WeRead Powered by ReaderPub
Hermelijn cover

Hermelijn

Chapter 14: XIV.
Open in WeRead

About This Book

A young woman departs Amsterdam on a long steamship voyage to the East Indies; the narrative follows the crossing and early days in colonial society, detailing passengers' farewells, onboard routines, and conversations that reveal hopes, regrets, and social expectations. Through descriptions of landscapes, shipboard life, and everyday interactions, the work examines migration, longing for home, the tension between personal desire and social duty, and the place of a young woman navigating unfamiliar social hierarchies. Scenes alternate between intimate interior moments and broader observations of movement, class, and belonging.

[Inhoud]

XIV.

»Je hebt een pracht van een vrouw, Conrad,” zei Guillaume. »Ik heb nog nooit een tweede gezien, zoo lief, zoo vriendelijk.”

»Dat schijnt Cor ook te denken,” zeide de gelukkige echtgenoot kortaf, »dadelijk heeft ze haar meegenomen naar die hoek-canapé en haar mond staat geen oogenblik stil.”

»Waarom sta je dat toe, Coen? Als ik je was, liet ik haar geen oogenblik met de prinses alleen! Zij heeft haar zondagsch humeur van daag niet, van morgen bij het kerkhouden liet zij de juffrouw een preek voorlezen van wel twaalf bladzijden lang, en toen Jantje van August en mijn Njo daarbij in slaap vielen, kregen zij voor vandaag huisarrest op droge rijst, kassian!”

»Maar hoe kun je dat toelaten? vraag ik op mijn beurt.”

»Jij zult ook wel toegeven, als je zoover bent. Ik kan dat gezanik niet uitstaan; je begrijpt dat Toetie of Kitty wel zorgen zullen dat de kinderen het noodige krijgen. Ik kan die eeuwige ruzie niet velen. Apaboleh boeat?1

»Dat is jelui lijfspreuk, dat heeft August me ook al gezegd.”

»Maar jij bent pas getrouwd, je vrouw weet nog van niets. Hoe minder zij met Corona omgaat, hoe beter.”

»’t Kan me niets schelen!”

»Heb je nog de bokkenpruik op? Beken toch dat Cor goed voor je uitgezocht heeft. Leek Toetie maar half op haar! Zeg eens, wat is dat een flinke vent die Thoren, vind je niet?”

»Ik kan er niet over oordeelen, ik heb hem nog niet gesproken.”

»Hij kan van alles, maar het meeste schik geeft het mij, als ik zie hoe hij Cor aandurft! Gisteravond heeft zij na lang bidden eindelijk viool gespeeld; Portias accompagneerde haar, zie je, ’t klonk prachtig, ik kon niet anders zeggen en hij gaf haar toch een compliment dat geen compliment was. Ik dacht een oogenblik [87]dat zij de viool stuk zou slaan op zijn hoofd, maar ze hield zich in, en van morgen wenschte zij hem nauwelijks goeden morgen!”

»Als ieder zoo bang niet was voor haar, zou zij niet zooveel durven.”

»Ik geloof dat zij papa erg opstookt tegen Portias; de arme kerel krijgt toch niet meer dan alles vrij en f 50.”

»Hij klaagt toch niet.”

»Wel neen, hij zei me gisteren. »’t Doet me genoegen; papa en Corona zullen langzamerhand overtuigd raken, dat ik mijn Kitty wou hebben alleen omdat ik haar lief had, en niet omdat zij de dochter van de rijke Gérans is.” Zoo iets moest Akkeveen overkomen, die heeft nooit genoeg naar zijn zin. Maar vertel me nu eens wat van je vrouw! Hoe prettig voor je dat het zoo uitgevallen is; ze is niet alleen mooi maar goed bovendien. ’t Doet mij pleizier voor jou, je hebt het verdiend aan Kitty.”

