WeRead Powered by ReaderPub
Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging cover

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

Chapter 33: Verbruik van ruwijzer:
Open in WeRead

About This Book

It traces the emergence of the modern labor movement and analyzes how industrial capitalism transformed producers into a wage-earning proletariat, concentrating ownership of machinery and raw materials and deepening division of labor. It explores the social and economic mechanisms that produce worker alienation, hierarchical factory structures, and the growing power of capital as an impersonal social force. Against that background it presents anarchist critiques within the labor movement, outlines tensions between anti-authoritarian strategies and other socialist currents, and examines organizational proposals, ethical premises, and practical obstacles confronting anarchist influence in mass politics.

Communistisch individualisme.

„De menschheid wankelt sedert hare schepping als een dronkaard tusschen het communisme en den eigendom heen en weer.”

Proudhon.

„Het anarchisme leidt tot communisme en het communisme tot anarchisme, het eene zoowel als het andere, vormen niets dan de uitdrukking van de albeheerschende tendenzen in de moderne samenleving, het streven naar gelijkheid.”

Aldus Kropotkine, in zijn verklaring van de beteekenis van het communistisch anarchisme.26 Men zou even goed kunnen zeggen: desorganisatie leidt tot organisatie, bijgevolg zijn desorganisatie en organisatie twee uitdrukkingen van het streven naar éénheid. Maar, hetgeen door Kropotkine eigenlijk bedoeld wordt, is dat er voor de ontplooiing van de vrijheid van den individu alleen onder het communisme mogelijkheid bestaat. Dat is zeker niet overeenkomstig de leer van Proudhon, naar Kropotkine’s eigen verklaring „den vader van het anarchisme,”27 die het communisme niet alleen bij zekere gelegenheid „de religie der ellende” genoemd heeft,28 maar voor wien juist de kern van het privaat-bezit, een onvoorwaardelijke noodzakelijkheid voor de vrijheid van de persoon is geweest.

Dat is mede het oordeel van den proudhonistischen anarchist Auban-Mackay. Deze toch zegt:

„Ik wil trachten te bewijzen hoe onvereenigbaar verschillend de wereldbeschouwingen zijn van communisme en anarchie, ook in al hunne gevolgen”…29

„Verdrijft den onrechtmatigen eigendom, d.w.z. verdrijft het daardoor, dat gij zelf bezitters wordt. Dat is de eenige weg om het werkelijk „af te schaffen,” de eenige verstandige, rechtvaardige en tevens de weg van vrijheid.”30

Noch Stirner, noch Proudhon, noch Mackay-Auban zijn dus van de meening van Kropotkine e.d.; hun meening is veeleer diametraal daaraan tegenovergesteld. De apodiktische uitspraak van Kropotkine lijdt dus, naar men ziet, ook onder anarchisten wel eenigen twijfel. Inderdaad is deze twijfel zeer gegrond; zelfs waar de anarchisten op het voetspoor van Kropotkine heel veel communistisch water in den individualistischen wijn gedaan hebben, wordt die twijfel daarmede geenszins opgeheven.

Waar het bij Kropotkine om gaat, is, niet minder dan bij de voorloopers van de privaat-kapitalistische aera van ontwikkeling die met de 18e eeuw inzette, om het persoonlijk geluk van den individu, om het grootst mogelijk persoonlijk geluk voor het grootst mogelijk aantal, gelijk deze voorloopers van de onbeperkte heerschappij van de bezittende klasse het uitgedrukt hebben.

Ook hiermee is deze communistisch-anarchistische literatuur tot een dekadente gestempeld: het communisme ziet zij niet komen als een economische en technische noodzakelijkheid, maar als een uiting van „gerechtigheid,” van „gelijkheid,” en opdat de persoon in zijn volle heerlijkheid kunne stralen.

