WeRead Powered by ReaderPub
Herinneringen cover

Herinneringen

Chapter 6: DE LUCHTBALLON.
Open in WeRead

About This Book

A series of recollections and short narratives that weave household memories, folklore, and reflective observation. Early pieces portray a rural household responding to a newborn and a fortune-telling that foreshadows illness and wandering; subsequent items range from legendary and travel-tinged tales to episodes involving a balloon, a witch-child, and a courtroom. The pieces move between anecdote and fable, blending personal memory with mythic or moral elements, and probe themes of fate, belonging, mobility, and the interplay between imagination and everyday life.

[Inhoud]

[85]

DE LUCHTBALLON.

Vader en de jongens zitten op een regenachtigen Octoberavond in een coupée derde klasse op weg naar Stockholm. Vader zit alleen op een bank. De jongens zitten vlak over hem, dicht tegen elkaar aangedrukt, en lezen een roman van Jules Verne, getiteld: „Zes weken in een luchtballon.” ’t Boek is heel versleten. De jongens kennen het nagenoeg van buiten en hebben er eindelooze discussies over gehouden; maar ze lezen het telkens met hetzelfde genoegen. Ze hebben alles vergeten om de kloeke luchtschippers te volgen, dwars over Afrika heen, en zij heffen zelden de oogen van het boek op, om de zweedsche dorpjes te bekijken, waar zij door rijden.

De jongens lijken veel op elkaar. Ze zijn even groot, zijn op dezelfde manier gekleed met blauwe schoolmutsen op en grijze overjassen aan, en hebben [86]allebei groote, droomende oogen en kleine wipneuzen. Ze zijn altijd goede vrienden, zijn altijd samen, geven niet om andere kinderen en praten altijd over uitvindingen en ontdekkingstochten. Van aanleg zijn ze zeer ongelijk. Met Lennart de oudste, die 13 jaar is, gaat het niet best in de school en hij kan bijna in geen enkele les met de klasse meêkomen. Daarentegen is hij heel handig en ondernemend. Hij moet uitvinder worden en is aldoor bezig een vliegmachine te construeeren. Hugo is een jaar jonger dan Lennart, maar hij kan gemakkelijker leeren en zit al in de zelfde klasse als zijn broer. Hij houdt ook niet zooveel van leeren, maar hij is een groot sportman: skilooper, fietsrijder en schaatsenrijder. Hij is van plan ontdekkingsreizen te doen als hij groot is. Zoodra Lennarts vliegmachine klaar is, zal Hugo daarmee op reis gaan om te ontdekken wat er in de wereld nog te ontdekken is.

„Vader” is een lang man met ingezonken borst, een geelbleek gezicht en smalle, mooie handen. Hij is slordig gekleed. Zijn overhemd is gekreukeld, de lus van zijn jas steekt uit achter in den hals, zijn vest is scheef dichtgeknoopt en zijn kousen zijn afgezakt. Hij draagt zulk lang haar, dat het over den kraag van zijn jas hangt; dat doet hij trouwens [87]niet uit slordigheid, maar uit smaak en gewoonte.

Vader behoort tot een oud muzikantengeslacht ver weg uit het boerenland en hij heeft in ’t leven tweeërlei aanleg meêgekregen als zijn bizonder erfdeel. De eerste is een groot muzikaal talent, en dat kwam het eerst aan den dag. Hij doorliep de academie in Stockholm, studeerde toen een paar jaar in het buitenland en maakte in zijn studiejaren zulke schitterende vorderingen, dat hij èn zijn leeraren verwachtten, dat er uit hem een groot, wereldberoemd violist zou groeien. Hij had zeker talent genoeg om dit doel te bereiken, maar hij miste kracht en volharding. Hij kon geen plaats in de wereld veroveren, en kwam al spoedig thuis en nam een betrekking als organist aan in een kleine stad. In ’t begin schaamde hij er zich over, dat hij niet aan alle verwachtingen had voldaan; maar hij voelde het ook als iets goeds, dat hij een vaste broodwinning had en niet meer tot de barmhartigheid van anderen zijn toevlucht behoefde te nemen.

Kort nadat hij dien post had gekregen huwde hij, en eenige jaren lang was hij zeker volkomen tevreden met zijn lot. Hij had een mooi klein huis, een vroolijke en gelukkige vrouw, twee kleine jongens, die de lievelingen van ’t heele stadje, en overal gezocht en gevierd waren. [88]

Maar toen was er een tijd gekomen, dat dit alles hem niet scheen te voldoen. Hij verlangde de wereld nog eens in te gaan en zijn geluk te beproeven; maar hij voelde zich aan huis gebonden, omdat hij vrouw en kinderen had.

’t Was vooral zijn vrouw, die hem had overgehaald van die reis af te zien. Zij dacht niet, dat hij beter slagen zou dan de eerste maal. Zij vond, dat zij zoo gelukkig waren, dat hij niet naar iets anders behoefde te streven. Zij beging hierdoor zonder twijfel een fout; maar ze had er ook bitter berouw van, want van dien tijd af kwam de andere familietrek bij haar man voor den dag. Toen hij aan zijn verlangen naar eer en vooruitgang niet kon voldoen, zocht hij zich te troosten door te drinken.

’t Ging hem nu zooals ’t met de menschen in zijn familie gewoonlijk ging. Hij dronk zonder nadenken of maat te houden en in korten tijd was hij bijna aan den drank verslaafd. Hij werd langzamerhand een heel ander mensch dan vroeger. Hij was niet meer beminnelijk en innemend, maar hard en akelig. En ’t grootste ongeluk was, dat hij een vreeselijken haat tegen zijn vrouw opvatte en haar op alle mogelijke manieren kwelde, als hij dronken was—en ook als hij het niet was. [89]

De jongens hadden dus geen prettig thuis gehad en hun kinderjaren zouden heel ongelukkig zijn geweest, als ze zich niet een eigen wereldje hadden geschapen vol modellen van machines, ontdekkingsplannen en boeken met sprookjes. De eenige, die soms een blik in die wereld heeft mogen slaan, is Moeder. Vader heeft er zelfs geen vermoeden van dat die bestaat, en hij kan ook niet met de jongens praten over iets wat hen interesseert. Hij stoort hen aanhoudend door te vragen of ze ’t niet prettig vinden Stockholm te zullen zien, of ze niet blij zijn, dat ze met Vader op reis zijn en andere, dergelijke dingen, die ze heel kort beantwoorden om zich oogenblikkelijk weer in hun boek te verdiepen. Vader gaat maar door met vragen. Hij meent, dat de jongens heel verrukt zijn over zijn beminnelijkheid, al zijn ze ook te verlegen om het te toonen.

