WeRead Powered by ReaderPub
Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging cover

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

Chapter 21: Trade-Unionisme.
Open in WeRead

About This Book

It traces the emergence of the modern labor movement and analyzes how industrial capitalism transformed producers into a wage-earning proletariat, concentrating ownership of machinery and raw materials and deepening division of labor. It explores the social and economic mechanisms that produce worker alienation, hierarchical factory structures, and the growing power of capital as an impersonal social force. Against that background it presents anarchist critiques within the labor movement, outlines tensions between anti-authoritarian strategies and other socialist currents, and examines organizational proposals, ethical premises, and practical obstacles confronting anarchist influence in mass politics.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ANARCHISME EN KLASSENSTRIJD.

De „zuiver-economische” aktie.

„Tot de uitvoering van ideeën zijn de menschen noodig die hunne praktische macht daartoe leenen.”

Marx, „Die Heilige Familie.”

De eenige taktiek waartoe Bakoenine het heeft kunnen brengen, om invloed op de massa te krijgen, was die welke wij de puur-economische zullen noemen. De uitdrukking is minder juist en bedriegelijk tevens; zij drukt absoluut niet uit, wat eigenlijk de inhoud er van is. Economisch is elke taktiek van de moderne arbeidersbeweging in den klassenstrijd, zelfs hare politieke aktie onderscheidt zich juist van die der burgerlijke partijen, doordat zij economisch is, in zooverre zij er op uit is de ontwikkeling der maatschappij zelve, hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk, te bespoedigen. „Als twee hetzelfde doen, is dat nog niet altoos hetzelfde!” zoo luidt een oud spreekwoord; als de programma’s der burgerpartijen lange lijsten van hervormingen bevatten, dan hebben deze daarop een geheel andere beteekenis dan wanneer de zelfstandige politieke arbeiderspartij sociale hervormingen verlangt. Voor de eerste zijn deze maatregelen doel, d.w.z. in zooverre zij der arbeidende klasse de pijn van den socialen nood daarmede een weinig verzachten willen. Voor de laatste beteekenen sociale hervormingen het bekorten van den weg dien de ontwikkeling van de maatschappij aflegt van kapitalistische naar socialistische produktiewijze. Een ontwikkeling, waaronder natuurlijk het proletariaat, als de onderliggende klasse, het mééste te lijden heeft.

Werkte het dus reeds verwarrend een enkele aktie van het proletariaat naar den voorgrond te dringen en daarop alle licht te laten vallen ten nadeele en ten koste van de andere soorten van aktie, in dubbele mate stichtte die anarchistische taktiek verwarring die in de arbeidersbeweging ten slotte den vakvereenigingsstrijd als de éénig-mogelijke en voor de arbeidersklasse alleen aannemelijke aktie ging verklaren.

Het was van het anarchisme een poging om zich in de arbeidersbeweging te blijven nestelen. In zijn strijd tegen de veldwinnende sociaal-demokratie kon het niet langer enkel negatief te werk gaan, onder den invloed van de agitatie der „Internationale” werden overal de massa’s arbeiders bij elkander gebracht en daarbij was van de abstracte philosophie en ideologie van het anarchisme niets te merken geweest. Waar proletariërsmassa’s eenmaal bij elkander zijn, daar moet aan hunne gevoelens uiting worden gegeven en waar die drang bestaat, daar openbaart zich de klassenstrijd, zij het dan ook in zeer ruwen vorm. De politieke aktie vormde het eenige strijdperk waarop de massa’s gezamenlijk elkander zouden kunnen ontmoeten, om met elkander den klassenstrijd te voeren. Het anarchisme zocht naar een andere manier, een andere methode om de arbeidersmassa’s het strijden mogelijk te maken. Dat men daarbij zijn toevlucht moest nemen tot zeer ouderwetsche middelen, is duidelijk. De algemeene, politieke klassenstrijd was juist een overwinning van het engere vakstrijd-standpunt, waardoor de arbeidersklasse verdeeld werd in even zoovele gedeelten als er beroepen bestaan. Een algemeene bodem bestaat daar niet, tenzij men tijdelijke akties te zamen ging voeren, wat eigenlijk niets dan een zeer gebrekkige manier van het voeren van den politieken strijd is, gelijk wij nog de gelegenheid zullen hebben duidelijker te zien.

Het anarchisme moest, om de arbeiders de taktiek van de puur-economische, van de niets-dan-vakaktie te kunnen aanbevelen, zijn diepen weerzin tegen organisatie en tegen georganiseerde aktie tot verbetering van de verhoudingen tusschen kapitaal en arbeid, eerst overwinnen. Wij zagen reeds hier, hoe zeer deze ongeneigdheid om iets te bereiken dat naar verbetering dier verhoudingen zelfs maar zweemde, het anarchisme als het ware in het bloed zat.

Wij zagen dat Proudhon een verklaard vijand van vakvereenigingen en werkstakingen was; wij zagen welke opvatting Stirner had van de werkelijke verhoudingen tusschen het kapitaal en den loonarbeid en wij zagen ook hoe het aktief anarchisme eigenlijk ineenvloeide met den gedachtengang die in den aanvang van den strijd groote scharen van arbeiders vervulde: dat er geen verandering in de maatschappelijke verhoudingen kon komen alvorens de maatschappelijke ellende een zoodanig hoogtepunt had bereikt, dat de toestanden onhoudbaar waren geworden.

Alle anarchisten, van welke soort ook, baseeren eigenlijk geheel hun revolutietheorie op die ellende. Zij overdrijven daarmede de sociaal-demokratische opvatting van de maatschappelijke ellende onder het kapitalisme schromelijk, zooals de gansche sociale kern van het anarchisme op overdrijvingen berust: overdrijving omtrent de waarde van de persoon in de samenleving, overdrijving omtrent de verbitterende werking van het steeds ellendiger worden der massa, overdrijving omtrent de tendenzen van het kapitalisme zelf, wat wij nog wel gelegenheid zullen hebben uit de werkelijkheid aan te toonen. Men behoeft den invloed van het kapitalisme niet zoo bovenmatig overdreven voor te stellen als de anarchisten dat zoo dikwerf in hunne kritiek hebben gedaan, om den arbeiders duidelijk te kunnen maken dat zij uitgebuit worden door het stelsel aan welks instandhouding zij hunne beste krachten geven. Ook hierover op een andere plaats meer.

