WeRead Powered by ReaderPub
Het Boschvolkje cover

Het Boschvolkje

Chapter 12: EEN KERSTLIED.
Open in WeRead

About This Book

Een reeks levendige natuurportretten bundelt persoonlijke veldwaarnemingen van bos- en watervogels, zoogdieren en hun gewoonten. Korte essays belichten uiterlijk, voedselkeuze, nestbouw, sociale karaktertrekken en verrassende gedragsanekdotes, afgewisseld met herinneringen aan zwerftochten en seizoensveranderingen. De schrijver verbindt nauwkeurige observatie met verhalende notities, waardoor lezers zowel feitelijke details over soorten als een gevoelsmatige indruk van het wildernisleven in Noord-Amerikaanse bossen ontvangen.

EEN KERSTLIED.

Het kerstlied door een koor van frissche kinderstemmen gezongen is misschien de volmaaktste uitdrukking van den geest van Kerstmis.

Dit geldt vooral van de oude Engelsche en Duitsche kerstliederen, die naarmate de jaren vlieden steeds lieflijker, heerlijker, volmaakter uitdrukking van de liefde en het welbehagen worden die ze deden ontstaan. Toch wordt altijd met kersttijd de herinnering bij me wakker aan een lied, het lieflijkste van alle, dat voor mij alleen werd gekweeld door een zanger uit het hooge Noorden, terwijl de wind in de dennen een zachte begeleiding zoemde.

Ongetwijfeld hebben veel lezers ’s winters wel vluchten vreemde vogels gezien—donzige, grijze gasten, bijna zoo groot als een roodborst, die met zacht fluitende loktonen over ’t gras rondvliegen, of op den grond aan ’t pikken zijn zoo tam en onbevreesd, dat ze ternauwernood op zij gaan wanneer je aankomt. De snavel is kort en dik, de kop van achteren en een groote vlek juist boven den staart zijn goudbruin, en over de vleugels loopen dubbele, smalle, witte strepen. Verder is hij heelemaal zachtgrijs: donker bovenop en licht van onderen. Wanneer je er op den grond bespiedt, zul je zien dat ze een eigenaardige manier van zich voort te bewegen hebben, als de gouden specht in dezelfde omstandigheden. Soms zetten ze ’t eene pootje voor het andere in een grappig poginkje om deftig te stappen als de lijsters; dan weer hippen ze als een roodborst, maar veel onhandiger, alsof ze niet aan loopen gewend waren en niet precies wisten hoe ze hun pootjes gebruiken moesten—wat dan ook zoo is.

De vogels zijn Parisvogels1 en zijn ietwat ongeregelde wintergasten uit het hooge Noorden. Alleen als de koude buitengewoon vinnig is en de sneeuw dik om de Hudson-Baai ligt, verlaten ze hun nestelplaatsen om een paar weken in het verlaten Nieuw-Engeland door te brengen als winterverblijf. Hun toeven is bij ons kort en onzeker. Lang voordat de eerste blauwborst2 ons van de oude schutting af verheugd toegefloten heeft dat ’t voorjaar komt, fluiten de Parisvogels al in de wouden van Labrador over de lente en zingen ze hun minnezangen.

Iets merkwaardigs, dat we bij die vluchten ’s winters zien, is dat ze bijna geheel uit wijfjes bestaan. Het mannetje komt heel zelden bij ons voor. Je kunt hem onmiddellijk aan zijn vroolijke kleur en zijn mooie, roode borst herkennen. Soms zijn er een paar jonge mannetjes in de vluchten; maar voordat de eerste paartijd hun borstveeren dieproode tipjes gegeven heeft, zijn ze bijna niet te onderscheiden van hun sobergetinte metgezellen.

Laat ik even opmerken: het roode borstschild is de familieonderscheiding, het geslachtswapen van de Parisvogels, evenals de scharlaken kuif alle spechten kenmerkt. En wanneer je een Micmac3 uit het hartje van de bosschen vraagt hoe een Parisvogel aan zijn schild komt, dan vertelt hij je misschien een geschiedenis, die je evenzeer boeit als de legende van Hiawatha en den specht in de dagen van je jeugd.

Is het oude mannetje met zijn fiere rood zeldzaam bij ons, zijn mooie gezang is het nog meer. Slechts diep in de wouden, bij de eenzame rivieren van het hooge Noorden, waar geen menschenoor ooit naar luistert, begroet hij de opgaande zon uit den top van een hoogen spar. Daar ook zingt hij voor de ooren van zijn zedig grijs wijfje den lieflijksten minnezang der vogels. Het is een stroom van zacht gekweelde tonen, die tinkelen als een beekje diep onder ’t ijs, die over elkaar duikelen in een kalme verrukking van welluidend ineensmeltende klanken, vol als ’t lied van den weidespreeuw, maar veel zachter, alsof hij bang was dat iemand anders het zou hooren dan zij voor wie hij zong. Zij, die het lied kennen van den Parisvogel met de rozeroode borst (niet het lentelied dat aan dat van den roodborst4 doet denken, maar het verrukkelijk zachte gekweel aan zijn broedend wijfje) mogen haar lieflijkheid tot in ’t oneindige vermenigvuldigen en er zich zoo een denkbeeld van maken, waar het gezang van den Parisvogel op lijkt. Maar soms vergeet hij zich op zijn winterbezoek en zingt als andere vogels, eenvoudig omdat de wereld blij voor hem is, en dan, eens in een menschenleven, hoort een vogelminnaar uit Nieuw-Engeland hem en sluit het in zijn herinnering, en betreurt het voor zijn verdere leven dat het bestaan dat de Parisvogel in zijn Noordelijke land voert hem tot zoo’n schuw bezoeker heeft gemaakt.

