WeRead Powered by ReaderPub
Herinneringen cover

Herinneringen

Chapter 7: EEN HEKSENKIND.
Open in WeRead

About This Book

A series of recollections and short narratives that weave household memories, folklore, and reflective observation. Early pieces portray a rural household responding to a newborn and a fortune-telling that foreshadows illness and wandering; subsequent items range from legendary and travel-tinged tales to episodes involving a balloon, a witch-child, and a courtroom. The pieces move between anecdote and fable, blending personal memory with mythic or moral elements, and probe themes of fate, belonging, mobility, and the interplay between imagination and everyday life.

[Inhoud]

[127]

EEN HEKSENKIND.

De heks kwam aansluipen door het bosch, met haar kind in een mandje van berkenbast op den rug. ’t Was groot en leelijk, met haren als een borstel, scherpe uitstekende tanden en een klauw aan de pink; maar de heks vond, dat er geen mooier kind bestond;—dat spreekt van zelf.

Terwijl de heks doorliep, kwam ze aan een plek, waar het bosch een beetje minder dicht was. ’t Was op een weg, die vooruitsprong, hobbelig en kaal, vol boomwortels, die er overheen lagen als een geknoopt net. En op dien weg kwam een boer met zijn vrouw aanrijden, beiden te paard.

De heks was eerst van plan ’t bosch weer in te vluchten, opdat niemand haar zien zou; maar toen zag ze, dat de boerenvrouw een kind op den arm had en daardoor kwam ze op andere gedachten. Ze sloop dichter bij den weg en kroop achter een hazelaarstruik. [128]

„Ik wil eens zien of een menschenkind even mooi kan zijn als het mijne,” dacht de heks.

Maar in haar ijver stak ze het hoofd te ver uit de struik, en toen de rijdenden dicht bij haar waren, kregen de paarden het groote, zwarte heksenhoofd in het oog. Ze schrikten, gingen op de achterste pooten staan en sloegen op hol. De boer en zijn vrouw werden bijna uit het zadel geworpen. Ze schreeuwden, bogen zich voorover om de teugels te grijpen en in een oogenblik waren ze weg.

De heks grijnsde van ergernis. Ze had niet veel van het menschenkind gezien. Maar op eens werd ze vreeselijk verrukt, want daar lag immers het kind vlak voor haar op het veld. ’t Was van den arm van de boerenvrouw geworpen door dat de paarden opsprongen en aan den teugel rukten.

’t Kind was in een grooten hoop dorre bladeren gevallen en volkomen ongedeerd. ’t Schreeuwde luid van schrik door den val, maar toen de heks zich over hem heen boog, werd het zoo blij over dat onverwacht gezicht, dat het stil werd en lachte en de handen opstak om aan haar zwarten baard te trekken.

Maar de heks was heelemaal verbluft en stond het menschenkind aan te kijken. Ze keek naar [129]de kleine handjes met rozenroode nageltjes, naar de heldere blauwe oogen en het kleine mondje. Ze voelde aan het zachte haar, streek over de wangetjes en kon maar niet van haar verbazing bekomen, dat een kind zóó blank en zacht en fijn wezen kon. Op eens rukte de heks het mandje van haar rug, nam haar eigen kind er uit en zette het naast het menschenkind. En toen ze zag welk een verschil er tusschen die twee was kon ze niet laten te brullen van woede.

Intusschen hadden de boer en zijn vrouw hun paarden tot bedaren gebracht en reden terug om hun kind te zoeken. Toen de heks ze hoorde aankomen, begon ze bijna te schreien, want ze had nog lang niet genoeg naar het menschenkind gekeken.

Ze bleef staan tot de rijdenden bijna zoo dichtbij gekomen waren, dat zij ze zien kon, en toen nam ze snel een besluit. Ze liet haar kind aan den kant van den weg liggen, stopte het menschenkind in het mandje op haar rug en sprong er het bosch meê in.


Nauwelijks was de heks in het bosch verdwenen of de boer en zijn vrouw kwamen aan.

’t Was zulk een flink paar boerenmenschen, rijk [130]en geacht en met een mooie hoeve aan den voet van den boschheuvel. Zij waren lang getrouwd geweest, maar ze hadden slechts dit eene kind. Dus kan men wel begrijpen, dat ze het bizonder graag wilden terugvinden.