Waar het anarchisme nu poogde het strijdende proletariaat van de politieke aktie afkeerig te maken en het aldus zijn algemeenen strijdbodem te ontrukken, meende het een belangrijke nieuwe aktie daarvoor in de plaats te geven toen het de zuiver-economische aktie, vakvereenigingen zonder politiek en buiten elke staatsinmenging om, aanbeval als het eenige bevrijdingsmiddel van het proletariaat. Die nieuwe taktiek was echter een terugval in de denkbeelden van een afgestorven gildewezen, was afzondering der arbeiders van elkander in stede van tot-elkander-brenging.

Trade-Unionisme.

„Elke klassenstrijd is een politieke strijd.”

(Kommunistisch Manifest.)

Engeland is het klassieke land van de vakvereenigingen en wordt door de anarchistische aanhangers van de zuiver-economische, d.w.z. niet-politieke vakvereenigingstaktiek, als eenig wapen in den klassenstrijd, meestal als illustre voorbeeld aangehaald.

Wij zullen dus hebben te onderzoeken in hoeverre in dat land deze taktiek de arbeidersklasse gebaat heeft in haren strijd tegen het kapitalistisch uitbuitingsstelsel; dan, of het waar is, dat de engelsche vakbeweging ten allen tijde een niet-politieke was; en vervolgens, welke soort politiek de arbeiders hebben toegepast in hunnen strijd en de waarde daarvan voor den algemeenen strijd van de arbeiders en het welzijn der gansche klasse.

Elke arbeidersbeweging is in zekeren zin: klassebeweging; de vorm waaronder zij zich openbaren zal, wordt door de eigenaardige verhoudingen van het land zelf bepaald. Is dit altoos een feit, het gold zooveel te meer in een tijd als waarin aan de engelsche arbeiders de klassenstrijd reeds werd opgedrongen door het kapitalistisch stelsel dat hun merg en bloed bezig was uit te zuigen, reeds in het eerste kwart van de negentiende eeuw.

Toen de groot-industrie in Engeland op zoo intense wijze de ontwikkeling der nijverheid aangreep, ontbraken daar in het algemeen de voorwaarden, die noodig zijn, om den arbeiders als klasse het onontbeerlijke inzicht in den gang der ontwikkeling en in hunne historische taak tegenover de bourgeoisie te geven. Het ontbrak er volstrekt niet aan het revolutionair sentiment, noch aan verzet tegen de uitbuiting en de verdrukking; maar het ontbrak in Engeland aan het noodige historische inzicht omtrent de rol van de beide belangrijkste klassen in de moderne maatschappij: bourgeoisie en proletariaat.

De bourgeoisie in Engeland had reeds vroeg hare revolutie tegen het absolutisme bevochten; zij had de overwinning door een algemeen en konsekwent doorgevoerd compromis met den adel gekocht. Adel en bourgeoisie zouden voortaan als bij stilzwijgende afspraak de klasseheerschappij deelen, waarbij kwam, dat de engelsche adel reeds vroeg van de kapitalistische produktiewijze zijn voordeel wist te trekken en deze niet op bekrompen wijze in hare ontwikkeling poogde te belemmeren.

Dit heeft in Engeland geleid tot een belangenharmonie van deze beide deelen der bezittende klasse: grondbezit en industrieel kapitaal, terwijl die beide deelen elders nog in scherpe tegenstelling tot elkander plachten te staan. Dat deze harmonie later ook in Engeland wel eens is verstoord, doet aan het algemeen verschijnsel niets af.

Nu kweekt de bourgeoisie door haar economische ontwikkeling een proletariaat, d.w.z. een bizondere klasse van arbeiders, die, gelijk wij te voren hebben uiteengezet, de bezitlooze bij uitnemendheid is, wier levensbezit slechts de levende arbeidskracht is en voor wie, in het groot genomen, de kans, om zich, althans binnen het raam van de bestaande produktie- en eigendomsverhoudingen, als klasse te kunnen opwerken, geheel is uitgesloten. Maar het is historisch van groote beteekenis, onder welke politieke omstandigheden zulk een proletariaat opkomt en gedijt en welke verhoudingen het vindt zoodra het tot eenige klaarheid van zijn positie komt. Het proletariaat trof bij zijn ontwikkeling in Engeland burgerlijke en geen absolutistische verhoudingen aan. Weliswaar vond zijn organisatie in den aanvang fellen tegenstand en werd het eerste pogen met tuchthuisstraf geboet, maar lang duurde die tegenstand niet. De bezittende klasse in haren specifiek-burgerlijken vorm, gelijk zij dien in Engeland voluit ontwikkelen kon, vond vrij spoedig den weg tot het gemoed van de proletariërsgroepen, die in verzet kwamen tegen de economische verhoudingen waaronder zij oogenblikkelijk te lijden hadden. De historisch verworven positie van Engeland op de wereldmarkt gedoogde, bij eenig nader inzicht, het toestaan van zekere afkoopsom door de bezittende klasse aan het proletariaat, in den vorm van hoogere loonen en korteren arbeidstijd, ten slotte ook van sociaal-politieke maatregelen, die de arbeidersklasse ten goede kwamen.

Onder deze verhoudingen nu kon zich in Engeland de arbeidersklasse slechts naar haar ééne zijde duurzaam ontwikkelen; naar die zijde n.l., waarbij in het algemeen binnen het raam van de bestaande produktie- en toeëigeningswijze weer kon worden opgebouwd, wat door een aanvankelijk alles vernielend kapitalisme was ontwricht en vertrapt. In en door de vakorganisatie, met beleid gevoerd en met succes bekroond, komt de arbeider uit de degradatie van den loonslaaf, waartoe het onbarmhartig, gevoelloos kapitalisme hem neerdrukte, als mensch weer boven. Zij is het herstel van de menschelijke persoon, die geheel-en-al in de vleeschelijke, maar over zijn eigen lichaam en geest geen beschikking hebbende meerwaarde-scheppings-machine was opgegaan. Dit nu is niet alleen niet onvereenigbaar met het kapitalistische stelsel van voortbrenging en toeëigening, het kan, onder zekere omstandigheden, die in Engeland zeer zeker in de helft van de negentiende eeuw aanwezig waren, zelfs tot nog sterkere bevestiging van die verhoudingen leiden. Eén dier omstandigheden is het ontstaan en de ontwikkeling van een arbeidersaristokratie, een zeker deel van het proletariaat, dat door den specialen aard van de industrie zich afscheidt, naar boven drijft en een aparten stand van „skilled labour” (geschoolden arbeid) gaat vormen, wiens doel en streven het wordt, de bevoorrechte positie in het bedrijfsleven zooveel mogelijk voor zich te behouden. Gaat de bourgeoisie, die dezen stand van arbeiden kunstmatig aankweekt, dan nog verder en verkregen deze groepen van „gezeten arbeiders” na eenig haspelen hun volledig politiek burgerrecht, dan zullen zij dat natuurlijk, gescheiden als zij zich gevoelen van het overige deel hunner klasse, zoodanig gaan gebruiken, dat hun speciale standsbelangen daardoor het beste worden gediend. Maar daardoor wordt dan ook meteen hun klassebewustzijn radikaal gebroken.