„Zij hebben te lang aan moeders rokken gehangen,” denkt hij. „Ze zijn bang en verwijfd geworden. Ze zullen wel anders worden nu ik ze onder handen neem.”

Maar Vader vergist zich. Dat de jongens hem zoo kort antwoorden, komt niet omdat ze verlegen zijn, maar dat is alleen, omdat ze welopgevoed zijn en hem niet willen kwetsen. Als dat [90]niet zoo was, zouden ze hem heel anders antwoorden. „Waarom zouden wij ’t prettig vinden om uit te gaan en met Vader op reis te zijn?” zouden ze dan zeggen. „Vader meent zeker, dat hij heel wat bizonders is, maar wij kunnen immers wel zien, dat hij maar een arme dronkaard is. En waarom zouden we blij zijn Stockholm te zien? We begrijpen heel goed, dat het niet om ons is, dat Vader ons meegenomen heeft, maar alleen om Moeder verdriet te doen.”

’t Was wijzer geweest als Vader de jongens ongestoord had laten lezen. Ze zijn bedroefd en angstig en het hindert hen, dat hij zoo opgewekt is.

„’t Is alleen, omdat hij weet, dat Moeder thuis zit te schreien, dat hij vandaag zoo blij is,” fluisteren ze elkaar toe.

Vaders vragen maken eindelijk, dat de jongens niet meer lezen, al zitten ze nog altijd over ’t boek gebogen. In plaats daarvan beginnen hun gedachten met groote bitterheid zich bezig te houden met alles, wat ze moeten lijden om Vader.

Zij denken aan dien keer toen Vader zich dronken had gedronken midden op den morgen en door de straat kwam aanslingeren met een massa schooljongens achter zich, die hem voor den gek [91]hielden. Zij herinnerden zich hoe de andere jongens hen geplaagd en uitgescholden hadden, omdat ze een Vader hadden, die dronk.

Ze hadden zich over Vader geschaamd, ze hadden om hem in voortdurenden angst geleefd en zoodra ze iets prettigs hadden gehad, was hij gekomen en had hun genoegen bedorven.

’t Was niet zoo’n heel klein zondenregister wat ze van hem opmaakten. De jongens zijn heel zacht van gemoed en heel geduldig, maar ze voelen nu een steeds grooter boosheid in zich opkomen.

Hij moest toch begrijpen, dat ze hem de groote teleurstelling, die hij hun gisteren bereid had, nog niet hadden kunnen vergeven. Dat was nog het ergste, wat hij hun ooit had aangedaan.

’t Was zóó gegaan. De moeder van de jongens was nu verleden voorjaar besloten van hun vader te scheiden. Al verscheidene jaren had haar man haar op alle mogelijke manieren vervolgd en geplaagd; maar ze had niet willen scheiden en was bij hem gebleven opdat hij niet heelemaal zou ondergaan. Maar nu eindelijk wilde zij het doen om de jongens. Ze had gemerkt, dat hun vader hen ongelukkig maakte en ze zag in, dat ze hen uit de ellende weg moest nemen en hun een goed [92]en vredig thuis bezorgen. Toen de lente voorbij was, zond zij de jongens naar buiten, naar haar ouders en was zelf op reis gegaan naar het buitenland, om op die manier het gemakkelijkst de scheiding te bewerken. Ze had het niet prettig gevonden, dat het zoo den schijn kreeg, alsof het huwelijk om harentwil ontbonden werd, maar daaraan had zij zich moeten onderwerpen. Nog minder tevreden was zij met het feit, dat de jongens door de rechtbank aan den vader waren toegewezen, omdat zij een weggeloopen vrouw was. Ze troostte zich er wel mee, dat hij de kinderen zeker niet zou willen behouden; maar ze was toch niet heel gerust.

Zoodra de scheiding was uitgesproken, was zij teruggekomen en had een woning gehuurd waar zij en de jongens zouden wonen. Eerst twee dagen geleden had zij alles klaar gehad, zoodat de jongens bij haar in haar huisje hadden kunnen komen.

Dat was de gelukkigste dag, dien de jongens hadden beleefd. De heele woning bestond uit een groote kamer en een groote keuken, maar alles was nieuw en mooi, en Moeder had het zoo gezellig ingericht. De kamer zou overdag voor haar de werkkamer zijn en ’s nachts zouden de jongens er slapen. De keuken was heel netjes en licht. [93]Daar zouden ze eten en in een klein hokje achter de keuken stond Moeders bed.

Moeder had hun gezegd, dat ze heel arm zouden zijn. Ze had een betrekking als zangonderwijzeres aan de meisjesschool gekregen, maar dat was alles wat ze hadden om van te leven. Ze hadden geen geld om een dienstbode te houden maar moesten zich zelf redden. De jongens waren verrukt over dat alles, vooral omdat ze zouden moeten helpen. Ze boden aan water en brandhout aan te dragen. Ze zouden hun eigen schoenen poetsen en hun eigen bed opmaken. Dat was niet anders dan prettig om aan te denken.

Er was een kast waar Lennart al zijn machines zou mogen bergen. Hij zou zelf den sleutel hebben en geen ander dan Hugo en hij zouden er ooit in mogen kijken.

Maar de jongens waren maar dien eenen dag gelukkig bij Moeder geweest. Toen had Vader hun pleizier bedorven, zooals hij gedaan had, zoolang ze zich herinneren konden. Moeder had hun verteld, dat zij gehoord had, dat Vader een paar duizend kronen had geërfd, dat hij zijn betrekking had opgezegd en naar Stockholm zou verhuizen. Zij en Moeder waren er blij om geweest, dat hij uit de stad weg zou gaan, zoodat [94]ze hem niet meer op straat zouden hoeven tegen te komen.

Maar toen was een van Vaders vrienden bij Moeder gekomen, met de groeten van Vader en de boodschap, dat hij de jongens meê naar Stockholm nemen wou.

Moeder had geschreid en gesmeekt haar jongens te mogen behouden, maar de afgezant van Vader had geantwoord, dat Vader vast besloten was de jongens onder zijn hoede te nemen. Als ze niet vrijwillig kwamen zou hij ze door de politie laten halen. Hij verzocht Moeder de akte van scheiding te lezen. Daar stond duidelijk, dat de jongens aan den Vader waren toegewezen. En dat wist Moeder immers wel. Dat viel niet te ontkennen.

