ZEVENDE HOOFDSTUK.
HET ANARCHISME EN DE TAKTIEK.
„Om de massa te doen begrijpen wat zij te doen heeft, daarvoor is lange, volhardende arbeid noodig.”
Fr. Engels. „Anarchisme en sociale hervormingen.”
Eenige jaren geleden bevatte het duitsche orgaan van de anarchisten, De Socialist, nopens de opvatting van den maatschappelijken strijd bij de anarchisten een karakteristieke bekentenis. Het schreef naar aanleiding van een bespreking van het begrip van den klassenstrijd dit:1
„Gelijk eenmaal de joden geloofden het uitverkoren volk te zijn, heeft men ons geleerd aan een uitverkorenen klasse te gelooven, aan het proletariaat, dat de eenig-geroepene drager van de gedachte der vrijheid zou zijn.… Dit is valsch. Aan de ontwikkeling van socialistische denkbeelden hebben mannen uit alle standen meêgewerkt …
„Onze beweging is méér dan een bloote arbeidersbeweging. Dus, weg met het slagwoord: „klassenstrijd!” Niet met klassen hebben wij te doen, maar met de menschen. En dezen willen wij als individuen niet tegen elkander ophitsen of ze terroriseeren, maar ontwikkelen.”
Deze taktiek ligt dan ook geheel in de lijn van het anarchisme. Waartoe zou de klassenstrijd het anarchisme ook dienen? Immers die strijd eischt, stelt op den voorgrond, twee hoofdbegrippen: 1e. dat er is maatschappelijke ontwikkeling naar een hoogeren produktievorm, die door het energiek strijden van den klassenstrijd bespoedigd wordt; 2e. dat er een sociale faktor is, die genoegzaam één geheel is, om dien strijd zelf te voeren.
Het anarchisme evenwel kàn aan geen van deze beide voorwaarden voldoen, zijn meening omtrent de maatschappelijke ontwikkeling kijkt naar achteren en zijn verwerping eener gedisciplineerde arbeidersbeweging is bekend.
Er schiet dus niets anders over, dan dien klassenstrijd openlijk te ontkennen; of bedektelijk er maar van te zwijgen, gelijk Kropotkine doet; of ook de arbeidersklasse zooveel mogelijk te hinderen in het strijden van dien strijd en zich aan de zijde van de reaktie te scharen, gelijk ook wel onder anarchisten geschiedt.
Ten opzichte van het wezenlijk nut van sociale hervormingen en hunne uitwerking heerschen onder de „theoretische” anarchisten inderdaad nog begrippen zóó primitief liberaal en zoo klein-burgerlijk bekrompen, dat men zich afvraagt of deze diepzinnige theoretici hun leven soms verslapen hebben.
De minachtende toon waarmede Jean Grave over de werking van den achturigen arbeidsdag spreekt is minder op rekening van de bij anarchisten zoo in overvloed aanwezige pedante betweterij te stellen, dan wel op grove onkunde. Wij doen enkele grepen uit zijn kritiek:
„Maar de ongemakkelijkheden van gezegde verbetering bepalen zich niet enkel tot hun gevolgloosheid, er zijn er nog andere, van ernstiger aard: vooreerst, dat de verkorting van den arbeidsdag tot gevolg heeft de vervolmaking van het mechanisch bedrijf en het vervangen van den werkman van vleesch door dien van ijzer; hetgeen in een wel-ingerichte samenleving een vooruitgang zou zijn, maar in de huidige maatschappij een verscherping van misère voor den arbeider.
„Meer nog, de arbeider, verplicht zijnde veel sneller te produceeren, zal bijgevolg ook zijn bewegingen moeten versnellen, meer de aandacht op zijn werk concentreeren; alle springveeren van zijn wezen zullen zich zoodoende in een staat van voortdurende spanning bevinden, veel schadelijker voor zijn gezondheid dan de verlenging van den arbeid.
„De duur is minder lang, maar door de noodzakelijkheid meer krachten in minder uren in te spannen, zal hij zich veel sneller vermoeien.”2
Men moet werkelijk communistisch anarchist zijn, om met zulke spiksplinternieuwe economische wijsheden voor den dag te komen, waar het de verkorting van den arbeidsdag in de industrie aangaat. Arbeiders worden door machines vervangen; de arbeiders moeten zich meer inspannen door de verbetering van het machinewezen; bijgevolg moet de arbeidsdag maar lang blijven.