Men ziet dat onder bepaalde omstandigheden het verzet tegen de economische uitbuiting een verloop kan hebben dat voor de normale ontwikkeling der heerschappij van de bourgeoisie, economisch en politiek, niet belangrijk storend is. De engelsche arbeiders, die zich verzetten moesten tegen de uitbuiting, dus door de omstandigheden gedwongen waren den klassenstrijd te aanvaarden, konden dit, afgezien van tijdelijke stroomingen, die dan ook behoorlijk in het zand geloopen zijn, niet anders dan onder dien burgerlijken vorm doen, burgerlijk in zooverre de vorm van het verzet met het wezen der burgerlijke produktiewijze overeen te brengen was. Daarmede is niets kwaads gezegd van dien vorm, maar uitsluitend zijn economische en historische beteekenis gekenschetst.

Deze karakteristiek van het wezen der vakbeweging, gelijk zij zich in Engeland, als de eenig volgroeide vorm waaronder de engelsche arbeiders den klassenstrijd streden, ontwikkelde, brengt ons weder een stap verder tot het punt in kwestie. Alleen een zelfgenoegzame klasse kan vrede hebben met den vorm van klasseheerschappij waaronder zij leeft. De gedachte, dat het er weinig toe doet onder wèlk politiek régime men leeft, mits men maar rust heeft om geld te verdienen, is een bij uitstek burgerlijke, een burgerlijk-zelfvoldane. Nu kan zulk eene beschouwing ook tot gansche groepen van arbeiders overslaan, wanneer hunne verhoudingen niet die van de gansche klasse, maar van een gepriviligeerde minderheid uit die klasse zijn en dat privilegie door de bezittende klasse, als het ware met voordacht, wordt gewaarborgd. En ook dit is in Engeland gebeurd, de proletarische klassenstrijdvorm, eenmaal ingeperkt binnen het raam van de bestaande produktie- en eigendomsverhoudingen, heeft er althans voor een deel een politiek scepticisme gekweekt, dat slechts oog had voor allerlei onmiddellijke en tastbare politieke voordeelen, zonder tot het wezen van de politieke verhoudingen zelve ook maar een oogenblik door te dringen.

Die zelfgenoegzaamheid eener bevoorrechte minderheid, en de list van een scherpzinnige bourgeoisie, die liever uit eigen beweging enkele concessies doet als de oogen der arbeiders daardoor maar voor den wortel harer heerschappij gesloten blijven, dan door halsstarrigheid de bewustwording der arbeiders in de hand te werken, hebben onder een deel van de engelsche arbeiders jaren lang tot een bepaald systeem geleid, dat niets was dan een verburgerlijkte vorm van de arbeidersbeweging; een afdwaling van den normalen gang dier beweging; een verwording, in plaats van een gezonde ontwikkeling. Het was het systeem van de „enkel”-vakvereenigingstaktiek, de prediking onder de arbeiders van het geloof, dat zij zich slechts industrieel hadden te vereenigen en sterk te maken en, zonder zich met politiek in te laten, langs dien „zuiver-economischen” weg op het gebied van sociale verbeteringen konden bereiken wat zij wilden.

Men zal wel willen inzien, dat zulk een geloof voor de positie van de bourgeoisie uiterst genoegelijk was en het kon dan ook niet anders of een gansche reeks van burgerlijke heilsprofeten maakte zich op, om den engelschen arbeiders jaren achtereen systematisch de voordeelen dier taktiek haarfijn uit te leggen. In theorie werd deze taktiek de „self-help” genoemd. Niet het leunen op den staat, maar het steunen op „eigen macht” gaf de oplossing van de maatschappelijke kwestie. Nu het verzet van burgerlijke zijde tegen de vakorganisatie der arbeiders eenmaal niet meer hielp, was tenminste het aankweeken van politieke onverschilligheid onder hen nog een middel dat kon worden aangewend, om de arbeiders van den strijd tegen de burgerlijke klasseheerschappij af te houden.

Theoretisch werd deze simpele taktiek der groote massa van de engelsche vakvereenigingsarbeiders door burgerlijke staathuishoudkundigen verder verbreid. Praktisch werd zij aangekweekt door twee omstandigheden, die ook Engeland speciaal eigen waren, namelijk de reeds genoemde toestand van de nijverheid en het feit, dat krachtens historisch-geworden politieke verhoudingen in Engeland er maar voor twee groote partijen in de politiek plaats was; een partijformatie die, gegeven de geweldige macht die overleveringen in Engeland bezaten en nòg bezitten, zoo goed als onmogelijk te veranderen was.

Eensdeels een kracht, gebouwd op bizondere voorrechten eener gepriviligeerde minderheid ten koste van het overgroote aantal medearbeiders uit de „ongeleerde” vakken en vrije beroepen; anderdeels een zwakheid die historisch-geworden politieke verhoudingen niet vermocht te veranderen,—dàt waren de elementen waaruit het typisch-engelsche union-princiep is voortgekomen. En deze, dus onder bepaalde verhoudingen geboren taktiek,—van de zijde der bezittende klasse ten slotte niet het minst aangeprezen als het ideaal van arbeidersbeweging en aangewakkerd als het summum van arbeidersverstand en -overleg, was het, die men van anarchistische zijde dan eindelijk aan de arbeiders als het non plus ultra van „revolutionaire aktie” aanbeval!