De goede Guillaume was geen scherp opmerker en het somber zwijgen van zijn broer op dien gelukwensch viel hem niet op; er kwamen een paar kleine jongens langs, hij pakte er een beet, wierp dien in de hoogte, ving hem met de schouders op en draafde de voorgalerij zoo door tot bij de canapé, waar Corona en Hermelijn nog zaten.

»Heb je geen moeite om al die kinderen te onderscheiden?” vroeg Hermelijn.

»Ik ken mijn eigen er nauwelijks uit,” antwoordde hij lachend. »Laat eens kijken, is dat er een van mij, óf is ’t een broertje of een neefje. Hoe heet je, vent?” en hij keek naar boven.

»Herman.”

»Dien heb ik niet, dat is een zoon van August, geloof ik! Die kneuter daar is zijn oom, een heuveltje in vergelijking van Dora August.”

»En de uwe?”

»Lientje, daar komt ze aan. ’t Is No. 3 van de zes, mijn jongste is elf weken; ja, de klapperboomen zitten hier vol kleine Gérantjes, men heeft ze maar voor het plukken.”

»Iteko,” riep Corona, die opgestaan was en naar de binnengalerij wandelde; zij had een lange, slepende grijze peignoir aan met donkerroode opslagen gegarneerd, een bloedkoralen kam in de hoog opgestoken haren, bloedkoralen groot als duiveneieren om hals en armen.

»Zeg me toch eens, wat voor wonderlijke naam dat is?” zei Hermelijn.

»Iteko, bedoelt u? Wel, dat is Margaretha Jacoba, heb ik eens gehoord. ’t Is een goed mensch die juffrouw! Zij leert de kinderen van alles, en bemoeit zich niet met onze zaken, Corona behandelt haar als een meid en als een koningin.”

»Iteko,” vroeg Corona, toen het bultje voor haar stond, »waar blijft Margot van morgen?” [88]

»Zij is met meneer Philip, meneer Portias en meneer Thoren uit rijden gegaan.”

»Zonder mijn verlof op Zondag. ’t Is goed! Zeg haar dat zij vandaag de kamer niet verlaat.”

»Ook niet voor het eten?”

»Neen.”

Op hetzelfde oogenblik kwam van den achterkant het viertal het erf oprijden. Margot, die zich dol geamuseerd had, omdat »meneer Thoren zoo aardig kon zijn” had dicht bij huis plotseling gewetenswroegingen gekregen.

»Niet daar boven langs, onder langs, dan komen wij niet van voren aan,” bad zij.

»En waarom dan, juffrouw Margot?” vroeg Thoren.

»Ze is bang voor Cor,” verklapte Philip, »zij heeft haar geen permissie gevraagd.”

»Ik ook niet,” zei Portias, »en jij Philip?”

»O bij de jongens komt het er niet op aan,” sprak het meisje weemoedig. »Maar voor de meisjes is zij zeer streng.”

»Kom, het zal zoo erg niet wezen; zullen wij haar ontevredenheid niet tarten?”

»Och neen, neen, doe het niet! Ze is vandaag toch niet goed gehumeurd.”

»Niet, en waarom?”

»Omdat u haar gisteravond geen mooi compliment heeft gegeven over haar vioolspelen,” zeide het meisje schalksch lachend.

»Foei Margot, foei enfant terrible!” verweet Portias haar.

»Kom, je zoudt me nog ijdel maken Margot, waarom zou juffrouw Corona vragen naar mijn meening; als het nu nog die van Portias was.”

»O, dat is oudbakken brood, ’t is een straatdeun,” verklaarde deze oprecht.

»Gaan we nu door den klappertuin?”

»Zullen wij de kleine meid haar zin geven, Portias?”

»Ik ben geen kleine meid meer!”

»Neen, een aardige, groote heks.”

»Och ja, laat ons maar links inslaan, Thoren.”

Nauwelijks kwam Margot, die er in haar lange zwarte amazone met haar rijhoedje op, reeds geheel als een volwassen dame uitzag, de trap der achtergalerij op of Iteko kwam haar tegen.