De vriend van Vader had veel moois gezegd: dat Vader zijn jongens liefhad en hen daarom bij zich wilde hebben; maar de jongens wisten dat Vader hen alleen wegnam om Moeder te plagen. Hij had dit bedacht om te maken, dat Moeder er geen pleizier van hebben zou, dat ze van hem gescheiden was. Ze zou in voortdurende onrust over hen moeten leven. ’t Was alles niets dan wraak en akeligheid. Maar Vader had zijn wil doorgezet en nu waren zij op weg naar Stockholm. En vlak over hen zit Vader en verheugt [95]er zich over, dat hij Moeder ongelukkig heeft gemaakt. En elk oogenblik dat voorbij gaat staat het hun meer tegen, als ze er aan denken, dat ze met Vader mee moeten en bij hem wonen. Zijn ze dan heelemaal in zijn macht? Is er dan niets aan te doen?

Vader leunt achterover in zijn hoekje en na een poosje slaapt hij in. De jongens beginnen dadelijk druk samen te fluisteren. ’t Is niet moeilijk een besluit te nemen. Den heelen dag hebben ze ieder apart er over zitten denken, dat ze moesten wegloopen. Ze spreken af, dat ze uit den waggon op ’t balkon zullen sluipen, en uit den trein springen als die door een groot bosch komt. Dan zullen ze een hut bouwen op een verborgen plaats in het bosch en daar alleen leven, zonder zich aan iemand te vertoonen.

Terwijl de jongens deze plannen maken, houdt de trein stil aan een station, en een boerenvrouw met een kindje aan de hand stapt in. Ze is in ’t zwart gekleed, met een doek om het hoofd en ziet er opgewekt en vriendelijk uit. Ze doet den kleine zijn jas uit, die nat van den regen is, en slaat in plaats daarvan een shawl om hem heen. Dan doet ze hem de schoenen en kousen uit, droogt zijn koude voetjes af, zoekt kousen en [96]schoenen uit een bundeltje goed en trekt ze hem aan. Eindelijk geeft ze hem een ulevel en legt hem op de bank, met zijn hoofd op haar schoot om hem te laten slapen.

Nu werpt de eene, dan de andere van de jongens een blik op de boerenvrouw, die met haar kind bezig is. Ze kijken steeds vaker en op eens krijgen de jongens te gelijk tranen in de oogen. Ze kijken niet meer op, maar houden de oogen hardnekkig neêrgeslagen.

’t Is alsof met die boerenvrouw ook nog iemand anders is ingestapt, iemand, die voor allen onzichtbaar en onmerkbaar is, behalve voor de jongens. En dat is Moeder. ’t Is voor de jongens alsof ze binnengekomen is en tusschen hen in is gaan zitten en hun handen heeft genomen, zooals ze gisteren avond heeft gedaan, toen het besloten was, dat ze op reis zouden gaan en dat ze op dezelfde manier met hen spreekt als toen.

„Jelui moet me beloven, dat je niet boos op Vader wezen zult om mij. Vader heeft mij nooit kunnen vergeven, dat ik hem heb belet op reis te gaan. Hij vindt, dat het mijn schuld is, dat er niets groots van hem terecht is gekomen, en dat hij drinkt. Hij kan mij nooit genoeg straffen. Maar jelui moogt daarom niet boos op hem zijn.” [97]

„Als jullie nu bij Vader wonen, moet jullie me beloven lief voor hem te zijn. Jelui moogt niet met hem kibbelen, jelui moet voor hem zorgen, zoo goed je kunt. Dat moet jelui me beloven, anders weet ik niet hoe ik jelui kan laten gaan.”

En de jongens hadden het beloofd.

„Jelui moogt niet van Vader wegloopen. Beloof me dat,” had Moeder gezegd.

Dat hadden ze ook beloofd.

De jongens zijn trouw aan hun woord, en zoodra ze er aan dachten wat zij hun Moeder beloofd hadden, gaven ze alle gedachten aan vluchten op. Vader slaapt nog altijd, maar ze blijven geduldig op hun plaats zitten. Ze hervatten hun lectuur met verdubbelden ijver en hun goede vriend Jules Verne voert ze spoedig weg uit hun vele en zware zorgen naar de gelukkige wonderwereld in Afrika.


Ver weg in ’t Zuidelijk gedeelte van de stad heeft Vader twee kamers en een keuken gehuurd op de onderste verdieping, met den ingang op een binnenplaats en uitziende op een klein plaatsje. De woning is lang gebruikt en is van ’t eene gezin aan het andere overgegaan, zonder ooit gerepareerd te worden. ’t Behang is vol scheuren [98]en vlekken, de zolder vol roet, een paar vensterruiten zijn gebarsten, en de keukenvloer is zoo versleten, dat hij vol spleten is. Een paar kruiers hebben ’t verhuisgoed van ’t station gehaald, het in de kamers gedragen en ’t daar door elkaar laten staan. Vader en de jongens zijn nu aan ’t uitpakken. Vader staat met de bijl opgeheven om een kist open te maken. De jongens halen glas en porcelein uit een andere kist en zetten dat in een kast in den muur. Ze zijn handig en voorzichtig; maar Vader houdt niet op met hen tot voorzichtigheid te vermanen en verbiedt hun meer dan één glas of één bord tegelijk te dragen. Intusschen gaat het met Vaders eigen werk niet zoo heel best. Zijn handen zijn onvast en krachteloos en hij werkt zich in ’t zweet, zonder de kist open te krijgen. Hij legt de bijl neer, loopt om de kist heen en denkt, dat men misschien den bodem boven heeft gekeerd. Een van de jongens neemt dan de bijl en probeert de kist open te rukken, maar Vader stoot hem weg. Die kist is te vast toegespijkerd. Lennart denkt toch niet, dat hij het slot zal openkrijgen, als Vader zelf het niet kan. Alleen een geoefend arbeider kan die kist openmaken, zegt Vader, trekt zijn jas aan en haalt zijn hoed om den knecht van de plaats te roepen. [99]

Vader is nauwlijks de deur uit of er valt hem iets in. Hij begrijpt opeens waarom hij geen kracht in de handen heeft. ’t Is nog vroeg in den morgen en hij heeft nog niets gebruikt, dat zijn bloed in beweging kan brengen. Als hij nu naar een koffiehuis ging en een cognakje nam zou hij zijn kracht weer terugkrijgen en zich zonder hulp kunnen redden. Dat is beter dan nu den knecht van de plaats te roepen. Dan gaat Vader de straat op om een koffiehuis te zoeken. En als hij thuiskomt in zijn kleine woning op de binnenplaats is het acht uur op den avond.