De taktiek van „pressie-uitoefenen.”

Wij zullen nu, na den oorsprong en den conservatieven ondergrond van de enkel-vakvereenigingstaktiek te hebben leeren kennen, haar nog eenigszins verder vervolgen in haar historisch verloop.

„De politieke, zoowel als de industrieele zijde van de arbeidersbeweging zijn beide zulke noodzakelijke levensuitingen van het proletariaat, en zijn zoo innig met elkander verbonden, dat een verwaarloozing van de eene ten koste van de andere een abnormaliteit is, die slechts uit abnormale toestanden kan voortkomen, en die op den duur geen stand houdt. Overal dringt de arbeidersklasse op gelijke wijze naar industrieele zoowel als politieke aktie. Niets is bedriegelijker dan de van anarchistischen kant verbreide beschouwing, dat de engelsche vakvereenigingsmannen, in zooverre ze geen sociaal-demokraten zijn, van politiek niets wilden weten en dat zij al hunne resultaten bereikt hadden, zonder zich om de politiek te bekreunen. De engelsche vakvereenigingsmannen hebben altoos aan politiek gedaan. De kwestie was voor hen slechts deze, of zij hun doeleinden op politiek gebied het beste konden bereiken door middel van een bijzondere, onafhankelijke arbeiderspartij of door het verkoopen van hunne stem, tegen zekere concessies, aan eene van de heerschende partijen. Niet of zij aan politiek zouden doen, was en is voor hen een kwestie, maar of deze politiek een zelfstandige, dan wel een staart- en pressiepolitiek zou moeten wezen.”

In deze treffende woorden heeft Karl Kautsky eenmaal duidelijk weergegeven van welken geest de engelsche vakvereenigingen steeds bezield waren en wat de drijfkracht was van hun handelen in politiek opzicht. Zuiver anti-politiek was de engelsche vakbeweging inderdaad nooit; doch de politieke aktie van de engelsche vakvereenigingen nam onder de specifiek engelsche omstandigheden zeer eigenaardige vormen aan. De engelsche arbeidersklasse heeft deze soort politieke aktie moeten aanvaarden, bij gebrek aan een anderen, duidelijker en meer tastbaren vorm van zelfstandige arbeiderspolitiek, omdat de gansche politieke ontwikkeling van een land als Engeland zich onder gansch bizondere en hoogst eigenaardige, historisch-noodwendige vormen voltrok.

Zij was en is nog de eigenlijke en eigenaardige klassenstrijdvorm waaronder het grootste deel van de engelsche arbeiders zijn kamp tegen het kapitaal voert.

Om duidelijk in te zien waarom de engelsche arbeidersklasse, in weerwil harer grootsche organisatie in vakvereenigingen, tot op den laatsten tijd geen eigen parlementair-politieke partij vormde, moet men er zich rekenschap van geven, dat zij tot het jaar 1867 het kiesrecht nog niet had en dat toen nog maar alleen de beter gesitueerde arbeiders het kiesrecht verkregen. Eén van de vele manieren van behandeling, die de engelsche bourgeoisie—de slimste zeker van alle landen—op de arbeidersbeweging toepaste en door middel waarvan zij de arbeidersbeweging steeds haar algemeen, dus ook revolutionair karakter wist te onthouden, is ook die broksgewijze uitbreiding van het kiesrecht geweest. Een definitieve kwam eerst in 1885. Maar eenmaal het kiesrecht verkregen hebbend, zelfs in den hoogst gebrekkigen vorm waarin de Reform-Bill van 1867 het haar verleende, begreep de georganiseerde arbeidersklasse, reeds op het vakvereenigingscongres van 1869, uiting te moeten geven aan den eisch eener zelfstandige arbeidersvertegenwoordiging; een eisch die sedert dien niet van de dagorde der engelsche vakvereenigingscongressen is verdwenen, alvorens een voorloopige oplossing te hebben verkregen in het voor enkele jaren opgerichte „Labour Representation Committee” (Comité voor Arbeidersvertegenwoordiging) door welks werken nu reeds twee zelfstandige vertegenwoordigers van de arbeidende klasse, William Crooks en D. Shackleton, in het Parlement zitting hebben.

Met dat al is het te begrijpen, dat de reeds zeer ver doorgevoerde taktiek van het uitoefenen van pressie op de burgerlijke partijen, ten einde hervormingen te verkregen, althans de beloften daartoe af te persen, waarvoor dan in ruil de hulp bij de stembus geboden wordt, een taktiek die bij sommige van de grootste vakvereenigingen een heele machinerie in het leven heeft geroepen,1—niet maar eensklaps door een andere kan worden vervangen. Zij was in hooge mate samengeweven met de politieke ontwikkeling van de engelsche arbeidersklasse zelve en met de politieke verhoudingen in het land over het algemeen.

Of de hervormingen, die aldus verkregen zijn, tot dien prijs niet te duur gekocht waren, is een vraag die van het positieve klasse-standpunt onbetwist bevestigend moet worden beantwoord, maar dat neemt niet weg dat het instinkt van de arbeidersklasse om den haar geschonken politieken invloed te gebruiken, de groote politieke partijen tegenover elkander te doen balanceeren,—een gevolg van de eigenaardige verhouding dat het grondbezit en het industrieele kapitaal in Engeland elkander historisch de plaats aan het staatsroer betwistten,—nooit heeft getuigd voor die politieke onverschilligheid, welke de propagandisten voor een anarchistischen weerzin tegen arbeiderspolitiek zoo gaarne ingang zouden doen vinden onder hunne volgelingen.

Over het geheel is een aktie als die van de engelsche arbeidersklasse slechts dan volkomen te begrijpen, als men haar psychologie in het oog weet te vatten. Het stuk klassebeweging dat zij in zich belichaamde, maakte natuurlijk verschillende veranderingen door, al naarmate de verhoudingen in het land zelve andere waren.

