WeRead Powered by ReaderPub
Het Boschvolkje cover

Het Boschvolkje

Chapter 6: DE BOUWMEESTERS.
Open in WeRead

About This Book

Een reeks levendige natuurportretten bundelt persoonlijke veldwaarnemingen van bos- en watervogels, zoogdieren en hun gewoonten. Korte essays belichten uiterlijk, voedselkeuze, nestbouw, sociale karaktertrekken en verrassende gedragsanekdotes, afgewisseld met herinneringen aan zwerftochten en seizoensveranderingen. De schrijver verbindt nauwkeurige observatie met verhalende notities, waardoor lezers zowel feitelijke details over soorten als een gevoelsmatige indruk van het wildernisleven in Noord-Amerikaanse bossen ontvangen.

DE BOUWMEESTERS.

Eens stond ik in de schemering onverwachts tegenover een eigenaardig stukje natuurleven. ’t Was midden in den winter en er lag een dikke sneeuw. Ik zat in m’n eentje op een omgevallen boom het opkomen van de maan af te wachten, om het flauwe sneeuwschoenenspoor drie mijlen over een vlakte te kunnen volgen, dan een mijl door een bosch naar een ander spoor dat naar het kamp leidde. Ik had dien dag te ver een rendier gevolgd, met dit resultaat dat ik op den tast in den maneschijn langs mijn eigen spoor terugging, terwijl de thermometer snel tot twintig graden onder nul daalde.

In de bosschen is er nauwelijks sprake van een schemering; over tien minuten zou het geheel donker zijn, en ik wenschte net dat ik dekens en een bijl had, om te kunnen kampeeren waar ik was, toen een groote, grijze schaduw door de boomen op me af kwam sluipen. Het was een Canadeesche lynx. Mijn vingers klemden zich stevig om mijn buks en ’t was alsof mijn rechter want vanzelf afgleed toen het glinsteren van zijn felle, gele oogen me trof.

De oogen keken echter in ’t geheel niet naar me. Hij had me niet eens bemerkt, maar sloop met achteruitgetrokken ooren in de sneeuw gedoken voort, het staartstompje zenuwachtig trillend, zijn heele aandacht gespannen gevestigd op iets achter me in de vlakte. Ik had zin in zijn mooie huid; maar ik wilde er nog liever achterkomen wat hij van plan was; dus hield ik me stil en keek toe.

Aan den zoom van de vlakte dook hij neer onder een dwergden, nestelde zich dieper in de sneeuw door een paar keer heen en weer te wrikken, tot hij zijn pooten goed onder zich had en hij volkomen in evenwicht was; het roode vuur gloeide in zijn oogen, zijn forsche spieren trilden. Toen schoot hij voorwaarts: een, twee, een dozijn geweldige sprongen door de vliegende sneeuw, en hij belandde met een krijsch op den koepel van een beverwoning. Daar sprong hij rond, schudde als een furie een denkbeeldigen bever en gaf nog een krijsch, die me een rilling over den rug joeg. Daarop stond hij doodstil over de beverdaken, die daar den oever van een meertje bestippelden, in de verte te kijken. De gloed verstierf in zijn oogen; een andere uitdrukking kwam er langzamerhand in. Hij duwde zijn neus weer tegen een gaatje in den heuvel, den luchtkoker van den bever, en snoof lang, terwijl het leek of zijn heele lichaam zich uitzette door den warmen, rijken geur die zijn hongerige neusgaten binnenstroomde. Toen schudde hij treurig zijn kop heen en weer en ging weg.

Dit alles was zuiver komedie. Een lynx houdt meer van bevervleesch dan van iets anders, en deze hier had er stellig in de herfstdagen toen er volop te eten was een paar van de kolonie gevangen, terwijl ze aan hun dam en woningen bezig waren. Nijpende honger maakte dat hij zich hen herinnerde, toen hij door het bosch kwam op zijn nachtelijke hazenjacht. Hij wist wel dat de bevers veilig zaten, dat de maanden van felle kou hun twee voet dikke muren als graniet gemaakt hadden. Maar ondanks dat kwam hij toch, alleen om te doen alsof hij er een gevangen had, en om zich te herinneren hoe lekker zijn laatste volledige maaltijd rook toen hij dien in October at.

Het was alles zoo jongensachtig, zoo onverwacht daar in ’t hartje van de wildernis, dat ik heelemaal vergat hoe graag ik den lynx zijn huid had gehad. Ik was ook hongerig en ’k ging er heen om eens aan het luchtgat te ruiken; en het rook goed. De tijd heugde me toen ik eens bevervleesch gegeten had en blij was het te krijgen. Ik liep tusschen de hutten rond. Op elken koepel waren prenten van een lynx, oude en nieuwe, en de indrukken van een stompen neus in de sneeuw. Hij kwam klaarblijkelijk dikwijls om zijn maaltijd te doen met den geur van lekker eten. Ik keek naar den weg dien hij genomen had en begon medelijden met hem te krijgen. Maar de bevers dan, veilig en warm en onbevreesd, die geen twee voet van me af stellig naar de vreemde voetstappen buiten luisterden. En dat was best, want ze zijn de belangwekkendste dieren in de heele wildernis.