In Vaders jeugd, toen hij op de academie was had hij in ’t Zuidelijk gedeelte van de stad gewoond. Hij was toen lid geweest van een dubbel kwartet, meest bestaande uit kantoorbedienden en kleinhandelaars, die gewoonlijk bijeenkwamen in een kelder bij Mosebacke. Vader wilde graag zien of dat keldertje er nog was. Het bestond werkelijk nog en Vader had het geluk een paar van de oude vrienden te vinden, die daar hun twaalfuurtje gebruikten. Zij hadden hem met de grootste vreugde ontvangen, hem op hun lunch uitgenoodigd en zijn aankomst in Stockholm zoo vriendelijk mogelijk gevierd.

Toen de lunch eindelijk voorbij was, had Vader [100]naar huis willen gaan om zijn meubels uit te pakken; maar zijn vrienden hadden hem overgehaald met hen te blijven eten. En dat had zoolang geduurd, dat Vader niet thuis had kunnen komen vóór achten. En het had hem niet weinig moeite gekost om zoo vroeg uit het vroolijk gezelschap weg te gaan.

Als Vader thuis komt zitten de jongens in ’t donker, omdat ze geen lucifers hebben. Vader heeft een lucifersdoosje in den zak, en als hij een klein stukje kaars heeft aangestoken, dat gelukkig mee ingepakt is, ziet hij, dat de jongens warm en bestoven zijn, maar trotsch en blij, en klaarblijkelijk zeer tevreden over hun dag.

Binnen in de kamer staan de meubels netjes langs den muur, de kisten zijn naar buiten gebracht, hooi en pakpapier weggeruimd. Hugo is bezig de bedden van de jongens in de voorkamer op te maken. De achterkamer zal Vaders slaapkamer zijn en daar staat zijn bed, zoo zorgvuldig opgemaakt als hij maar wenschen kan.

Nu verandert Vaders stemming op een zonderlinge wijze. Toen hij thuiskwam, was hij niet tevreden met zich zelf, omdat hij van zijn werk was weggeloopen en de jongens zonder eten had achtergelaten, maar nu hij ziet, dat zij opgewekt zijn en [101]geen nood geleden hebben, heeft hij spijt, dat hij om hunnentwil zijn vrienden heeft verlaten, en hij wordt prikkelbaar en twistziek.

Hij ziet wel, dat de jongens trotsch zijn op al het werk, dat zij gedaan hebben en dat ze verwachten, dat hij hen prijzen zal, maar hij is in ’t geheel niet geneigd dat te doen. Hij vraagt in plaats daarvan wie er geweest is om hen te helpen en verzoekt hen wel te bedenken, dat men in Stockholm niets zonder geld krijgt en dat de knecht op de plaats voor alles wat hij doet betaald moet worden. De jongens antwoorden, dat zij geen hulp gehad hebben, maar zich zelf hebben gered; maar hij gaat voort met knorren. ’t Was verkeerd, dat zij de groote kist hadden opengemaakt. Zij hadden zich kunnen bezeeren. Hij had hun immers verboden, die open te maken. Nu moeten ze hem gehoorzamen, want hij is voor hen verantwoordelijk.

Hij neemt de kaars, gaat naar de keuken en licht in de kast. De kleine voorraad glas en porcelein is in goede orde op de planken neergezet. Hij onderzoekt alles heel nauwkeurig om aanleiding tot nog meer berispingen te vinden.

Op eens krijgt Vader eenige overblijfselen van ’t avondeten van de jongens in ’t oog en dadelijk begint hij te knorren omdat ze kip gegeten hebben. [102]Waar hebben ze die vandaan gehaald? Zijn ze van plan als prinsen te leven? Is dat zìjn geld, dat zij aan kippen verspillen?

Opeens bedenkt hij zich, dat hij hun geen geld heeft gegeven. Hij denkt, dat ze misschien de kip gestolen hebben en wordt hevig ontroerd.

Hij spreekt en vermaant, knort en schreeuwt; maar nu krijgt hij geen antwoord van de jongens. Ze zijn niet van plan hem te zeggen, waar zij de kip vandaan gekregen hebben, maar laten hem praten. En hij houdt lange toespraken, hij preekt en put zijn laatste krachten uit. Eindelijk smeekt en bidt hij.

„Ik bezweer jelui, mij de waarheid te zeggen. Ik zal jelui vergeven,—wat je ook gedaan hebt, als jelui mij de waarheid maar zegt.”

Nu kunnen de jongens zich niet langer goed houden. Vader hoort een proestend geluid. Ze gooien de dekens neer en richten zich op; en hij ziet, dat ze rood zien van onderdrukt lachen. En terwijl ze nu zonder terughouding schateren, zegt Lennart telkens door proestbuien afgebroken:

„Moeder deed een kip in de tasch, die ze ons meêgaf toen we van huis gingen.”

Vader werpt het hoofd in den nek, ziet de knapen aan, wil spreken, maar vindt geen passende woorden. [103]Hij richt zich nog meer indrukwekkend op, ziet hen met de grootste verachting aan en gaat zonder iets te zeggen in zijn kamer.


Vader is er achter gekomen hoe handig de jongens zijn en hij maakt er gebruik van om zonder bediening huis te houden. ’s Morgens zendt hij Lennart naar de keuken om koffie te zetten en laat Hugo tafel dekken en brood bij den bakker halen. Na ’t ontbijt gaat hij op een stoel zitten en kijkt er naar hoe de jongens de bedden opmaken, den vloer dweilen en de kachels aanmaken. Hij geeft onophoudelijk bevelen en zendt ze van ’t eene werk naar het andere, alleen om zijn macht te toonen. Als ’t morgenwerk voorbij is gaat hij weg en blijft den heelen morgen uit. ’t Middageten laat hij halen uit een kookschool in de buurt. Dan verlaat hij de jongens voor den avond en verlangt niets anders meer van hen, dan dat zijn bed is opgemaakt als hij thuis komt. De jongens zijn zoodoende bijna den heelen dag alleen en mogen doen wat ze willen.