»Foei Margauw,” begon zij op haar zoetsappigsten toon, »hoe heeft u dat kunnen doen?”

»Weet Cor …”

»Ja en nu mag u den heelen dag niet uw kamer verlaten.”

Margot had verscheidene prettige plannetjes voor den Zondag en nu werd daaraan op zoo onverwachte wijze een eind gemaakt.

»Cor is een gek!” riep zij, en vergetend dat zij gaarne voor een verstandige, groote meid werd aangezien, wierp zij haar hoed [89]en zweep op den grond en begon hardop te schreeuwen en te stampvoeten, terwijl zij in haar kamer verdween.

»Ze zijn allemaal hetzelfde, die inlandsche kinderen,” mompelde juffrouw Iteko, hoed en zweep gedwee opnemend.

Juist kwam Thoren ook binnen.

»Hoorde ik Margot daar niet aangaan?” vroeg hij.

»Och ja, zij is wat verdrietig mijnheer, zij heeft kamerarrest gekregen.”

»Omdat ze uit rijden is geweest?”

»Ik denk het wel mijnheer.”

Thoren van Hagen en Portias gingen naar de voorgalerij en maakten hun opwachting bij de dames; Corona was statig en koel en verwaardigde ze nauwelijks met een blik; Thoren van Hagen sprak haar evenmin aan en onderhield zich met Hermelijn.

Hij zat tegenover haar op een klein tabouret en vroeg hoe het Indische leven haar beviel; Conrad stond op eenige stappen afstand en luisterde zonder het te willen doen blijken.

»Java is een paradijs,” sprak zij bitter, »maar niet ieder kan het waardeeren.”

»Nu, ik blijf voorloopig hier.”

Corona hief ’t hoofd op en zelfs Conrad’s aandacht scheen opgewekt.

»Hier blijven Iwan?” vroeg Hermelijn.

»Ja, ik heb een verrukkelijk plekje gevonden, waar het goed is te rusten; daarvoor reis ik de aarde rond om er een plaats te vinden, waar ik gaarne zou blijven, tot … het mij verveelt.”

»En waar is die bevoorrechte plek?” vroeg Corona scherp.

»Bij het meer Ngaroe, in het huis van Bremmers,” haastte Philip zich te zeggen.

»Kinderen moeten wachten tot hun iets gevraagd wordt: Hou je stil,” beval Corona.

»De jongeheer heeft het beter gezegd dan ik het zou kunnen. Dat namen onthouden is mijn kracht niet; ja, ’t is een heerlijk romantisch punt, ik zal ’t huis huren en laten inrichten.”

»Wie weet voor hoe korten tijd?”

»Men moet het oogenblik vasthouden, ’t gaat zoo snel voorbij. Ik vind dien inval kostelijk en zou hem niet willen verliezen; morgen ga ik naar de hoofdplaats en vandaar naar Samarang om meubels en een piano te koopen.”

»Hij is niet wijs,” mompelde Corona binnensmonds en zocht toen haar vader op, die rustig in den anderen hoek der galerij zijn courant las.

»Papa,” sprak zij, »is het huis van Bremmers nog niet verhuurd?”

»Neen kind, wie zou het willen huren?”

»Ik hoor, de mijnheer, die u uit Samarang mee heeft gebracht. Staat u dat toe?” [90]

»Verhuren zal ik ’t hem niet, maar hij kan het bewonen als hij het verlangt.”

»Doe me pleizier en weiger ’t hem.”

»En waarom? Thoren van Hagen is een ontwikkeld, aangenaam mensch, een goede omgang voor je broers.”

»Doe ’t niet!”

»Maar Corona, geef een reden op!”

Zij beet zich op de lippen; iets boosaardigs glimde in haar oogen, maar dadelijk sloeg zij ze neer en antwoordde niets anders dan:

»U moet het zelf weten, als er ongelukken van komen.”

»Kom, kind, wees verstandig! Wat voor kwaad zou het geven?”