De meesten onder ons kennen den bever hoofdzakelijk uit een vergelijking. „Werken als een bever” of „druk in de weer als een bever”, is een van die spreekwoordelijke uitdrukkingen in Amerika die men zonder opheldering of nieuwsgierigheid aanneemt. Voor een derde gaat het op, wat veel is voor de waarheid van een spreekwoord. ’s Winters, vijf maanden lang tenminste, doet hij niets dan slapen en eten en zorgen dat hij warm blijft. „Zoo lui als een bever” zou dan een goed beeld zijn. En ’s zomers—o, dat is één lange vacantiedag, en de bevers zijn zoo vroolijk als vogeltjes in de lucht, en denken niet aan werken van den morgen tot den avond. Wanneer de sneeuw verdwenen is en de rivieren vrij van ijs zijn, en ’t getierelier van vogeldeuntjes het oor van den bever treft als hij opduikt uit den donkeren gang die onder water naar zijn huis leidt, dan vergeet hij alle vaste gewoonten en neemt deel aan de algemeene feestvreugde der natuur. Het stevig gebouwde huis dat hem voor storm en kou beschutte, en zelfs den veelvraat tartte zijn bewoner uit te graven, wordt verlaten voor ’t eerste het beste otterhol of een ander gat in den oever, waar hij rustig kan slapen tot het zonlicht verdwenen is. De groote dam waar hij zoo menigen nacht aan gezwoegd heeft wordt overgelaten aan de genade van den wassenden stroom of aan de bijl van den man in zijn kano. En over ’t geplas van water dat door een breuk valt—het geluid dat in herfst of winter den bever als een bliksemflits te voorschijn doet schieten—zal hij zijn wijze kopje geen oogenblik breken.

Den heelen zomer hoort hij tot den stam van Ismaël, zwervend door meren en stroomen, waar ’t hem maar lust. Het is alsof hij er op uit moet om de wereld te zien, na den heelen winter in zijn benauwde verblijf opgesloten te zijn geweest. Zelfs de sterke familieband, een van de meest karakteristieke en merkwaardige dingen in het beverleven, wordt in dien tijd losgemaakt. Elke familiegroep vertegenwoordigt, wanneer zij ’t huishouden in de lente opbreekt, vijf geslachten. Eerst heb je de beide oude bevers, de hoofden van de familie en onbeperkte heerschers, die het eerst den grooten dam en de woningen optrokken en het herstellingswerk geleid hebben, hoe lang al weet niemand. Dan komen, wat gewichtigheid betreft, de bevertjes, niet grooter dan muskusratten, met vachtjes als zijden fluweel en oogen altijd wijd open voor de wonderen van hun eerste uitgaan; dan die een en twee jaar oud zijn, dartel als losgelaten schooljongens, steeds vol baldadigheid, waar altijd opgelet moet worden en die af en toe eens een knauw moeten hebben; dan de driejarige, die weldra den troep verlaten en hun eigen gelukkigen weg gaan op zoek naar een wijfje.

Zoo trekken de lange dagen voorbij als van een soort zorgeloos zomeruitstapje, en wie op zijn eigen zomersche zwerftochten door de wildernis soms hun kampplaats aantreft voelt er zich nieuwsgierig toe aangetrokken als hij dat ziet. Ze zijn ook kampgenooten, die hun tenten opslaan aan zonnige meren en met elzen omzoomde, forelrijke beken, steeds dicht aan ’t hart der natuur, en evenzeer het wilde, vrije leven minnend als hij zelf.

Maar wanneer de dagen kort en kil worden en ’t getierelier der zangvogels plaats maakt voor ’t „honk” van trekkende ganzen, en wilde eenden zich in de meren verzamelen, dan gaat ’t hart van den bever naar zijn gezellige huis terug, en weldra volgt hij zijn hart. September vindt ze weer om den ouden dam vergaderd, de oudere koppen vol plannen van herstel en nieuwe woningen en wintervoer en allerlei andere zaken. De volwassen mannetjes hebben hun wijfjes mee teruggebracht naar ’t oude huis; de vrouwtjes hebben een plaats gevonden in andere familiegroepen. Dan begint de bever het druk te krijgen.