Een van hun voornaamste bezigheden is aan Moeder te schrijven. Ze krijgen iederen dag een brief van haar en zij stuurt hun papier en postzegels, zoodat ze haar kunnen antwoorden. Moeders [104]brieven bevatten meest vermaningen, dat ze lief voor Vader moeten wezen. Zij schrijft er dikwijls over hoe beminlijk Vader was toen zij hem ’t eerst leerde kennen en vertelt hun hoe ondernemend en vlijtig hij was in ’t begin van zijn werk. Zij moeten zacht en goed voor hem zijn. Zij moeten nooit vergeten hoe ongelukkig hij is.

„Als jelui heel lief voor Vader zijn, dan krijgt hij misschien medelijden met jelui en laat jelui weer bij mij komen,” schrijft Moeder.

Moeder vertelt, dat ze bij den dominee en den burgemeester is geweest, om te vragen of ’t niet mogelijk zou zijn om de jongens terug te krijgen. Maar beiden hebben haar geantwoord, dat er niets aan te doen was. De jongens moeten bij Vader blijven. Moeder wilde naar Stockholm verhuizen om ten minste nu en dan haar jongens te kunnen zien, maar alle menschen raden haar aan geduld te hebben en haar tijd af te wachten. Ze denken, dat Vader gauw de jongens moe zal worden en ze naar huis sturen. Moeder weet niet recht wat ze doen moet. Aan den eenen kant vindt ze het verschrikkelijk, dat haar jongens in Stockholm leven, zonder dat iemand voor hen zorgt, en aan den anderen kant weet ze, dat, als ze haar huis verlaat en haar betrekking opgeeft, zij ze niet [105]ontvangen en verzorgen kan, als ze vrij komen. Maar met Kerstmis zal Moeder in elk geval naar Stockholm komen om hen te zien.

De jongens schrijven en vertellen wat ze den heelen dag doen, van uur tot uur. Zij melden Moeder dat ze eten voor Vader halen en zijn bed opmaken. Zij begrijpt, dat ze hun best doen lief voor hem te zijn om harentwil, maar ze voelt wel, dat ze niet meer van hem houden dan vroeger.

Haar jongens schijnen altijd alleen te zijn. Ze wonen in een groote stad, wemelend van menschen, maar niemand vraagt naar hen, niemand let op hen. En dat is misschien het beste. Wie weet wat hun overkomen kon als ze kennissen kregen?

Zij vragen haar altijd niet ongerust over hen te zijn. Zij zullen zich wel redden. Zij vertellen, dat ze hun kousen stoppen en zelf de knoopen aan hun kleeren naaien. Zij maken er ook toespelingen op, dat Lennart al heel ver met zijn uitvinding gekomen is en zij zeggen, dat als die maar klaar is, alles wel goed worden zal.

Maar Moeder leeft in voortdurenden angst, nacht en dag zijn haar gedachten bij de jongens. Nacht en dag smeekt zij God, dat Hij over haar zoontjes waken zal, die alleen leven in een groote [106]stad, zonder iemand, die hun oogen bewaart voor de verzoekingen tot het verderf en hun jonge harten voor de lust tot het kwade.


Vader en de jongens zitten op een morgen in de opera. Een van Vaders oude kameraden, die in de hofkapel meespeelt, heeft hem uitgenoodigd de repetitie van een symfonieconcert bij te wonen, en Vader heeft de jongens meêgenomen.

Als ’t orkest invalt en de heele zaal vol muziek is, grijpt een zóó hevige ontroering Vader aan, dat hij zich niet kan beheerschen, maar begint te schreien. Hij snikt luid en snuit zijn neus en steunt telkens hard. Hij houdt zich in ’t geheel niet in, maar maakt zoo’n leven, dat hij de spelers hindert. Een opzichter komt op hem toe en wenkt hem heen te gaan, en Vader neemt de jongens bij de hand en sluipt zonder een woord van tegenspraak weg. En onder de heele wandeling naar huis vloeien zijn tranen.

Vader heeft de handen van de jongens in de zijnen gehouden en loopt door met een jongen aan iedere zijde. Plotseling beginnen ook de jongens te schreien. Zij begrijpen nu voor het eerst hoe Vader zijn kunst heeft liefgehad. ’t Was [107]vreeslijk voor hem daar als een arme dronkaard te zitten en andren te hooren spelen. ’t Was zoo jammer voor hem, dat hij nooit werd wat hij had moeten worden. ’t Was nu met Vader, als het met Lennart zou worden als hij nooit zijn vliegmachine klaar kreeg, of met Hugo, als hij nooit een ontdekkingsreis doen mocht. Stel je voor, als zij eens als oude, onbruikbare menschen zouden moeten neerzitten en boven hun hoofden prachtige luchtschepen moesten zien heenstrijken, die zij niet hadden uitgevonden en niet mochten besturen.


De jongens zitten op een morgen aan weerskanten van de schrijftafel. Vader heeft een muziekportefeuille onder den arm genomen en is uitgegaan. Hij heeft iets gemompeld van een muziekles, die hij geven moet, maar de jongens hebben zich geen oogenblik laten wijsmaken, dat het waar was.

Vader is in een booze bui, terwijl hij daar over de straat loopt. Hij heeft den blik opgevangen, dien de jongens elkaar toewierpen toen hij zei, dat hij naar de muziekles moest.

„Zij zetten zich als rechters over hun vader,” denkt hij. „Ik ben te toegevend voor hen. Ik [108]had ze elk een oorvijg moeten geven. ’t Is zeker hun moeder, die ze tegen mij opstookt.”

„Ik zal de heeren eens moeten nagaan,” gaat hij voort. „Het zou niet verkeerd zijn eens te zien hoe ze hun werk doen.”

Hij keert om, loopt stil over de straat, doet de deur heel zachtjes open en staat in de kamer van de jongens, zonder dat een van hen hem heeft hooren komen. En, jawel! De jongens vliegen op, met hooge kleuren en Lennart trekt snel een stapel papier naar zich toe, dien hij in de la van de tafel gooit.

