WeRead Powered by ReaderPub
Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging cover

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

Chapter 28: HET LIJDELIJK VERZET.
Open in WeRead

About This Book

It traces the emergence of the modern labor movement and analyzes how industrial capitalism transformed producers into a wage-earning proletariat, concentrating ownership of machinery and raw materials and deepening division of labor. It explores the social and economic mechanisms that produce worker alienation, hierarchical factory structures, and the growing power of capital as an impersonal social force. Against that background it presents anarchist critiques within the labor movement, outlines tensions between anti-authoritarian strategies and other socialist currents, and examines organizational proposals, ethical premises, and practical obstacles confronting anarchist influence in mass politics.

HET LIJDELIJK VERZET.

In de laatste jaren voornamelijk hebben wij nog een anderen vorm van „persoonlijke aktie” zien geboren geworden, die, hoewel van veel minder schadelijken aard naar buiten, in den grond evenwel van hetzelfde anarchistische gezichtspunt uitgaande en de waarde van persoonlijke daden evenzoo overschattende, voor de arbeidersbeweging van even weinig nut en voor de enkelen die er zich door aangetrokken gevoelen, ook van schadelijke uitwerking is. Wij bedoelen hier den passieven weerstand of het lijdelijk verzet van individuen, wat ten onzent in den laatsten tijd vooral hierop neerkomt, dat men zijn militairen dienstplicht weigert. In beginsel richt zich deze aktie meer tegen den staat, van wien men zich het geweld laat welgevallen, maar wien men daartegenover zijn persoonlijke diensten weigert. Zij komt ook wel vermengd voor met de christelijke beschouwing, op grond van christelijk-ethische bezwaren, dat men zich niet leenen moet om de wapens te dragen, geen eed moet doen enz. enz.

Konsekwent zag men tot nog toe deze persoonlijke aktie nergens doorgevoerd; immers hare konsekwentie zou verlangen dat men weigerde belasting te betalen, dat men zich aan geen politieverordeningen stoorde, dat men iedere aanraking met de staats- of gemeentevoorschriften ontweek en weigeren zou aan de verplichtingen, daarin opgelegd, te voldoen.12

In deze halfheid ligt dan ook de veroordeeling van het middel als werkzaam oppositiewapen tegen den gehaten staat opgesloten. Een middel dat zijn doel hoogstens maar van één kant kan treffen, is geen middel. Want nog sterker veroordeeling ligt in het feit, dat niemand zijner aanhangers het zelfs ook maar voor de helft of voor een kwart openlijk durft aanbevelen. Dat veroordeelt het reeds moreel; maar nog veel meer treft het die veroordeeling als middel in den klassenstrijd.

Het moge een zekere ethische waarde hebben—ook dat evenwel lijkt ons zeer betwistbaar—om met zijn persoon te staan tegen hetgeen men in strijd acht met zijn heilige overtuiging; voor wat men er mede bereikt is het middel evenwel te duur.

De taktiek van de arbeidersbeweging in den klassenstrijd strekt om met zoo weinig mogelijke persoonlijke offers een zoo groot mogelijk resultaat te bereiken. Zoo er al in den strijd offers van persoonlijken aard moeten vallen, dan staat toch bij iedere wèl overlegde handeling, bij elken beraamden stap van het proletariaat, deze gedachte voorop, om het kapitalisme, hetzij op economisch, hetzij op politiek terrein op zoodanige wijze afbreuk te doen, dat de minst mogelijke persoonlijke offers te betreuren zijn. Anders is deze aktie van den passieven tegenstand, die juist het gansche zwaartepunt—precies als bij de propaganda van de daad—van uit de beweging naar den individu verlegt en als het ware door deze leidende gedachte wordt beheerscht: hoe doen wij de kapitalistische instellingen met de grootst mogelijke hoeveelheid offers van persoonlijken aard, de geringst mogelijke afbreuk! Iedere daad in deze aktie vordert de eindelooze opofferingsgezindheid van de gansche persoon; gegeven de eisch, dat de daad eenig effekt hebbe, dan is toch hetgeen er mede op zijn hoogst kan worden bereikt, niets dan een ethische veroordeeling van de dwangmiddelen, waarover de staat beschikt, in de oogen van enkele burgerlijk- of christelijk-ethisch aangelegde menschen.

De bizondere schadelijkheid die deze aktie van het passieve verzet heeft, hare uitwerking op sommige groepen van arbeiders, doet ons bij haar nog enkele oogenblikken stilstaan. Want zou zij zich alleen tot de bourgeoisie richten, aan haar „ethisch gemoed” trachten te appelleeren, allicht zou niemand er zich om bekreunen. Maar zij wendt zich tot de arbeidersklasse, en zij meent deze te moeten voorhouden, dat „geweld niet door geweld vernietigd kan worden,” theorieën die natuurlijk de uitwerking hebben, dat zij de arbeiders moedeloos maken en hen van het werk dat zij hebben te doen, hun klasse mede bevrijden, afhouden.13

Tolstoï’s vermeend logische stellingen zijn een samenstel van sophismen, al is hij in zekeren zin de meest konsekwente onder de anarchisten, waar hij de eischen van de moderne cultuur gladweg verwerpt, omdat zijn reaktionair ideaal zich daarmede niet vereenigen laat. Tolstoï haat onze beschaving, onze fabrieken, onze groote steden, onze manier van werken en leven14. Hij roept luide om een teruggang tot den allerprimitiefsten vorm van het leven in de natuur. Maar ook dat is niet nieuw; voor meer dan anderhalve eeuw heeft Jean Jacques Rousseau het al der menschheid als ideaal voorgehouden, dat zij meer tot de natuur terugkeeren moest.