Wij zien dat Jean Grave zich voor deze economische slaapmutswijsheid ook nog op Marx beroept en uit rapporten van fabrieksinspecteurs in „Das Kapital” z.g.n. bewijzen voor zijne stellingen schept. De geleerde Grave kent nopens de economische, zedelijke en hygiënische beteekenis van de verkorting van den arbeidsdag Marx al evenmin als de geleerde Kropotkine iets van de beteekenis van de „meerwaarde.”
Marx, die den ganschen strijd om den normalen arbeidsdag schildert, zegt ten slotte: „En toch heeft het princiep gezegevierd met een overwinning in de groote industrietakken, die de schepping zelve van de moderne produktiewijze zijn. Hare wondervolle ontwikkeling van 1853–1860, hand in hand met een physieke en moreele wedergeboorte der fabrieksarbeiders, trof zelfs het blindste oog.”3 Dat klinkt wel eenigszins anders.
Grave zegt:
„Wij anarchisten, die veeleischender (!) zijn, wij zijn van oordeel dat het tijdverspillen is hervormingen na te jagen die niet hervormen.… Wij zoeken den arbeiders duidelijk te maken, dat wij niets hebben te winnen met deze vermaken en dat de maatschappij niet te veranderen is, dan langs den weg van de verstoring der instellingen die haar regeeren.”4
Opmerkelijk is naast dat manchester-liberalisme, dat ter wille van de „sociale harmonie” en den „individu” alles wil laten zooals het is, ook de karikatuur die de anarchistische communisten van de sociaal-demokratische begrippen leveren. Men weet dat deze theoretici allen Marx-verbeteraars zijn. Zoo bijv. de communistische anarchist Cornelissen, die ten opzichte van de waarde van sociale hervormingen de volgende meening is toegedaan:
„Ziehier: wij zijn overtuigd dat het proletariaat geen duurzame verbetering kan verwachten op den grondslag van de bestaande maatschappij en dat wanneer er aan de eene zijde verbetering plaats heeft, daarbij voortdurend aan den anderen kant verslechtering van den maatschappelijken toestand zal vallen te constateeren.”5
Dit is een dubbel overgehaalde fataliteitsleer (noodlotsleer), die in de plaats van de socialistische verarmingstheorie moet komen. De heer Cornelissen is zeker wel de geschikte man om Marx te corrigeeren, naar men ziet.
Inderdaad is nooit door een ernstig socialist beweerd dat iedere verbetering van den toestand van den arbeider tegelijkertijd een verslechtering met zich moet mede brengen, men zag het reeds uit het bovenaangehaalde oordeel van Marx over den 10-urendag in Engeland. Door dit anarchisme spookt nog altijd de waan dat de op de spits gedreven ellende van de arbeidende klasse de éénige impuls tot „de” revolutie moet wezen!
Bij Kropotkine lezen wij:
„Iedere economische phase dekt zich met zijn politieke phase en het is onmogelijk den eigendom aan te tasten, zonder, terzelfder tijd, een nieuwen vorm van het politieke leven te vinden.”6
„De politieke en economische vorm eener maatschappij zijn twee van elkander afhankelijke en elkander dekkende verschijningen.”7
Dit is in ’t algemeen genomen waar, een waarheid evenwel die niet van ideologischen aard is, en dus ook geenszins van het anarchisme stamt, maar aan de sociaal-demokratie ontleend is. Doch deze verklaring van de maatschappij wordt door de anarchisten klein-burgerlijk-utopisch misvormd, om er uit af te leiden dat politieke hervormingen niets baten zoo lang de eigendomsvormen niet zijn veranderd. En dat is weder een stuk oudbakken ideologie, die in de politiek niets anders dan een afspiegeling ziet.
Politieke verhoudingen zijn de uitdrukkingen waaronder de klassetegenstellingen zich aan ons openbaren, en den politieken strijd strijden heet dus onder zeer concrete vormen klassenstrijd voeren. Dit is niet naar den zin van de anarchisten, die liefst op den politieken strijd afgeven, omdat hun het inzicht er in ontbreekt, maar die, meenende dat het alleen vakvereenigingsstrijd beteekent, gaarne de vakvereenigingen voor hunne utopisch-politieke doeleinden gebruiken.
