INDIVIDU EN ARBEIDERSBEWEGING.
„Het libertaire socialisme,” zegt Domela Nieuwenhuis, „wil de vrije groepeering van menschen wier belangen hen tot elkander drijven, om samen te werken voor dit of dat doel, maar die elk oogenblik als ’t ware de vrijheid hebben om zich uit dat verband los te maken.”6
„Als ’t ware de vrijheid hebben” beteekent, dat men deze vrijheid eigenlijk niet heeft, dat zij ingebeeld is. Wij zullen evenwel daarover niet vallen, het is ons niet te doen om de woorden, maar om het begrip dat er in ligt opgesloten. Dat begrip is dat van de autonomie der groepen arbeiders, die hunne vermeende vrijheid hooger stellen dan de uit het karakter hunner klasse-organisatie volgende noodzakelijkheid van een gesloten verband. Dat laatste wordt vervangen door het sektairisme, de verbrokkeling van de verschillende groepen van arbeiders en in die groepen weder door de individuen die „als ’t ware” ieder „oogenblik” ook die groepen weder kunnen verlaten.
Hier treedt dus de splitsing in plaats van de eenheid naar den voorgrond, maar worden de „belangen” van de arbeiders als de drijfkracht beschouwd, die telkenmale deze groepen bij elkander brengen zal, om, als de belangen behartigd zijn, ze weder af te stooten.
Welke kunnen die belangen zijn, die sterker zijn dan de persoonlijke vrijheid van den individu, zoodat hij zich gedrongen gevoelt haar tijdelijk op te offeren?
Het kunnen natuurlijk geen zuiver persoonlijke belangen meer wezen; immers in dat geval zoekt de vrijheidlievende persoon niet anderen op om zich—zij het dan ook maar tijdelijk—aan hunnen wil te onderwerpen. Het karakter van die belangen wordt alleen bepaald door het karakter van de maatschappelijke positie die de individu in de samenleving inneemt; het zijn dus belangen die hij met anderen gemeen heeft en die, op hunne beurt, anderen met hèm gemeen moeten hebben. Die gemeenschappelijkheid van belangen moet haren grondslag vinden in de gemeenschappelijkheid van de situatie die het moderne proletariaat in onzen tijd eigen is.
De persoonlijke belangen waarvan hier sprake is, zijn dus klasse-belangen, daar niet de bizonderheid van het persoonlijke, maar de algemeenheid van het onpersoonlijke hun eigenschap is, anders zou de vrijheidlievende individu ze wel bevredigen in en door de werkzaamheid van zijn eigen kunnen. Dat hij dat niet kàn en aansluiting bij anderen zoeken moet, komt niet voort uit de liefde voor zijn vrijheid, maar uit de noodzakelijkheid om, zij het dan ook voor een wijle, die vrijheid op te offeren, minstens te beperken. Zijn belang is dus gebonden aan dat van anderen en de beperking van de mate zijner vrijheid van handelen, wil hij zich verweren—d.w.z. zijn belang behartigen—tegenover de hem drukkende macht, vloeit regelrecht uit die gebondenheid voort.
Volgt hij dus zijn belang, dan vereenigt hij zich met zijns gelijken en offert hij niets op dan de fiktie van zijn vrije persoon.
Want hierop is deze „vrijheid”, waarvan Domela Nieuwenhuis hier en andere vrije of libertaire socialisten of ook wel anarchisten steeds spreken, enkel en alleen gebaseerd, op een inbeelding. Zij bestaat niet dan in de phantasie. Er zijn in de moderne arbeidersbeweging geen persoonlijke belangen: er zijn groeps- en er zijn klassebelangen. De eerste beperken zich tot de bizondere industrieën, vakken, bedrijven etc., de andere zijn algemeene, die welke de arbeiders allen met elkander als eene klasse vereenigen, een verhouding die de loonarbeid geschapen heeft. Hierop komt dus die vrijheid neer dat zij er in de werkelijkheid niet is, maar dat men zich verbeeldt dat zij er is.