Zijn eerste zorg is voor een steviger dam over den stroom, die hem een kom van flinke afmetingen zal verschaffen en een overvloed van diep water. Om dit te begrijpen, moet ge u herinneren dat de bever van plan is zichzelf den heelen winter in een soort van gevangenis op te sluiten. Hij weet best dat hij aan wal geen oogenblik veilig is zoodra het sneeuwt, dat een rondsluipende lynx of veelvraat zijn spoor zou vinden en hem volgen en dat dik ijs zijn ontsnapping in water afsnijden zou. Daarom ontwerpt hij een groot, voor klauwen veilig, huis, dat geen ingang heeft behalve een tunnel middenin, die door den oever naar den bodem van zijn kunstmatigen vijver leidt. Wanneer deze eens bevroren is, kan hij er niet uitkomen voordat de lentezon hem vrijlaat. Maar hij houdt van een grooten vijver, om onder water wat beweging te nemen als hij voor zijn maaltijd beneden komt; en van een diepen vijver, om het zekere gevoel te hebben dat de strengste winter nooit door zal vriezen tot zijn ingang en hem opsluiten. Wat van nog grooter gewicht is: het voedsel van den bever is op den bodem opgeslagen en ’t zou niet gaan het aan ondiep water toe te vertrouwen, want dan zou ’t met een strengen winter in het ijs vastvriezen en de bevers zouden van honger in hun gevangenis omkomen. Tien tot vijftien voet voldoet gewoonlijk aan hun veiligheidsinstinct; maar om die diepte van water te krijgen, is, vooral in ondiepe rivieren, een reusachtige dam noodig en verbazend veel werk, om van de ontwerpen niet eens te spreken.

… en verbazend veel werk bl. 54 III.

Beverdammen zijn altijd degelijke bouwwerken van houtblokken, struiken, steenen en drijfhout, goed door elzetakken verbonden. Eens toen ik ’s zomers met mijn kano op een wilde, onbekende rivier was, trof ik over een afstand van vijf mijlen veertien dammen. Door twee er van braken mijn Indiaan en ik ons een doortocht met onze bijlen; de andere waren zoo stevig, dat het gemakkelijker ging onze kano uit te laden en haar er over te dragen dan er door te breken. Men vindt dammen zoo dicht opeen, als een beverkolonie jarenlang een rivier ongehinderd bewoond heeft. Wanneer het hout dat voor voedsel dient boven den eersten dam is afgeknaagd, trekken ze stroomaf—want de bever knaagt altijd op de oevers boven zijn dam en laat den stroom voor zijn vervoer zorgen. Soms, als de oevers zoo zijn dat er geen kom gemaakt kan, worden er drie of vier dammen dicht bij elkaar gebouwd, zoodat het stuwwater van den een reikt aan dat van den volgenden, als een reeks kanaalpanden. Dit dient om de kolonie bijeen te houden en toch plaats te geven voor spel en berging van voedsel.

Er heerscht de grootste verscheidenheid van meening over ’t verstand waar de bevers blijk van geven in ’t kiezen van de plaats voor hun dam; want de eene waarnemer beweert dat het handigheid is, vernuft, zelfs overleg van de bevers, en een ander dat het een zuiver instinctmatig, lukraak ophoopen van materiaal zoo maar ergens in de rivier is. Ik heb misschien wel honderd dammen in de wildernis gezien, die bijna alle goed geplaatst waren. Een enkelen keer heb ik er een aangetroffen die veel had van dom werk—twee- of driehonderd voet elzestruiken en grint over ’t breedste van de rivier, wanneer, door vlak er boven of even stroomaf te bouwen, een dam van een kwartmaal de lengte ze beter water verschaft zou hebben. Dit moet echter ter verdediging van de bouwmeesters gezegd worden, dat ze bij hun eigen dam misschien beter bodem vonden om hun tunnels in te graven, of geschikter plaats voor hun hutten, of dat zij beter wisten waar ze behoefte aan hadden dan hun criticus. Ik geloof vast en zeker dat jonge bevers dikwijls fouten maken, maar ik geloof ook, door het bestudeeren van heel wat beverdammen, dat ze hun les trekken uit tegenslag en dan beter bouwen, en dat hun misgrepen over ’t algemeen in hun soort niet grooter zijn dan die van menschelijke bouwmeesters. Soms blijkt een dam te kostbaar. De ligging is niet goed gekozen, omdat de oevers stroomop te laag zijn en het opgehouden water om de kanten van hun dam stroomt en ze wegsleurt. Dadelijk bouwen ze den dam langer; maar weer stroomt het water er omheen bij zijn vernielingswerk. Ze blijven dus maar doorbouwen: een eindelooze bouwen, tot de vorst invalt en ze hun hout moeten vellen, hun hutten in elkaar jachten in een radelooze haast om klaar te zijn als het ijs zich over hen sluit.