Dat de politieke inrichtingen van de maatschappij zich met de economische verhoudingen dekken, bewijst daarom nog niet dat de politieke verhoudingen niet van invloed zijn op de eigendomsverhoudingen. Iedere sociale hervorming van eenig ingrijpend belang, iedere wet die in de verhoudingen van kapitaal en arbeid wezenlijk ingrijpt, doet een verschuiving van de economische verhoudingen in meerdere of mindere mate plaats vinden. En wat nog meer zegt: iedere ingrijpende sociale hervorming versterkt de arbeidersklasse, verandert dus, doordien het de macht en den invloed van die klasse vermeerdert, de economische verhoudingen en oefent invloed uit op den persoonlijken toestand van de arbeiders.
„Ik ben de eerste om te verklaren,” heeft eenmaal Ferdinand Lassalle terecht gezegd, „dat iedere sociale verbetering niet eens de moeite waard zou zijn, als ook na dezelve—wat gelukkig objektief geheel onmogelijk is—de arbeiders persoonlijk dat bleven, wat zij in groote massa heden zijn!”8
Gelukkig ook berust de gansche anarchistische theorie enkel maar op een verknoeiing van de werkelijkheid. Friedriek Engels heeft eenmaal nog eens zeer duidelijk de verhouding, waarin de staatsmacht tot de economische ontwikkeling staat, op het laatst van zijn leven in eenige brieven uiteengezet, die naderhand gepubliceerd zijn. Daaruit ziet men klaar hoe het eigenlijk met de wisselwerking van politieke en economische verhoudingen gesteld is. Hij zegt o.m.:
„De terugwerking van de staatsmacht op de economische ontwikkeling kan van drieërlei aard zijn: zij kan in dezelfde richting gaan, dan gaat de ontwikkeling sneller; zij kan daar tegen ingaan, dan gaat zij (de staatsmacht) in onzen tijd, in ieder groot volk kapot; of, zij kan de economische ontwikkeling naar bepaalde richtingen afsnijden en andere voorschrijven; dit geval is ten slotte terug te brengen tot een der beide voorgaande. Het is echter duidelijk, dat in de gevallen 2 en 3 de politieke macht aan de economische ontwikkeling groote schade kan toebrengen en krachts- en stofverspilling bij massa teweeg kan brengen.”9
Hiermede is de terugwerkende kracht van de politieke instellingen op de economische verhoudingen voldoende verklaard en zinkt de anarchistische theorie ook in dat opzicht terug tot het rijk van de zoovele duisternissen die het anarchisme over de klasse-bewuste, strijdende arbeidersbeweging heeft pogen te verspreiden.
ARBEID OVERWINT.
Het spreekt van zelf, dat waar de arbeidersbeweging hare utopische en klein-burgerlijke trekken verliest, ook het anarchisme op den duur wijken moet. Het biedt de beweging geen enkel hoûvast, geen steunsels in den klassenstrijd. Ware er aan dezen klassenstrijd nu te ontkomen, het anarchisme zou nog een langer leven kunnen hebben, maar ongelukkig voor het anarchisme en gelukkig voor de arbeidersklasse moet die strijd worden gevoerd en dwingt de bourgeoisie de arbeidersklasse hoe langer hoe meer dien strijd op.
Wat het anarchisme kan bieden, bewijst een land in welks arbeidersbeweging het een menschenleeftijd lang de baas was, n.l. Spanje. Inderdaad heeft het daar de arbeidersbeweging gedurende dien tijd misbruikt voor allerlei doldwaze experimenten, werkstakingen zonder voorbereiding, opstanden en dynamiet-bewegingen, die haar bijna reddeloos ten grave gesleept hebben.
Wat in Spanje gedurende de laatste jaren aan arbeidersbeweging weder is gekomen, is er tot groote woede van een zich in dolheid uitrazend anarchisme, door socialisten moeizaam opgebouwd.
