VIERDE HOOFDSTUK.
HET ANARCHISME IN DE PRAKTIJK.
Internationale ontwikkeling.
Het anarchisme was in den vorm waarin het door Max Stirner verkondigd werd, niets dan een ideologie. Ideologieën nu hebben nooit eenigen vasten voet in de massa kunnen vatten, en vandaar dat het anarchisme bloot een „leer” was voor zekere individuen, doch voor het volk niet de minste waarde of aantrekkelijkheid bezat. Gelijk reeds tevoren is geconstateerd, bleef Stirner’s „Einzige” nagenoeg zonder weerklank. In de praktijk toegepast, zou de theorie van Stirner geheel zijn neergekomen op het meest teugellooze privaat-kapitalisme, op de meest onbeperkte uitbuiting van den een door den ander. Het was het individualisme, zooals het nooit bestond en ook niet bestaan kon. Na Stirner hebben Mozes Hess en Karl Grün beproefd in Duitschland tot een socialistisch-anarchistische levensbeschouwing te komen, doch ook dit pogen bleef zich bij beiden bepalen tot het schrijven van een boek.
Dat de wetenschappelijke anarchisten van den lateren tijd, onder wie natuurlijk Kropotkine op den voorgrond treedt, met den „eenling” Stirner en diens „eigendom”, over ’t algemeen met diens philosophie van het egoïsme verlegen zitten, blijkt wel het best hieruit, dat zij dien grondlegger hunner theorie volkomen negeeren. Kropotkine weet ons zelfs in het jongste zijner geschriften over het wetenschappelijk anarchisme te vertellen dat het anarchisme „uit de tendenzen van het praktische leven is ontsproten”1 en dat het als zoodanig tot grondleggers heeft: William Godwin en P. J. Proudhon. Dat Stirner hier snood verloochend wordt, heeft zijn goede reden: hij compromitteert het halfslachtig, inkonsekwent en dubbelhartig anarchisme van Kropotkine al te zéér!
Proudhon echter maakte wel school. Zoowel in Frankrijk zelf, waar hij leefde en werkte, als in de overige romaansche landen en ook een korten tijd in België vond zijn leer, d.w.z. het economische gedeelte er van—Proudhon was ook philosoof en politiek publicist—langen tijd onder de arbeiders een meer of minder sterken aanhang.
Men moet, om Proudhon’s sociale hervormingsplannen recht te begrijpen, goed in het oog vatten, dat in zijn tijd—het tijdperk dat aan ’t jaar 1848 onmiddellijk is voorafgegaan,—de fransche industrie nog geheel in de windselen van de kapitalistische manufaktuur lag en onder dien vorm van produktie de geweldige concurrentie had te doorstaan van de inmiddels reeds reusachtig gegroeide groot-industrie en warenproduktie voor de wereldmarkt, die Engeland bezat. Daarbij kwam nog dat het in Frankrijk steeds machtige bankierskapitalisme, de „haute finance”, een normale ontwikkeling van klein- tot groot-industrie in Frankrijk zeer belemmerde.
Onder de arbeiders uit dien tijd, en nog tot diep in de jaren na 1870, sloegen dan ook niet zoozeer Proudhon’s anarchistische theorieën, die ook door hem zelf trouwens later voor praktisch ondoorvoerbaar waren verklaard, maar Proudhon’s sociale hervormingsplannen in. Het was het „mutualisme,” het beginsel van de hervorming door middel van den „wederzijdschen ruil” op den grondslag van de „geconstitueerde waarde”, en het middel om daartoe te geraken, de „crediet- en ruilbanken”, dat succes had. Wij zagen reeds dat deze sociale hervorming van Proudhon een klein-burgerlijke rekonstruktie van de kapitalistische maatschappij beoogde. Ieder zou zijn eigendom terugkrijgen, de grondslag van zijn individualiteit en zijn onbeperkte persoonlijke vrijheid.
John Henry Mackay, de anarchist van onzen tijd, begreep inderdaad Stirner veel beter, toen hij hem met Proudhon verbond tot een stelsel van individueel anarchisme, dat wil zeggen het eenig-mogelijke stelsel waaronder het anarchisme als leer zichzelf gelijk blijft. Beide kunnen althans tezamen gebracht worden: de egoïst, die geheel zijn eigendom hebben en zich daarmede „uitleven” wil, en de „mutualist”, die hem dat persoonlijk eigendom zoo onbeperkt mogelijk garandeeren wil.
In beider anarchisme weerspiegelde zich zoo volkomen mogelijk die weerzin tegen de maatschappelijke ontwikkeling, welke den „individu en zijn eigendom” hoe langer hoe meer onmogelijk maken zou, om er een gemeenschap voor in de plaats te stellen, waarin de in het kapitalisme ondergegane „individu” krachtiger en bloeiender zou opkomen dan de sociale, de menschheidsindividu.
Het kenmerk van dat anarchisme was zijn groote eerlijkheid, een deugd die het zooveel genietbaarder maakt dan het gekwakzalver van de lateren, met Kropotkine vooraan.
Deze anarchisten en de weinigen die hen volgden, begrepen, dat elke anarchistische idee, die aan het begrip communisme gekoppeld wordt, een tegenspraak in zichzelf is, zoodat het verdedigen van beide uit de eene inkonsekwentie in de andere leidt. Anarchisme en communisme zijn de scherpste tegenvoeters.
De eerste kampplaats.
Voor ons doel moeten wij hier evenwel meer belang stellen in de eerste pogingen om het anarchisme de arbeidersbeweging binnen te dragen, dan in de uiteenzetting van ideologieën. De eerste die het anarchisme met de beweging van het proletariaat poogde te verbinden was Bakoenine, naar wij reeds bij de bespreking van zijn werk gezien hebben.
Daarom moet het terrein waarop dat geschiedde, de „Internationale” van 1864, allereerst onze belangstelling gaande maken.
De „Bond van Communisten”, in 1847 ontstaan en waaraan het klassieke „Communistische Manifest”, door Karl Marx en Friedrich Engels vervaardigd, zijn ontstaan te danken had, was een eerste poging geweest om de communisten onder één banier te verzamelen, natuurlijk, gelijk de gansche inhoud van dat „Manifest” aanduidde, met uitsluiting van de utopisten, die van den klassenstrijd als middel om tot de nieuwe samenleving te komen, niets wilden weten.
Maar dat „Manifest” werd na zijn verschijning niet opgemerkt en had vooral onder arbeiders geenerlei direkten weerklank kunnen vinden.
Eerst een samenkomst van fransche arbeiders, die door keizer Napoleon III naar Londen waren gezonden om aldaar de Wereldtentoonstelling van 1862 te bezoeken, met engelsche Trade Unionisten, zou het eerste aanknoopingspunt vormen voor die arbeiders van deze beide landen, welke, naar de toenmalige verhoudingen in Europa, de meest ontwikkelde waren. In 1864, zeventien jaren na het „Manifest” dus, kwam de beroemde „Internationale Associatie van Arbeiders”, kortweg „de Internationale” genoemd, tot stand. Daarmede was voor het internationale proletariaat voor het eerst een bodem geschapen, waarop zijn vertegenwoordigers elkander vinden konden, ten einde gezamenlijk het karakter van den strijd tegen het kapitalisme, den gemeenschappelijken vijand, en de middelen welke in dezen strijd moesten worden aangewend, te kunnen bespreken.