Maar in rivieren waar elzenhout langs den kant groeit, waar de stroom traag is en de bodem zacht, ontdek je soms een wonderbaarlijk vernuftige vinding om genoemde moeilijkheid te verhelpen. Als de dam gebouwd is en ’t water diep genoeg voor de veiligheid, graven de bevers een gracht om een uiteinde van den dam voor het afvoeren van het overtollige water. Ik ken nergens in bosschen of velden iets, dat ons nader brengt tot het wilde volkje, in denken en voelen, als het vinden van zoo’n gracht, waar ’t water veilig doorstroomt langs ’t handenwerk van den bever, terwijl de dam zich recht en hecht in den stroom uitstrekt, en daarachter de koepelvormige hutten oprijzen.

Eens heb ik gemerkt dat de bevers van menschenwerk gebruik hadden gemaakt. Een reusachtige paaldam was in een rivier in de wildernis gebouwd om een stuw te krijgen voor het vlotten van balken uit de bosschen waar gehakt werd. Toen de dennen en sparren van vijf-en-dertig centimeters alle verdwenen waren, had men dien aanleg verlaten en den dam laten liggen—met open sluisdeuren natuurlijk. Een paar jonge bevers, op zoek naar een winterwoning, vonden die plaats, en het was juist wat ze zochten. Ze rolden een gezonken stam als grondslag voor de sluisdeuren, dichtten ze met elzestruiken en steenen, en klaar was ’t werk. Toen ik de plek ontdekte hadden ze een vijver van een mijl breed om in te spelen. Hun hut stond op een prachtig plekje, onder een zwaren spar, en hun ingang glooide neer in twintig voet water. Die ligging was stellig goed gekozen.

Nog een dam, dien ik eens ’s winters op de rendierjacht vond, was wonderlijk goed geplaatst. Geen ingenieur kon het beter uitgezocht hebben. Hij was gemaakt door dezelfde kolonie waar de lynx op loerde, en even stroomaf vanwaar hij zijn pantomime voor mijn plezier opvoerde; zijn prent was er ook. De vlakten waar ik van sprak zijn boomlooze uitgestrektheden in de Noordelijke bosschen, beddingen van oude, ondiepe meren. De bevers hadden er een gevonden waar een rivier doorheen stroomde, en waren die gevolgd stroomaf tot aan het uiteinde der vlakte, waar twee beboschte landtongen van weerszijden uitspringend bijna elkaar raakten. Hier was vroeger een doorgang en hier bouwden ze hun dam en herschiepen op die manier het vroegere meer. Het moet ’s zomers een aller verrukkelijkst plekje zijn—een of anderhalf duizend bunder speelterrein, vol veenbessen en sappige wortels. ’s Winters is het te ondiep om veel te deugen, behalve een paar bunder om de ingangen van de beverhutten.

Er zijn drie wijzen om een dam te bouwen, die algemeen bij de bevers in gebruik zijn. De eerste dient voor trage, met elzen bezoomde rivieren, waar ze van den bodem af kunnen bouwen. Twee of drie stammen hebben ze laten zinken; die vormen den grondslag, drie tot vijf voet breed. Takken, aangedreven hout en stammen, die de bevers aan de oevers vellen, worden hier opgestapeld en met steenen en modder bezwaard. De keien worden van den oever afgerold of aanmerkelijke afstanden onder water vervoerd. De modder draagt de bever in zijn voorpooten, die hij tegen zijn kin gedrukt houdt om zoo een groote handvol te kunnen meevoeren zonder morsen. Bevers houden van zulke rivieren met hun elzenschaduw en zoete grassoorten en wilde weideranden, meer dan van eenige andere plek. En, laat ik even opmerken, de meeste van de natuurlijke weiden en de helft van de meren in Nieuw-Engeland zijn door bevers gemaakt. Wanneer je naar het einde van een boschweitje gaat, onverschillig welk, en je graaft daar waar de rivier er uit wegstroomt, dan zul je, soms tien voet onder de oppervlakte, de overblijfselen van den eersten dam vinden die de weide deed ontstaan toen het water terugvloeide en de boomen doodde.

De tweede soort van dam is voor snelle rivieren. Dicht kreupelhout van een tien voet is ’t voornaamste materiaal. Het hout wordt afgevlot naar de uitverkoren plek, de toppen neergebogen door ze met keien te bezwaren en de dikke einden vrijgelaten, zoodat ze stroomaf wijzen. Zulke dammen moeten natuurlijk van de kanten uit gebouwd worden. Ze zijn gewoonlijk gebogen, zoodat de bolle kant tegen stroom in ligt om een steviger bouw te krijgen. Als de boog in het midden sluit, wordt de kant van den dam die stroomaf ligt zwaar met aarde en steenen versterkt. Dat is sluw overleg van den bever, want wanneer de boog eenmaal door twijgwerk afgesloten is, kan de stroom aarde en steenen, voor het versterken gebruikt, niet meer wegsleuren.