De vrouw reed een paar stappen voor haar man uit en kreeg het eerst het kind in het oog, dat aan den kant van den weg lag. Het schreeuwde uit alle macht om de heks terug te roepen en de boerin had al aan het schreeuwen moeten merken wat het voor een kind was; maar ze was bang geweest, dat de kleine dood gevallen was en toen ze het hoorde schreien dacht ze alleen hoe gelukkig het was, dat het nog in leven was.

„Daar ligt het kind!” riep ze haar man toe, gleed op ’t zelfde oogenblik uit het zadel en sprong naar het heksenkind toe.

Toen de boer daar aankwam, zat zijn vrouw aan den kant van den weg en keerde het kind om en om. Zij zag er uit als iemand, die zijn oogen niet gelooven wou.

„Mijn kind had geen tanden als slangentanden,” zei ze, en uit haar stem sprak een steeds toenemende ontzetting. „Mijn kind had geen haar als een borstel van varkenshaar; mijn kind had geen klauw aan de pink!” [131]

De boer kon niet anders denken, dan dat zijn vrouw krankzinnig was geworden, en hij sprong op zijn beurt van het paard. „Kijk eens naar het kind en zeg me of je begrijpen kunt hoe het zoo veranderd is!” zei de vrouw en reikte hem het kind toe. Hij nam het aan, maar nauwlijks had hij het aangezien, of hij spuwde driemaal en wierp het van zich af. „Dat is immers een heksenkind,” zei de boer; „dat is ons kind niet.”

De vrouw zat nog aan den kant van den weg. Ze was niet vlug van begrip en kon er maar niet uit wijs worden wat er gebeurd was.

„Maar wat doe je dan met het kind?” vroeg zij.

„Begrijp je niet, dat het een ruilkind is?” zei de man. „De heksen hebben van ’t oogenblik gebruik gemaakt, dat de paarden steigerden. Ze hebben ons kind gestolen en een van hun eigen kinderen er voor in plaats gelegd.”

„Maar waar is mijn kind dan nu?” vroeg de vrouw.

„Dat is bij de heksen,” antwoordde de man.

Nu begreep zijn vrouw eindelijk het heele ongeluk. Ze werd zoo bleek, dat de man meende, dat zij sterven zou.

„Ons kind kan immers niet ver van hier zijn,” zei hij en trachtte haar te bemoedigen, hoewel [132]hij zelf niet veel hoop had. „We zullen probeeren het bosch in te gaan en het te zoeken.”

Toen bond hij de paarden aan een boom en ging het kreupelhout in. De vrouw stond werkelijk op om hem te volgen, maar toen merkte zij, dat het heksenkind op het veld lag en gevaar liep door de paarden te worden doodgetrapt, want ze waren onrustig door de nabijheid van het kind en sloegen telkens wild achteruit. Ze rilde bij de gedachte, dat zij het weer moest aanraken, maar toch legde ze het kind zoo, dat het door de paardenhoeven niet kon worden bereikt.

„Hier ligt de rammelaar, die ons kind in de hand had toen je het liet vallen,” riep de boer van uit het bosch. „Nu weet ik, dat ik op het rechte spoor ben.”

De vrouw liep hem haastig na, en zij gingen het bosch in en zochten er lang en zorgvuldig, maar ze vonden geen kind en geen heks, en toen de schemering inviel moesten zij naar de paarden teruggaan.

De vrouw schreide en wrong de handen. De man liep met de lippen vast op elkaar geklemd en een harden trek om den mond, en zei geen woord om haar te troosten. Hij was uit een oud aanzienlijk geslacht, dat uitgestorven zou zijn, als [133]hij niet een zoon had gekregen. En nu was hij boos op zijn vrouw, omdat zij het kind op het veld had laten vallen. Zij had dat toch vast moeten houden, beter dan iets anders. Maar toen hij zag hoe bedroefd zij was, had hij het hart niet haar verwijten te doen.

De boer had zijn vrouw al in ’t zadel geholpen toen ze aan het ruilkind dacht.

„Wat moeten we met dat heksenkind doen?” barstte ze uit.

„Ja, waar is dat heengeloopen?” zei de man.