Toen de jongens een paar dagen in Stockholm geweest waren, hadden ze gevraagd op welke school ze zouden gaan, en Vader had geantwoord, dat het nu met hun schoolgaan uit was. Hij zou probeeren een meester te vinden, die hun les geven wou. Dat had hij nooit gedaan, en de jongens hadden niet meer over hun schoolgaan gesproken. Maar binnen een week was een schoolrooster in de kamer van de jongens aan den muur gekomen. Schoolboeken waren voor den dag gehaald en elken morgen zaten de jongens aan weerskanten van een oude schrijftafel en leerden hardop lessen. ’t Was duidelijk, dat ze een brief van Moeder hadden gekregen, dat ze moesten [109]probeeren alleen te studeeren om niet alles te vergeten, wat ze geleerd hadden.

Nu Vader zoo onverwacht bij hen binnenkomt gaat hij eerst naar het schoolrooster en bestudeert dat. Hij neemt zijn horloge en vergelijkt dat met het rooster.

Woensdag 10–11. Aardrijkskunde.

Dan gaat hij naar de tafel.

„Moesten jullie dit uur geen aardrijkskunde hebben?” vraagt hij.

„Ja,” antwoorden de jongens, met gloeiend roode wangen.

„Maar waar zijn jelui aardrijkskunde-boeken en kaarten?”

De jongens kijken naar de boekenplank en zijn dood verlegen.

„We zijn nog niet begonnen,” zegt Lennart.

„O, zoo,” zegt Vader. „Jelui deden zeker wat anders.”—Hij rekt zich uit, heel vergenoegd.

Hij heeft een overwinning behaald, die hij niet wil opgeven, vóór hij de jongens duchtig verslagen heeft.

Beide jongens zwijgen. Van af den dag, dat ze met Vader naar de opera zijn geweest, hebben ze medelijden met hem gehad en het had hun niet zooveel moeite gekost als vroeger om vriendelijk [110]voor hem te zijn. Maar natuurlijk hebben ze er geen oogenblik aan gedacht om Vader in vertrouwen te nemen. Hij is niet in hun achting gestegen, al hebben ze ook medelijden met hem.

„Schreven jelui brieven?” vraagt Vader met zijn strengste stem.

„Neen,” antwoorden beide jongens te gelijk.

„Wat deden jelui dan?”

„We praatten maar wat.”

„Dat is niet waar. Ik zag, dat Lennart iets in de schrijftafel verborg.”

Nu zwijgen de jongens weer.

„Laat zien!” roept Vader, rood van kwaadheid. Hij gelooft, dat zijn zonen aan zijn vrouw hebben geschreven, en omdat ze den brief niet willen laten zien, staat er natuurlijk wat leelijks van hem in. De jongens bewegen zich niet en Vader heft de hand op om Lennart te slaan, die voor de la van de tafel zit.

„Raak hem niet aan!” roept Hugo dan. „Wij spraken alleen over iets wat Lennart bedacht heeft.”

Hugo duwt Lennart op zij, rukt de lade open en haalt een papier voor den dag, dat vol geklad is met luchtschepen in de zonderlingste vormen.

„Lennart heeft vannacht een nieuw soort zeil [111]voor zijn luchtschip bedacht. Daar spraken we over.”

Vader wil hem niet gelooven. Hij buigt zich neer, zoekt de la door, maar vindt niet anders dan vellen papier, met teekeningen bedekt, die luchtballons, valschermen, vliegmachines en alles wat bij de luchtscheepvaart behoort, voorstellen.

Tot groote verbazing van de jongens, slingert Vader dit alles niet dadelijk van zich af. Ook lacht hij niet om hun proeven, maar bekijkt nauwkeurig ’t eene blad na het andere. Eigenlijk heeft Vader ook wat aanleg voor werktuigkunde, en hij heeft zich vroeger voor dergelijke zaken geïnteresseerd, toen zijn hersens nog voor iets deugden. Spoedig begint hij vragen te doen naar de beteekenis van een en ander, en daar zijn woorden verraden, dat hij ernstig belang stelt in wat hij ziet, en dat hij het begrijpt, bestrijdt Lennart zijn verlegenheid en antwoordt hem eerst aarzelend, maar langzamerhand met steeds grooter gewilligheid.

Spoedig zijn Vader en de jongens in een diepzinnig gesprek gewikkeld over luchtschepen en luchtscheepvaart. Als ze goed aan den gang zijn spreken de jongens openhartig en laten Vader deelen in al hun plannen en droomen van grootheid. En hoewel Vader wel begrijpt, dat de jongens [112]niet ver kunnen vliegen met de luchtschepen, die ze nu maken, is hij zeer onder den indruk. Zijn zoontjes praten over aluminiummotoren, aëroplanen, en wetten van evenwicht alsof ’t de eenvoudigste zaken van de wereld zijn. Hij heeft gedacht, dat ze rechte domkoppen waren, omdat het op school niet goed met hen ging. Nu meent hij op eens, dat het een paar kleine geleerden zijn.

En hoogvliegende gedachten en verwachtingen—die begrijpt Vader beter dan iets anders. Hij herkent ze; hij heeft zelf op die manier gedroomd, en hij heeft geen lust met zulke droomen te spotten.

Vader gaat dien morgen niet uit, maar zit met zijn jongens te praten tot het tijd is het eten te halen en de tafel te dekken. En al dien tijd zijn de jongens en Vader beste vrienden, tot hun groote, wederkeerige verbazing.


’t Is elf uur in den avond, en Vader loopt slingerend over straat. De kleine jongens loopen elk aan een kant van hem. Zij zijn uitgegaan om hem te zoeken in een van de plaatsen, waar hij zich gewoonlijk ophoudt, en daar zijn ze binnen vlak bij de deur gaan staan, zonder iets te zeggen. Vader zat alleen aan een tafel, met een groot [113]glas donkere toddy voor zich, te luisteren naar een damesorkest, dat achter in de kamer speelde.

Na een poos was hij knorrig opgestaan en naar de jongens toegekomen.

„Wat is er?” vroeg hij. „Waarom kom jelui hier?”

„Vader zou immers thuiskomen,” zeiden de jongens. „’t Is den 5den December. Vader had immers beloofd …”

Toen had Vader zich herinnerd, dat Lennart hem in vertrouwen verteld had, dat Hugo jarig was en hij had beloofd vroeg thuis te zijn. Maar dat had hij heelemaal vergeten.

Hugo verwachtte zeker een verjaarcadeau van hem, maar hij had er niet aan gedacht een te koopen.

In elk geval is hij met de jongens meêgegaan en loopt voort, ontevreden met hen en met zich zelf. Nu hij thuiskomt staat de feesttafel gedekt. De jongens hebben willen tracteeren.