De derde soort is de stevigste en ’t gemakkelijkst te bouwen. Ze is voor plaatsen waar zware boomen over den stroom leunen. Drie of vier bevers verzamelen zich om een boom en beginnen, op hun breeden staart gezeten, te knagen. Een staat er boven hen op den oever en leidt klaarblijkelijk het werk. In een ommezien is de boom van onderen bijna doorgeknaagd. Dan begint de bever boven zorgvuldig naar beneden te knagen. Bij het eerste waarschuwende gekraak springt hij op zij en de boom valt juist over de plaats heen waar ze hem noodig hebben. Alle bevers verdwijnen dan en beginnen de takken af te knagen die op den bodem rusten. Langzamerhand rijst de boom, tot zijn stam op de juiste hoogte is om den rug van den dam te vormen. De bovenste takken worden dan dicht tegen den stam gebracht en met elzen tusschen de lange takstompen gevlochten die van den tronk neersteken in de rivierbedding. Steenen, modder en twijgen worden overvloedig gebruikt om spleten te vullen, en binnen een merkwaardig korten tijd is de dam voltooid.

Wanneer ge zoo’n dam aantreft in de rivier waar ge met uw kano roeit, tracht dan niet er doorheen te breken. Ge zult ontdekken dat het u een paar uur in tijd scheelt, als ge alles uitpakt en overdraagt. Al het knaagwerk van den bever geschiedt met beitelvormige voortanden. Hij heeft er twee in elke kaak, die ruim drie en een halven centimeter uit het tandvleesch steken en die onder een scherpen hoek samenkomen. De binnenkant van de tanden is zachter en slijt gauwer dan de buitenkant, zoodat de hoek hetzelfde blijft; en de beweging van boven- en ondertanden over elkaar houdt ze steeds scherp. Ze groeien zoo snel dat een bever voortdurend hout moet knagen om ze op de juiste grootte afgesleten te houden.

Dikwijls komt je op wilde rivieren een stok tegemoet drijven, waar pas aan geknaagd is. Je grijpt hem natuurlijk en zegt: „Er kampeert hier iemand stroomop. Die stok is net met een scherp mes gesneden.” Maar kijk eens beter, zie die flauwe richel over de heele lengte van de snede eens, alsof er uit het scherp van het mes een stukje was. Daar komen de boventanden van den bever aan elkaar en het vlak is niet heelemaal zuiver. Hij sneed dien stok, dikker dan een mansduim, in één beet door. Een els met een doorsnede van een theekopje af te bijten is het werk van een minuut voor dezelfde werktuigen, en een hoogopgaande berkeboom valt in een merkwaardig korten tijd als hij door drie of vier bevers aangevallen wordt. Om de stomp van zoo’n boom vindt ge een hoop van vijf centimeters lange spaanders, dik, wit, scherp gesneden en gebogen naar de ronding van de bevertanden. „Beoordeel den werkman naar zijn spanen”, zegt een Amerikaansche spreekwijze. Dit is een goed werkman!

Wanneer de dam gebouwd is knaagt de bever zijn voedselhout voor den winter af. Een kolonie van deze dieren zal dikwijls een heel boschje jonge berken of peppels op den oever boven den dam vellen. De takken met den besten bast worden dan in korte stukken gebeten, die den oever af worden gerold en naar ’t diepe water achter den dam gevlot.

Er zijn heel wat woorden over gevallen hoe de bever zijn hout laat zinken—want natuurlijk moet hij ’t laten zinken; anders zou het in ’t ijs vriezen en nergens toe dienen. Eén opvatting is deze: dat de bevers uit elken tak de lucht zuigen. Twee getuigen verzekeren me dat ze het hen hebben zien doen, en in een boek over natuurlijke historie uit mijn kinderjaren staat een plaatje van een bever met ’t eind van een drie voet langen stok in zijn bek, bezig de lucht er uit te zuigen. Alsof de bevers niet beter wisten, zelfs wanneer die onzin mogelijk was! De eenvoudigste manier is het hout bijtijds te vellen, het een poosje in ’t water te laten, waarna het vanzelf zinkt; want groen berken- en peppelhout is bijna zoo zwaar als water. Het wordt spoedig verzadigd en zakt naar den bodem. Om deze reden is het bijna onmogelijk voor de houthakkers om berkenhout te vlotten. Als de nachten plotseling koud worden voordat het hout gezonken is, trekken de bevers het naar den bodem en duwen het even in de modder, of anders steken ze onder de takken die tegen den dam drijven andere, en hieronder weer andere en zoo verder, tot de rivier tot den bodem toe vol is en ’t gewicht van de bovenste de rest onderhoudt. Veel van het hout gaat op deze wijze verloren, doordat het in ’t ijs vastvriest; maar dat weet de bever en hij knaagt een overvloed.

Als de bever ’s winters hongerig is gaat hij onder het ijs naar beneden, kiest een tak uit, draagt hem naar boven in zijn hut en eet den bast op. Dan sleept hij den geschilden tak weer onder ’t ijs en legt hem ergens uit den weg.