„Hij ligt daar onder die struik.”

„Nu, daar ligt hij goed,” zei de man en lachte bitter.

„We moeten hem wel meênemen. We kunnen hem toch niet hier in de wildernis achterlaten.”

„O, ja, dat kunnen we best,” zei de boer en zette den voet in den stijgbeugel.

De vrouw vond, dat haar man volkomen gelijk had. Zij behoefden zich niet over dat heksenkind te ontfermen, en zij liet haar paard een paar stappen doen. Maar ze had een week en barmhartig gemoed en op eens was het haar onmogelijk verder te gaan.

„Neen, ’t is toch in elk geval een kind,” zei ze. „Ik kan ’t niet hier laten om door de wolven [134]te worden verscheurd. Je moet mij dat kind maar aangeven.”

„Dat doe ik niet,” zei de man. „Dat ligt goed, waar ’t nu is.”

„Als je ’t me nu niet geeft, dan moet ik van avond hier weer heen rijden om het te halen,” zei de vrouw.

„Ik geloof dat het niet genoeg is, dat de heks mij mijn kind heeft afgenomen,” zei de man. „Ze heeft ook mijn vrouw betooverd.” Maar hij raapte toch het kind op en gaf het zijn vrouw; want hij had haar heel lief en was gewoon te doen wat zij wenschte.

Den volgenden dag was het ongeluk in de heele gemeente bekend en alle oude en wijze menschen haastten zich naar het huis van den boer om goeden raad te geven.

„Wie een ruilkind in huis krijgt moet hem elken dag slaan met een knuppel,” zei een van de ouden.

„Waarom zouden we hem zoo slecht behandelen?” vroeg de boerin. „Hij is wel leelijk, maar hij heeft immers geen kwaad gedaan.”

„Ja, als men zoo’n kind slaat tot het gaat bloeden komt de heks eindelijk aanvliegen, gooit je eigen kind naar je toe en pakt het hare meê. Ik weet [135]meer dan één, die op zoo’n manier haar kind terug gekregen heeft.”

„Maar die kinderen leefden niet lang,” zei een ander van de oude vrouwen, en de boerin zei in zich zelf, dat ze dit middel niet gebruiken kon. Dat was haar onmogelijk.

Tegen den avond toen de boerin alleen met het heksenkind in de kamer was, begon ze op eens zóó hevig naar haar eigen kind te verlangen, dat ze geen raad wist. „Misschien moest ik toch probeeren wat ze mij geraden hebben,” dacht ze, maar ze kon er niet toe komen.

Op datzelfde oogenblik kwam haar man in de kamer met een knuppel in de hand en vroeg naar het heksenkind. De vrouw begreep, dat haar man den raad van de wijze, oude vrouwen wilde volgen en het heksenkind slaan om zijn eigen kind terug te krijgen.

„’t Is goed, dat hij het doet,” dacht ze. „Ik ben zoo dom;—ik zou nooit een onschuldig kind kunnen slaan.”

Maar nauwlijks had de man het heksenkind een slag gegeven, of zijn vrouw vloog op hem toe en greep hem bij den arm.

„Neen, sla hem niet, sla hem niet!” smeekte ze.

„Je wilt zeker je kind niet terughebben,” zei de man en probeerde zich los te maken. [136]

„Ja, zeker wil ik het terughebben, maar niet op deze manier,” zei de vrouw.

De man hief nu den arm op tot een nieuwen slag, maar vóór die viel, had zijn vrouw zich over het kind geworpen, zoodat de knuppel op haar rug neerkwam.

„God beware me!” zei de man. „Nu begrijp ik, dat je ’t er op aanlegt, dat ons kind zijn heele leven bij de heksen zal blijven!”

Hij bleef staan wachten, maar de vrouw bleef vóór hem liggen en beschermde het kind met haar eigen lichaam. Toen wierp de man den knuppel weg en liep boos de kamer uit.

Later verbaasde hij er zich over, dat hij zijn voornemen niet had uitgevoerd, tegen den wil van zijn vrouw in, maar er was iets, dat sterker was dan hij, wanneer hij met haar samen was. Hij kon er zich niet tegen verzetten.