Arbeidersmassa’s zullen, als zij georganiseerd te zamen gehouden worden, in gesloten gelederen marcheerend, nu eens een meer, dan eens een minder revolutionaire stemming toonen; zij kunnen niet altijd in dezelfde, gelijke spanning gehouden worden. Al naar de omstandigheden zullen zij aktief op den voorgrond treden, of meer passief zich verhouden en de dingen meer den loop laten nemen dien zij van zelf gaan. Het zal zijn nu een meer of minder sterk ingrijpen in den loop der ontwikkeling, dan weer een blijken van vermoeidheid en een daaruit voortvloeiende neiging om te trachten te oogsten wat vroeger gezaaid was. Dat geldt voor massabewegingen in het algemeen en in nog veel sterker mate voor de engelsche vakvereenigingsarbeiders, die nooit door groote principes werden geleid, maar door overwegingen van opportunistische, dus van „oogenbliks„politiek. Wat echter voor de massa een stemming is van meer of minder voorbijgaanden aard, kan en zal na verloop van tijd voor de leiders een formule worden, een zekere methode, waarop, gelijk in Engeland in belangrijke mate het geval is geweest, theorieën en principes van taktiek worden opgebouwd.

Het sterkst kwam dit uit in de groote periode van reaktie in de geschiedenis van het engelsche vakvereenigingswezen van 1875/85. Wat toen als leidend gezichtspunt der vakbeweging werd vooropgesteld en wat in dien tijd als de opperste sociaal-politieke wijsheid gold, dat is inderdaad niet te zacht gekwalificeerd als men het de geestelijke verstarring eener klassebeweging tot burgerlijke klassegeborneerdheid noemt. Hooren wij de Webb’s in hunne „Geschiedenis” daarover maar eens:2

„De op den voorgrond tredende vakvereenigingsmannen waren bekeerd geworden tot het economisch individualisme, dat in dien tijd de liberale partij beheerschte. Een veelbeteekenend bewijs dezer onbewuste bekeering is te vinden in de eenstemmigheid, waarmede een congres van vakvereenigingsmannen kon aandringen op „hervormingen” als: klein grondbezit, de aankoop van arbeiderswoningen door de bewoners, het stichten van zich-zelf-regeerende werkplaatsen, het vermeerderen van patenten in handen van individueele arbeiders, en andere veranderingen, die den wortel van het vakvereenigingswezen en van alle gemeenschappelijk bezit der produktiemiddelen moesten aantasten.…

„In geen enkel ander punt evenwel komt de bekeering van de trade-union-leiders tot zuiver burgerlijke begrippen zoo helder aan het licht, als in hunne houding tegenover het roepen der arbeiders in zekere industrieën om wettelijke bescherming hunner levenspositie. Sedert ondenkbare tijden was de wenschelijkheid van de wettelijke handhaving van een minimum-levensstandaard der arbeiders een van de leidende principes geweest van het trade-unionisme en nog werd zij door twee beduidende sekties van de trade-unionwereld, door de vakvereenigingen der katoenspinners en die der mijnarbeiders, standvastig hooggehouden. Maar zoowel het Parlementaire Comité uit den tijd van 1875–1885 als den liberalen wetgevers leek elk voorstel tot wettelijke regeling van de arbeidsvoorwaarden een hoogst bedenkelijke uitzonderingsmaatregel, die alleen maar in gevallen van de uiterste hulpeloosheid en machteloosheid van de aanvragers gerechtvaardigd was.”

En verder:

„De aanpassing van het politieke credo van de vakvereenigingsleiders aan dat van de officieele liberale partij was een zaak van oprechte overtuiging.… De geschikte en nauwgezette menschen, die in den tijd van 1875 tot 1885 met het leiderschap van de trade-unioncongressen belast waren, waren zonder eenige politieke theorie, die hun een anderen weg gewezen had, opgegroeid en hadden dientengevolge den afkeer van de inmenging van de wetgeving of het bestuur van overheidswege tot een absoluut dogma verheven.

„Het princiep van het laisser faire was (dus) de politieke en sociale geloofsbelijdenis van de vakvereenigingsleiders van dien tijd”.…

De reaktie die in de engelsche vakvereenigingswereld gevolgd is op deze periode van verburgerlijking, leverde een door de invallende crisis in de nijverheid begunstigde levendige socialistische propaganda op en aan de andere zijde een nieuwen geest onder vele van de nieuwere vakvereenigingsleiders als: Tom Mann, John Burns etc., om zich het lot van de „ongeschoolde” arbeiders, van de verschoppelingen der groote Trade-Unions te gaan aantrekken.

De anarchistische karikatuur.

Gelijk wij zagen konden de engelsche arbeiders, georganiseerd als zij waren in groote, dikwijls zeer machtige vakvereenigingen, den bijstand van de politiek nooit geheel ontberen. De periode van 1875/1885 was wel typisch voor de gevolgen waartoe men komt, als men een gansche beweging verburgerlijkt en poogt te doen opgaan in conservatieve verstarring; maar zij was een abnormaliteit. Het is altijd het pech onzer anarchistische tactici, het abnormale voor het normale te houden. De engelsche vakbeweging heeft in hare bewogen tijden, ondanks het burgerlijk karakter waarmede hare leiders in vroeger tijd haar zoozeer besmet hebben, veel méér begrip voor de klasse-eischen van het proletariaat aan den dag gelegd, dan anarchistische onwetendheid vermoedt of zegt te weten. Wij zagen reeds, dat bij haar het systeem van pressie-politiek was uitgewerkt. En al was deze methode van politiek drijven een slechte in den grond, zij leverde tenminste het bewijs, dat de engelsche arbeiders, gegeven de eigenaardige politieke verhoudingen van de beide groote, machtige, elkander dikwijls aan de regeering afwisselende politieke partijen der bourgeoisie, geenszins van politiek afkeerig waren. Evenmin als zij ooit afkeerig waren van het te baat nemen der wetgeving in het belang van hunne economische verhouding tegenover het veel sterkere kapitalisme.

Direkt en indirekt hebben zij zich, wellicht op een enkele korte periode na, steeds bezig gehouden met de politieke aktie, en de politiek van het uitoefenen van pressie op de politieke partijen en de overheid, ten einde de hervormingspolitiek in een voor hun belangen voordeelige richting te leiden, was daarbij de eenig drijvende kracht. Men kan deze politiek een ware belangenpolitiek noemen, die zelfzuchtig uit het oog verliest dat de geheele klasse er nimmer door gebaat kan worden en enkel maar een bepaald gedeelte, maar men vergete dan toch niet, dat zij ganschelijk voortvloeide uit de z.g.n. theorie van het „self-help”, die door de burgerlijke staathuishoudkunde den arbeiders als het non plus ultra van arbeidersbemoeiing aanbevolen werd.