Op een winter had ik eens den inval, dat door het weeken de bast zijn geur wel kwijt zou zijn geraakt en dat de bevers misschien zin zouden hebben in een versch hapje. Ik hakte dus boven het diepe water achter den dam een gat in ’t ijs. Natuurlijk maakte het gehak de bevers verschrikt en zou het vergeefsche moeite zijn dien dag de proef te nemen. Ik spreidde een deken en wat dikke takken over de opening om te zorgen dat ze niet te dik zou bevriezen, en ging heen.

Den volgenden dag duwde ik het eind van een pas afgesneden berkestam tusschen den voorraad van den bever naar beneden, ging met mijn gezicht bij het gat liggen na zorgvuldig het dunne ijs te hebben weggesneden, trok een groote deken over mijn hoofd en het eind van den stok dat er uitstak, om het licht buiten te sluiten, en wachtte af. Een poosje was het er zoo donker als de nacht; toen begon ik vaag de dingen te onderscheiden. Weldra schoot een donkerder schaduw over den bodem en greep den stok vast. Het was een bever met een jas van wel vijftig gulden aan. Hij rukte; ik hield stevig vast,—wat hem zoo verbaasde dat hij in zijn hut terugkeerde om adem te scheppen.

Maar den smaak van verschen bast had hij beet en weldra was hij terug met een anderen bever. Beide grepen dezen keer vast en trokken samen. ’t Hielp niet! Ze begonnen rond te zwemmen en den stok aan alle kanten te bekijken. „Wat voor soort van stok ben je eigenlijk?” dacht de een. „Je groeit hier niet, want dan zou ’k je allang gevonden hebben”. „En je bent niet in ’t ijs gevroren”, zei de ander, „want je gaat heen en weer”. Toen pakten ze samen weer vast en ik begon voorzichtig op te trekken. Ik wou ze graag wat van dichterbij bekijken. Dat verbaasde ze ten zeerste, maar me dunkt dat ze zouden hebben vastgehouden, als er geen ongeluk gebeurd was. De deken gleed af, een stroom van licht viel naar binnen; er waren twee groote wielingen in het water en dat was ’t einde van de proef. Ze kwamen niet terug, ofschoon ik bleef wachten tot ik bijna bevroren was. Maar ik sneed wat versche berketakken en duwde ze onder het ijs, om voor mijn deel in de vertooning te betalen.

De beverhut komt gewoonlijk het laatst aan de beurt. De bever houdt er van deze te bouwen, als de nachten koud genoeg worden om zijn metselspecie spoedig nadat ze aangebracht is te doen bevriezen. Twee of drie tunnels worden van den bodem van het bevermeer door den oever naar boven gedolven, die op één plaats aan de oppervlakte samenkomen, waar het middelpunt van het huis zal zijn. Hieromheen legt hij stevige fundamenten van houtblokken en steen in een kring van zes tot vijftien voet in doorsnee, al naar gelang van het aantal bevers die het huis zullen bewonen. Op deze fundamenten trekt hij een dikken wand van takken en gras op, die door klei in overvloed samen worden gehouden. Het dak wordt er bovenop gemaakt door zware takken zoo te plaatsen als in een Indiaansche wigwam, en het geheel wordt overwelfd met gras, steenen, takken en klei. Als dit een keer vast bevroren is slaapt de bever in vrede; zijn huis is veilig voor inbrekers.

Wanneer een beverhut aan den oever van een meer staat, waar het water nooit zoo hoog komt, is ze vier of vijf voet hoog. Aan rivieren die aan overstroomingen onderhevig zijn, kunnen ze wel twee- of driemaal die hoogte hebben. Evenals de muskusrat wordt de bever ten opzichte van de hoogte zijner woning door een wonderlijk instinct geleid. Hij bouwt hoog of laag al naar zijn verwachting van hoog of laag water, en hij moet zelden zijn droge nest verlaten, door verdrinking bedreigd.

Soms vereenigen twee families zich om één groot huis te bouwen, maar in zoo’n geval heeft elke familie altijd haar eigen vertrek. Als een hut opengegraven wordt, blijkt het duidelijk uit de verschillende afdrukken dat elk lid van de familie zijn eigen bed heeft, waar hij steeds op ligt. Bevers zijn voorbeelden van netheid: na vijf maanden bewoond te zijn geweest is de hut nog even keurig als toen ze pas gemaakt was. Hun heele bouwerij is in hoofdzaak instinct, want een tamme bever bouwt miniatuurdammen en -hutten op den vloer van zijn kooi. Toch is het niet een instinct waaraan ze uiting moeten geven, zooals dat van ratten en eekhoorns bij tijden. Ik heb beverhutten aan meeroevers gevonden waar eenvoudig geen dam was gebouwd, omdat het water diep genoeg was en het niet hoefde. In hun vacantie bouwen de jonge bevers voor de aardigheid, evenals jongens een dam leggen waar ze maar stroomend water kunnen vinden. Ik ben er ook van overtuigd (en dit verklaart misschien sommige dammen die dom gelegd schijnen), dat de oude bevers ’s zomers bij wijlen de jongen aan ’t werk zetten om ze te leeren bouwen tegen dat het noodig wordt. Het is moeilijk deze theorie te bewijzen, want de bevers werken ’s nachts, bij voorkeur in donkere, regenachtige nachten, als ’t voor hen aan land (om bouwstoffen te verzamelen) het veiligst is. Maar terwijl het bouwen instinctmatig gebeurt, is deskundig bouwen de vrucht van oefening en ondervinding; en sommige beverdammen vertoonen een verwonderlijk overleg.