Een paar dagen gingen in droefheid en pijnlijk gemis voorbij. Wat de boerin ’t allermeest kwelde en haar verdriet dubbel groot maakte, was dat ze dat heksenkind had om voor te zorgen. Om zijnentwil moest ze zoo bitter lijden, dat ze bijna de kracht niet had het gemis van haar eigen kind te voelen.

„Ik weet waarlijk niet, wat ik dat heksenkind [137]te eten moet geven,” zei ze op een morgen tegen haar man. „Hij wil niets proeven van wat ik hem voorzet.”

„Dat is geen wonder,” zei de man. „Je hebt zeker wel gehoord, dat heksen niets dan kikkers en muizen eten.”

„Maar je kunt toch niet verlangen, dat ik naar den vijver ga om kikkers voor hem te vangen,” zei de vrouw.

„Neen, ik verlang dat heelemaal niet,” antwoordde de boer. „Ik vind, dat het ’t beste was, als hij doodhongerde.”

De heele week ging voorbij, en de boerin was niet in staat het heksenkind te bewegen iets te eten. Het schreeuwde maar in zijn wieg en werd zoo akelig mager, dat er bijna niets meer van hem overbleef. Om hem heen zette de boerin alle gerechten, die zij koken kon, maar ’t heksenkind blies en spuwde als ze het van al dat lekkers wilde laten proeven.

Op een avond, dat het heksenkind er uitzag, alsof het van honger sterven zou, kwam de kat de kamer in met een muis in den bek. De boerin rukte de muis van de kat af, gooide die het kind toe en ging haastig de kamer uit om niet te zien hoe het wicht de muis opat. [138]

Maar toen de boer merkte, dat zijn vrouw werkelijk kikkers en spinnen voor het heksenkind ging vangen, begon hij zulk een afschuw voor haar te krijgen, dat hij dien nauwlijks verbergen kon. Hij kon het niet over zich verkrijgen een vriendelijk woord tegen haar te zeggen en als ze niet die wonderlijke macht over hem gekregen had, was hij dadelijk van haar weggegaan. Ook de dienstboden begonnen tegenover hun huismoeder ongehoorzaam en oneerbiedig te doen, zonder dat de heer des huizes er op lette.

De vrouw begreep al gauw, dat ze, als ze voortging het heksenkind te beschermen, het moeilijk zou krijgen met haar man, haar dienstboden èn met haar buren, maar zij was zoo geschapen, dat als er iemand was, die door alle anderen gehaat werd, dan moest zij al haar krachten inspannen om zoo’n stumper te behoeden en te beschermen. En hoe meer ze leed en geplaagd werd ter wille van het heksenkind, des te trouwer waakte ze er over, dat het niets kwaad kon overkomen.

Op een morgen, een paar jaar later, zat de huismoeder alleen in de kamer en naaide de eene lap na de andere op een kinderbuisje.

„Och ja!” dacht ze onder het naaien, „wie [139]voor het kind van een ander zorgen moet, heeft geen prettig leven.”

Ze naaide maar al voort, maar er waren zooveel gaten en ze waren zoo groot, dat ze tranen in de oogen kreeg, toen zij die zag. „Maar dat weet ik wel,” dacht ze, „als ik het buisje van mijn eigen jongen naaide, zou ik de gaten niet tellen.”

„Ik heb ’t wel heel moeilijk met dat heksenkind,” dacht de boerin, toen ze weer een gat ontdekte, „’t Beste was ’t zeker, dat ik hem diep in ’t bosch bracht, zóó ver, dat hij den weg naar huis niet meer vinden kon, en hem daar liet.

Ik hoef me ook niet zooveel moeite te geven om hem kwijt te raken,” dacht ze een oogenblik later.

„Als ik hem maar een minuut zonder toezicht laat, zal hij wel in de put verdrinken, of zich aan den haard verbranden of door den hond gebeten of door de paarden getrapt, of door de jongens doodgeslagen worden. ’t Is gemakkelijk genoeg om van hem af te komen, want lastig en leelijk is hij en er is niemand, die hem niet haat. Ik geloof dat, als ik hem niet altijd bij me hield, al gauw iemand de kans zou waarnemen en hem doodslaan.”