Deze dwaling is een burgerlijke. Het liberalisme, welks wettige afstammeling het anarchistisch begrip van de persoonlijke vrijheid is, zag eveneens in de maatschappij niet een groeiend iets, maar een optelsom van individuen, die, naar hun belang dat meebrengt, tot elkander in betrekking treden en die betrekking verbreken zoodra aan dat belang is voldaan. Vandaar dat het liberalisme er dan ook altoos naar streefde—in theorie natuurlijk—de individuen tot zooveel mogelijke algeheele zelfstandigheid en zelfverantwoordelijkheid op te voeden. In theorie! Want de praktijk was geheel anders. En waarom? Niet omdat de theorie niet op zichzelf geheel „logisch” was, maar omdat zij van het belang van de persoon uitgaat, waar zij van dat van de gemeenschappelijkheid had moeten uitgaan. Doch àls zij dat laatste gedaan had, dan ware het privaat-kapitalisme niet te verdedigen geweest; vandaar dat de kapitalistische theorie, die aanvankelijk door de liberale theorieën in wijsbegeerte en staathuishoudkunde werd vertegenwoordigd, naar schijngronden heeft moeten zoeken. Een van die schijngronden was de persoonlijke vrijheid, die precies als in den mond der anarchisten, een fiktieve persoonlijke vrijheid was, in een door de verdeeling van den arbeid en de noodwendigheid van samenwerking bepaalde maatschappij van sociaal geheel onvrije menschen.
Stappen wij hiermede af van die niet bestaande vrijheid van den arbeider, om na te gaan wat het karakter is van des arbeiders situatie in de maatschappij. Waarom kan de arbeider in onze, zeer ver gevorderde ontwikkeling van de kapitalistische industrie en het bedrijfswezen, niet zichzelf zijn, dat wil zeggen in den socialen zin waarvan hier sprake is. Omdat zij slechts een deel en een zeer onbeduidend deel vormt van het groote geheel dat men noemt: het produktieinstrument proletariaat.
Ieder arbeider op zichzelf vormt in de kapitalistische produktiewijze een voorwerp om een hoeveelheid winst uit te maken. Hij is geen vrijwillige, geheel zelfstandige ruiler, maar hij is iemand die eenvoudig gedwongen is zich te laten exploiteeren door het kapitaal dat hem exploiteeren wil. Maar het gansche proces van die exploitatie zou zooveel als niets te beteekenen hebben, als het telkens maar bij één arbeider tegelijk plaats vond. Het karakter van een op hoog peil van ontwikkeling staande kapitalistische warenproduktie is de massale en niet de individueele uitbuiting of de uitbuiting van kleine groepen, gelijk dat onder het typische klein-bedrijf of onder de meergevorderde manufaktuur het geval was. De uitbuiting van den enkelen arbeider verdwijnt dus geheel in het niet; hoe langer hoe meer, en tegenwoordig sterker dan ooit in de geschiedenis, is de massa-exploitatie van het proletariaat daarvoor in de plaats gekomen. En, dit is eveneens kenmerkend, niet alleen waar het proletariaat direkt wordt uitgebuit, maar ook waar dit niet rechtstreeks het geval is, vormt het een massaal en niet een individueel stuk sociale verhouding. Wij bedoelen hier het feit, dat onder de kapitalistische produktiewijze niet alleen de werkende, maar ook de niet-werkende arbeiders een even groote economische noodzakelijkheid zijn. Het industrieele reserveleger, dat naar plaats, konjunktuur en industrie grooter of kleiner zal zijn, maar dat bestaan moet, wil het kapitaal in de industrie floreeren kunnen, d.w.z. de meerwaarde een behoorlijk peil bereiken, behoort eveneens tot het algemeene produktieinstrument proletariaat. Het belang van den werkenden proletariër kan hem dus wel eens tot aansluiting nopen met den arbeider wiens belang oogenblikkelijk juist aan het zijne tegenovergesteld is. Men ziet hieruit reeds hoe absurd de aan het hoofd van dit stukje geplaatste definitie der „vrije groepeering” is.
