afrika, schoone, tengere jongelingen uit Indië en Arabië, vreemdelingen, die van verre kwamen, uit Berberye en Georgië en alle landen, die den Koran aannemen. Binnen de rij pilaren—men zei mij, dat er in El Azhar evenveel leeraren als pilaren waren—zaten zij, die onderwijs gaven, neergehurkt op hun matten van schapenvel, en hun leerlingen, die in een kring om hen heen zaten, volgden met graagte hun voordracht, met wiegende lichaamsbewegingen.

En zeg hem, dat, hoewel El Azhar in geen enkel opzicht beantwoordt aan de voorstellingen, die wij ons in het Westen van een groote geleerde school maken, ik toch verbaasd was over wat ik zag. En ik zei tot mij zelf: „Ziehier! dit is de groote vesting en ’t bolwerk van den Islam. Van hier gaan Mohammeds jonge helden uit. Hier in El Azhar wordt de drank der wijsheid gemengd, die de leer van den Koran frisch en levenskrachtig houdt.””

Dit alles zei de reiziger bijna in één adem. Hij hield nu even op om den tolk tijd te geven dit voor den waarzegger te vertalen.

Daarop ging hij voort:

„Zeg hem nu verder, dat El Azhar zulk een [72]sterken indruk op mij maakte, dat ik haar den volgenden nacht in den droom weer zag. Ik zag het witte marmeren gebouw en de vele studenten, allen in zwarte mantels gekleed met witte tulbanden op, zooals het gebruik is in El Azhar. Ik zwierf door de zalen en binnenhoven en was er opnieuw verbaasd over, dat hier zulk een burcht en vesting was voor het Mohammedanisme. Eindelijk kwam ik in den droom aan den voet van de minaret, waar de oproeper voor het gebed gewoonlijk opklimt om den geloovigen te verkondigen, dat het uur van het gebed geslagen is. Ik zag de trap, die naar boven kronkelde in de minaret, en ik zag een oproeper voor het gebed er op naar boven gaan. Hij had een zwarten mantel aan en een witten tulband op zooals alle anderen, en toen hij de trap opging, kon ik in het eerst zijn gezicht niet zien. Maar toen hij een wending om geloopen had op de spiraalvormige trap, keerde hij het aangezicht naar mij toe, en toen zag ik, dat hij de Christus was.”

De spreker hield een oogenblik op en zijn borst rees onder een diepe ademhaling. „Ik zal nooit vergeten, al was het maar een droom,” barstte hij uit, „welk een diepen indruk het op mij maakte, Christus de trap te zien opgaan [73]naar de minaret in El Azhar. ’t Scheen me zoo heerlijk, zoo veelbeteekenend, dat Hij hier gekomen was, naar de vesting van het Islamisme om de gebeds-uren uit te roepen, dat ik oprees in mijn droom en ontwaakte.”

Hier hield de reiziger weer even op om den tolk het gesprokene voor den waarzegger te laten vertalen. Maar dat scheen bijna een nutteloos werk te zijn. Mesullam zat den geheelen tijd met de handen in de zij en wiegde het bovenlijf met halfgesloten oogen heen en weer. Hij scheen te willen zeggen: „Nu ik deze opdringerige menschen niet kan ontkomen, zal ik hun ten minste toonen, dat ’t mij niet schelen kan wat ze vertellen. Ik zal probeeren mijzelf in slaap te wiegen. Dat zal de beste manier zijn om hun te toonen hoe weinig ik om hen geef.”

De tolk doelde er ook bij den reiziger op, dat al hun moeite te vergeefs zou wezen en dat ze geen verstandig woord uit Mesullam zouden krijgen, als hij in die stemming was; maar de europeesche vreemdeling scheen bekoord te wezen door Mesullams ongeloofelijke leelijkheid en wonderlijke manieren. Hij keek hem aan met het genoegen van een kind, dat een wild dier in een menagerie bekijkt, en hij had lust het gesprek voort te zetten. [74]

„Zeg hem, dat ik hem niet zou zijn lastig gevallen om dien droom uit te leggen,” zei hij, „als die niet min of meer nog eenmaal tot mij was teruggekomen. Vertel hem, dat ik voor een paar weken de Sofia-moskee te Konstantinopel bezocht en dat ik, toen ik het geheele heerlijke gebouw had doorloopen, naar een galerij ging om een beter overzicht van de schoone koepelzaal te hebben. Zeg hem verder, dat men mij in de moskee had binnengelaten onder een godsdienstoefening, toen die geheel vol menschen was. Op ieder van de ontelbare gebedsmatten, die den vloer van de middelste hal bedekten, stond een man, die zijn gebed deed. Allen, die aan de godsdienstoefening deelnamen, maakten dezelfde bewegingen te gelijk. Allen knielden neer, wierpen zich voorover en stonden te gelijk op. Allen fluisterden hun gebed heel zacht; maar door de bijna onmerkbare bewegingen van zóó veel lippen ontstond er een geheimzinnig suizen. Dat steeg op in de hooge gewelven en stierf langzamerhand geheel weg. Toen kwam het in melodisch gefluister terugzweven uit de meest afgelegen gangen en galerijen. ’t Was zoo eigenaardig, dat men zich verwonderd afvroeg of het niet de adem Gods was, die door het oude heiligdom bruiste.” [75]