Hoewel de spil waarom de „Internationale” draaide, geheel en al de persoonlijkheid van Karl Marx was,—wiens inzichten zoowel in het wezen van het kapitalisme, voor het eerst neergelegd in de „Kritiek op de Staathuishoudkunde” (1857), als in het karakter van den strijd, naar reeds uit het „Communistisch Manifest” was gebleken, volkomen helder en gevestigd waren,—Marx behéérschte de „Internationale” zeker niet. En hij was wel de eerste die overtuigd was, dat hij het niet zou hebben kunnen doen. Verdere uitwijding over de ontwikkeling van de „Internationale”, anders dan in verband met ons onderwerp, is hier intusschen niet op hare plaats.
Het eerste werkelijke congres van de „Internationale” te Genève (3–10 September 1866) was door 60 afgevaardigden bezocht; de belangrijkste delegatie was die uit Frankrijk. De fransche sektie die, behalve Varlin en Malon, niet anders dan Proudhonistische afgevaardigden telde, probeerde daar reeds dadelijk de „Internationale” hare richting uit te dwingen. Marx was niet aanwezig. Het waren de fransche afgevaardigden Fribourg en Tolain, die het voorstel deden, dat slechts handenarbeiders als medeleden van de „Internationale Arbeidersassociatie” zouden kunnen worden opgenomen, waardoor de voornaamste krachten, o.a. ook Marx, feitelijk zouden zijn buitengesloten; het voorstel werd verworpen. Het teekende echter reeds den reaktionairen geest die een deel dier afgevaardigden bezielde.
Het zuiver Proudhonisme nochtans kwam eerst bij het vaststellen van de grondslagen, waarop de „Associatie” berusten zou, aan den dag. Bij het punt „Internationale verbinding” en ten aanzien van „hetgeen de Associatie zou kunnen doen in den strijd tusschen arbeid en kapitaal”, was op voorstel van de engelsche arbeiders ook het punt van de werkstaking ter sprake gebracht. Daarbij vonden de fransche afgevaardigden de gelegenheid om het Congres te doen verklaren, dat het noodzakelijk was „den ruil op de grondslagen der wederkeerigheid te herstellen, het vakonderwijs te hervormen, nauwkeurige statistieken in het leven te roepen, overvulling en gebrek aan arbeiders in de verschillende vakken te doen vermijden.” Dat waren volgens deze fransche afgevaardigden de middelen, „om de huidige verhoudingen te verbeteren waarover zich elkeen te beklagen had en die onder zekere omstandigheden crisissen in het leven moesten roepen, die bij de bestaande betrekkingen tusschen den consumeerenden voortbrenger en den niet voortbrengenden verbruiker, onmogelijk te verhinderen waren.” Om deze denkbeelden „te doen verwerkelijken is de Internationale in het leven geroepen.”
Scherper trad de fransche delegatie nog naar voren, toen het gold de bespreking van de verkorting van den arbeidstijd. Toen n.l. Odgers en Karl Bürkli een voorstel hadden ingediend, dat de arbeiders in de industrieele landen voor een verkorting van den arbeidsdag tot 8 uren zouden ijveren, op aansporing van de „Internationale”, stelden de franschen de volgende resolutie daartegenover:
- 1e. De mensch is slechts vrij onder de voorwaarde van de ontwikkeling zijner geschiktheden; dientengevolge is elke verlenging van den arbeid, welke hem in deze ontwikkeling hindert, te veroordeelen als tegen-natuurlijk en als anti-sociaal.
- 2e. Van nu af beschouwen wij den arbeidstijd van 8 uren per dag als voldoende voor de voortbrenging van alle behoeften, die voor het leven noodzakelijk zijn.
- 3e. De associatie behoort alle pogingen in het werk te stellen om de tegenwaarde voor elke werkzaamheid te verzekeren, doordien zij een minimum van arbeidsloon voor een dienst bepaalt, die het individu aan de gemeenschap bewezen heeft.
Bij de behandeling van de kwestie van den vrouwenarbeid waren de fransche gedelegeerden wederom, geheel in de lijn van Proudhon,—die een zeer verwoed tegenstander van de vrouw als arbeidster was,—reaktionair. Zij oordeelden het noodig dat het Congres zich positief tegen elken vrouwenarbeid uitsprak, daar de vrouw niet in de fabriek maar in het huisgezin behoorde en zich aan het gezin en de opvoeding harer kinderen had te wijden. De vrouwenarbeid was, volgens de meerderheid van de fransche delegatie, „in physiek, moreel en sociaal opzicht een principe van ontaarding en een drijfveer van demoralisatie”. Deze uitspraak ging een minderheid (Varlin en Bourdon) zelfs te ver.
Op het derde Congres, te Brussel gehouden (6–13 September 1868), waar de fransche delegatie de hulp van de eveneens door het Proudhonisme aangestoken belgische delegatie kon vinden, wist zij zelfs een lange resolutie aangenomen te krijgen, waarin het Congres, van de overweging uitgaande: „dat het heffen van rente een permanente bron van ongerechtigheid en ongelijkheid is” zich althans in beginsel uitsprak voor:
„De oprichting van ruilbanken, welke tot den kostenden prijs gedreven, de demokratiseering en de egaliseering (gelijkmaking) van het crediet ten doel zouden hebben en het verkeer tusschen producenten en consumenten vereenvoudigen, d.w.z. den arbeid onttrekken aan de heerschappij van het kapitaal en dit laatste zijn natuurlijke en gerechtigde rol zouden aanwijzen, die het als agent van den arbeid heeft.”
Op het Congres van Brussel (5–11 September 1867) waren de fransche afgevaardigden, die zich op het vorig congres zelfs tegen de rationalisatie van mijnen, grond, spoorwegen etc. hadden verklaard, evenzeer in de Proudhonsche dogma’s verstard. In het bijzonder was het de fransche afgevaardigde Tolain, die zijn leven trouwens als een zeer eerzaam Senaatslid geëindigd heeft, die de rechten van het individu verdedigde tegenover de „abstrakte gemeenschap”. Hij betwistte deze in de eerste plaats het recht de hand op de arbeidsproducten van den individu te leggen als die zijn bijdragen en belastingen tot onderhoud van den staat geleverd had. Hij maakte er zijn tegenstanders op het Congres een verwijt van, de werking met de oorzaak te verwisselen, zoo dezen het eigendomsrecht als de oorzaak van de ellende der menschheid beschouwden. Hij meende dat men alle huurkontrakten in koopkontrakten moest veranderen, waardoor het eigendom in een bestendige cirkulatie gebracht zou worden en daarmede zou ophouden een schadelijke werking te hebben. Hiermede moest hand aan hand gaan een reorganisatie van het credietwezen, dan zou ieder misbruik van het privaat-bezit onmogelijk geworden zijn, zonder dat men tegelijk de vrijheid van het individu op eenigerlei wijze behoefde aan banden te leggen.
Desorganiseerend werken.
De oppositie van de fransche Proudhonisten droeg over het algemeen een principieel karakter. Zij was een poging om de arbeiders-internationale den weg van een soort hervormingsarbeid op te drijven, die, binnen het raam van de kapitalistische produktiewijze blijvend, eerder nog de strekking had deze te conserveeren dan te revolutioneeren. Deze pogingen konden door de toenmaals vooral reeds in Engeland bestaande, praktische arbeidersbeweging genoegzaam bestreden worden. Reeds de werkelijkheid leerde toch met één oogopslag dat in eenigermate vergevorderde industrielanden een zoodanige terugkeer naar verouderde economische verhoudingen niet meer mogelijk was.