Ook de socialistische utopisten van het begin van de vorige eeuw, ook de ideologen van de soort als Gracchus Baboeuf bijv., gingen van zoodanige „gerechtigheids”- en „gelijkheids”-overwegingen uit. Maar zij konden niet zien, dat de maatschappelijke ontwikkeling vóór alles haar loop moest hebben en dat het communisme niets dan de economisch en technisch noodzakelijke konsekwentie kon zijn van een kapitalistische produktiewijze, die vooraf moest gaan, niet om aan te toonen dat het communisme een meer rechtvaardige vorm van voortbrenging was, maar om dien eerst recht mogelijk te maken.

Het is hier weder hetzelfde geval als met de revolutie-idee: voor de burgerlijke en voor de anarchistische ideologie hangt het bereiken van een historische omwenteling, het „invoeren” van een maatschappijvorm, in de eerste plaats er van af, dat alle menschen goed overtuigd zijn van haar nut. Van het willen dus. In werkelijkheid stoort de ontwikkeling van de maatschappij zich geenszins aan die idee, maar gaat haar eigen gang. En eerst op een zeker punt harer ontwikkeling toont zij aan, dat een andere vorm meer en meer noodzakelijk wordt: zij schept dan zelf de mogelijkheid daarvoor.

Nakomers als Kropotkine etc. hebben geenszins hetzelfde historische recht als zij, die het kapitalisme in zijn volle ontwikkeling nog niet zien konden, en, wijl zij slechts vóórgevoelden dat de kapitalistische maatschappij door de concurrentie-verhoudingen die zij schiep de menschheid ten verderve zou moeten voeren, tot een beroep op de gerechtigheid hunne toevlucht namen.

Kropotkine doet dat ook wel, maar hij doet nog iets anders. Hij neemt bovendien, om een communisme te verkregen zooals het hem lijkt, zijn toevlucht tot het kleinbedrijf. Hij denkt eenvoudig allerlei gesplitste en gedecentraliseerde bedrijfsvormen uit, ten einde het anarchisme te kunnen verbinden aan het communisme. Dat is de kern zijner kleinburgerlijke revolutiebeschouwing geweest, dat is ook de kern van zijn communisme, dat hij zich niet onder geconcentreerde bedrijfsvormen denken kan, maar utopisch-willekeurig onder verhoudingen, die in alle deelen een teruggang naar overleefde klein-bedrijfsvormen zijn te noemen. Dáárop komt de „stoutheid” van deze economie neer!

Van Kropotkine e.t.q. geldt wat het „Communistisch Manifest” onder hoofdstuk III zegt van den nawas der Utopisten:

„Waren daarentegen de makers dezer systemen ook in vele opzichten revolutionair, zoo vormen hunne scholieren telkenmale reaktionaire sekten. Zij houden aan de oude beschouwingen der meesters vast tegenover de historische voortontwikkeling van het proletariaat. Zij zoeken dus konsekwent den klassenstrijd weder af te stompen en de tegenstellingen te overbruggen. Zij droomen nog steeds van de proefsgewijze verwezenlijking hunner maatschappelijke utopieën.”31

Ten aanzien van den staat staan Kropotkine c. s. in den grond op niet minder klein-burgerlijk standpunt. Kropotkine zelf verraadt ons de afkomst van den afkeer voor den staat nergens zoo sterk als in de volgende karakteristieke mededeeling:

„In den strijd tusschen individu en staat, staat het anarchisme, doordien het het werk van zijn voorgangers uit de 18e eeuw voortzet, aan de zijde van de maatschappij en tegen de staats-autoriteit, die ten gevolge van historische oorzaken de eerste beheerscht.”32

Deze beschouwing van den staat, als een sta-in-den-weg voor de maatschappelijke ontwikkeling, was eveneens een karakteristieke eigenschap van de wegbereiders van het kapitalisme en van de verdedigers van de kapitalistische produktie als het systeem dat de volle verantwoordelijkheid van de persoon voor zijn daden, de volle vrijheid van de ontplooiing van den individu zou brengen. Kortom, van die verdedigers van de bezittende klasse, die haar stelsel voorstelden als het eenige dat leiden kon tot de „sociale harmonie.” Dat is sinds Adam Smith tot Bastiat, dus van de 18e tot diep in de 19e eeuw, het standpunt van de burgerlijke economie geweest. Het communistisch anarchisme is nergens oorspronkelijk. Op elke schrede die het doet ontmoet men oude kennissen, die òf van zuiver manchester-kapitalistischen huize zijn òf van de utopische familie.