Het is wel duidelijk dat eerst op een vrij hoogen trap van kapitalistische ontwikkeling van de industrie de mogelijkheid van arbeidersorganisatie kan ontstaan. Marx zegt dit treffend in zijn beroemd antwoord op Proudhon’s geschrift:
„Van alle produktie-instrumenten is de grootste produktiekracht de revolutionaire klasse zelf. De organisatie van de revolutionaire elementen heeft tot voorwaarde het bestaan van alle produktiekrachten, zooals zij zich in het algemeen in den schoot van de oude maatschappij kunnen ontwikkelen.”7
Eenmaal deze hoogte bereikt hebbende, wordt de samentrekking van de verspreide elementen waaruit de revolutionaire klasse bestaat, allereerst een economische noodzakelijkheid, precies zooals op een gegeven hoogte van de kapitalistische ontwikkeling de noodzakelijkheid geboren ia tot een samentrekking van de verspreide kapitalistische produktiekrachten, een samentrekking die, door de wet van de concentratie van arbeidsmiddelen gedreven, nog steeds haren gang gaat.
De mogelijkheid voor de arbeiders om zich te organiseeren was er eerst, en soms vrij lang, nadat de noodzakelijkheid er kwam. De behoefte van de arbeiders om zich te vereenigen werd reeds gevoeld toen bij groepjes arbeiders het eerste bewustzijn zich voelbaar maakte van verzet tegen de àl te groote uitbuiting. De mogelijkheid ontsproot niet alleen uit het scheppen der voorwaarden tot het bijeenbrengen der massa’s, maar ook uit het tot op zekere hoogte gelijkmaken van hunne sociale situaties.
Marx zegt in hetzelfde werk:
„De economische verhoudingen hebben het eerste de massa van de bevolking in arbeiders omgezet. De heerschappij van het kapitaal heeft voor deze massa een gemeenschappelijke situatie, gemeenschappelijke belangen geschapen. Zoo is deze klasse bereids een klasse tegenover het kapitaal, maar nog geen klasse voor zich-zelve. Na dien strijd treft deze massa samen, constitueert zich dus als klasse voor zich-zelve. De belangen die zij verdedigt worden klasse-belangen. Maar de strijd van klasse tegen klasse is een politieke strijd.”
Dien zeer moeitevollen strijd welken Marx hier schetst, de noodzakelijkheid voor het moderne proletariaat om zich te constitueeren als klasse; een klasse met een eigen kritische beschouwing van de maatschappij en hare ontwikkeling, een eigen politiek en een eigen inzicht in de economische feiten,—dien strijd heeft iedere proletariërsklasse, van welk land ook, moeten doormaken en is zij nog bezig door te maken. Want dat werk is slechts de voorbereiding die het moderne proletariaat noodig heeft om de erfenis van de bourgeoisie te kunnen aanvaarden.
Hierom is discipline voor het proletariaat in alle uitingen van den klassenstrijd een noodzakelijke voorwaarde. Zonder dat zal het nooit kunnen overwinnen.
De organisatie van het proletariaat is, naar men ziet, geen toevallige, of een die vandaag zus en morgen zoo kan zijn, zij is een vaste, een blijvende, die juist door hare vastheid en haar blijvend karakter wordt tot wat zij wezen moet: het orgaan van de revolutionaire klasse, die de leiding van de produktie voor zich veroveren moet.
Het individualisme dat zich nog steeds in de arbeidersbeweging poogt staande te houden, dat demokratische discipline „gezag” noemt, dat de „vrijheid” om de des-organisatie hoog te houden als zijn eenig geloofsartikel beschouwt, is een rem tegen de ontwikkeling van de arbeidersbeweging in den bovengeschetsten, eenig-mogelijken zin.
Een arbeidersklasse, die niet is een zoo sterk mogelijk, gesloten geheel, mist de economische macht die de voorwaarde is van haar optreden. Het is merkwaardig—juist die anarchisten, welke in den strijd dien zij zeggen mede te willen voeren tegen het kapitalisme, zoo zeer den nadruk plegen te leggen op de economische macht en niet op de politieke, belemmeren door hun sektairisme, door hunne eindelooze en tot in het belachelijke doorgedreven „groeps”-splitsing, het opkomen van die economische macht van het proletariaat.