Pressie-politiek te drijven evenwel is ook slechts mogelijk onder een voorwaarde, zonder welke zij onbestaanbaar is, namelijk het hebben van macht. Een arbeidersklasse die grootendeels van de uitoefening van het kiesrecht buitengesloten is, kan ook geen duurzame pressie-politiek voeren, omdat geen enkele politieke partij rekening houdt met elementen die geen politieken invloed hebben. Politiek is de uitdrukking van concrete, werkelijk bestaande verhoudingen in de maatschappij, en een groep belanghebbenden die daarin gekend wenscht te worden, heeft allereerst er voor te zorgen in die verhoudingen te kunnen ingrijpen.

Vandaar dat de engelsche arbeiders dan ook steeds geijverd hebben voor het bekomen van die machtsmiddelen welke hun de uitoefening hunner pressie-taktiek mogelijk zouden maken. Dit werpt al aanstonds het geloof omver, dat de anarchistische anti-politiekers zoo gaarne wenschen te verbreiden, als zouden de engelsche arbeiders hunne doeleinden hebben bereikt „buiten den staat om” of buiten de politieke aktie om. De engelsche arbeidersklasse is integendeel een politieke machtsfactor van voorname grootte. Alleen heeft hare staartpolitiek er toe geleid, dat nog pas onlangs, in een groote meeting van de gaswerkers-union, een conservatief politicus als Sir John Gorst de arbeiders er nadrukkelijk op heeft moeten wijzen, dat slechts een zelfstandige arbeidersvertegenwoordiging in het Parlement het succes kan hebben dat tot nog toe was uitgebleven.

Want dit is wel de beste illustratie van het feit dat een arbeidersklasse, die politiek zich niet zelfstandig kan of wil maken, ten slotte, ondanks alles, als het eenmaal spannen gaat tusschen de partijen, op sleeptouw genomen wordt, dat nòch de achturendag, waarnaar de engelsche arbeiders reeds een menschenleeftijd verlangen, nòch de in de laatste jaren zoo urgent geworden kwestie van de al-of-niet-aansprakelijkheid der vakvereenigingen, in casu van hunne kassen, bij proclamatie eener werkstaking, zonder dat daarvan zekeren tijd te voren den patroons kennis is gegeven, tot een voor de arbeiders gewenscht resultaat hebben kunnen komen.

Doch hoe dit ook moge zijn, een feit blijft het, dat het politieke verstand den engelschen arbeider nimmer in die mate begeven heeft, als de anarchistische propaganda voor de onverschilligheid ten opzichte van de politieke aktie het zelf schijnt te gelooven. En dat is het nu juist wat de gansche anarchistische taktiek van dat de vakvereenigingen zich buiten de politiek moeten houden, maar druk moeten uitoefenen op het parlement of de politieke partijen, tot een karikatuur maakt. Zij willen misschien het doel wel, maar zij minachten de middelen die naar het doel leiden.

Van anarchistischen kant wordt er vaak mede geschermd, dat de arbeiders in de vakvereenigingen op hun eigen terrein zijn en dat zij aldaar hun zaken „zelf doen,” onafhankelijk dus van welke andere aktie ook, onafhankelijk ook van de parlementaire aktie.

Dat de vakbeweging inderdaad als georganiseerde beweging, die nooit de gansche klasse maar wel belangrijke deelen daarvan kan omvatten, het terrein is waar de arbeiders kunnen leeren hun eigen zaken en belangen te behartigen, spreekt evenzoo van zelf, als het tegen de anarchistische opvatting van de vakbeweging, gelijk zij in den regel gehuldigd wordt, pleit. Zeker kan niemand ontkennen dat waar het onmiddellijke belang ter sprake komt, de kwesties van loon, arbeidsduur etc., de arbeiders zelven de meest geroepenen zijn om te kunnen be- en veroordeelen.

Maar wie daaruit nu verder met de anarchistische zelfstandigheidsfanatici zou willen opmaken, dat juist de vakvereenigingsactie niet die kwaliteiten vereischt om te gedijen, als welke andere massale en duurzame aktie van het proletariaat ook, dat daar discipline en een bekwame leiding geen hoofdfaktoren zouden wezen voor een oogenblikkelijk en blijvend succes, die wordt schromelijk op een dwaalspoor geleid.

Het is een zotte verminking van het begrip, dat de arbeiders hunnen strijd tegen het kapitalisme en hunne ontvoogding van het juk der loonslavernij zelven moeten bewerken, wanneer men dat zoo uitlegt dat dit moet gebeuren langs den weg van een aantal sekten en sektetjes van arbeiders, die, geïsoleerd werkend in aparte vakjes, van geen andere inmenging dan die van eigen vakgenooten iets zouden mogen willen weten. Dat is de slaapmutsen-traditie van de aloude gilden, gekleed in het harlekijnspak van den pseudo-revolutionair, die alleen „den werkman met de vereelte vuist” toegang wil verleenen tot het terrein van de arbeidersbeweging. In het algemeen is het juist de karaktertrek van de moderne arbeidersbeweging die haar zelfs van de engelsche vakbeweging onderscheidt, dat zij de arbeidersklasse leert hoe zij haar zaken zelf heeft te doen. En enkel de sociaal-demokratie heeft de arbeiders in staat gesteld een eigen principe, geheel afgescheiden van de burgerlijke wetenschap, een eigen theorie, eigen inzichten, een eigen maatschappelijk standpunt en een eigen politiek te hebben. Zooals zij den arbeiders de metaphysieke vereering van de wetenschap, als wetenschap, heeft pogen af te leeren, zoo heeft zij hen ook pogen te leeren breken met de phrase dat de arbeid in het bizonder, d.w.z. de zuivere, ruwe handenarbeid een heilige is. Hoofd- en handenarbeid te vereenigen en te doen samengaan, dat juist heeft de sociaal-demokratie de arbeidersklasse geleerd.