Er is één bever die nooit bouwt, die zich nooit druk maakt over hut, of dam, of wintervoorraad. Ik weet niet zeker of we hem het genie of den luiaard van de familie moeten noemen. De oeverbever is een eenzaam, oud vrijgezel, die als een „mink” in een hol in den oever van een rivier woont. Hij bouwt geen hut, omdat een hol onder de wortels van een ceder even veilig en warm is. Hij bouwt nooit een dam, omdat er diepe plaatsen in de rivier zijn waar de stroom te snel is om te bevriezen. Hij vindt teere twijgen zelfs ’s winters veel sappiger dan oudbakken schors onder water opgeslagen. Wat zijn verraderlijke prent in de sneeuw betreft, zijn slimheid moet hem voor zijn vijanden behoeden; en het open gedeelte van de rivier is er nog om heen te vluchten.

Er zijn twee opvattingen gangbaar onder de Indianen en „trappers”, die een verklaring geven voor de eigenaardigheden van den oeverbever. De eerste is dat hij er niet in slaagde een wijfje te vinden en de kolonie heeft verlaten, of er uit gedreven is, om een eenzaam jonggezellenleven te leiden. Zijn gedrag in den paartijd spreekt zeer zeker ten gunste van deze opvatting, want niemand was ooit zoo naarstig aan ’t zoeken van een wijfje als hij. Langs de rivieren en elzenbeken van een heele wilde streek zwerft hij rusteloos stroomop, stroomaf, terwijl hij hier en daar op een grazig plekje stilhoudt om een handjevol modder te verzamelen, als ’t moddertaartje van een kind, keurig gladgeklopt, met in ’t midden een beetje sterk ruikende muskus. Wanneer je dat teeken onder de elzen in een kring van zorgvuldig geëffend gras aantreft, weet je dat er aan die rivier een jonge bever naar een wijfje zoekt. En als hij zijn taartje geopend en weer gesloten vindt, weet hij dat er ergens in de buurt een wijfje op hem wacht. Maar de arme oeverbever vindt zijn wijfje nooit en moet den volgenden winter naar zijn eenzaam hol terugkeeren. Hij wordt veel gemakkelijker gevangen dan andere bevers, en de „trappers” zeggen dat het komt doordat hij verlaten en levensmoe is.

De tweede opvatting is die, welke de Indianen er gewoonlijk op nahouden. Ze zeggen dat de oeverbever lui is en weigert met de andere te werken, waarom deze hem uitdrijven. Wanneer de bevers bezig zijn, zijn ze goed bezig en dulden geen geluier. Misschien tracht hij hen wel te overreden dat al hun werken onnoodig is, en deelt hij daarom in het lot van de hervormers in ’t algemeen.

Toen ik den vorigen zomer bezig was het hol van een oeverbever te onderzoeken, leek me nog een derde verklaring mogelijk. Is dit niet een van de zeldzame dieren in wie alle instincten van de soort afwezig zijn? Hij bouwt niet omdat hij geen neiging heeft tot bouwen; hij weet niet hoe. Hij vertegenwoordigt dus wat de bever duizenden jaren geleden was, voordat hij leerde zijn dam en hut te bouwen,—de bever die nu door een wonderlijke gril van de erfelijkheid weer te voorschijn komt, en zich rampzalig uit den tijd en niet op zijn gemak voelt. De andere bevers jagen hem weg, omdat alle in troepen levende dieren, ook de vogels, een sterken afkeer en vrees hebben voor elke onregelmatigheid in hun soort. Zelfs als die afwijking gering is—een wond of een misvorming—jagen ze het arme slachtoffer meedoogenloos uit hun midden. Het is een wreed instinct, maar een deel van een der oudste in de schepping: het instinct van het in-stand-houden der soorten. Dit verklaart waarom de oeverbever nooit een wijfje vindt: geen van de bevers wil iets met hem te maken hebben.

Dit in sommige gevallen ontbreken van instinct is niet een eigenaardigheid van de bevers alleen. Af en toe wordt er een vogel hier in ’t Noorden uitgebroed die den drang tot trekken niet heeft. Hij roept zijn vertrekkende makkers na, maar volgt nooit, en blijft dus, om in de winterstormen om te komen.