In 1869 betrad Bakoenine de kampplaats van de „Internationale” en aan zijn naam zou sinds dien het desorganiserend werken van een geestdrijverssekte verbonden zijn, die deze jonge plant weldra zoude doen verdorren.
De „Internationale” was min of meer een wereldbeweging geworden en hare roepstem had allerwege het proletariaat wakker gemaakt. Door haar en in haar was er beweging gekomen, proletariërsbeweging. Maar het spreekt van zelf, dat, gegeven de groote onklaarheid onder de arbeiders zelven, hier tevens een terrein was geschapen voor allerhande soort van sektegeest en demagogenlust, waaraan geen enkele jonge beweging in staat is te ontkomen.
Bakoenine wendde zich tot het Congres van Brussel eerst met het verzoek dat de „Internationale” zich zou verbinden met de „Liga voor Vrede en Vrijheid”, een soort burgerlijk vredesverbond, bestaande uit een allegaartje van republikeinen en vrienden van den vrede; het Congres wees dit voorstel van de hand. Toen ging Bakoenine zelf naar de „Liga” en stelde voor dat haar Congres zich zou uitspreken voor de „economische en sociale gelijkstelling der klassen”, waarmede hij echter in de minderheid bleef. Na aldus bij de burgerlijke heeren afgedaan te hebben, zocht Bakoenine het bij de arbeiders. Hij stichtte tegelijkertijd reeds aparte sekties van genoemde „Liga”, die tevens sekties van de „Internationale” zouden kunnen zijn. Dat de Generale Raad van laatstgenoemde organisatie zich daartegen wel verzetten moest, spreekt van zelf. Het was de desorganisatie binnenvoeren. Toen begon Bakoenine een felle campagne tegen de bevoegdheden van den Generalen Raad, tegen diens centrale macht en dictatoriale aanmatiging, hij, die op het congres van Basel, dus kort te voren, nog van meening was dat de bevoegdheden van den Generalen Raad niet ver genoeg reikten en, met het oog op het internationale karakter van de Associatie, het noodzakelijk was, die bevoegdheden uit te breiden, gelijk hij dan ook voorstelde.
Den 22en December 1868 schreef Bakoenine aan Karl Marx een langen, plechtigen brief, in de meest vleiende, liefelijke bewoordingen vervat, waarin hij verklaarde, „sedert zijn afscheid van het (burgerlijk) vredescongres van Bern geen ander genootschap meer te zullen erkennen dan de Internationale.” „De Internationale tot welker meest beteekenende oprichters gij behoort, is van nu af mijn vaderland. Gij ziet, mijn lieve vriend, dat ik uw leerling ben—en ik ben trotsch er op, dat ik het ben.—Dat is genoeg om u mijn positie en mijn persoonlijke gezindheid te verklaren”.…2
Verder verklaart Bakoenine in dienzelfden brief dat hij het met Marx volkomen eens is, dat de uitdrukking van de „gelijkmaking van klassen en individuen” door hem op dat vredescongres gebruikt valsch was, maar dat hem die formuleering „was opgedrongen door de domheid en de eindelooze onervarenheid van ons bourgeoispubliek.”
Niettemin, dit hier tusschen haakjes, verklaarde zijn eigen, eenigen tijd later, in 1869, opgerichte „Alliance” in paragraaf 2 van hare statuten eveneens: „Zij (de Alliantie) wil voor alles de politieke, economische en sociale gelijkstelling van de klassen.” En dit nog wel in tegenstelling tot de zeer klare woorden, die het antwoord van den Generalen Raad der Internationale bevatte, dat: „niet de gelijkmaking van de klassen, die een logische tegenspraak was, maar veel meer de afschaffing van de klassen … het groote doel was van de Internationale Associatie der Arbeiders.”
Bakoenine ging, terzelfdertijd dat hij Marx deze verklaring deed, reeds met de plannen rond, om de „Internationale” uiteen te doen springen. Hij zocht dat te doen door de stichting eener geheime Alliantie. Hij maakte zich meester van de romaansche sektie te Lachaux-de-Fonds, stelde toen aan den Generalen Raad bepaalde eischen, en toen die werden afgewezen, begon hij zijn campagne openlijk. Hij kreeg de federatie der Jura, de spaansche en de belgische federaties aan zijn zijde en bracht met zijn werken gedurende enkele jaren de Internationale zooveel schade in haar prestige toe, dat deze, èn door inwendige tweespalt èn nog meer door de caricatuur die hij van haar en hare beginselen, doel en taktiek maakte, wel niet lang meer leven kon. Bakoenine had haar voor een deel door sluipmoord ondermijnd, voor een ander deel zoodanig gecompromitteerd, dat haar leven onmogelijk werd.
Dit alles hoort hier thuis, omdat het de oorsprong van het anarchisme als beweging is geweest, de overplanting van op zichzelf onschadelijke en reaktionaire theorieën van enkelen, van eenlingen, in de arbeidersbeweging. Het was een zich bij elkander voegen van allerlei verwards, overleefds en kleinburgerlijk utopisch, dat zich natuurlijk in de arbeidersbeweging bevond en daarin, eveneens natuurlijk, naar uiting zocht.
Bakoenine verstond het, zeer zeker, aan al die verwarde voorstellingen, klein-burgerlijke vooroordeelen en utopische gedachten uitdrukking te geven. Zoo werd voor het eerst in de arbeidersbeweging het anarchisme geschapen, dat als een deel van die beweging voortaan zou leven. Door Bakoenine’s werken in de theorie vooral kreeg deze chaos van dikwijls fel tegen elkander indruischende denkbeelden, dat mengsel van radikalisme en achterlijkheid, vasten vorm; hij kneedde er een theorie van, die echter veel meer taktiek dan theorie was. De taktiek was saam te vatten in hetgeen Bakoenine zelf in een zijner programs als het doel van de Revolutie omschreef.
„Wij vatten de revolutie op in den zin eener ontketening van al wat men heden ten dage de booze hartstochten noemt.”
Was het wonder dat zijn tegenstanders in de arbeidersbeweging Bakoenine toeriepen: „Als gij geen betaald regeeringsagent zijt, dan is het toch wel zeker, dat geen betaald agent de beweging meer schade zou hebben kunnen doen dan gij!”
Het congres van de „anti-autoritaire” alliantie, de volgelingen van Bakoenine, besloot te St. Imier in 1872 tot deze regelen van taktiek:
1e dat de omverwerping van elke politieke macht de eerste taak van het proletariaat was;
2e dat elke organisatie eener zoogenaamde voorloopige en revolutionaire politieke macht, niets was dan bedriegerij en even gevaarlijk voor het proletariaat als die van de thans bestaande regeeringen.
Op het congres in 1872 te ’s Gravenhage gehouden, werd tot uitsluiting van Bakoenine en dergelijken, op grond van dat desorganiseerend optreden besloten en de zetel van de „Internationale” naar New York verlegd, wat praktisch met een opheffing van de gansche „Internationale” gelijkstond.
Bakoenine’s „Alliantie” leefde evenwel voort, nadat zij door hem zelven geheel en al met zijn geest van desorganiseerend, vernielend anarchisme was vervuld. Haar doel was overal den sociaal-demokratischen geest uit te roeien en in plaats van de organisch werkende taktiek van de arbeidersklasse, de catastrophe-taktiek te plaatsen, die vooral in Italië, Spanje en ook in België hare vernielende uitwerking op een normale ontwikkeling van de arbeidersbeweging niet heeft gemist.