Het criterium van de voorloopers van het kapitalisme was: de individu en zijne behoeften. Dat kon niet anders omdat juist dit kapitalisme bestemd was om aan een individualistische levens- en wereldbeschouwing te beantwoorden. Het was bij hen een uit de gansche opvatting van de maatschappij logisch volgende konsekwentie.

De communistische anarchist evenwel stelt als het criterium van zijn communisme precies denzelfden individu en zijn behoeften. Zoo Jean Grave:

„Inderdaad, de anarchisten die het communisme voor zich opeischen, erkennen in de eerste plaats, dat de individu niet op de wereld is om de samenleving; maar dat, integendeel, deze zich heeft geformeerd, om het gene gemakkelijker te maken zich te kunnen ontwikkelen.”33

Hier komt het oude principieel-liberale standpunt, zoo duidelijk als het kan, om den hoek kijken: de gemeenschap bijzaak, het individu hoofdzaak, de eerste is er om de laatste nuttig te zijn. Wat volgt is nog duidelijker:

„Het is zeer begrijpelijk dat, wanneer een zeker aantal individuen zich groepeeren en hunne krachten vereenigen, zij dat zullen doen met het doel om een grooter opbrengst van produkten te erlangen en om minder krachten te verspillen. Zij hebben daarbij geenszins de bedoeling om hun initiatief, hun wil, hunne individualiteit op te offeren, bloot om den wille van een innerlijkheid die niet bestond vóór hunne vereeniging, die weer verdwenen zal zijn met hunne verspreiding.”34

Op een andere plaats legt deze communistische anarchist nog eens den nadruk op dat individueele in het communisme, wat wel het best dat soort communistisch anarchisme kenschetst. Daar zegt hij o.a.:

„Het individueele initiatief alleen kan het succes van de revolutie verzekeren. Elke centralisatie is een rem voor de uitbreiding van de nieuwe denkbeelden; in plaats van te pogen het te belemmeren, moet men, integendeel, werken aan zijn vrije ontplooiing.”35

Zoo, en principieel niet anders, hebben het ook de vóórloopers der kapitalistische productiewijze gemeend, toen zij op dezelfde en dergelijke gronden het kapitalistische stelsel van de „vrije” exploitatie en het „vrije” spel der economische krachten verdedigden, als het eenige dat met het „persoonlijke initiatief” werkelijk te vereenigen was. Waar dit op uitgeloopen is weet men.

Voor nog een ander apostel van het moderne anarchisme is zelfs de produktievorm absoluut bijzaak. Hij heet Jacques Mesnil en laat zich over deze kwestie als volgt uit:

„Men beweert dat deze (toekomstige) vorm communistisch zal zijn. Dat kan, maar dat is niet noodzakelijk. Noodzakelijk is dat de autonomie van den individu erin gewaarborgd zij, want dat begrip autonomie (’t is gelukkig maar ’n „begrip”) behoort ons thans en is onafscheidelijk van ons geworden.”36

De natuurphilosophie van de 18e eeuw, waaruit volgens Kropotkine het anarchisme geboren is, stond bij de verdediging van het privaat-kapitalisme op den bodem van het z.g.n. „natuurrecht.” Dat recht grondde zich op „de natuur van den mensch” en deze „natuur” werd dan geheel in overeenstemming bevonden met de eigenschappen van den kapitalistischen „bezitter.” Zoo concipieerde deze school éérst een sociale philosophie, om daarna, uitgaande van den abstrakten mensch dien zij zich gevormd had, het kapitalisme het eenig-mogelijke produktiestelsel te vinden dat met deze ideeën in overeenstemming was.

