EEN STUKJE NATUUR.
Het blijde gefluit van een kwartel1 roept voor de meeste bewoners van Nieuw-Engeland een visioen op van hooge weiden waar een bries waait, en een gevlekten, bruinen vogel die welluidend roept van de bovenste scheeve lat eener oude schapenheining. De boeren zeggen dat hij ’t weer voorspelt, door te roepen: „meer-nat-meer-meer-nat!” De jongens zeggen dat hij alleen zijn naam maar verkondigt: „Bob Wit! Ik ben Bob Wit!” Maar voorspellend of zich voorstellend, zijn stem is altijd welkom. Zij die den roep kennen luisteren met plezier, en leeren al gauw van den vogel houden die hem voortbrengt.
die het zachtste, welluidendste gefluit laat hooren bl. 90 III.
Bob Wit heeft nog een geluid, mooier dan zijn jongensachtig gefluit, dat betrekkelijk weinigen gehoord hebben. Het is een zacht vloeiend gejodel, dat het mannetje gebruikt om den verspreiden koppel weer bij elkaar te roepen. Wie tegen zonsondergang in het bosch wandelt hoort het soms uit een warreling van wilde druiven en smilaxranken2. Als hij genoeg geduld bezit om zich zorgvuldig een weg door het kreupelhout te banen, heeft hij kans den mooien Bob die het zachtste, welluidendste gefluit laat hooren op een rots of een boomstomp te zien. Hij vertelt zijn koppel hoe er hier een mooi plekje is dat hij gevonden heeft, waar ze den nacht door kunnen brengen en veilig zijn voor uilen en rondsluipende vossen.
Als de bezoeker heel geduldig is en stil ligt, zal hij weldra ’t getrippel van kleine pootjes op de bladeren hooren, en de bruine vogels van alle kanten zien aandraven. Eens in zijn heele leven zal hij misschien zien hoe ze zich in een nauwen kring scharen—met de staarten naar elkaar toe, met de koppen naar buiten, als de spaken van een wiel, en zoo ’s nachts gaan slapen. Hun zacht gefluit en gesjilp bij zoo’n gelegenheid zijn de heerlijkste klanken die je ooit in ’t bosch te hooren krijgt.
Deze roep van het mannetje is niet moeilijk na te doen. Jagers die de vogels kennen zullen hem van tijd tot tijd gebruiken om een verspreiden koppel bij elkaar te lokken, of om de plaats te bepalen waar de mannetjes zitten, die gewoonlijk op den roep van den aanvoerder antwoorden. Ik heb herhaaldelijk tegen zonsondergang een koppel van die vogels in dicht kreupelhout gelokt en snelle glimpen van ze gezien, als ze haastig rondscharrelden om den taptoe-blazer te zoeken.
Dit alles kwam me weer laat op een middag in den grooten Antwerpschen dierentuin te binnen. Ik stond naar een afdeeling met vogels te kijken, drie- of vierhonderd vertegenwoordigers van de fazantenfamilie over de heele aarde, die rondtrippelden tusschen de rotsen en afzonderlijke kreupelboschjes. Sommige waren bijna even wild als in hun eigen bosschen, vooral de kleine vogels in de boomen; andere waren tam geworden, doordat ze steeds door bezoekers gevoerd werden.
Het was verbijsterend voor een liefhebber van vogels, die alleen maar met die uit zijn omgeving bekend was, al die vreemde modellen en kleuren in het gras te zien en een koor te hooren van onbekende geluiden uit boomen en kreupelhout. Maar plotseling was ik in de natuur. Die mooie, bruine vogel met zijn welgevormde lijfje en dat snelle, zenuwachtige getippel! Niemand zou zich in hem kunnen vergissen: het was Bob Wit. En met hem kwam er plotseling even een visioen van het dierbare landschap uit Nieuw-Engeland, drie duizend mijlen ver weg. Nog een en nog een vertoonde zich en verdween weer. Toen dacht ik aan de bosschen bij zonsondergang en ik begon zachtjes te lokken.
De vleeschetende dieren werden niet ver daarvandaan gevoerd; een vreeselijk lawaai kwam uit de kooien. Het kuchend gebrul van een leeuw deed de lucht trillen. Kakatoes krijschten, luidruchtige papagaaien gilden afschuwelijk. Kinderen speelden en schreeuwden vlak in de buurt. In de omheining zelf zongen wel vijftig vogels of maakten vreemde geluiden. Daar kwam nog bij dat de kwartel, dien ik gezien had, ver van huis onder een vreemde moeder was uitgebroed. Ik had dus weinig hoop dat ik slagen zou.
Maar toen het roepen steeds luider werd, kwam er als een electrische schok een vloeiend gejodel uit een groepje heesters. Daar stond hij te kijken, te luisteren. Weer een lokroep, en hij kwam op me aansnellen. Andere kwamen uit alle richtingen te voorschijn en weldra trippelde er een heele koppel kwartels rond aan den binnenkant van het rasterwerk, met zachte gorgelgeluidjes als van een verscholen beek, dubbel heerlijk voor een oor dat er naar verlangd had ze te hooren.
Stad, tuin, dieren, vreemdelingen—alles was in een oogwenk verdwenen. Ik was weer een jongen in ’t veld. De ruige heuvelhelling in Nieuw-Engeland werd teer en mooi in ’t licht van de ondergaande zon, de dellingen waren rijk in najaarsheerlijkheid. De weidebeek zong op weg naar de rivier, een roodborst riep uit een scharlaken eschdoorn, en overal in ’t rond klonk het lieve, zachte, trillende fluiten en ’t getrippel van welkome pootjes op de bladeren, als Bob Wit weer aan kwam snellen om naar zijn landsman toe te gaan.