Er zijn in de wereld twee beginselen, Gezag en Vrijheid, volgens Domela Nieuwenhuis.8 Hoe men begrippen, opvattingen, die steeds wisselden van beteekenis en van inhoud, beginselen kan noemen waarnaar de wereld geleid werd, moge anarchistische wijsheid zijn, historische wijsheid is het zeker niet. Even goed kan men zeggen: er zijn in de wereld twee beginselen: Geloof en Ongeloof, wat de anti-revolutionairen e.t.q. beweren.
De zaak is, dat in een op klassetegenstellingen berustende maatschappij, met de steeds stijgende mate van arbeidsverdeeling, het gezag, d.w.z. de onderwerping van menschen aan andere menschen voor het bereiken van zekere doeleinden, historisch even noodzakelijk is geweest, als de erkenning, dat dit gezag niet meer noodig was een historische noodzakelijkheid is geweest. De strijd tegen gezag in het algemeen, namelijk het gezag van groepen menschen over de massa, ving eerst aan toen dit gezag zichzelf overleefd had, de menschen tot de erkenning van zijn overbodigheid waren gekomen.
Zulk een gezag oefende de geestelijkheid bijv. in het begin van de middeneeuwen uit, het gezag dat toen noodzakelijk was, omdat bij den clerus was te vinden de intellectueele kracht die de toenmalige menschheid noodig had. Zulk een gezag had de adel, toen hij nog de verdediger van de veiligheid van de maatschappij was, nadat na de groote volksverhuizing de menschen weer hokvast werden. Zulk een gezag, al duurde dit ook ontegenzeggelijk heel veel korter, had de bourgeoisie, de klasse die bestemd was slechts een overgang te zijn van de feodale tot de socialistische maatschappij, de bestemming had de maatschappelijke produktiekrachten te ontketenen en tot in het fabelachtige te doen stijgen, om daardoor de mogelijkheid van een gemeenschappelijke produktiewijze te kunnen scheppen.
Dit alles was noodwendig gezag, maar dat met de erkenning dat het overbodig was geworden, zijn economische noodzakelijkheid had verloren. Zoo is de organisatie van het proletariaat een economische noodzakelijkheid en het „gezag” daarin, als men wil, even noodzakelijk. Is het nu niet merkwaardig dat de anarchisten het eenige correctief, dat de klassebewuste arbeidersbeweging kent tegen het gevaar dat het gezag ontaardt in tyrannie, de demokratie namelijk, verwerpen? Immers, hoe ge ook wilt organiseeren, besturen, leiden, de demokratie zal toch altijd uw eenige grondslag moeten zijn, de meerderheid zal toch altijd moeten beslissen en de minderheid zich moeten onderwerpen, al splitst ge tot in het oneindige toe.
Waarop komt dus deze „vrije groepeering” van de anarchisten neer? Op een moedwillige verzwakking van de arbeidersklasse zonder dat er een enkel ander voordeel tegenover staat.
Een ander „libertair” stelt omtrent de kwestie van de verhouding van den individu tot de arbeidersbeweging eenigszins andere regelen op, die eveneens zeer bedenkelijk zijn voor de eenheid van het proletariaat. Hij verdedigt het recht van … de minderheden. Men luistere:
„Wat de overheersching betreft die de meerderheid eener organisatie op de minderheid zou kunnen uitoefenen, kunnen de werklieden slechts de vrijheid van uittreden uit de organisatie en van zelf handelen voor de minderheid verdedigen”…9
Welk principieel verschil er bestaat tusschen de feitelijke tyranniseering van de meerderheid in een organisatie door een koppige minderheid, en die van personen, is ons een raadsel. Waarom een individu niet mag, wat deze „libertair” aan een verzameling van individuen als een recht toekent, zal wel niemand met gewoon verstand begrijpen kunnen. Alleen, het is verklaarbaar van het standpunt van den anarchist, die onder welken naam hij zich ook verkappe, altoos anarchist blijft.