Onze anarchistische communisten zouden geen compleete dekadenten van dat natuurrechtelijk liberalisme en van deze natuurphilosophische school van de „ware natuur” van den mensch zijn, als ook zij niet een beroep op die natuur deden. Jean Grave zegt:

„De anarchisten, zich stellende op den grondslag van de ware natuur van den mensch, op de werkelijke uitkomsten van de associatie, zien in de menschheid niets dan een groot veld van evolutie, dat aan ieders temperament, aan ieders gedachte, aan elk denkbeeld de plaats aanbiedt zich vrijelijk te ontwikkelen naar hunne verwantschap …

Laten wij de individuen vrij om zich-zelf te vinden, laten wij hunne ideeën aan het licht doen komen en wij zullen zien dat al het aarzelende, alle dwalingen zich van zelf zullen herstellen door hun eigen onverdragelijkheid en dat zij plaats zullen maken voor de onderlinge verstandhouding en het harmonische funktioneeren van al onze geschiktheden.”

„Laat gaan, laat waaien.” Zoo riepen de natuurrechtelijke voorvechters van het kapitalisme in de 18e eeuw met luider stem. „Laat de menschen hun zaken zelf opknappen, geen inmenging van den staat, geen bemoeiing van derden.” Onze „theoretische” communistische anarchisten roepen het hun nu nog na. Maar in ieder geval is er dit verschil, dat de voorloopers van het privaat-kapitalisme in de 18e eeuw een zeker historisch recht hadden met hunne abstrakte persoon en diens vrije initiatief. Het was in ieder geval een eisch van noodzakelijkheid voor het zich ontwikkelende kapitalisme dat het door deze theorieën een rechtvaardiging en een steun kreeg. Het kapitalisme was noodzakelijkheid en de ontwikkeling van de vrije exploitatie moest als een scherpe tegenstelling geplaatst worden tegenover de resten van het feodalisme, waartegen het kapitalisme in de 18e eeuw nog fel had te kampen: een overleefd gildewezen, belemmeringen van economischen en politieken aard uit het mercantiele tijdperk, tollen, lasten etc. op industrie en handel. De bemoeiing van den staat (trouwens van gansch anderen aard dan die later een economische eisch is geworden tot bescherming van den zwakke in den concurrentiestrijd) moest eerst tot een minimum worden teruggebracht. Dat alles was economisch noodzakelijk en als de sociale philosophie en economie van de 18e eeuw overdreef, dan was dit omdat zij, zich ten deele baseerende op een theorie, zonder eenige ervaringswetenschap op sociologisch terrein, haar doel voorbij moest schieten.

Een zoodanig historisch recht kan het individualistisch communisme van onze dagen niet alleen niet meer voor zich vindiceeren, maar het is eenvoudig belachelijk om, nu de ervaring van een eeuw juist het tegenovergestelde als een eisch van de ontwikkeling geleerd heeft, nog steeds vast te houden aan fossiele (versteende) begrippen.

Als men, gelijk de kleinburgerlijke utopie van de communistische anarchisten dat gebiedt, de ontwikkeling van de maatschappij zich achterwaarts ziet bewegen, dan blijft er voor het communisme als toekomstigen bedrijfsvorm geen enkelen logischen grond over. Kropotkine weet dan ook geen enkele dwingende noodzakelijkheid voor zijn communisme op te geven:

„Wij meenen bovendien dat het communisme niet alleen wenschelijk is, maar dat de huidige maatschappijen, gebaseerd op het individualisme, gedwongen zijn gestadig tot het communisme zich te ontwikkelen.”

Deze meening vindt men evenwel nergens toegelicht op andere dan de reeds vroeger genoemde gronden van consumptieven aard, gronden dus van verdeeling waarop van ouds het kleinburgerlijk, utopisch socialisme reeds verdedigd is.