De ontwikkeling van het vakvereenigingswezen aldaar, is in de eerste plaats aan het werken van de gehate sociaal-demokratie te danken. Zij kan blijken uit de volgende tabel:10
| Aantal Secties: | Aantal Leden: | |
| 1889 | 22 | 3,535 |
| 1890 | 36 | 3,896 |
| 1891 | 54 | 5,457 |
| 1892 | 58 | 5,304 |
| 1893 | 97 | 8,553 |
| 1899 | 65 | 15,264 |
| 1900 | 125 | 26,088 |
| 1901 | 191 | 31,558 |
| 1902 | 226 | 37,778 |
Het is overigens opmerkelijk dat waar de industrieele ontwikkeling zeer snel gaat en dus de verschillende utopische en klein-burgerlijke tendenzen die er onder de arbeiders leven, snel uitsterven, ook het leven van het anarchisme het kortst is. Het anarchisme representeert ook in zijn theorie nog veel van het agrarische karakter dat de afkomst van de moderne arbeidersklasse in hare breede lagen heeft gekenmerkt.
Werner Sombart wees reeds op den samenhang tusschen het agrarische karakter van een land en de uitbreiding die de anarchistische propaganda daarin neemt.11
Ook Dr. W. Borgius wijst nadrukkelijk op het agrarisch karakter van de anarchistische theorie. „Inderdaad,” zegt hij,12 „vertoonen zich bij de anarchistische theoretici allerhande beslist agrarische neigingen en gedachtengangen, inzonderheid bij Kropotkine, die onbetwistbaar voor den tegenwoordigen tijd de invloedrijkste en meest beteekenende theoreticus is. Agrarisch is de verwerping van een noodzakelijke en zegenrijke ontwikkeling van de voortschrijdende kapitaalsconcentratie, zooals Marx ze leert; agrarisch de sympathie voor het klein-bedrijf en den middelstand; agrarisch de verwerping van de internationale arbeidsverdeeling en het nastreven van het economische zelfbeheer van zoo klein mogelijke gebiedsoppervlakten; agrarisch is de overtuiging van de grenzenlooze, haast fabelachtige stijging van den bodemopbrengst, agrarisch de overschatting van het landleven en de verwerping van de groote stad met hare tot fabrieksidiotisme ontaardende arbeidsverdeeling.”
Het anarchisme te overwinnen in de arbeidersbeweging wil dan ook zeggen die klein-burgerlijke en klein-boersche gevoelens overwinnen die in de moderne arbeidersbeweging leven, omdat zij voor een groot deel wordt gerecruteerd uit de landbewoners, die door de ontwikkeling der industrie en het opzuigingsproces van de groote steden, telkenmale aan het land worden onttrokken. Een goed inzicht in deze analogie tusschen de voorstellingen die op het platte land overheerschend zijn omtrent de maatschappelijke ontwikkeling en de feitelijke voorstelling van het anarchisme daaromtrent; een schifting van de arbeidersbeweging in de oorspronkelijke stads- en plattelandselementen, zou ons wellicht nog verdere bijdragen kunnen leveren tot een psychologie van de anarchistische propaganda en haren bodem in de moderne arbeidersbeweging.
Gelukkig, zeiden we, voor het proletariaat, dat het strijden moet en het is dan ook in en door dien strijd dat het ten slotte zijn eigen weg in de maatschappelijke beweging vindt. Zijn revolutionaire taak als klasse, die tevens alle klassen bevrijden moet, omdat het de laatste klasse is die bevrijd moet worden, is alle krachten eerst bijeen te brengen, daarna aan het werk te stellen, vervolgens te concentreeren.
In deze drie noodzakelijkheden kan het anarchisme haar niet helpen, het kan haar slechts een rem tegen die ontwikkeling, een looden blok aan het been zijn. Een arbeidersbeweging die door het anarchisme gehinderd wordt, kan zich dan ook niet ontwikkelen; daarentegen zal een arbeidersklasse die niet besmet is met het gif der moedeloosheid en machteloosheid die het anarchisme den arbeiders inent, haast met gelijken tred, als het kapitalisme voortschrijdt, zich ontplooien.
Nemen wij twee groote landen, Duitschland en Frankrijk, en vergeleken wij de ontwikkeling van de arbeidersbeweging. Nemen wij in aanmerking dat de arbeidersbeweging van het laatste land zooveel ouder is dan die van het eerste. Welnu, bij de fransche, die jaren lang onder anarchistischen invloed heeft gestaan en ten deele nòg staat, heerscht nog steeds hopelooze verwarring en sektairisme. Niet het minst in de fransche vakbeweging is dat in sterke mate het geval.