Ze stond op en ging naar het kind, dat in een [140]hoek van de kamer lag te slapen. ’t Was sterk gegroeid en ’t was nog veel leelijker dan toen zij het voor ’t eerst zag. ’t Had groote, dikke lippen, de wenkbrauwen waren als twee stijve borstels en de huid was bijna bruin.

„Je kleeren verstellen en op je te passen was nog wel te doen,” dacht ze. „Als ik om jou maar niet erger verdriet had. ’t Is bijna alsof ik niet wijs ben, dat ik zoo veel om jou verdraag, die toch maar een leelijk heksenkind ben. Mijn man heeft een afschuw van me, de jongens verachten me, de meisjes hoonen me, de kat blaast tegen me, en de hond huilt, als hij me tegenkomt. En dat is alles om jou.

Maar dat dieren en menschen me haten is nog het ergste niet,” ging ze peinzend voort. „Het ergste is, dat ik telkens als ik je zie, naar mijn eigen zoon verlang. O mijn lief kind, mijn lief gouden kindje, waar ben je nu? Slaap je nu op mos en takken bij de heks in ’t bosch?”

De deur ging op dat oogenblik open en de vrouw ging weer naar haar naaiwerk, dat op de tafel lag. ’t Was haar man, die binnenkwam. Hij lachte en zijn stem klonk vriendelijker dan die in lang gedaan had.

„Er is markt in de naastbijliggende gemeente [141]vandaag,” zei hij. „Ik dacht er over, dat we daarheen moesten gaan.

„O ja, dat wil ik graag,” zei de vrouw. Zij was er blij om.

„Maak je dan gauw klaar,” zei de man. „We moeten loopen, want de paarden zijn aan ’t werk. Maar we komen nog wel op tijd, als we den weg over den heuvel nemen.”

Kort daarna stond de vrouw in feestgewaad op de stoep. Dat was het prettigste wat haar in jaren overkomen was, en ze had het heksenkind heelemaal vergeten. „Maar,” dacht ze plotseling, „misschien wil mijn man me verlokken, zoodat een van de jongens ’t kind kan doodslaan, terwijl ik weg ben.” Ze ging gauw weer in de kamer en kwam terug met het groote heksenkind op den arm.

„Kun je dat heksenkind niet thuis laten?” zei de man, maar hij lachte en was zacht.

„Neen, ik durf hem niet alleen te laten,” zei ze.

„Ja, dat moet je zelf weten,” zei de boer, „maar ’t is een zwaar werk voor je, zoo’n jongen den heuvel op te dragen.”

Nu begonnen zij de wandeling, maar de heuvels waren zwaar te beklimmen, en ze moesten zich tegen een heelen bergrug opwerken, eer ze in de naburige gemeente konden komen. De vrouw [142]werd zoo moe, dat ze eindelijk de voeten niet meer verzetten kon. Keer op keer probeerde zij den grooten jongen zelf te laten loopen, maar hij wilde niet.

De man was aldoor opgeruimd en zoo vriendelijk, als hij niet geweest was, sinds ze hun kind verloren hadden. „Nu moet je mij dat ruilkind geven,” zei hij, „dan zal ik hem een poosje dragen.”

„Och neen, ik kan nog wel een beetje,” zei de vrouw, „ik wil niet, dat je moeite van dat heksenkind zult hebben.”

„Waarom zul jij daar alleen meêsleepen?” zei hij, en nam het kind over.

Juist daar waar de boer het kind begon te dragen was de weg het moeilijkst. Smal en glibberig liep hij langs een afgrond en er was niet veel plaats om den voet neer te zetten. De vrouw liep achteraan en op eens werd ze bang, dat haar man iets zou overkomen, terwijl hij daar liep met het kind op den arm. „Wees hier voorzichtig,” riep zij. Ze vond, dat hij zoo snel en onvoorzichtig liep, dat hij vallen moest. Onmiddellijk daarna gleed hij uit en liet bijna het kind in den afgrond vallen.

„Als nu het kind gevallen was, zouden we het voor altijd kwijt geweest zijn,” dacht ze. Maar [143]op dat zelfde oogenblik werd het haar duidelijk, dat het juist de bedoeling van haar man was geweest het kind naar beneden te gooien en dan te doen, alsof het bij ongeluk was gebeurd.