Nemen wij hier nog eens een proefje van de „stoutheid” der staathuishoudkunde bij Kropotkine:

„In de economie verdedigt het anarchisme de overtuiging dat de tegenwoordige euvelen minder gezocht moeten worden in het feit dat de kapitalist zich de „meerwaarde” of de zuivere winst toeëigent, dan wel daarin dat deze meerwaarde of zuivere winst mogelijk is. Deze bestaan inderdaad slechts omdat millioenen menschen letterlijk zich niet voeden kunnen, zonder hunne krachten of hunne intelligenties tot een prijs te verkoopen, welke de vorming van meerwaarde of zuivere winst eerst mogelijk maakt. Op deze gronden gelooven wij, dat het in de economie alleen hierop aankomt, het hoofdstuk consumptie te bestudeeren, en dat het bij een sociale omvorming eene eerste vereischte is, de consumptie zoo te organiseeren, dat woning, voedsel en kleeding voor elkeen is verzekerd. De produktie zal dan zoodanig moeten worden georganiseerd, dat vóór alles de eerste behoeften van ieder individu bevredigd worden.”37

Zooals men uit deze economische wijsheid weder ziet, heeft Kropotkine geenszins zooveel vertrouwen in dien verantwoordelijken, souvereinen individu. Liever eerst maar de kost; idealisme, stoutheid en durf voeren ook bij Kropotkine niets uit als er geen voedsel is. Maar dit is hier nu de hoofdzaak niet.

Daar is vooreerst die kostelijke vermenging van „meerwaarde” en „zuivere winst,” die bewijst dat de geleerde Kropotkine het a. b. c. van de meerwaarde-theorie, zooals de klassieke economie ze aangaf en zooals die voor de typische groot-industrieele kapitalistische produktiewijze door Marx is voortontwikkeld, nog niet kent. Zoo schrijft men met een zeker gezag over economie en weet niet, dat de vorming van meerwaarde een proces is dat niet juist uit de kapitalistische produktiewijze volgt, maar dat aan alle produktievormen eigen was en dat ook een communistische maatschappij een overschot zal moeten vormen, bestemd om te dienen tot voortontwikkeling van de produktie.

Zoo maakt men den menschen wijs, dat men iets „nieuws” in de economie heeft te zeggen, als men in zeer verwarde termen de oude consumptie theorie verkondigt. Zoo komt men tot „stoute” conclusies, met „durf” geconstateerd, als men zijne „sociale vervorming” van de maatschappij wil doen bepalen door de „consumptie.”

Alleen maar is het wezenlijk jammer dat deze „nieuwe economie” van het anarchisme zoo laat komt. Wat men haar dan ook trouwens wel kan aanzien; ze is zelfs verouderd.

Het anarchisme en niet minder het communistisch anarchisme, leeft bij de gratie van de tradities van het klein-bedrijf en bij de neiging om de klein-industrie zooveel mogelijk te behouden. De werkelijke ontwikkeling van de nijverheid evenwel slaat aan deze verwachtingen zoo goed als geheel den bodem in.

Raadplegen wij een der beste kenners van de toestanden waaronder het klein-bedrijf in Duitschland verkeert, Prof. Karl Bücher, dan vinden wij vijf gevallen opgesomd die over het noodlot van de klein-handwerks industrie beslissen:

  • 1e. Verdringing van het handwerk door gelijksoortige fabrieksproducten.
  • 2e. Inkrimping van zijn produktie-gebied door fabriek of grootmagazijn.
  • 3e. Aanpassing van het handwerk aan de groote onderneming.
  • 4e. Verarming van het handwerk door verschuiving in de behoeften.
  • 5e. Neerdrukking van het handwerk tot huis- en sweating-arbeid door het magazijn.38

Het is merkwaardig dat Bücher het typische klein-bedrijf alleen nog voor het platte land een zekere mate van toekomstig leven kan voorspellen.39

Het klein-bedrijf wordt van steeds minder beteekenis in de voortbrenging. De Rijksstatistiek van Duitschland onderscheidt alléén-bedrijven en bedrijven die met hulp worden uitgeoefend. Terwijl de statistiek over 13 jaren loopt (1882–1895) en de industrieele bevolking in dit tijdsverloop van 6.396.465 gestegen was tot 8.281.230, was het aantal bedrijven gedaald van 1.222.139 op 1.172.140. Voor deze vermindering leverden de alléén-bedrijven het grootste contingent: van 755.175 in 1882 op 674.042 in 1895.