Op een Kerstmorgen, een jaar of wat geleden, lag de versch gevallen sneeuw smetteloos wit over alle bosschen en velden. Ze was zacht en hechtte zich, toen ze op Kerstavond viel. Nu was elke oude muur en heining een glinsterend wit gebeeldhouwde bank, elke paal en boomstomp had een zachten, witten mantel en een groote witte muts, struiken en boschjes waren een heerlijk tooverland van witte bogen en flonkerende zuilen en donkere grotten, ingesloten door ragfijn vrieswerk van zilver en juweelen. En dan de heerlijkheid, zoo oogverblindend schoon dat er geen woorden voor te vinden zijn, toen de zon opging en er over scheen!

Voor zonsopgang was ik buiten. Al gauw bracht de springende vlucht en ’t opgewekte goedenmorgen van een donzigen specht me naar een oud stuk land, waar groepjes sparren verspreid stonden. Er is geen beter tijd om eens rustig de vogels te begluren dan ’s morgens na een sneeuwjacht, en geen beter plaats dan tusschen de sparren. Als je ze kunt snappen (wat nog niet zoo zeker is, want ze kunnen soms geheimzinnig vóór een storm verdwijnen), zul je ze ongekend rustig vinden; ze willen je onderzoek wel verdragen, ’t kan hun niet schelen nu, terwijl ze anders zouden wegvliegen naar nog dichter schuilplaatsen.

Ik was nauwelijks den muur over, toen ik stilstond bij ’t hooren van een nieuw vogellied, zoo verwonderlijk liefelijk, dat het niet anders dan een kerstboodschap kon zijn, en toch paste het daar zoo heelemaal niet, dat de hoorder er aan stond te twijfelen of zijn ooren hem bedrogen, en zich afvroeg of de muziek of het landschap niet plotseling als iets onwezenlijks zou verdwijnen. Het lied duurde voort—een zacht, welluidend gekweel vol lieflijkheid en geheimzinnige bekoring, maar ’t wekte herinneringen aan weiden in Juni en een zomerschen zonsopgang, veel meer dan aan sparren met sneeuw beladen en Kerstmis. Om alles nog onwerkelijker te maken, kon geen oor onderscheiden waar ’t gezang vandaan kwam; het eigenaardige gedempte er van verborg de herkomst volkomen. Ik doorzocht de boomen vóór me,—daar was geen vogel. Ik keek om,—daar was geen plek waar een vogel kon zingen. Ik herinnerde me den roodstaart5 en hoe die soms van tusschen de rotsen roept en weigert zich te vertoonen, en snel verdwijnt en zich verstopt als je naar hem zoekt. Ik onderzocht den muur, maar geen vogelspoor teekende zich af op de sneeuw. Al dien tijd ging het wonderbaarlijke gezang voort, nu in de lucht, dan dicht bij me, en ’t werd hoe langer hoe verwarrender naarmate ik luisterde. Het kostte me een goed half uur, om de plek waar ’t geluid vandaan kwam te bepalen; toen begreep ik het.

Dicht bij me stond een eenzame sparreboom met een ruigen top. De vogel, wie hij dan ook was, was daar gaan slapen dicht tegen den stam gedrukt, zooals vogels dat doen om zich te beschermen. Gedurende den nacht had de sneeuw zich steeds dikker en dikker op de buigzame takken getast. Hun toppen bogen onder ’t gewicht, tot ze lager den stam raakten en een groen priëel vormden, waar omheen de sneeuw zich den heelen nacht door opstapelde, zoodat het geheel ingesloten was. De vogel zat er in gevangen en zong toen de ochtendzon door de muren van zijn gevangenis scheen.

Terwijl ik luisterde, verrukt over ’t lied en den ongewonen toestand waarin de zanger zich bevond, gleed er een pak sneeuw, losgemaakt door de zon, van het sneeuwpriëel en verscheen er een Parisvogel in de opening. Even leek het alsof hij nieuwsgierig over de nieuwe, witte, schoone wereld rondkeek; toen hipte hij op het allerhoogste takje en, met zijn karmozijne borst naar de opgaande zon gekeerd, stortte hij zijn morgenzang uit, niet langer gedempt, maar lieflijk en helder als ’t klokje van ’n boschlijster6 dat luidde voor zonsondergang.

Eens, veel later, heb ik zijn zachter minnelied gehoord en zijn nest gevonden in ’t hartje van een woud in Nieuw-Brunswijk. Tot dien tijd was het niet bekend dat hij ooit zuidelijker dan Labrador nestelde. Maar dat zelfs en de vreugde over de ontdekking misten de bekoring van zijn zeldzaam lieflijken zang, die geheel ongezocht en onverwachts kwam zooals alle goede zaken, terwijl onze eigen vogels hun kersttijd doorbrachten en den zonneschijn zingend begroetten in Florida.


1 Pinicola Enucleator. 

2 Sylvia Sialis. 

3 Indiaansche stam. 

4 Met roodborst wordt hier steeds de Amerikaansche bedoeld, een lijstersoort: Merula Migratoria. 

5 Stetophaga Ruticilla, helder oranje, zwart en wit, grooter dan de Europeesche roodstaart. 

6 Turdus Mustelinus.