Reeds bij de behandeling van Bakoenine’s theorieën en van zijne propaganda hebben wij de herkomst van zijn anarchisme gezien. En het is alweer merkwaardig dat ook deze „theoreticus” van het anarchisme, die, evenals Stirner zijn vereerder in John Henry Mackay gekregen had, den zijne vond in een zekeren Dr. Max Nettlau, door de latere anarchisten van de school van Kropotkine nauwelijks meer wordt genoemd. De meester van het neo-anarchisme zelf gaat hem ook smadelijk voorbij. En toch, het moet worden geconstateerd, heeft niemand zooveel gedaan voor het anarchisme in de arbeidersbeweging, dan Bakoenine.
Een bloeitijd.
Na den val van de Commune van Parijs in 1871 was de revolutionaire strooming onder de arbeiders, d.w.z. de revolutionaire strooming in den goeden en organisatorischen zin, vooral in de romaansche landen lam geslagen. De engelsche arbeiders vervielen wederom in hun oud isolement, waaruit zij door het werken en den onmiddellijken invloed van de „Internationale” losgerukt waren, en de oorlog tusschen Duitschland en Frankrijk had aan de arbeidersbeweging over het algemeen niet bizonder goed gedaan. De parijsche „Commune”, dit moet hier even worden aangestipt, was geenszins een sociaal-demokratische beweging, maar een kleinburgerlijk-socialistische, in den zin van het Proudhonisme, in den utopischen zin des woords.
Bakoenine had er evenwel voor gezorgd, dat overal in de landen waar zijn invloed meer of minder groot was, terroristische stroomingen opkwamen, die langs den weg van het meest ruwe geweld de „revolutionaire aktie” poogden in het leven te roepen door middel van „de propaganda van de daad.” Een van de sekties van Bakoenine’s „Alliantie”, die van de Jura, was inzonderheid de wieg van deze soort van revolutionaire aktie en haar onmiddellijke leider was Paul Brousse, de redakteur van de „Avantgarde” („Voorpost”).
Deze predikte aanslagen op den eigendom, oproeren etc., om de aandacht op de partij te vestigen; hij zelf trachtte later, na zijn verbanning uit Zwitserland, in Frankrijk een aparte socialistische partij te stichten, die der „Possibilisten”, met het doel om de daar na 1878 opkomende sociaal-demokratie tegen te werken.
Als de anarchistische theoretici beweren dat geweld met anarchisme niets heeft uit te staan, ja, gelijk vooral de neo-anarchisten à la Kropotkine dat doen, het onmiddellijke, materieele geweld zelfs gladweg en met stalen voorhoofd verloochenen, dan dekt zich dat wellicht voor een groot deel met hun tegenwoordig werken, althans in het noord-westen en het midden van Europa,—in Spanje is het anarchisme nog wel degelijk terroristisch,—voor hun verleden geldt dat niet. En niet alleen niet voor het verre verleden, maar voor het anarchisme van de laatste vijf-en-twintig jaren zelfs is dat het geval niet.
Deze verloochening van zijn verleden is wederom kenmerkend voor de verbazende evolutie, die het anarchisme in de laatste kwart-eeuw onder de werking van de moderne arbeidersbeweging doorgemaakt heeft. Men kan inderdaad zeggen, dat de praktische arbeidersbeweging het anarchisme heeft getemd en er veel meer dan alle nationale en internationale politie bij elkander in is geslaagd om de zoogenaamde „revolutionaire aktie” door middel van de terroristische „propaganda” uit de wereld te helpen.
In de eerste jaren van 1870 evenwel beleefde dat terroriseerend optreden van het anarchisme in enkele landen zelfs triomfen. Opstanden en aanslagen, zij waren in landen als Italië en Spanje niet van de lucht, moord en brand werden ten slotte zelfs geliefkoosde wapenen van gansche benden, die in naam van het anarchisme den eigendom den heiligen oorlog te vuur en te zwaard hadden verklaard. Dat een taktiek, als door Bakoenine en zijn „Alliantie” aanbevolen en overal gepropageerd, tot dergelijke verschrikkelijke uitspattingen leiden moest, was wel te voorzien. Als men roof en plundering, ondermijning van elke goede trouw, list, leugen en bedrog tot grondbeginselen van taktiek maakt, dan zal men, spoediger dan men het zelf weet, een toestand geschapen hebben, waarbij men welhaast de principieele propaganda door de daad niet meer zal kunnen scheiden van den niet-principieelen diefstal, de plundering, de onderlinge bedriegerij en het wederzijdsch verraad.
En wat aangaat deze laatste manier, om een beweging tot op haren bodem te bederven, daarvan had Bakoenine door het prediken zijner allerdolzinnigste beginselen van taktiek het sterkste voorbeeld geleverd. Zoo heette het o.a. in den „Revolutionairen Cathechismus”, die door den Generalen Raad van de „Internationale” naar aanleiding van een opdracht van het Congres van den Haag was gepubliceerd, en waarvan Bakoenine de opsteller was: „dat een revolutionair met alle middelen diegenen dient te exploiteeren, welke rijkdom, konnekties, invloed en macht bezitten; dat hij dezen in zijn strikken moet zien te vangen, om zich in het bezit van diens geheimen te stellen en hem zoo tot zijn slaaf te maken”… („L’Alliance et la démocratie socialiste”, pag. 93).
Aldus hadden Bakoenine en zijn waardige medestander Netsjayeff dan „school” gemaakt. Het is wel begrijpelijk, waarom Kropotkine e.d. naderhand hun best gedaan hebben om den ouden propagandist van de daad te doen vergeten!
Wij zien af van een schildering van al het geweldige kwaad, dat de „revolutionaire aktie” gebrouwen heeft en van de manier waarop deze taktiek de politie telkens de middelen aan de hand deed om de beweging in hare hinderlagen te lokken en de geschiedenis van dat half-krankzinnig, half politie-anarchisme zullen wij niet verder vervolgen, doch wij slaan een korten tijd over en naderen de tachtiger jaren. Het zijn de jaren van de groote aktie van het anarchisme dat, hoewel nog volkomen op den bodem van het Bakoeninisme staande, bezig is te pogen een deel van de arbeidersbeweging met zich mede te sleepen.
Behalve in Frankrijk, waarover aanstonds meer, was het anarchisme ook in Duitschland den kop gaan opsteken. Ofschoon van oorsprong duitsch in zijn Stirnerschen vorm, had het anarchisme op de door Lassalle gestichte arbeidersbeweging geen vat gekregen. Hoewel de Proudhonistisch-getinte socialisten Mozes Hess en Karl Grün op anarchistische wijze schreven, kon de anarchistische idee in Duitschland geen bodem vinden. De Duitsche arbeidersmassa’s waren voor deze verwarringstichtende taktiek nooit te vinden geweest. Na de ontzaglijke vlucht van de politieke beweging in Duitschland omstreeks 1875, meende de geweldmensch Bismarck haar een vernietigenden slag te kunnen toebrengen door in 1878 zijn „socialistenwet” door te zetten. Aan de afkondiging van de wet waren twee aanslagen op keizer Wilhelm I voorafgegaan, een van Hödel en een van Dr. Nobiling, die men voor het gemak toeschreef aan den invloed van de sociaal-demokratische propaganda. Voor het gemak, want van Hödel moest geconstateerd worden dat hij eigenlijk niet toerekenbaar was en van Nobiling kon zelfs worden vastgesteld dat hij de vergaderingen van de nationaal-liberalen, in plaats van die der sociaal-demokraten bijgewoond had. Desniettemin was dit voor de Duitsche Regeering een aanleiding de wet van 1878 uit te vaardigen, waarbij de sociaal-demokratische propaganda geheel werd onderdrukt.