Weer hield de reiziger op. Hij sloeg Mesullam nauwlettend gade, terwijl de tolk zijn woorden vertaalde. ’t Scheen werkelijk, alsof hij zich had ingespannen om de aandacht van den neger door zijn welsprekendheid te winnen. Het scheen ook, alsof het hem gelukken zou, want Mesullam’s halfgesloten oogen vonkelden een enkelen keer als kolen, die beginnen vuur te vatten. Maar koppig, als een kind, dat zich niet wil laten vermaken, liet de waarzegger snel het hoofd op de borst zinken en begon nog ondragelijker te wiegen met zijn bovenlichaam.

„Zeg hem,” begon nu de vreemdeling opnieuw, „zeg hem, dat ik nooit menschen met zulk een aandacht heb zien bidden. ’t Kwam mij voor, dat het de heilige schoonheid van dat wonderbare gebouw was, waardoor die stemming van extase ontstond. Voorwaar, dacht ik, dit is nog een der bolwerken van den Islam. Hier is de woning der vroomheid; van deze machtige moskee gaat het geloof en de geestvervoering uit, die den Islam tot een geweldige macht maken.”

Hier hield hij opnieuw op en volgde met aandacht de bewegingen op Mesullam’s gezicht onder het vertalen van den tolk. Er was geen zweem van belangstelling te zien. Maar de vreemdeling [76]was klaarblijkelijk een man, die zich zelf graag hoorde spreken. Zijn eigen woorden brachten hem als in een roes. Hij zou droevig geworden zijn als hij niet had kunnen voortgaan.

„Welnu,” zei hij, toen het weer zijn beurt werd om te spreken. „Ik kan nu niet recht verklaren wat mij gebeurde. ’t Is mogelijk, dat de lichte damp van die honderden olielampen, het doffe gefluister en de eentonige bewegingen van de biddenden mij in een soort verdooving brachten. Ik kon niet laten de oogen te sluiten, toen ik daar tegen een pilaar geleund stond. Dadelijk kwam er iets over mij, dat op slaap of bedwelming geleek. Dat duurde waarschijnlijk niet langer dan een minuut, maar in dien tijd was ik volkomen buiten de werkelijkheid. In dien bedwelmden toestand zag ik steeds de Sofia-moskee voor mij, en al die biddende menschen; maar nu merkte ik, wat ik eerder niet had gezien, dat boven onder den koepel steigers waren opgeslagen, en dat daarop eenige arbeiders stonden, met kwasten en verfpotten voorzien.”

„Zeg hem nu,” ging de verteller voort, „als hij het niet al weet, dat de Sofia-moskee eens een Christenkerk is geweest, en dat haar gewelven en koepel met heilige Christelijke mozaiekschilderingen [77]zijn bedekt, hoewel de Turken al die mozaiekwerken met éénkleurige gele verf hebben overgeschilderd. En nu in den droom kwam het mij voor, alsof de gele verf op een paar plaatsen was afgevallen en dat de schilders op den steiger waren geklommen om het schilderwerk bij te werken. Maar zie, toen een van hen zijn kwast ophief om de verf in te vullen, liet in plaats daarvan een groot stuk los en dadelijk zag ik daar een schoon beeld van den Christus te voorschijn komen. De schilder hief opnieuw zijn arm op om over het beeld heen te schilderen, maar de arm scheen verlamd en machteloos neer te zinken tegenover dat heerlijk gelaat. Op ’t zelfde oogenblik liet de verf in den geheelen koepel en ’t gewelf los en Christus verscheen daar in al Zijn heerlijkheid, te midden van engelen en hemelsche heirscharen. Toen slaakten de schilders een kreet, en alle biddenden beneden in de moskee hieven het hoofd op. En toen zij de hemelsche heirscharen zagen, die den Verlosser omgaven, hieven zij een geroep van verrukking aan en allen strekten de handen omhoog. Maar, toen ik die verrukking zag, werd ook ik door een zóó sterke aandoening aangegrepen, dat ik oogenblikkelijk ontwaakte. Toen was alles als gewoonlijk. De mozaiekbeelden in den [78]koepel waren verborgen onder de gele verf en de biddenden gingen voort Allah aan te roepen.”

Toen de tolk dit vertaald had, opende Mesullam een oog en zag den vreemdeling aan. Hij zag een man, die er naar zijn meening uitzag als andere Westerlingen, die door zijn moskee gingen.

„Ik geloof niet, dat deze bleeke vreemdeling visioenen heeft gezien,” dacht hij. „Hij heeft de donkre oogen niet, die achter den sluier van het verborgene kunnen zien. Ik geloof eerder, dat hij hier gekomen is om den draak met mij te steken. Ik moet me in acht nemen, opdat ik niet op dezen vervloekten dag door een nieuwe vernedering getroffen word.”