Daarentegen vermeerderden de bedrijven met 51–200 arbeiders met 88%, die met meer dan 1000 arbeiders zelfs met 103%.

In ’t geheel is het aantal werklieden in dergelijke ondernemingen gestegen: van 158.735 op 320.710.

Nemen wij de ontwikkeling alleen voor Pruisen dan komen we tot het volgende beeld:

Aantal werkzame personen. 1882 1895
In handwerksbedrijven (met elk 1–18 arb.) 1.997.633 2.075.619
In kleine fabrieken (met elk 11–50 arb.) 430.278 747.146
In groote fabrieken (met meer dan 50 arb.) 962.383 1.734.884

Een stijging van de industrieele bevolking is dus in alle drie klassen waar te nemen, maar die stijging is des te opvallender naarmate het bedrijf grooter is. In de kleine bedrijven was de stijging 4%, in de middelbedrijven 74% en in de groote 80%.

Die verdringing van het handwerk en de manufactuur door het machinale bedrijf komt ook nog in de vermeerderde toepassing van de stoomkracht aan het licht. In het jaar 1875 waren er 25.132 ondernemingen met machinebedrijf, die tezamen 1.055.750 paardekrachten representeerden; in 1895 daarentegen 146.353 zoodanige bedrijven met een totaal vermogen van 3.399.282 paardekrachten.

Nog duidelijker wordt, wat Duitschland aangaat, het beeld der ontwikkeling als wij het van 1875 af beschouwen:

1875 1895 Toename in procenten:
zelfstandigen 2.945.084 2.948.821 0.13
loon-arbeiders en beambten 3.634.867 7.320.448 101.41

Men ziet hoe, in slechts twintig jaren, het cijfer van de „zelfstandigen” in de nijverheid zoo goed als niet is gestegen (er worden bovendien ook nog filiaalhouders en leiders van bedrijven onder begrepen), terwijl het aantal loonarbeiders gedurende dit tijdperk verdubbeld is.

De leidende rol van de groot-produktie wordt ook nog door enkele andere cijfers bewezen. Zoo waren in 1895 van de 1000 personen die werkzaam waren in de steenkolenwerken: 998 arbeiders; in de bietsuikerfabrieken: 994; in de staal- en ijzerfabricage: 978. De stoommachinefabricage had er 956 in 1895 tegen 916 in 1882; de katoenspinnerij 928 tegen 840 in 1882; porceleinfabricage 889 tegen 814; wolspinnerij 780 tegen 606; wagenmakerij en rijwielfabricage 777 tegen 711; de blikwarenindustrie 720 tegen 528; de katoenweverij 672 tegen 455; de wolweverij 638 tegen 455; de zijdeweverij 573 tegen 178.

Ook van de concentratie der bedrijven tot meerdere bedrijven in het groot-bedrijf vereenigd, volge hier nog een kort beeld in cijfers:

Rekent men alle ondernemingen, welke meerdere industrieën in zich bevatten, als totaal-bedrijven, dan bedroeg hun aantal in 1895: 89.201, slechts 2.9% van de hoofdbedrijven, doch er waren daarin niet minder dan 1.696.120 personen en 1.209.280 paardekrachten in vereenigd.

Bijzonder merkwaardig is in het industrieele België de ontwikkeling in dit opzicht. In de 41 bedrijven, die ieder meer dan 1000 arbeiders hebben, concentreert zich 10% van de gansche industrie-bevolking; 42% zijn bij 1854 naamlooze vennootschappen aan het werk, wat gemiddeld 149 per bedrijf geeft. Terwijl de bevolking met 50% is gestegen, leverde voor sommige hoofdindustrieën de concentratie in 40 jaren het volgende beeld op:

BEDRIJVEN: TOENAME (PROC.):
steengroeven 242 %
kolenproduktie 405 %,,
katoen en wol 527 %,,
ijzerovens 726 %,,
bouwondernemingen 846 %,,
linnen- en hennepfabrieken 1108 %,,
glasblazerijen 2321 %,,
suikerfabricage 3700 %,,

Maxweiler40 berekende, naar aanleiding van de resultaten der beroeps- en bedrijfsstatistiek van België in 1896, dat 1⁄10 gedeelte van het gansche aantal bedrijven boven de 50 arbeiders telt: 1650 bedrijven. Deze hebben met elkander: 400.000 arbeiders van het totale aantal van 670.000; 6⁄10 werkt dus bij 1⁄10 van de industrieele ondernemingen; ¼ van het aantal arbeiders werkt alleen in de reuzenindustrieën, de bedrijven n.l. met méér dan 500 arbeiders.