Er zijn weinig wezens in de wildernis die moeilijker te bespieden zijn dan de bevers, èn door hun buitengewone schuwheid, èn doordat ze alleen ’s nachts werken. De beste manier om een glimp van hen op te vangen, als ze aan ’t werk zijn, is hun dam kapot te maken en het dak van een hunner hutten af te trekken op een herfstmiddag in den tijd van volle maan. Vlak voor de schemering moet je terugsluipen en op eenigen afstand van den dam je verbergen. Zelfs dan heb je niet veel kans, want de bevers zijn achterdochtig, scherp van gehoor en reuk, en weigeren gewoonlijk zich te vertoonen eer de maan onder is of je bent heengegaan. Het kan wel zijn dat je een keer of twaalf hun dam kapot moet maken en even dikwijls verkleumen van kou, eer je hem ziet herstellen.

Het is een buitengewoon merkwaardig gezicht als het ten langen leste geschiedt, en ’t loont het op de loer liggen wel. Het water stroomt door een gat in den dam van een voet of vijf; het dak van een hut is vernield. Je hebt jezelf heelemaal met dennetakken bewreven om wat van den reuk in je kleeren te niet te doen, en je in den top van een gevallen boom verborgen. De schemering eindigt; de maanschijf rijst boven de sparren in het oosten en overstroomt de rivier met een zilveren schijnsel. Nog geen teeken van leven. Je begint te denken dat het alweer op een teleurstelling zal uitloopen, te denken dat je teenen de kou geen minuut langer kunnen uithouden zonder stampvoeten, wat alles zou bederven,—als een rimpel snel over het diepe, stilstaande water schiet en een groote bever aan wal komt. Hij zit een oogenblik op, kijkt rond, luistert, trekt dan naar de kapotte hut en gaat weer opzitten om ze van onder tot boven te bekijken, terwijl hij de schade schat en plannen maakt. Er ontstaat beweging in het water; nog drie voegen er zich bij hem—nu ben je wel warm! Ondertusschen zwemmen er nog een stuk of drie, vier bij den dam rond om daar de schade op te nemen. Eén duikt er naar den bodem, maar komt in een oogwenk weer boven om „alles veilig beneden” te melden. Een andere is bezig vlak onder je aan een dikken tak te trekken. Langzaam haalt hij hem er naar voren uit, balanceert een oogenblik en laat hem schieten—mooi zoo!—dwars over de breuk. Twee andere zijn stroomop elzen aan ’t vellen, en hier komen de stammetjes aandrijven.

Ginds bij de beschadigde hut zijn er twee boven op de wanden bezig de dakbalken op hun plaats te beuren; een derde schijnt de buitenste bedekking weer aan te brengen en haar met modder te bepleisteren. Zoo nu en dan gaat er een als een konijn recht overeind zitten, luistert, rekt zijn rug eens om er de stijfheid uit te krijgen, en laat zich dan weer zakken om verder te werken.

Het is nu helderder; maan en sterren fonkelen in ’t gladde water. Bij den dam verzwakt het geluid van vallend water, doordat het gat snel gedicht wordt. Grooter doemen de hutten op. Over den koepel van de eene vernielde gaat de donkere omtrek van een bever zegevierend voorbij. Dat noem ik nog eens vlug werken! Je belangstelling groeit, je rekt je hals uit om te kijken—klets! Een bever die je voorbijgleed heeft je gezien. Onder het duiken geeft hij het water een fermen klap met zijn breeden staart, het sein voor gevaar bij de bevers, en dat je in de doodelijke stilte doet opschrikken. Er klinkt een geluid alsof een stok met den kop vooruit in het water werd geplonsd, een paar draaikolken trillen over ’t gladde water, waar ze de weerspiegeling van de maan breken—dan weer stilte en ’t gekabbel der waterrimpels op den oever.

Nu kun je wel naar huis gaan; je zult vannacht niets meer zien. Daar ginds onder den oever zit een bever in de schaduw, waar je hem niet zien kunt, slechts met oogen en ooren boven water je te bespieden. Hij zal zich niet bewegen, en ook zal er geen andere bever voor den dag komen eer je heengaat. Als je je kano zoekt en terugpagaait naar het kamp, volgt een waterrimpel, veroorzaakt door den neus van een bever, stil in de elzenschaduw. Bij de bocht van de rivier, waar je verdwijnt, houdt de rimpel even stil, als een stobbe die uitsteekt in den stroom, keert zich dan om en gaat haastig terug. Nog een klap—de bouwmeesters komen weer voor den dag, allerlei kabbelingen strooien sterrevonken over de heele watervlakte, terwijl het boschvolkje een oogenblik toeft om nieuwsgierig naar de nieuwe bouwwerken te kijken, en dan schuw, stil, nijver zijns weegs gaat door de nachtelijke wildernis.