De vreemde sprak voort.

„Ge weet, o droomuitlegger,” zei hij en wendde zich nu rechtstreeks tot Mesullam, alsof hij een gevoel had, dat deze hem kon verstaan, niettegenstaande zijn vreemde taal, „ge weet, dat een gevierde vreemdeling dezer dagen Jeruzalem bezoekt. De regeering heeft alles gedaan wat zij kon om hem te behagen, en er is zelfs sprake van geweest dat om zijnentwil de dichtgemetselde poort in den ringmuur van Jeruzalem zou worden geopend, die men meent, dat de poort is, waardoor Jezus op [79]Palmzondag Zijn intocht in Jeruzalem hield. Men heeft er werkelijk over gedacht om den hoogen gast de groote eer te bewijzen hem de stad in te laten rijden door een poort, die eeuwen geleden is dichtgemetseld geworden, maar men werd daarvan teruggehouden door een oude voorspelling, dat, als de poort geopend wordt, de Westerlingen er door zullen trekken om Jeruzalem in bezit te nemen.

Maar nu zult ge hooren wat mij gisteren nacht gebeurde. ’t Was een heerlijke maneschijn, ’t weer was prachtig en ik was alleen uitgegaan om ongestoord een wandeling om de heilige stad te maken. Ik liep buiten den ringmuur op het smalle pad, dat om de muren loopt en mijn gedachten gingen onder het wandelen terug naar zóó lang verleden tijden, dat ik nauwelijks meer wist waar ik was. Opeens begon ik toch moe te worden, ik vroeg me verwonderd af of ik niet spoedig aan een poort in den muur zou komen, waardoor ik in de stad terug kon keeren, en langs een korter weg mijn herberg bereiken.

Nu, juist terwijl ik daarover denk, zie ik een man een groote poort in den ringmuur vlak naast mij openen. Hij sloeg die wagenwijd voor me open en wenkte mij toe, dat ik daardoor kon [80]gaan. Ik liep in mijn droomerijen verdiept en wist niet recht hoe lang ik had geloopen. Ik was er wat verwonderd over, dat er juist hier een poort was; maar ik dacht er niet verder over, en ging er door. Zoodra ik het diepe gewelf door was, sloegen de poortdeuren met een sterk gedreun tegen elkaar dicht. Toen keerde ik mij om; achter mij zag ik geen poortopening meer, maar enkel een dichtgemetselde poort, juist die gij „de gulden” noemt.

Voor mij lag de tempelplaats, het ruime Haramsplateau, waarop in het midden Omars Moskee troont. En ge weet, dat geen poort in den ringmuur daarheen leidt, dan alleen de Guldene, die niet alleen gesloten, maar dichtgemetseld is.

Ge kunt begrijpen, dat ik meende, dat ik gek geworden was, dat ik droomde, dat ik te vergeefs een verklaring trachtte te vinden. Ik keek rond naar den man, die mij had binnen geleid. Hij was verdwenen, ik kon hem niet vinden. Maar toen zag ik hem in plaats daarvan zooveel te duidelijker in mijn herinnering: de lange, een weinig voorovergebogen gestalte, de fraaie lokken, het vriendelijke gezicht, de in tweeën gedeelde baard. ’t Was Christus, waarzegger, weer Christus!

En zeg mij nu, gij die in het verborgene kunt [81]zien: Wat beteekenen mijn droomen en visioenen? Wat beteekent allereerst dit, dat ik werkelijk en in waarheid door de gulden poort ben gegaan? Nog op dit oogenblik weet ik niet hoe het toeging; maar ik hèb het gedaan. Zeg mij nu wat deze drie zaken te beteekenen hebben.”

De tolk vertaalde dit voor Mesullam, maar de waarzegger was nog altijd in dezelfde kwaaddunkende en knorrige stemming. „Dit is zeker, dat deze vreemde den draak met mij steekt,” dacht hij. „Misschien wil hij me boos maken met al dat praten over Christus.”

Hij zou liever in het geheel niet geantwoord hebben, maar toen de tolk er op aandrong, sprak hij eenige woorden.

De tolk aarzelde die te vertalen.

„Wat zegt hij?” vroeg de vreemdeling levendig.

„Hij zegt, dat hij niet anders te antwoorden heeft, dan dat droomen droomen zijn.”

„Zeg hem dan voor mij,” antwoordde de vreemdeling, een beetje geërgerd, „dat dit niet altijd waar is! Dat komt er alleen op aan, wìe ze droomt.”

Eer nog deze woorden voor Mesullam waren vertaald, was de Europeër opgestaan en met vlugge stappen weggegaan door de lange gang. [82]

Maar Mesullam zat vijf minuten lang stil over zijn antwoord na te denken. Toen viel hij geheel vernietigd op zijn aangezicht.

„Allah, Allah! Tweemaal op denzelfden dag ging het geluk mij voorbij, zonder dat ik het greep! Wat heeft Uw knecht gedaan om U te mishagen?” [83]