De duitsche vakbeweging, die steeds onder sociaal-demokratischen invloed gestaan heeft, wijst de volgende buitengewoon belangrijke ontwikkeling aan:
| Jaar: | Ledental: | Stijging: | In procenten. | |
| 1894 | 246,494 | 22,964 | = | 10,2 |
| 1895 | 259,175 | 12,681 | = | 5,2 |
| 1896 | 329,230 | 70,055 | = | 27,0 |
| 1897 | 412,359 | 83,129 | = | 25,2 |
| 1898 | 493,742 | 81,383 | = | 19,7 |
| 1899 | 580,473 | 86,731 | = | 17,5 |
| 1900 | 680,427 | 99,955 | = | 17,2 |
| 190113 | 677,510 | -2,917 | = | 0,4 |
| 1902 | 733,206 | 55,696 | = | 8,2 |
| 1903 | 887,698 | 154,492 | = | 21,0 |
| 1903 (slot) | 941,524 | 53,831 | ||
En in 1904 (1ste helft) was het millioen bereikt!
Het anarchisme is niet bruikbaar in de vakbeweging, het is even onbruikbaar voor de arbeiders in den politieken strijd. Het eenige middel waartoe het in de laatste jaren is kunnen komen—en dit weder krachtens zijn ouden aard van het uitlokken van catastrophen—is de algemeene werkstaking. Het lost daarin den ganschen strijd van het proletariaat op, het laat evenwel na daarbij den arbeiders een weg te wijzen op welke manier zij tot die phantastische „algemeene werkstaking” moeten komen, zonder voorafgaande vaste organisatie, straffe discipline, ervaring en onderling vertrouwen, en het laat eveneens na den arbeiders ook maar met een woord aan te geven, wat er na de „algemeene werkstaking,” als volgens de anarchistische utopie de burgerlijke maatschappij ontredderd zal zijn, door hen zal moeten worden gedaan. Ten slotte zal er, gesteld dat men zijn doel eens bereikt heeft, naar de staatsmacht gegrepen moeten worden om die in bezit te nemen. Een andere weg is er niet. De fraaie toekomstberedderingen van Kropotkine staan louter op het papier en de „decentralisatie” van de industrie is een utopie waarop de anarchisten nog niet zoo heel erg hebben te rekenen.
Een zoodanige algemeene werkstaking zonder organisatie, dus zonder weerstandsvermogen, zonder discipline, dus zonder vasten wil; zonder eenig vast doel, dus volkomen bodemloos, kan slechts een experiment zijn, waarbij de arbeidersbeweging het kind van deze heillooze rekening wordt. Maar ook dat is een van die vele anarchistische methoden om in de arbeidersbeweging eenigen vasten voet te houden, die opkomen, uitwoeden en daarna weder verlaten worden.
De sociaal-demokratie is de eenig aangewezen leidster der moderne arbeidersbeweging en wordt dit overal, hoe langer hoe meer.
1 Het artikel was getiteld: Fort mit den Resten des Marxismus!” (Weg met de overblijfselen van het marxisme) en stond in het nummer van 23 November 1895. ↑
2 „La société mourante”, pag. 247–250. ↑
3 „Das Kapital”, Bd. I, bl. 259, 4e druk. ↑
4 „La société mourante”, pag. 252. ↑
5 „Op weg naar een nieuwe maatschappij!” bladz. 144. ↑
6 „La conquête du pain,” bl. 45. ↑
7 „Moderne wetenschap,” bl. 79. ↑
8 „Politische Reden und Schriften”, III, Bd. 247, uitgegeven door Erich Blum. ↑
9 H. Greulich, „Ueber materialistiche Geschichtsauffassung.” Berlin 1877, bl. 9–12. ↑
10 Ant. G. Quejido: „Die Arbeiterfrage in Spanien”; Die neue Zeit, 20 Jaarg., Bd. 2, 5 April 1902. ↑
11 „Socialismus und Sociale Beweging,” bl. 55–56. ↑
12 „Die Ideenwelt des Anarchismus”. Leipzig, Dietrich’s Verlag, 1904, Bl. 59. ↑
13 Dit was het jaar dat de economische crisis Duitschland het hevigst teisterde. ↑