„Och, och! zoo is het,” dacht ze. „Hij heeft dit alles zoo geschikt om het kind om te brengen, zonder dat ik zou begrijpen, dat hij het met opzet deed. Ja, was het niet het beste, dat ik hem zijn zin liet doen?”

Weer gleed de man uit op een lossen steen, weer viel het kind bijna uit zijn armen.

„Geef mij het kind. Je valt er meê,” zei de vrouw.

„Neen, ik zal wel oppassen,” antwoordde de man.

„Je moet het mij geven,” herhaalde de vrouw. „Je bent al twee keer uitgegleden.”

Op ’t zelfde oogenblik gleed de man voor de derde maal uit. Hij stak de armen uit om een boomtak te grijpen en het kind viel. De vrouw liep dicht achter hem aan, en hoewel ze zoo pas nog gedacht had, dat het een zegen zou zijn als zij van dat heksenkind bevrijd kon worden, sprong ze vooruit, greep een slip van het buisje van den jongen en trok hem terug op den weg. De man keerde zich toen om en zag haar aan. Nu was zijn gezicht veranderd en de uitdrukking boosaardig. „Je was niet zoo vlug, toen je ons [144]kind in het bosch liet vallen,” zei hij somber.

De vrouw antwoordde niet. Zij zat aan den kant van den weg te schreien, omdat de vriendelijkheid van haar man maar voorgewend geweest was.

„Waarom schrei je?” zei hij hard. „’t Zou toch niet zoo erg geweest zijn, als ik den jongen had laten vallen. Kom nu mee, ’t wordt laat.”

„Ik geloof niet, dat ik lust heb om naar de markt te gaan,” zei zij.

„Och neen, ik heb er ook geen pleizier meer in,” antwoordde hij.

„Ik wil even graag weer naar huis gaan,” zei de vrouw.

„Nu, waarom zouden we verder loopen, als we het niet meer prettig vinden,” zei de man, en was het met haar eens.

Onder het naar huis gaan vroeg hij zich af hoe lang hij het bij zijn vrouw zou uithouden. Als hij maar van zijn recht als huisvader gebruik durfde te maken en haar dwingen, zou het wel weer goed tusschen hen kunnen worden, meende hij, maar zooals het nu was, zou hij ’t liefste van haar weg willen gaan. Hij was op het punt geweld tegen haar te gebruiken en haar het kind uit de handen te rukken, maar juist toen ontmoetten zijn oogen de hare, die hem zoo bedroefd en somber aanzagen, [145]dat hij het niet over zich kon verkrijgen streng tegen haar te werk te gaan.

Ter wille van haar smart bedwong hij zich, zoo als hij tot nu toe gedaan had en alles bleef als het was.

Nu gingen er weer een paar jaar voorbij en toen gebeurde het op een zomernacht, dat er brand kwam op de boerderij. Toen de menschen wakker werden stonden de groote kamer en de kleine vertrekken vol rook en de zolder was één vuurzee. Aan blusschen of redden was geen denken; ’t eenige wat de bewoners te doen stond was naar buiten te vliegen om niet meê te verbranden.

De boer was naar buiten gekomen en stond naar het brandende huis te zien.

„Ik zou wel eens willen weten wie dat gedaan heeft!” barstte hij uit.

„Wie anders dan dat heksenkind,” zei een jongen. „’t Was al lang zijn liefste spelletje hoopjes rijs te maken en die aan te steken.”

„Gistren heeft hij een hoop rijs naar den zolder gedragen,” zei het dienstmeisje. „Hij was juist bezig die aan te steken toen ik er aankwam en hem in het oog kreeg.”

„Hij heeft ze zeker gistren avond laat opnieuw aangestoken,” zei de jongen. „In alle geval kun [146]je er zeker van zijn, dat hij het ongeluk heeft aangericht.”

„Als hij nu maar meê verbrandde,” zei de boer, „dan zou ik er niet over klagen dat mijn oud huis vergaat om zijnentwil.”

Juist toen hij dat zei, kwam zijn vrouw het huis uit en sleepte het kind meê. De boer snelde toe, rukte haar het kind af, hief het hoog op zijn armen en gooide het in ’t huis terug. De vlammen sloegen toen juist uit het dak en de hitte was vreeselijk. De vrouw zag haar man een oogenblik aan, doodsbleek van schrik,—toen keerde zij zich om en snelde ’t huis in om ’t kind te halen.