Lennart heeft flensjes gebakken, die nu verscheiden uren oud zijn en er uitzien als leeren lappen. Zij hebben wat geld van Moeder gekregen en daarvan hebben ze noten, amandelen en een flesch limonade gekocht. Al die heerlijkheid hebben ze niet alleen willen genieten; maar ze hebben zitten wachten, dat Vader thuis zou komen om die met hen te deelen. Nu ze goede vrienden [114]met Vader geworden zijn, kunnen ze zoo’n groot feest niet zonder hem vieren. Vader begrijpt alles. Hij is gevleid, omdat ze naar hem verlangen, en in vrij goed humeur komt hij aan tafel. Maar halfdronken als hij is, struikelt hij, terwijl hij wil gaan zitten, grijpt het tafellaken, valt en trekt alles mee op den grond. Als hij is opgestaan, ziet hij de limonade over den grond stroomen en al de confituren en flensjes liggen tusschen scherven van glas en porcelein.

Vader kijkt naar de lange gezichten van de jongens, vloekt en vliegt de deur uit, en komt eerst tegen den morgen terug.


Op een morgen in Februari komen de jongens door de straat met de schaatsen over den schouder. Zij zijn veranderd. Ze zijn mager en bleek geworden en zien er verwaarloosd en slordig uit. Hun haar is niet geknipt, ze zijn niet goed gewasschen en hebben gaten in hun kousen en schoenen. Als ze samen praten gebruiken ze een massa straatjongenswoorden en nu en dan komt er een vloek over hun lippen.

De jongens zijn veranderd van dien avond af, dat Vader vergat thuis te komen en Hugo’s verjaardag [115]te vieren. ’t Was of ze tot dien tijd gedragen werden door de hoop, dat er binnen kort verandering in hun lot zou komen. De eerste dagen hadden ze er op gerekend, dat Vader hen gauw moe zou worden en hen naar huis sturen. Toen hadden ze zich verbeeld, dat Vader van hen zou gaan houden, en dat hij zou ophouden met drinken om hunnentwil. Ja ze hadden zich voorgesteld, dat Moeder en hij vrede zouden sluiten en dat allen gelukkig zouden worden. Maar dien avond zagen ze duidelijk, dat Vader onmogelijk was. Hij kon niets anders dan den drank liefhebben. Al was hij ook een poosje vriendelijk voor hen, hij gaf toch in ernst niet veel om hen.

Er kwam een drukkende hopeloosheid over de jongens. Niets zou veranderen. Ze zouden nooit van Vader wegkomen. Ze voelden ’t, alsof ze veroordeeld waren heel hun leven in een donkere gevangenis te worden opgesloten.

Niet eens hun groote plannen konden hen troosten. Zooals zij gebonden waren, konden ze die nooit uitvoeren. Stel je alleen maar voor, dat ze niets mochten leeren! Ze kenden genoeg van de geschiedenis van groote mannen om te weten, dat wie ìets bizonders wil doen, allereerst kennis noodig heeft. [116]

De hardste slag was nog geweest, dat Moeder met Kerstmis niet gekomen was. In ’t begin van December was ze van een trap gevallen en had een been gebroken zoodat ze in ’t hospitaal had gelegen in de Kerstvacantie en niet naar Stockholm had kunnen komen. Nu was Moeder weer beter, maar nu was haar school weer begonnen. Ook had ze geen geld om te reizen. Alles wat zij bijeen gespaard had, was opgegaan terwijl ze ziek was.

De jongens voelden zich door de heele wereld verlaten. ’t Was duidelijk, dat het nooit beter zou worden, wat ze ook probeerden, en daarom hadden ze langzamerhand opgehouden zich in te spannen met wat ze vervelend vonden. Ze konden immers even goed doen waar ze pleizier in hadden.

Nu en dan maakten ze dagen lang hun bed niet op, en ze hielden op, met de kamer te dweilen. ’t Ging toch wel goed. Er kwam immers nooit iemand bij hen om te zien hoe ze ’t hadden.

Vader dronk steeds erger. Hij probeerde nu en dan zijn krachten te verzamelen om de jongens in orde te houden, maar dat waren maar onmachtige pogingen. Hij vergat zijn bevelen even gauw als hij ze gegeven had.

De jongens waren ook begonnen hun morgenstudies [117]te verzuimen. Niemand overhoorde hun lessen, dus ’t deed er niet toe of zij ze leerden. Er was nu een paar dagen mooi ijs geweest, ze konden dus wel vacantie nemen en uitgaan, terwijl het licht was. Op ’t ijs waren altijd volop jongens en ze hadden met verscheidenen kennis gemaakt, die ook liever schaatsen reden dan in de kamer zaten te leeren.

Nu is ’t zoo’n mooie dag, dat ze er niet aan konden denken om thuis te blijven. ’t Is maar een paar graden vorst, stille en hooge lucht en heldere zonneschijn. ’t Is zulk heerlijk weer, dat de scholen ijsvacantie gegeven hebben. De heele straat is vol kinderen, die naar huis zijn geweest om hun schaatsen te halen. Nu reppen ze zich om op ’t ijs te komen.

Zooals de jongens daar loopen onder de andere kinderen zien ze er ernstig en somber uit. Geen lachje komt op hun gezicht. Hun verdriet is zóó groot, dat ze het geen oogenblik kunnen vergeten.

Als ze op ’t ijs komen is ’t daar vol leven en beweging. Langs den kant staat een dichte menschenmassa, in de verte wemelen schaatsenrijders door elkaar, als mieren doen wanneer hun hoop beschadigd is. Nog verder weg zijn enkele zwarte [118]punten te zien, die zich voortbewegen in bliksemsnelle vaart.

De jongens doen de schaatsen aan en gaan onder de schaatsenrijders. Ze rijden heel goed en nu ze met volle vaart over ’t ijs glijden, komt er kleur op hun wangen en glans in hun oogen, maar ze zien er geen minuut blij en zorgeloos uit als andere kinderen.

Op eens, terwijl ze zich naar ’t land keeren zien ze iets heel moois. Een groote luchtballon komt van den kant van Stockholm en drijft naar den kant van de Zoutzee. Hij is geverwd met roode en gele strepen en als ’t zonlicht er op valt, schittert hij als een vuurbal. De gondel is versierd met een massa bonte vlaggen, en daar de ballon niet heel hoog gaat, is het levendige kleurenspel goed te zien.