Nog een enkel voorbeeld uit een ander industrieel land.

In Saksen telde men in 1895: 703.568 mannelijke personen in de industrie. Waarvan:

zelfstandigen: 152.648
inbegrepen: 40.125 uit de huisindustrie
totaal: 112.523

Dus 1⁄7 der industrieele bevolking had maar een zelfstandig bedrijf in de industrie.

Amerika wordt hier nu eens niet in oogenschouw genomen, omdat daar het feitelijke klein-bedrijf niet eens meer een rol speelt.

Willen wij daarbij een beeld hebben van de toenemende industrialiseering der nijverheid, dan zijn de volgende cijfers van belang:

Verbruik van steenkolen:

1860: 1899:
millioenen kilogram: 137.720 720.669

Verbruik van ruwijzer:

1860: 1899:
millioenen kilogram 7360 32.400

Staalproduktie van enkele landen in tonnen van 1000 kilogram:

1880: 1899:
Ver. Staten: 1.287.983 10.702.209
Duitschland: 624.418 6.290.434
Engeland: 1.341.690 4.933.010
Rusland: 295.568 1.250.000

Er blijkt uit al deze statistieken dus wel sterk genoeg dat het kleine en het dwergbedrijf, de idylle van Kropotkine, in geen enkel opzicht meer een eenigszins belangrijke rol vervult in de algemeene produktie.

Ook de huis-industrie, het broeinest van de ellendigste arbeidersverhoudingen die maar bestaan kunnen, omdat zij aan elke wettelijke contrôle ontsnapt, staat in industrieel ontwikkelde landen onder het groot-kapitaal. Zoo zijn er in België over de 100.000 arbeiders (74.064 mannen en 38.938 vrouwen) werkzaam in de huisindustrie voor 6000 werkgevers.

Voor Zwitserland berekende in 1880 Ad. Braun 100.000 huisindustrieelen, omstreeks 19% van de gansche in de industrie werkende bevolking, hoofdzakelijk over drie voorname industrieën loopend: horloge-makerij, zijde-weverij en kantmakerij.

De horlogemakerij, van ouds een bolwerk van huisindustrie, telde in 1888: 44.147 arbeiders, waarvan in etablissementen die onder de fabriekswet vallen:

1880: 1888:
10.173 11.961

In de zijde-weverij waren in 1888 gezamenlijk 9982 mannelijke en 37.090 vrouwelijke personen werkzaam. Volgens de ambtelijke statistiek waren er fabrieksarbeiders in de zijde-weverij van de gezamenlijke arbeiders van het mannelijk geslacht 3018; vrouwelijk: 11.025, te zamen:

1888: tegen 1880:
14.043 7930

De broderie, een gewichtige tak van industrie in Zwitserland, werd vroeger uitsluitend huisindustrieel gedreven; sedert lang deed ook daarin het machinale bedrijf zijn intocht. Wat het volgende bewijst:

In fabrieken: Huisindustrie:
knapen beneden 16 jaren 292 1386
meisjes beneden,, 16,, jaren,, 863 1766
knapen van 16–18 jaren,, 131
meisjes van,, 16–18,, jaren,, 995
ongehuwden boven 18 jaren,, 3653 7038
vrouwen 1812 4243
totaal: 7746 14.433

Zoo wijkt het handwerksbedrijf zelfs uit zijn laatste toevluchtsoord, de huisindustrie, en waar zij nog tiert, is het zoo goed als overal ten koste van hen die er in werkzaam zijn, van hun gezondheid, hun leven, hun levensvreugde en hun kroost.