„’t Kan me niet schelen of je meê verbrandt,” riep de boer haar na. Zij kwam intusschen terug met het kind in de armen. Ze had de handen hevig verbrand en ’t haar was bijna weggeschroeid. Niemand zei een woord tegen haar toen ze naar buiten kwam. Zij ging naar de put, doofde een paar vonken uit, die aan de rand van haar kleed gloeiden en ging toen op het veld zitten.

’t Heksenkind lag op haar schoot en sliep spoedig in, maar zij zat overeind en bleef wakker. Met droeve oogen staarde zij voor zich uit. Een massa menschen kwamen om te helpen blusschen, [147]maar niemand sprak tegen haar. Het scheen of allen vonden, dat er iets akeligs en heksachtigs aan haar was, dat de menschen afschrikte en hun afschuw inboezemde.

Tegen den morgen, toen de brand gebluscht was ging de boer naar haar toe.

„Ik kan ’t niet langer uithouden,” zei hij, „ik kan niet met heksen samen leven, hoewel ik je niet graag verlaat. Maar nu ga ik heen en kom niet meer terug.”

Toen de vrouw die woorden hoorde en zag hoe de man onmiddellijk daarna zich omkeerde om heen te gaan, ging er een schok door haar heen, alsof zij hem na wilde snellen, maar het heksenkind lag zwaar op haar schoot. Ze scheen geen kracht genoeg te hebben om het van zich af te schudden en bleef zitten.

Maar de boer was nauwelijks in het bosch en begon de berghelling op te klimmen, toen hij een klein jongetje in volle vaart de heuvels af zag komen. Hij was zoo mooi als een jonge boom, slank en rank, zijn haar was blond en glansde als zijde en zijn oogen waren blauw als staal.

„Zie eens, zoo zou mijn zoon nu geweest zijn, als ik hem had mogen behouden,” dacht de boer. „Zulk een erfgenaam zou ik nu hebben [148]gehad. Dat was heel wat anders geweest dan dat zwarte wonderdier, dat mijn vrouw in mijn huis heeft gehaald.”

„Goedendag,” zei de boer, „waar moet jij heen?”

„Goedendag,” zei de knaap en stak de hand uit. „Als u kunt raden wie ik ben, zal ik u zeggen waar ik heenga.”

Toen de boer die stem hoorde, werd hij heel bleek.

„Ik ken die stem,” mompelde hij. „Als mijn zoon niet bij de heksen was, zou ik zeggen, dat hij het was.”

„Ja, u hebt goed geraden, Vader,” zei de knaap lachend. „En omdat u goed geraden hebt, zal ik u zeggen, dat ik op weg naar Moeder ben.”

„Je moet niet naar Moeder gaan,” zei de boer, „ze vraagt niet naar je. Ze heeft voor niets en niemand hart dan voor een groot, leelijk heksenkind.”

„Zegt u dat, Vader,” zei het kind, en zag zijn vader diep in de oogen. „Dan is het misschien beter, dat ik vooreerst maar bij u blijf.”

De boer was zoo verrukt over het kind, dat de tranen in zijn oogen opwelden.

„Ja, blijf jij maar bij me,” zei hij, nam den [149]knaap in de armen en kuste hem. Hij was, als ’t ware bang hem opnieuw te verliezen; hij durfde hem niet weer op ’t veld neer te zetten; en liep verder met het kind op den arm.

Toen hij een paar stappen had gedaan begon de kleine te babbelen en te praten.

„’t Is goed, dat u mij niet zoo draagt, als u het heksenkind droeg,” zei de knaap.

„Wat bedoel je?” vroeg de boer.

„Wel, de heks liep met mij aan den anderen kant van den afgrond en telkens als u uitgleedt, gleed zij uit met mij.”

„Zoo liep jelui daar aan den anderen kant van den afgrond,” zei de boer en werd op eens nadenkend.

„Nog nooit ben ik zóó bang geweest,” vertelde de knaap. „Toen u het heksenkind in den afgrond gooide wilde de heks mij ’t achterna gooien. Als Moeder niet zoo vlug was geweest en den ander gered had …”

De boer begon langzaam te loopen, terwijl hij aanhoudend het kind vragen deed.