Hij zette zijn lectuur voort, en zij verwijderde zich.

Intusschen gaf Thoren met vuur een beschrijving van het plekje dat hem geboeid had.

»’t Lijkt een tooversprookje zoo romantisch, zoo wild; verbeeld u, Hermelijn, een meer groen als een smaragd, omsloten door hooge rotsen aan eene zijde, waaruit slingers van woekerplanten met groote, pluimachtige bloemen bevallig neerhangen en dikke boomen zich door de spleten wringen om dan hun takken droomerig in het water te laten slepen; eilandjes, die groote bonte bouquetten lijken, verstrooid over het water, aan de andere zijde hooge waringins en alang-alang, die het in gele planken opgetrokken paviljoen, bijna geheel verschuilen. Uw villa is mooi, maar de mijne wint het toch!”

»Altijd even grillig, Iwan!”

»Och ja, met grilligheid bevind ik mij het beste; ik hou niet van lang vastgestelde plannen, van uitgewerkte levensprogramma’s, van wissels op de toekomst. Elke dag brengt zijn eigen lief en leed.”

»Gelukkig, die zich de weelde veroorloven kan er grillen op na te houden,” zei Hermelijn glimlachend.

Juist werden zij voor de lunch geroepen, Thoren naderde Hermelijn van nabij en vroeg fluisterend:

»Meen je werkelijk dat ik gelukkig ben?”

»Wel neen, zeker niet, men mag immers niet gelukkig zijn op aarde.”

»O Hermelijntje, wat heb je vorderingen gemaakt in levenswijsheid,” dacht Iwan, maar sprak het niet uit.

’t Was een gezellige rijsttafel, niettegenstaande twee derden het stilzwijgen niet verbraken; Corona was plotseling levendig en spraakzaam geworden zelfs tegen Thoren, die het geheele gezelschap iets mededeelde van het vuur, dat uit zijn gesprekken en blikken ontsprong.

»Mag ik u een gunst verzoeken?” vroeg hij over de tafel heen aan Corona bij het dessert. [91]

»Als ik die mag weigeren?”

»Een slecht begin, maar ik roep mijnheer uw vader op mijn hand. Is het niet wreed, dat bij het eerste familiemaal waarbij een nieuwe schoonzuster aanzit, een der zusjes afwezig moet blijven?”

»Wie is dat?” vroeg de oude heer de Géran rondziende.

»Juffrouw Margot.”

»Dat ondeugende kind; maar ik wil vandaag genade voor recht laten gaan, nu zal zij wel in ontoonbaren toestand zijn en niet eens verlangen hier in ’t openbaar te verschijnen, maar van middag mag ze zich kleeden Iteko, en aan het diner komen.”

»Op de barmhartigheid der Koningin,” riep Thoren van Hagen zijn glas opheffend, »voor haar, die genade voor recht laat gaan!”

En toen allen van tafel opstonden na het maal, zeide hij zacht tot Corona:

»Ik blijf u dankbaar voor die gunst, de eerste, die ik u heb gevraagd. Moge dat een goed voorteeken blijken!”

»Waarvan?”

»Van uw goedgunstigheid voor het vervolg!”

Hij zag haar aan met zulk een blik, dat Corona plotseling alles om haar heen zag wentelen; zij kreeg een gevoel zooals zij nimmer nog had ondervonden, haar oogen flikkerden, haar hand beefde, en zonder een woord te spreken, verliet zij hem.

»Iteko!” vroeg zij in haar kamer gekomen, »wat zeg je van Thoren’s plan?”

»Wel juffrouw, wat zou ik er van zeggen. Hij is vrij zich te vestigen, waar hij wil. En ’t is hier heel mooi.”

»Ik zou willen weten wat hem drijft hier te blijven.”

»Ik heb mijn vermoedens.”

Tot Iteko’s groote verwondering deed Corona geen verdere vragen meer.


1 Wat kan men er aan doen?