De conclusie waartoe prof. Werner Sombart na een diepgaand onderzoek omtrent de situatie van de huisindustrie in onzen tijd is gekomen, luidt als volgt:41

„Men weet in onzen tijd dat de huisindustrie wezenlijk er toe dient om de voorschriften van de arbeidswetgeving te ontduiken en de organisatie van de arbeiders in beroepsvereenigingen te verzwaren. De huisindustrie is in de meeste gevallen tegenwoordig niet alleen een bron van ellende voor degenen die in haar werken, maar wat nog veel slimmer is, een rem voor de ontwikkeling op het gebied van de industrie in haar geheel, juist hierdoor, omdat zij het streven verijdelt wat aan een bescherming der arbeiders en aan de vakbeweging ten grondslag ligt, en welks zegenrijke werking niet alleen de verheffing van den oogenblikkelijk werkenden arbeider is, maar voor alles een bespoediging van den economischen vooruitgang.”

Het is dan ook een geheel valsch beeld dat Kropotkine zich van de ontwikkeling maakt en het is een reaktionaire gedachte van hem, dat de industrieele ontwikkeling tot de klein-bedrijfsvormen zou kunnen terugkeeren, alleen omdat de phantastische kleinburgerlijkheid van het communistisch anarchisme dit zoo wil.

Met de geweldige ontwikkeling van de groot-industrie is het ideaal van dit klein-burgerlijk utopisme ganschelijk verdwenen. Het krampachtige vasthouden aan allerlei heel of half overleefde vormen van klein-bedrijf, gepaard met klein-landbouw-bedrijf, is de ruggegraat van Kropotkine’s verwachting van „decentralisatie” van de industrie, m.a.w. van de verwachting dat de ontwikkeling door middel van de revolutie op zekeren dag rechtsomkeert zou gaan maken.

In Kropotkine’s anarchisme zijn dan ook zeer duidelijk drieërlei verschillende soorten te onderscheiden: de proudhonist, die de toekomst in de klein-industrie met wederzijdsche hulp ziet; de individualist, die zich de phantasie van een vrije persoon schept; en de utopist, die een phase van de maatschappelijke ontwikkeling wil teruggaan. Uit deze drie hoofdelementen is het communistisch anarchisme samengesteld:

Hoeveel zuiverder in zijn uitingen is daarentegen het anarchisme van de oudere school, de individualistische verbinding van Stirner’s eenling met Proudhon’s persoonlijken eigendom. De waardige zoon van „vader” Proudhon, Carrard Auban, zegt in een twistgesprek tot Trupps, zijn vriend den communistischen anarchist:

„Gij lieden ziet niet dat het juist het eigendom is, hetwelk ons afhankelijk maakt en gij ziet niet dat het derhalve alleen noodig is, de baan vrij te maken tot het verkrijgen ervan, om de wanverhouding tusschen heeren en knechten op te heffen …”42

Of, als men wil, een nog origineeler anarchist, Benj. Tucker, die onder de economische voorwaarden die het anarchisme zullen mogelijk maken, verstaat: „klein-grondbezit, handelsvrijheid, bankvrijheid en een verdeeling van den eigendom, waarbij aan een ieder de opbrengst van zijn arbeid is gewaarborgd.”43 Een sociaal programma dat iedere liberaal en vrijzinnig-demokraat zonder eenige bedenking dadelijk onderschrijven zal.

Aldus wordt in en door de ontwikkeling van de theorie bij de anarchisten van de verschillende richtingen het anarchisme ad absurdum (tot het belachelijke) gevoerd. En dit is werkelijk niet te verwonderen, immers het uitgangspunt is en blijft de individu en zijn vrijheid, zoodat men voor een eenigszins houdbare fundeering van het stelsel slechts de keus heeft tusschen twee maatschappelijke vormen: de liberale vorm van de vrijheid van den individu en het persoonlijk eigendom, of de ouderwetsch klein-burgerlijke vorm van het klein-handwerk en het over ’t land versnipperde bedrijf vereenigd met klein-landbouw.

Wat blijft er over van het anarchistisch „ideaal”?