„Je moet me eens vertellen hoe je het bij de heksen gehad hebt.”

„Dat is soms moeilijk geweest,” zei de kleine. „Maar als Moeder maar goed voor het heksenkind was, dan was de heks goed voor mij.” [150]

„Sloeg ze je misschien wel?” vroeg de boer.

„Ze sloeg mij alleen toen u haar kind sloeg.”

„Wat kreeg je te eten?” vroeg de boer.

„Telkens als Moeder het heksenkind spinnen en muizen gaf kreeg ik brood met boter; maar toen u ’t heksenkind koekjes en vleesch voorzette kreeg ik slangen en padden. Den eersten tijd was ik bijna doodgehongerd. Als Moeder toen niet meer barmhartigheid had getoond dan u en de anderen was ik heengegaan.”

Toen het kind dat zei, keerde de boer om en liep snel naar beneden, het dal in en naar zijn hoeve.

„Ik weet niet hoe het komt,” zei hij, „maar het is alsof ik brandlucht ruik, als ik je aanraak. En je haar ziet er uit alsof het geschroeid is.”

„Dat is geen wonder,” zei het kind. „Ik werd van nacht in het vuur gegooid, toen u het heksenkind in de brandende kamer gooide. En als Moeder het heksenkind niet gered had, zou ik zeker verbrand zijn.”

De boer kreeg nu zoo’n haast, dat hij bijna voortsprong om gauwer weer thuis bij zijn vrouw te komen. Maar plotseling bleef hij staan.

„Nu moet je me nog zeggen hoe het kwam, dat de heks je vrij liet,” zei hij. [151]

„Toen Moeder had geofferd wat haar liever dan haar leven was, hadden de heksen geen macht meer over me. Toen lieten ze mij gaan.”

„Had ze geofferd, wat haar meer waard was dan het leven?” zei de boer.

„Ja, dat had ze zeker, toen ze u liet gaan, zonder een poging te doen om u terug te houden,” zei het kind.

De vrouw zat nog op dezelfde plaats bij de put. Ze sliep niet, maar ze was als onder den indruk van een zonderlinge versteening. Ze kon zich niet bewegen, en van wat er om haar heen gebeurde merkte ze niet meer dan een doode doet. Toen hoorde ze, dat de stem van haar man haar riep, en daardoor begon haar hart weer te kloppen, en ’t leven in haar ontwaakte op nieuw.

Ze sloeg de oogen op en zag om zich heen als een slaapdronkene. Het was helder dag; de zon scheen, en de vogels zongen. Het was haar alsof het onmogelijk was, dat ze haar ongeluk nog te dragen had op zulk een heerlijken morgen. Onmiddellijk daarna zag ze de verkoolde balken, die op de plaats lagen waar hun huis had gestaan, en een massa menschen met de handen en ’t gezicht vol roet, en toen herinnerde ze zich, dat ze tot zich zelf gekomen was om een nog [152]grooter ongeluk te dragen dan ooit te voren. En toch had zij een gevoel, dat het nu voorbij wezen moest.

Ze zag naar het heksenkind.

Het lag niet meer op haar schoot en was niet in haar omgeving te zien. Indien alles was geweest als het placht te zijn, zou ze zijn opgevlogen om hem te zoeken, maar nu voelde zij geen bezorgdheid voor hem. Ze hoorde haar man roepen—heel uit de verte.

Hij kwam van uit het bosch op de hoeve toe. En alle vreemde menschen, die bij het blusschen hadden geholpen, snelden hem te gemoet en omringden hem, zoodat ze hem niet zien kon.

Ze hoorde alleen, dat hij onophoudelijk riep: „Moeder, Moeder! kom eens kijken, kom eens kijken!” En ’t was alsof zijn stem haar een boodschap van groote vreugd bracht.

Toch bleef zij stil zitten. Ze waagde ’t niet hem tegemoet te gaan.

Eindelijk kwam de geheele menschenmenigte tot dicht bij haar. Toen maakte de man zich vrij van de anderen en kwam naar haar toe. Hij legde een heerlijk kind in haar armen.

„Hij is onze zoon; hij is bij ons teruggekomen,” zei hij, „en jij hebt hem gered en niemand anders.” [153]