Voor iemand, die als Tolstoï klassetegenstellingen loochent, is het natuurlijk heel gemakkelijk om in het kapitalistisch stelsel een uiting te zien van persoonlijk onrecht en geweld. Doch het kapitalisme is, in onzen tijd, niet eens meer een persoonlijk geweld. Er is geen eigenlijk persoonlijk geweld meer, dat de arbeiders dwingt om zich te laten exploiteeren. De menschen worden in onzen tijd van hooge kapitalistische ontwikkeling door de produktie beheerscht, en aldus is het „geweld” van het kapitalisme niet eens persoonlijk meer bestrijdbaar. Elk arbeider die in onzen tijd op de wijze van Tolstoï zou willen strijden, d.w.z. niet-strijden, slaat in de lucht, raakt niets en niemand. Tolstoï ziet een maatschappij-inrichting, waarin elkeen, zelfstandig, voor zijn maatschappelijke daden verantwoordelijk is en het is op dat, vermeende, gevoel dat hij een beroep doet.

Het spreekt van zelf, dat iemand die, gelijk Tolstoï e.d., in het kapitalisme niets dan een groote ontaarding ziet, in alles wat hij waarneemt als de uitingen van dat stelsel, barbarisme zal zien. En dan heeft hij een probaat middel meenen te ontdekken om aan het geweld een einde te maken, n.l. er niet aan deel te nemen. Hij vordert dat van de arbeiders ook, de arbeiders die in geen enkel opzicht aansprakelijk zijn voor het geweld van de bourgeoisie en zich als de onderliggende klasse hebben te onderwerpen aan de wetten die hun opgelegd worden door de macht van de bezittende en dus ook wetgevende klasse! Het is alsof men een gevangene aansprakelijk stelt voor den toestand waarin zijn cel verkeert.

Overigens miskent ook dit anarchisme niet minder dan dat van de daad, van het feitelijke geweld dus, de noodzakelijkheid van organisatie en is dus voor de arbeidersbeweging a priori veroordeelenswaardig.

Van ieder middel dat in den klassenstrijd door de moderne arbeidersbeweging wordt gebruikt, moet kunnen gelden dat wat één doet, allen kunnen, en wat allen doen, ook één kan doen. Martelaarschap van persoonlijken aard is een ongeoorloofde krachts- en machtsverspilling, die de arbeidersbeweging, van wier strijd juist samentrekking van àl hare krachten een voorwaarde is, niet dan schadelijk kan wezen. Doch men zal het steeds zien, waar de beweging uit haren aard zwak is, daar zullen deze en dergelijke persoonlijke daden altijd het hoogst worden aangeslagen. Het is alweer het kenmerk van een zwak inzicht of van algeheele afwezigheid van inzicht in het wezen van den strijd tegen de politieke machtsinstellingen van den klasse-staat, dat ieder voor zich en ieder op zijn eigen wijze meent daartegen den strijd te kunnen voeren. Dit zal dáár het sterkst zich openbaren, waar men òf zich niet in staat ziet een massabeweging op de been te brengen, òf men geenerlei kans ziet haar behoorlijk te scholen en haar die wapens te doen aanwenden waarmede zij op den duur de machtsinstellingen van den bourgeoisstaat behoorlijk kan bekampen.

In beide gevallen wordt uit zwakte, bij gebrek aan een uiting van de massa, allengs de persoon naar den voorgrond gedrongen en wordt het terrein voor de persoonlijke aktie geëffend. Deze draagt echter, juist om hetgeen haar wezen uitmaakt, de kiemen der ontbinding reeds bij hare geboorte in zich; zij treft hoogstens in een enkel geval, bij een enkel persoon doel, en ook daar nog gaat ten slotte het effect van de daad verloren, omdat èlk persoonlijk martelaarschap in onzen niet-romantischen tijd, op den duur vervelen gaat.

Uit dien hoofde is de aktie van den passieven weerstand een reaktionaire aktie te noemen, alhoewel, en dit heeft zij overigens met zoo menig strijdmiddel van het anarchisme gemeen, zij op het oog nog al radikaal lijkt.

Dat zij zoogenaamd de verantwoordelijkheid van den strijd van uit de beweging naar de persoon verlegt, geeft haar, zoo men den maatstaf van het effectieve aan de strijdmiddelen der arbeidersbeweging aanlegt, bovendien geen moreel, maar een immoreel cachet. De verantwoordelijkheid van de daad berust maar voor een deel bij de personen die haar verrichten, terwijl een voornamer deel dier verantwoordelijkheid thuis hoort bij hen, die haar wel slechts zijdelings propageeren, maar toch terdege propageeren door haar een doeltreffend middel te noemen.