Van de groote verwarring die deze regeeringsmaatregel onder de duitsche arbeiders in den allereersten tijd deed ontstaan was het dat Johan Most, voormalig Rijksdaglid voor Chemnitz en bekend sociaal-demokratisch propagandist, gebruik maakte om te pogen de duitsche arbeidersbeweging in andere banen te leiden dan die waarin ze sedert Lassalle, en onder leiding van Liebknecht, Bebel en anderen tot nog toe zich had bewogen. Hij begon niet aanstonds, maar langzamerhand het anarchisme van de daad te prediken, het Bakoeninisme, de voorbereiding van de „sociale revolutie” door middel van het terroriseeren, het in angst brengen van regeering en bourgeoisie. Most werd langzamerhand in Europa de tweede apostel van het geweld in al zijn vormen, van „de glorieuze dynamietbom, die bestemd scheen te zijn de menschheid te bevrijden”, gelijk hij het zelf uitdrukte in zijn blad Freiheit van Maart 1881, na den moord op czaar Alexander II.
Most had evenwel van zijn werken, onder duitsche arbeiders althans, maar zeer weinig pleizier. Uit Duitschland naar Londen gevlucht, poogde hij vandaar invloed uit te oefenen op den gang van de beweging in Duitschland. Maar hij deed dit zoo, dat men genoodzaakt was hem op het Congres te Wyden in 1880 uit de partij te zetten, daar het bleek dat hij in strijd met elke goede trouw handelde en kennelijk van geen andere bedoelingen uitging, dan om de duitsche sociaal-demokratie te discrediteeren en hare leiders te compromitteeren.
Met 1880 omstreeks komt de derde apostel van het anarchisme ten tooneele. Kropotkine doet zijn intrede en begon in de anarchistische beweging, gelijk die zich voornamelijk in Zwitserland concentreerde, een handelende rol te vervullen.
In 1880 vond een congres van anarchisten te Lyon plaats en het was aan alles te zien dat er voor het anarchisme in Frankrijk een tijdperk van bloei zou aanbreken. Groepen werden gesticht in Vienne, St. Etienne, Villefranche, Creuzot, Parijs, Marseille en Rijssel, twee bladen verschenen, de Droit Social in Lyon en de Révolution Sociale in Parijs. Elisée Réclus, een beroemd geograaf, Gautier en Kropotkine werden de meest op den voorgrond tredende leiders van de beweging. Deze laatste was nog overwegend terroristisch, d.w.z. stelde het onmiddellijke geweld op den voorgrond. Dat het anarchisme in Frankrijk in dien tijd zoozeer van zich deed spreken, kwam doordat het een nieuwen voedingsbodem vond. Er was door den geweldigen arbeid van fransche sociaal-demokraten, onder wie Jules Guesde en Paul Lafargue, voor het eerst na den val van de Commune weder een georganiseerde sociaal-demokratie gekomen en het anarchisme kreeg daardoor eigenlijk eerst recht den bodem waarop het zich ontplooien kon.
Het gevolg van het terroriseerend optreden van het anarchisme was een aantal persoonlijke aanslagen, zoowel op regeeringspersonen als op gewone bourgeois. Een reeks die geopend werd met den aanslag van Emile Florion, in October 1881, die eerst probeerde Gambetta te dooden, doch daar hij dien niet vinden kon, zijn schot op een zekeren Dr. Meymar, een onbekend persoon, loste. Daarna de opstand van Montceau les Mines, 15 Augustus 1882, waarna 23 mijnwerkers werden veroordeeld tot meer of minder zware straffen, „wegens plundering en brandstichting in gemeenschap gepleegd.”
Den 14en Juli 1881 had een congres van anarchisten te Londen plaats, waarop o.m. ook ter sprake kwam het samenstellen van een program, het inrichten van de organisatie en het bespreken van de aktie. Men poogde daar een zekere verstandhouding te krijgen met die elementen uit de fransche socialistische beweging welke geenszins terroristisch waren, maar revolutionair in de Blanquistische beteekenis van het woord. De grondslag van dit program was dat van het congres der Bakoeninistische „Alliantie”, in 1873 te Genève aanvaard.
Betreffende de taktiek werd deze resolutie aangenomen:
„Het Congres verklaart het volstrekt noodzakelijk, met alle mogelijke middelen door de daad de revolutionaire idee en den geest des opstands te verbreiden onder het grootste deel der volksmassa, die nog geen aktief deel aan de beweging neemt en zich nog illusies maakt over de moraliteit en de werkzaamheid van de wettelijke macht. Doordien wij het wettelijke gebied verlaten, waarop men tot heden in het algemeen is gebleven, om onze aktie op het gebied van de onwettelijkheid over te brengen, die de eenige weg der revolutie is, is het noodzakelijk naar middelen te grijpen, die met het doel overeenstemmen. De vervolgingen, waaraan onze publieke personen blootstaan, dwingen ons van nu af tot een geheime organisatie. De propaganda door de daad is op het land van nog grootere werkzaamheid dan in de stad.
Daar de technische en chemische wetenschappen bereids groote diensten aan de revolutionaire zaak bewezen hebben en voorbestemd zijn er nog meer te bewijzen, zoo beveelt het Congres alle organisaties en medeleden aan, groote waarde te hechten aan de studie en de toepassing dezer wetenschappen als een middel van aanval en van verdediging.”
Er volgde een zeer levendige agitatie van het anarchisme in Frankrijk; de bladen rezen als paddestoelen uit den grond op. Op het tweede anarchisten-congres van Genève, 12 Augustus 1882, was, in tegenstelling tot het vorige, geen sprake van eenige toenadering tot andere groepen van socialisten. Daar scheidde men zich juist weder van de overige partijen af en werd besloten tot het uitgeven van een manifest, dat helder zou zeggen wie en wat men was. Daarin komt dan ook deze verklaring voor:
„Als anarchisten, d.w.z. als menschen zonder regeering, bestrijden wij een ieder, die zich een of andere macht over anderen aanmatigt, zoowel den bezitter, den fabrikant, als iederen staat, ook den socialistischen.
Iedere gedachte aan autoriteit stuit ons tegen de borst, iedere wet is onze vijand. Ons doel is de vernietiging van iederen staat door een revolutionaire beweging; alle wettelijke middelen, ook het algemeen kiesrecht, verafschuwen wij. Daar evenwel de individueele vrijheid niet dan in vereeniging met andere vrije genooten bestaan kan, daar een ieder de ondersteuning van den ander noodig heeft, daar vervolgens ieder sociaal produkt een werk van het geheel is, waarvan aan allen een gelijk aandeel toekomt, daarom zijn wij ook kommunisten. Wij willen het gemeenschappelijk eigendom veroveren en verdedigen.”