Zoodra de vakorganisatie evenwel iets meer wil zijn dan een sekte van tot machteloosheid gedoemden, moet zij reeds beginnen met het zelf-doen in den betrekkelijken zin van het woord op te vatten. De ontwikkeling van de kapitalistische produktiewijze maakt haar dat werk allesbehalve gemakkelijk. De bedrijven worden hoe langer hoe samengestelder en, hoezeer de concentratie in de nijverheid voortschrijdt—wat nota bene door de anarchistische theoretici bovendien wordt ontkend—zoo snel gaat deze werkelijk niet dat de verspreiding van het bedrijf over het land bijv. niet reeds moeielijkheden van bizonderen aard oplevert voor de organisatie en de totstandkoming van de eischen die de organisatie bloot op vakgebied durft stellen.

Het is recht gemakkelijk voor den buitenstaander, die ten opzichte van werkelijk beteekenende vakorganisatie nimmer de handen uitgestoken heeft, om den arbeiders den raad van het „zelfdoen” te geven, in dien zin opgevat, dat van nu af niets meer aan „anderen” overgelaten mag worden. De zoogenaamde „action directe”, die tegenwoordig in het anarchistisch-getinte deel van de fransche vakbeweging nog al eenigen opgang schijnt te maken, is niets dan een individualistische reaktie, waarin dan niet meer een persoon de baas zal spelen over zijn medearbeiders, maar een klein groepje een bepaald terrorisme zich aanmatigt, iets dat natuurlijk nog veel erger is.3 Op een andere plaats zullen wij enkele meer concrete staaltjes geven van deze anarchistische groepstyrannie.

Er is onlangs zelfs een nieuwe strooming opgekomen onder een groep van duitsche arbeiders, die nog verder gaan en de vakorganisatie beschouwen als het terrein voor:

„de intellectueele en moreele ontwikkeling van den individu;

„de onafhankelijke organisatie van de consumptie en zoo mogelijk van de produktie;

„de aktie van de massa met de volle verantwoordelijkheid op ieder individu—werkstakingen, meifeest, boycott.”4

Alle deze overschattingen van het wezen der vakvereeniging en hare aktie, van de grenzen die door de kapitalistische produktiewijze zelve daaraan worden gesteld, moeten tot de anarchistische karikatuur leiden, omdat deze, in theorie althans, een algemeenen strijd wil voeren tegen het kapitalistisch stelsel en tegen den staat, op een terrein dat daarvoor veel te klein is en dat, nog sterker, juist aan deze eigenaardige beperktheid zijn waarde ontleent. Immers niet de algemeenheid van het klassebelang der arbeiders, maar hare bizonderheid, het uiteenvallen in groepen en lagen is het, die het juist mogelijk maakt telkenmale, apart, een stukje te veroveren van het terrein der onmiddellijke kapitalistische uitbuiting. Dat afgebakend-zijn van de grenzen, deze zorgvuldige afzondering door de organisatie der bedrijven in het leven geroepen, verkleint in de vak-aktie het arbeidsveld en maakt het overzichtelijk; de arbeiders leeren daardoor eerst de groote belangen zien door het verkleinglas van de onmiddellijk voor de hand liggende kleine belangen.

Het is dan ook opmerkelijk dat waar de vakbeweging in handen van anarchisten is, dezen terstond hare aktie pogen te veralgemeenen, door er allerhande dingen bij te sleepen, die uitsluitend op het terrein van de algemeene, de zuiver-politieke arbeidersbeweging thuis behooren. Bijvoorbeeld: de aktie tegen het militairisme en die vóór de algemeene werkstaking. Het maakt door deze beide middelen de vakbeweging tot de karikatuur eener algemeene arbeidersbeweging met een zuiver-politieke basis, die 1e ten doel heeft op een der funkties van het kapitalistisch staatswezen, het moderne leger en zijn middelen, invloed uit te oefenen en 2e in nog meer uitgebreiden zin de idee in zich bevat, dat de arbeiders door een avontuurlijke poging de staatsmacht voor zich moeten zien te veroveren.

In beide gevallen dus: politieke aktie,—ziedaar waartoe de verwringing van de taak en het doel van de moderne vakbeweging in anarchistische handen, gesteld dat zij eenig succes had en in deze handen duurzaam bevestigd bleef, zou kunnen leiden.

„Den Teufel spürt das Völkchen nie,

Und wenn er sie beim Kragen hätte!5

Zoo spotte Mephisto. De anarchist verbeeldt zich niet aan politiek te doen als hij er tot over zijn ooren inzit! Dat is de ironie van het noodlot, die de onmogelijkheid van de anarchistische taktiek in de arbeidersbeweging haast bij iederen voetstap achterhaalt en haar beter illustreert dan welke afgetrokken stelling ook.

De afkeer van den werkelijken kleinarbeid, gelijk die juist bij de vakvereenigingsaktie absoluut onontbeerlijk is, de neiging tot het sektaire, die beide zijn daarvan hoofdzakelijk de oorzaak. Het anarchisme is een stemming; een gevolg van niet-kùnnen, dikwijls niet-durven; van de slapheid die nog in zoovele arbeiderskringen gevonden wordt en die het gevolg is van de achterlijkheid der ontwikkeling in bedrijfs-technischen en groot-kapitalistischen zin; van de traditie, die nog altoos in de hoofden van deze groepen arbeiders rondspookt en als „een nachtmerrie uit het verleden” over de handelingen in het tegenwoordige heerscht.

Daarom, of ook het anarchisme al vakvereenigingen zou willen—het kan de middelen om ze in het leven te roepen en om ze practisch te doen werken, krachtens den meest karakteristieken trek van zijn wezen—weerzin tegen iederen praktischen arbeid—niet willen. De afschuw voor de praktijk belet het overal verder te komen dan het voeren van een ruwe kritiek op de toestanden, aansporing tot organisatie wellicht, maar het vermogen om dien zeer kleinen, maar hoogst noodzakelijken arbeid aan te vangen en te volbrengen, tot den opbouw eener vakvereeniging vereischt, kan uit het anarchisme niet worden geput.

De idee van het anarchisme laat zich dan ook in de vakvereeniging allerminst verwezenlijken: geen plaats is er op het gansche terrein onzer moderne arbeidersbeweging, waar juist zoo weinig utopisme, waar zoo weinig ideologie te pas komt als in de vakvereenigingswereld. Daar is de strijd van iederen dag te voeren; daar komt het sterkst het standsegoïsme en het kleine eigenbelang van de verschillende categorieën van arbeiders aan den dag; daar is de plaats van het loven en bieden met de werkgevers; daar beperken zich denken en beweging maar al te dikwerf tot de kwesties van een halve of heele cent per uur loon meer en een half uur werkens per dag minder.