Nu de jongens den ballon zien, geven ze een kreet van blijdschap. ’t Is voor ’t eerst in hun leven, dat ze een grooten ballon door de lucht zien gaan. Die is veel mooier, dan ze zich hebben kunnen voorstellen. Alle droomen en plannen, die hun troost en blijdschap geweest zijn in veel moeilijke dagen, komen weer in hen op, nu ze dien zien. Zij blijven staan om na te gaan hoe de touwen en lijnen vast zitten, en ze merken het anker en [119]de zandzakken aan den rand van den gondel op.

De ballon strijkt met een sterke vaart over ’t dichtgevroren water, dat breeder wordt en in zee uitloopt. Alle schaatsenrijders, groote en kleine door elkaar, stormen lachend en luid roepend toe, als hij zich vertoont en loopen hem dan achterna. Ze volgen hem in de richting naar de zee in een lange zwaaiende rij, als een reusachtige slappe lijn. De luchtschippers vermaken zich met het uitgooien van een massa stukken papier van verschillende kleur, die langzaam neerdwarrelen door de blauwe lucht.

De jongens zijn de eersten in de lange rij, die den ballon achterna stormt. Zij jagen voort, het hoofd achterover gebogen en de oogen steeds naar boven gericht. Hun oogen stralen van geluk voor ’t eerst, sinds ze van Moeder weggingen. Ze zijn heelemaal buiten zichzelf van verrukking over het luchtschip, en denken aan niet anders dan het zoo lang mogelijk te volgen.

Maar de ballon drijft haastig voort en men moet een goede schaatsenrijder zijn om niet achter te blijven. De schare, die hem najaagt, dunt, maar aan ’t hoofd van hen, die hem blijven volgen, zijn de kleine jongens. Ze zijn zóó opgewonden, dat men op hen letten gaat. De menschen spreken [120]er later over, dat er iets bizonders aan hen was. Zij lachten en riepen niet, maar er lag een glans van verrukking over hun opgeheven gezichten, alsof ze een visioen zagen.

De ballon maakt ook op de jongens bijna den indruk van een gids uit den hemel, die komt om hen weer op het rechte pad terug te brengen en hun te leeren daarop met frisschen moed voort te gaan. Nu de jongens hem zien, klopt hun het hart van verlangen opnieuw aan de groote uitvinding te gaan werken. Zij voelen zich weer overtuigd te zullen slagen. Als ze maar volhouden zullen ze eindelijk wel zegevieren. De dag zal komen, dat ze hun eigen luchtschip zullen bestijgen en hoog in de ruimte drijven. Eens zullen zìj daar in de lucht, hoog boven de menschen rondzweven. En hun luchtschip zal veel beter zijn dan dat, wat ze nu zien. ’t Zal bestuurd en gekeerd kunnen worden, ’t zal rijzen en dalen zonder wind, en tegen den wind in gaan. ’t Zal hen dragen—dagen en nachten waarheen ze maar willen. Ze zullen neerdalen op de hoogste bergtoppen, over de meest barre woestijnen heenzweven,—de meest ongebaande streken onderzoeken. Zij zullen alle heerlijkheid van de wereld zien.

„We moeten ’t niet opgeven, Hugo,” zegt [121]Lennart. „We zullen ’t prachtig hebben, als we ’t maar klaar krijgen.”

Vader en zijn ellende gaan hun niet meer aan. Hij, die zóóiets groots heeft om voor te werken, kan zich toch door zoo iets erbarmelijks niet laten ophouden.

De ballon krijgt sterker vaart hoe verder hij komt. De schaatsenrijders volgen hem ook niet meer. De eenige, die doorgaan, zijn de kleine jongens. Ze snellen voort, zoo vlug en licht, alsof ze vleugels aan de voeten hebben.

Plotseling geven de menschen, die aan land staan en ver over ’t water kunnen zien, een schreeuw van angst en ontzetting. Zij zien, dat de ballon, steeds door de twee kinders gevolgd naar het vaarwater drijft, waar ’t open water is.

„Open water! Daar is open water!” roepen de menschen.

De schaatsenrijders op ’t ijs hooren dat geroep en zien uit naar de monding van het fjord. Zij zien een glinsterende streep in den zonneschijn vonkelen in de verte. Ze zien ook, dat twee kleine jongens recht op de streep afrijden, die ze niet zien, omdat ze de oogen op den ballon gevestigd houden, zonder ze ook maar een oogenblik naar de aarde te wenden. [122]

Men roept uit alle macht, men stampt op het ijs, snelrijders haasten zich om hen tegen te gaan houden. Maar de kleintjes merken niets van dat alles, terwijl ze het luchtschip najagen. Ze weten niet, dat zij de eenigen zijn, die het volgen. Ze hooren geen geroep achter zich. Ze merken niets van het geklots en gebruis van het open water vóór zich. Zij zien alleen den ballon, die hen als ’t ware meêsleurt. Lennart voelt al hoe zijn eigen luchtschip zich met hem opheft en Hugo zweeft over de geheimzinnige Noordpoolstreken.

De menschen op ’t ijs en aan ’t strand zien hoe ze ’t open water snel naderen. Een oogenblik heerscht er onder hen een zóó ademlooze spanning, dat ze niet kunnen roepen of zich verroeren. Er ligt iets als een betoovering over die twee kinderen, die niets merken onder hun woest voortsnellen, die den dood tegemoet ijlen, terwijl ze een stralend hemelsch visioen najagen.

De luchtscheepvaarders boven, in den ballon hebben de kleine jongens ook in het oog gekregen. Ze zien, dat zij in gevaar zijn. Ze roepen hun toe en maken waarschuwende bewegingen; maar de jongens begrijpen hen niet. Als ze zien, dat de luchtschippers teekens tegen hen maken, meenen ze, dat zij hen in den gondel willen opnemen. [123]Zij heffen de armen naar hen op, overgelukkig in de hoop met hen mede te mogen, ver weg, door de stralende ruimte.

Op dat oogenblik zijn de jongens bij het open water gekomen, en met omhoog gerichte, van vreugde stralende gezichten en opgeheven armen rijden ze in ’t water en verdwijnen zonder om hulp te roepen. De schaatsenrijders, die hebben geprobeerd ze in te halen, staan een paar seconden later aan den kant van het ijs, maar de stroom in ’t water heeft de kinderen meegesleurd onder ’t ijs en geen helpende hand kan hen meer bereiken. [125]