In October 1882 hebben te Lyon twee dynamietaanslagen plaats, een voor het militiebureau en de ander voor het café Bellecour; voor den laatsten aanslag wordt een jong anarchist, met name Cyvoct, aansprakelijk gesteld. Daarop volgt het groote anarchistenproces tegen Kropotkine met 65 anderen wegens hunne medeplichtigheid aan deze daden van geweld. Het was bij deze gelegenheid, dat Kropotkine in zijn redevoering Proudhon als den „vader van het anarchisme” aanwees. Kropotkine zelf werd tot 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld, van welke hij twee jaar later werd ontheven, waarna hij zich metterwoon te Londen vestigde.
Behalve voor Frankrijk was het ook voor het anarchisme in Spanje en Oostenrijk een zeer vruchtbare tijd.
In het eerstgenoemde land waren zelfs gansche benden plunderaars geruimen tijd bezig heel Andalusië te terroriseeren, de beruchte Mano Negra (zwarte hand) o.a., die van stad tot stad trok, om de oogsten te vernietigen, boerderijen en huizen in brand te steken, bommen in kerken te werpen, het vee te vergiftigen, rijke grondeigenaren te vermoorden, overal verwoestend, plunderend en vernietigend op te treden en gedurende twee jaren de schrik van de gansche provincie te wezen.3
De Spaansche regeering trad daarna ontzettend reaktionair op, met uitzonderingswetten en doodstraffen vervolgde zij al wie zij maar in hare handen kon krijgen. Zeven anarchisten ondergingen de doodstraf, honderden anderen werden tot levenslange of langdurige gevangenisstraffen veroordeeld.
Tengevolge van de „propaganda door de daad” dier Mano Negra, zag de voorzitter van het in October 1883 plaatshebbend anarchisten-congres te Valencia zich genoodzaakt te verklaren, dat de „Arbeidersfederatie,” d.w.z. de federatie van anarchistische groepen in Spanje, was: „een eerbiedwaardig en nobel gezelschap, welks ideaal, zij het dan ook in meerdere of mindere mate droombeeldig, toch in elk geval een waardig en een verheven was.”4
Er had daarna een scheiding plaats tusschen terroristische en principieele anarchisten eenerzijds en individualistische en communistische anarchisten anderzijds, doch daar zoowel de meest wilde anarchist van de daad als de gemoedelijkste aanhanger van de leer van Proudhon vervolgd werd door de Spaansche regeering, kon deze scheiding al evenmin leiden tot de normale oplossing waartoe de ontwikkeling van het anarchisme in sommige andere landen, waar het overheerschend was, geleid heeft. Voornamelijk het anarchisme, gelijk er dat door de propaganda der Bakoeninisten was inheemsch geworden, dat den revolutionairen opstand als het eenig afdoend middel beschouwde om de gemeenschappelijkheid van den eigendom te veroveren en dat elke politieke aktie niet alleen verwierp, maar ten scherpste bestreed,—dat soort anarchisme bleef er zijn vat op de massa behouden, voorzoover deze laatste over het geheel aan eenige aktie deelnam.
In Oostenrijk was eveneens in dien tijd een deel van de beweging onder leiding van de zich noemende „radikalen” gekomen, die, gelijk al de zoogenaamde „radikale” stroomingen in de arbeidersbeweging, begonnen met de politieke aktie en het ijveren voor arbeidswetgeving enz. niet „radikaal” genoeg te vinden en deze akties als voor de ontvoogding van het proletariaat van onwaarde te verwerpen, maar vervolgens met meer of minder duizelingwekkende snelheid de beweging naar den afgrond van het Bakoeninistisch anarchisme trokken.
Deels onder den invloed van de geschriften van Johan Most, die in Oostenrijk verreweg meer dan in Duitschland zelf aftrek vonden, anderdeels onder den invloed van russische terroristen, ontstond er in Oostenrijk een richting die weldra omstreeks 1883 de gansche vooruitstrevende oostenrijksche arbeidersbeweging in absoluut anarchistisch-terroristisch vaarwater sleepte.
Oprichting van geheime clubs en geheime drukkerijen, verbreiding van de meest bloedige vlugschriften, straatoproeren en het droomen van „opstanden”, dat was wat men van dat oostenrijksch anarchisme, onder de leiding van Joseph Peukert en Fleuron, in overeenstemming met hetgeen te Londen in het eigenlijke anarchistische hoofdkwartier werd klaargemaakt, in het openbaar zag. In het geheim en meer individueel sloeg men ook daar over tot het bedrijven van een aantal gewone boevenstreken, diefstal, plundering etc., die dan natuurlijk door de officieele leiding werden verloochend, maar waarbij, gelijk in het beruchte Merstallinger proces, overtuigend bleek dat terroristisch anarchisme en boevenbedrijf eigenlijk nauw samenhangen en de boeventaktiek eigenlijk de laatste konsekwentie is van het terroristisch anarchisme. De jaren 1882–1884 waren voor de oostenrijksche arbeidersbeweging inderdaad zoo verschrikkelijk, dat het allengs niet meer mogelijk was den principieelen anarchist van den niet-principieelen, maar door de politie betaalden, geheimen opruier te onderscheiden.
De regeering, die dat anarchisme aanvankelijk zijn gang liet gaan, ja zelfs zijn vernielingswerk op de gansche arbeidersbeweging blijkbaar met welgevallen zag, was ten slotte wel genoodzaakt in te grijpen en onder den indruk van de aanslagen van Kammerer en Stellmacher, die hunne schelmenstreken onder het masker van anarchisme bedreven, vaardigde zij uitzonderingswetten uit, die van zoodanigen aard waren dat zij, gelijk overal in dergelijke gevallen, het geheele bestaan der arbeidersbeweging haast onmogelijk maakten. De politie kreeg de noodige macht en bevoegdheid om vereenigingen te ontbinden en het vergaderen onmogelijk te maken; kortom, de gansche vrijheid, die de beweging tot nog toe bezeten had, werd haar geheel en al ontnomen. De voornaamste anarchisten wisten te ontwijken, Joseph Peukert, naar men zegt, zelfs met geld van de politie.5
Nadat het de regeering gelukt was de beweging te vernietigen en het anarchisme anderzijds zichzelf volkomen onmogelijk gemaakt had, leefde een paar jaren later de oostenrijksche arbeidersbeweging onder een nieuwe, sociaal-demokratische agitatie weder op.
Ook in België had zich in dien tijd het anarchisme sterk weten te ontwikkelen; ook daar had het Proudhonisme en het Bakoeninisme, vooral in de mijnwerkersdistricten, vasten voet gekregen en ook daar hadden de denkbeelden van Most een niet geringen invloed gehad. De anarchistische periode was voor de belgische arbeidersbeweging evenwel een crisis die zij vrij spoedig wist te overwinnen en die zij reeds in het midden der tachtiger jaren weder te boven was.
Ten slotte moet hier nog aan den noodlottigen afloop der anarchistische agitatie in Amerika worden herinnerd, die haar treurig einde feitelijk in het beruchte proces van Chicago in 1886 gevonden heeft, waarbij acht blijkbaar onschuldige mannen door de politie als de daders van een dynamietaanslag op den avond van den 4en Mei werden gearresteerd. Gedurende het proces bleek reeds dat de politie zelf hier de hand in het spel gehad had. Desniettegenstaande werden zeven personen ter dood veroordeeld, van wie er drie deze straf inderdaad ondergingen, een in de gevangenis een einde aan zijn leven maakte, en de overigen zware gevangenisstraffen, tot 15 jaren toe, moesten ondergaan. Deze martelaren van Chicago worden nog altoos door de anarchisten herdacht; ten onrechte; voor het meerendeel waren het mannen die met de gansche aanslagenzaak niets te maken hadden en waren het voorstanders van een achturigen arbeidsdag.