De anarchist die de vakvereeniging niet wil om haar eigen doel, maar om een aanknoopingspunt te hebben met de massa, ter propageering van zijn anarchistische ideeën, smaalt zoo vaak op die aktie, die hij „armoedige aktie” noemt; dat pleit, kan men zeggen, des te meer voor de feitelijke armoede van zijn anarchistische idee, die de menschen niet begrijpt en niet begrijpen kan. Een stelsel dat de persoon aanziet voor een abstraktie; dat de werkelijkheid als de verkeerdheid beschouwt; dat niet in de ontwikkeling van de beweging, maar in een reaktie van de maatschappij de toekomst ziet,—leent geen enkele zijner begrippen voor den moeizamen arbeid in de vakvereenigingen, die van precies de tegenovergestelde gedachten dient uit te gaan.

Een neiging tot détailleeren, tot in de allerkleinste onderdeelen afdalen, is juist de eigenschap van een praktisch goed vakvereenigingswezen; het scherpe gezicht op al het kleine, op de miniemste kleinigheid in de dagelijksche verhouding tusschen arbeider en ondernemer, tusschen arbeiders onderling, is voor den aktieven vakvereenigingsman een eerste vereischte. Hoe kan daar een anarchist voor deugen? Al de kracht zijner „idee” ontleent hij juist aan het zeer algemeene, aan het vage, aan het vervloeiende; zijn „idee” kent toch. geen grenzen; zij is onbegrensd. De anarchist wil noch partij, noch verband, hoogstens komt hij tot een „vrije” groep, waarin hij zelf de baas wil spelen over anderen, krachtens het recht zijner „autonome persoonlijkheid.”

Gaan wij even verder, dan zien wij dat zijn „idee”, voor wat zij nog aan tastbaars in zich bevat, ontleend is aan datgene wat juist aan den organischen groei van de beweging in den weg staat, aan den kapitalistischen, den op zijn privaat-eigendom rustenden, zelfzuchtigen individu. Niet op den gemeenschapsmensch, maar op den bizonderen, aparten, zelfzuchtigen mensch, die meent de spil te zijn waarom de gansche samenleving draait.

Het anarchisme moge in theorie tot vakorganisatie geneigd zijn, in zooverre altoos als het samenvalt met de onbewustheid van pas in de beweging getrokken lagen van het proletariaat, wier gedachten zich nog niet verder uitstrekken dan de grenzen van het bedrijf, dikwerf zelfs maar een onderdeel van het bedrijf; het moge zich in die kringen vertoonen, getooid met de veeren van een ruw-socialistische kritiek op de arbeidsverhoudingen en zich op die manier aanpassen aan de eischen van het oogenblik;—al te spoedig zal het zich, als er werkelijk gehandeld moet worden, weder uit deze organisatie terugtrekken—ten ware de personen van de anarchisten niet al van te voren, door het zaaien hunner persoonlijke gevoelens van haat etc., de splijtzwam daarin geworpen hebben.

Het anarchisme moge vakvereenigingen in theorie willen, het wil de organisatorische voorwaarden van het vakvereenigingswezen zeker niet. Het wil noch een centraal bestuur, noch een demokratische discipline, noch een gezaghebbende leiding. Het keert zich geheel van de werkelijkheid af, door de voorkeur te geven aan allerlei wilde en onoverlegde, z.g.n. spontane werkstakingen, die, gelijk van zelf spreekt, met het wezen van een goede vakorganisatie geheel en al in strijd zijn. Het kant zich tegen weerstandskassen, daar het de solidariteit van het proletariaat als een onbegrensde hoegrootheid opvat, als een zekere stilzwijgende „mutualiteit” van de arbeiders onderling, zonder een enkelen anderen grond dan de fantastische berekening van het-zal-wel-lukken.

Het anarchisme heeft dan ook wellicht nergens zoo velen van het anarchisme bekeerd, als juist in de vakvereenigingsaktie. Doch ook daarmede heeft het soms nog veel kwaads gebrouwen, door dan van sommige zijner bekeerlingen geen strijders, maar een soort sceptische egoïsten te maken, voor elk idealisme van nu af verstompt.

Ook waar het tot schipbreuk leidt is het anarchisme voor hen die het eenmaal besmet heeft, niet zonder gevaar. Men overwint het anarchisme in zichzelf, ook wanneer men bekeerd is van de voor de arbeidersbeweging ten eenenmale verderfelijke stellingen die het verkondigt, alleen door den praktischen arbeid der beweging in haar geheel.

Het spreekt van zelf, dat hier niets omtrent de bezwaren die aan het vakvereenigingswezen verbonden zijn, gezegd is. De sociaal-demokratische beschouwing die ten grondslag ligt aan deze gansche kritiek op het anarchisme in de beweging, brengt ook mede de opvatting dat de vakvereenigingsaktie altoos maar een onderdeel van het groote geheel der klassebewuste arbeidersbeweging van onzen tijd uitmaakt.


1 Men zie daarover bij Sidney en Beatrice Webb, „Theorie en Praktijk van het Britsche vakvereenigingswezen,” het IVe Hoofdstuk van het Eerste Deel, op pag. 246 e.v. van de nederlandsche uitgave. 

2 „Geschiedenis van het Britsche vakvereenigingswezen.” Zie de Hollandsche uitgave, pag. 312 tot 318. 

3 Deze taktiek van „l’action directe” van sommige fransche vakvereenigingsanarchisten gaf den heer Chr. Cornelissen kortelings aanleiding, ook aan de nederlandsche georganiseerde vak-arbeiders eene parodie van een gezamenlijk optreden aan te bevelen in een kleine brochure, getiteld: „Directe Actie (zelf doen),” te Amersfoort bij P. M. Wink 1904, 16 bladz. 

4Les tendances de l’union libre des syndicats allemands.” Bericht aan het Internationaal Socialistisch Congres te Amsterdam, pag. 6. 

5Dit volkje bespeurt den duivel nooit, zelfs als hij het bij de kraag heeft,” Mephisto in Auerbach’s Keller. „Faust” van Goethe; Deel I.