De terugdringing van het anarchisme.
Tot dusver was de werking van het anarchisme, in die landen waar het vasten voet kon krijgen en zelfs daar waar het de tijdelijke heerschappij in de arbeidersbeweging bezat, overal nagenoeg dezelfde. Het werd, behalve in Spanje, gaandeweg in de verschillende moderne landen weer teruggedrongen tot de min of meer ongevaarlijke positie van een sekte met geheime clubs, waar de verschillende plannen tot omverwerping van de maatschappij konden worden uitgebroed. Langzamerhand kwam dan ook onder de anarchisten zelf meer een zoogenaamd vredelievende agitatie voor het communisme, altoos in den vorm van een vrije-groepen-communisme, naar den voorgrond en het Bakoeninisme week al meer en meer, door zijn eigen onzinnigheid onmogelijk gemaakt, naar den achtergrond.
Men werd meer algemeen communistisch-anarchist of legde zich op de propaganda van de „zuiver economische aktie” der vakvereenigingen toe, twee soorten van anarchistische vermomming, die wij afzonderlijk zullen behandelen.
In 1889 had weder het eerste internationaal congres van sociaal-demokraten uit alle landen plaats en was er weder een nieuwe internationale bodem geschapen voor den gemeenschappelijken strijd van het moderne proletariaat. Het anarchisme vertoonde zich evenwel niet, daar het in de verschillende landen nagenoeg geheel met machteloosheid was geslagen.
Reeds in 1887 had de duitsche sociaal-demokratische partij op haar Congres van St. Gallen bij monde van Wilhelm Liebknecht stelling genomen tegenover het anarchisme; de volgende resolutie werd met algemeene stemmen aangenomen:
„Het Congres verklaart de anarchistische samenlevingstheorie, in zooverre zij de absolute autonomie van het individu nastreeft, voor anti-socialistisch, voor niets dan een eenzijdige uitbeelding van de grondgedachten van het burgerlijk liberalisme, schoon zij ook in hare kritiek op de tegenwoordige maatschappelijke orde van socialistische gezichtspunten mag uitgaan. Zij is voor alles onvereenigbaar met den socialistischen eisch van de socialisatie der productiemiddelen en van de sociale regeling van de voortbrenging en loopt, als niet de produktie zou moeten worden teruggedrongen, op de dwerggestalte van het kleine handwerk, op een onoplosbare tegenspraak uit. De anarchistische verheerlijking en de uitsluitende toelating van de geweldpolitiek, berust op een grof misverstand omtrent de rol van het geweld in de geschiedenis der volken.
„Het geweld is even goed een reaktionaire als een revolutionaire faktor, het eerste zelfs vaker dan het laatste. De taktiek van de individueele toepassing van het geweld leidt niet tot het doel en is, in zooverre zij het rechtsgevoel der massa krenkt, positief schadelijk en daarom ook verwerpelijk.
„Voor de individueele gewelddaden van tot op het uiterste vervolgden en opgejaagden maken wij de vervolgers en opjagers verantwoordelijk en begrijpen de neiging daartoe als een verschijnsel, dat zich ten allen tijde onder dergelijke verhoudingen vertoond heeft en dat tegenwoordig door betaalde agents provocateurs (politieophitsers) voor de doeleinden der reaktie tegen de arbeidende klassen wordt benuttigd.”
Deze houding werd ook in het vervolg door de sociaal-demokraten van alle landen aangenomen. Anarchisme en sociaal-demokratie werden, in elk land, onverzoenlijke tegenstellingen in de arbeidersbeweging en de laatste beschouwde het als haar plicht om het streven van het anarchisme, onder iederen vorm, den kop in te drukken.
Het was eigenaardig dat een zekere anti-politieke strooming, die in Duitschland omstreeks 1890 ontstond en onder den naam van de agitatie der „Jungen” een korten tijd de aandacht op zich vestigde, het sein tot eenige wederopleving van het anarchisme in de internationale arbeidersbeweging was. Eenigen tijd daarna werden ook in Nederland duidelijke sporen merkbaar van een toenemend anarchistischen geest, die, gelijk dat overal pleegt te geschieden, begon met twijfel te opperen aan de deugdelijkheid der strijdmiddelen, der taktiek van de moderne arbeidersbeweging, gelijk die zich historisch had ontwikkeld.
In 1891, op het Congres in Brussel, vond deze anarchistische geest reeds min of meer uiting, toen door de Nederlandsche afgevaardigden, te zamen met een meerderheid van de fransche delegatie en gesteund door een deel van de engelschen, de zeer utopistische resolutie verdedigd werd: „om een europeeschen oorlog te doen beantwoorden met een oproep aan de gezamenlijke volkeren om den arbeid neder te leggen”, welke resolutie toen met groote meerderheid werd verworpen. Reeds op dat internationaal congres bleek dat een nieuwe aanval van den anarchistischen geest, om terrein te veroveren, te wachten stond.
Spreken wij hier van anarchistischen geest, dan bedoelen wij hiermede, zeer concreet uitgedrukt, de verwardheid die nog altoos in de hoofden van tal van arbeidersgroepen in de verschillende landen—wellicht Duitschland alleen niet—heerschte nopens het doel van de moderne proletariërsbeweging, maar nog meer nopens hare middelen van taktiek in den aanval op de kapitalistische maatschappij en in de verdediging van de rechten der arbeiders. Het was in Brussel te zien, dat deze geest nog niet was overwonnen.
Tusschen 1891 en 1894 was in Frankrijk weder een aanslagen-epidemie losgebroken, die, aangevangen met de schanddaden van een Ravachol, doorliep in een reeks van dynamietaanslagen waarvan die van Vaillant, Henry, Caserio de voornaamste waren. Maar inmiddels had in 1893 te Zürich het derde internationale socialisten- en arbeiderscongres plaats gevonden, alwaar de kwestie van de taktiek, waarop zich juist het anarchisme in onderscheidene landen geworpen had, scherp zou worden onder de oogen gezien.
Het was juist in zake de deelname aan politieke aktie en de omschrijving op welke wijze die deelname zou hebben te geschieden, dat het anarchisme of de met het anarchisme sterk sympathiseerende groepen konden worden aan den tand gevoeld. Daarom was een duidelijke uitspraak noodzakelijk, die dan ook in een resolutie gegeven werd welke ten slotte met algemeene stemmen, uitgezonderd die van de nederlandsche delegatie, aangenomen werd.
Zij sprak uit:
1o. dat de nationale en internationale organisatie der arbeiders van alle landen in vakvereenigingen en andere organisaties tot bestrijding van de uitbuiting een bepaalde noodzakelijkheid is; en
2o. dat de politieke aktie noodzakelijk is zoowel ten dienste van de agitatie en de onvoorwaardelijke propageering van de principes van het socialisme, als voor het doel van de verovering van dringend noodzakelijke hervormingen.
De anarchisten vergenoegden zich toen met een congres op eigen hand te gaan houden, waar natuurlijk precies het omgekeerde besloten of niet besloten, maar uitgesproken werd van wat op het socialistische congres was aangenomen.
Door die uitspraak in zake de taktiek was het anarchisme feitelijk uit zijn laatsten schuilhoek gehaald. Het was nu niet meer mogelijk om onder het masker van het communisme de bewuste arbeidersbeweging binnen te dringen en daar den verwarrenden arbeid voort te zetten; klaar en duidelijk was het na Zürich 1893, dat de moderne arbeidersbeweging in zake de taktiek, dus in de kern van hare aktie, het anarchisme officieel van zich had afgeworpen.
In 1893 ongeveer had de nederlandsche sociaal-demokratische beweging hare evolutie tot het anarchisme vrijwel volbracht. Van het program werd de door de verschillende internationale congressen tot sociaal-demokratisch gestempelde taktiek geschrapt.
Nu is het kenmerkend voor de zelfstandige klasse-beweging van het proletariaat, dat zij haar stuur kwijt is, zoodra zij de vaste basis van de sociaal-demokratische, principieele en organische taktiek verlaat. Dat is overal gebeurd en het zou ook in Nederland gebeuren met de beweging die onder de leiding van den heer Domela Nieuwenhuis stond.
Kon de taktiek niet meer sociaal-demokratisch zijn, zoo moest zij natuurlijk anarchistisch worden. Maar het anarchisme heeft al evenmin een taktiek als het een gesloten leer heeft. Het wil juist géén taktiek; het wil die niet zooals het ook geen of juist omdat het geen „politiek” wil. Taktiek onderstelt positief willen werken en het anarchisme had noch de beginselen, noch de lust, noch de kracht om positief te werken in zich.
Wat dan ook voor anarchisme doorgaat is òf oud-modische vakvereenigingspolitiek, òf utopisme vermengd met de lust tot „opstanden”, d.w.z. opstootjes en straatkabaal, òf terrorisme. De nederlandsche landaard leende zich alleen maar tot de eerste soort „taktiek”, men werd voorstander van „economische aktie” zonder politiek, en dit viel juist enigszins samen met de in die dagen onder de arbeiders eerst ontkiemende neiging, om den vakvereenigingskamp eenigszins ernstig georganiseerd te gaan voeren. Verder liefhebberde men in kabaal maken; droomen over den dag vàn en den dag nà de revolutie; op papier vervaardigen van dynamiet, dat nooit ontploffen kon etc. Maar aan pogingen om de beweging, die na 1894 geheel en al anarchistisch geworden was, in Bakoeninistisch vaarwater te leiden, heeft het ook niet ontbroken. Ten bewijze daarvan zullen wij hier geen couranten-artikelen aanvoeren, die door den een of ander onder den voorbijgaanden indruk geschreven zijn, noch redevoeringen, maar ons beroepen op een dokument van de hand van een der toenmalige voornaamste leiders der nederlandsche anarchisten, die met den heer Domela Nieuwenhuis geruimen tijd de leiding gehad heeft. Het is een vrij lijvige brochure waarin de „beginselen” en de „taktiek” van het „Revolutionaire Kommunisme” worden behandeld door den heer Christiaan Cornelissen.6 De lezer moet niet denken dat de titel iets anders dan praktisch anarchisme beduidde; de anarchisten verstaan het, haast om den anderen dag van naam te verwisselen. En, gelijk uit de volgende passages zal blijken, heeft die schrijver de lessen van het anarchistische congres van Londen in 1881, waarbij de studie van de technische en chemische wetenschappen tot aanval en verdediging werd aanbevolen, nog al goed ter harte genomen. Hij „bestudeert” zelfs heel kalm de waarde van dynamiet, als een bruikbaar „wapen” in den klassenstrijd. Men luistere:
„Indien de bereiding van springstoffen binnen de periode, waarin de strijd tegen de bourgeoisie zich allengs moet voltrokken hebben, dermate wordt vereenvoudigd, dat een dezer stoffen met recht een proletariërswapen kan worden, te bereiden en aan te wenden zonder al te groot levensgevaar voor den gebruiker, en waarborgend de noodige zekerheid van treffen, dan zal deze nieuwe bewapening der arbeiders een rol kunnen vervullen voor de emancipatie van het proletariaat, zooals die in West-Europa het buskruit vervulde voor de bestrijding van de bevolking der middeleeuwsche steden. De bewapening onzer legers met geweren en kanonnen, de geheele kazerneering en oefening der troepen, waardoor het moderne militairisme een wapen kan zijn in de hand der heerschende klasse, verouderde dan evenzeer, als de zwaarden en hunne door wallen en grachten omgeven riddersloten veranderd zijn.”7
Men bespeurt hier duidelijk den anarchistischen krijgskundige, technisch en chemisch onderzoeker naar de mogelijkheid van de fabrikage van dynamietbommen in vestjeszakformaat. Doch het dynamiet zou zich tot een vervaardiging op een dergelijk kleine schaal niet kunnen leenen. Dan moet de taktiek van het persoonlijk terrorisme maar gevolgd worden. Het geheime geweld en de list.
„De geschiedenis leert, dat een onderdrukt volk, in aantal machtiger, maar in bewapening en bedrevenheid in den oorlog zwakker dan zijn onderdrukkers, onvermijdelijk in den kamp voor zijn bevrijding of het behoud zijner onafhankelijkheid wordt gedreven tot een strijd in het duister, aanvullende daarbij door behendigheid en list, wat het in macht van wapenen tekort mocht komen.”
Als er van „behendigheid” en van „list” hier, sprake kan wezen, dan is het alleen die waarmede de schrijver zich poogt te dekken tegen een eventueel verwijt, zijn revolutionair-kommunistische volgelingen tot geheime gewelddaden en toepassing van geniepige schelmenstreken te hebben aangespoord. Hij koos daartoe een zeer voorzichtigen vorm, door n.l. van een „volk” te spreken en de „geschiedenis” te pas te brengen. Ook dàt is Bakoeninistisch!
Met deze en dergelijke papieren sissers heeft het Nederlandsch terroristisch en Bakoeninistisch anarchisme gestreden.
Tot zoover de ontwikkeling van het anarchisme in de internationale beweging en zijn geschiedenis in vogelvlucht. Zij zijn leerzaam voor hen die meenen dat het anarchisme als aparte beweging bestaanbaar is, en evenzeer voor hen die gelooven dat de moderne arbeidersbeweging met het anarchisme iets uitstaande heeft. Het anarchisme, waar het als beweging iets te beteekenen wil hebben, moet trachten een stuk van de arbeidersbeweging te bemachtigen en het moet daarvoor zijn eigenlijke gestalte afleggen: het moet sociaal anarchisme worden, een contradiktie in zichzelve. Dat is het dan ook geworden en het heeft daarmede juist evenveel van zijn anarchistisch karakter ingeboet als noodig was om zich aan te passen aan het sociale karakter der beweging.
1 Moderne Wetenschap en Anarchisme, p. 55 e.v. ↑
2 De brief in haar geheel vindt men afgedrukt in de „Neue Zeit,” 19e Jaarg. Bd. I. pag 6. ↑
3 Zie: „Studie over het anarchisme van de daad,” van Mr. F. B. Enthoven, bladz. 42. ↑
4 „Socialismus und Anarchismus in Spanien,” van H. Cunow; „Neue Zeit,” 21 Jhrg. 330. ↑
5 Zie: „Die Arbeiterbewegung in Oesterreich,” door Karl Kautsky. „Neue Zeit,” 8ste Jhrg. 1890, pag. 102. ↑
6 Te Amsterdam, bij Ph. Oudkerk, Damrak 100a, 1897. 68 pagina’s. ↑