BESLUIT.
In het tijdschrift voor het Binnenlandsch Bestuur van Juni 1905 p. 533 trachtten wij aan te toonen, dat door Staatslandbouw-exploitatie van Seran en wel voornamelijk door rijstcultuur, instede van het jaarlijksche tekort van 7 à 8 ton, veroorzaakt door de Molukken, een voordeelig saldo van eenige millioenen zou kunnen worden verkregen, en dat in ieder geval de hoofdzetel van het bestuur naar Wahaï behoort te worden verlegd, daar de vestiging te Ambon thans geen reden van bestaan meer heeft omdat deze aldaar vrijwel doelloos en nutteloos is geworden.
Zelfs heeft de improductiviteit der Molukken aanleiding gegeven tot het z.g. „vendutieplan”, waarvan de uitvoering, gesteld, dat die mogelijk ware, ons zou hebben beroofd van de vruchtbaarste en het gemakkelijkst tot ontwikkeling te brengen eilanden.
De enkele critieken op ons artikel verschenen, waren te weinig zaakrijk om ook maar in het minste onze meening te doen wijzigen. Dat het particulier initiatief niet leidde tot het ontginnen der uitnemend geschikte gronden op Seran, zal, behalve in de onbekendheid ermede, ook gelegen zijn in het feit, dat onze handel en nijverheid zich op Java concentreerden en de Molukken dus zoo „ver af” schenen.
Indien echter op Seran eveneens een handelscentrum was gelegen, dan zou toch zeker, bij de snelle ontwikkeling van Australië, een tusschenstation op het verkeer van laatstgenoemd land met Japan en China ontstaan, waardoor noodzakelijk eene vermeerderde ontwikkeling van het verkeer op de verbindingslijnen Molukken-Java, het gevolg zou zijn.
De buitengewone geschiktheid van het eiland Seran tot het vestigen van ondernemingen van allerlei aard, is ook reeds door der zake deskundigen besproken, zooals door:
Teysmann, die het belang van Seran voor cultuur en Europeesche kolonisatie aantoonde;
door Goldman in zijn „Denkbeelden nopens een kolonisatieplan van Seran en Boeroe”;
door Dr. Wassink, die de uitmuntende gezondheidstoestand van Seran en de geschiktheid van het eiland voor een Europeesche kolonisatie vermeldt;
door Scholte, die een voorstel doet om de landverhuizing van Nederland in stede van naar Noord-Amerika, naar Seran te leiden.
Behalve de reeds vermelde uitspraak van den heer Morees over de geschiktheid van den bodem voor cultures en over de aanwezigheid van verscheiden mineralen, zegt ook de natuurvorscher Ribbe, die eenige maanden op Seran reisde: „Der molukkischen Regierung bietet sich in Seran ein weites Feld zur segensreichen Arbeit dar, möge sie nicht versäumen zur rechten Zeit mit gerechtigkeit und Kraft diese Arbeit in Angriff zu nehmen; ein zweites, wenn schon kleineres Java könnte aus Seran entstehen.”
Eene meening, die wij volkomen onderschrijven.
Tot het bedrijven van landbouw zijn de bewoners echter voorloopig ongeschikt en zou men Javanen daartoe moeten invoeren; daarentegen zijn zij uitmuntend bruikbaar voor houtaankap of zeevisscherij. Het vermelde prachtige hout groeit in de onmiddelijke nabijheid van het strand, zoodat het vervoer daarheen zonder bijzondere hulpmiddelen behoeft te geschieden en weinig kostbaar is. Met verplaatsbare motor-cirkelzagen langs de kust trekkende, zou men vele jaren voldoenden voorraad hout hebben, alleen al in de dadelijke nabijheid der zee.
De kolossale hoeveelheden hout benoodigd voor de Mantsjoerijsche en Japansche spoorwegen, werden b.v. voor een groot deel uit Australië betrokken en nog altijd zal bij de toenemende ontwikkeling van die landen veel hout kunnen gebruikt worden, dat dan toch spoediger en goedkooper van Seran, dan van Australië kan worden geleverd.
Maar zelfs voor eigen gebruik is de aandacht nog niet op dezen rijkdom gevallen en zag men het dwaze verschijnsel, dat voor den bouw der versterkingen op Seran, hout werd aangevoerd uit de Keyeilanden en uit Singapore. Behalve dat het Seransche hout van beter hoedanigheid zou geweest zijn, werden de kosten natuurlijk aanzienlijk daardoor verhoogd!
Zooals reeds gemeld werd, is de vischrijkdom der Moluksche zeeën buitengewoon groot en zou men de kustbewoners, die uitnemend met het zeeleven bekend zijn, zeer goed kunnen bezigen voor de vischvangst in het groot.
Een tweede belangrijke factor hiervoor is, dat men de noodige vaartuigen daartoe plaatselijk en goedkoop kan laten aanmaken. Niet alleen de tot vischvangst zeer geschikte prahoe redi, doch ook de schoeners, die zooals reeds medegedeeld werd, door verscheiden toekangs kunnen worden vervaardigd, eigenen zich goed voor de diepzeevisscherij. Een zeewaardige, geheel uitgeruste schoener van 13 M. lengte, bij 3 M. breedte, kan b.v. geleverd worden voor ± ƒ 600, terwijl de inheemsche prauwen voor 200–300 gulden verkrijgbaar zijn, zoodat het kapitaal, in eene zeevisscherijonderneming gestoken, niet groot behoeft te zijn.
Hem, die de Oeliassers bezoekt, treft het dadelijk, hoe geheel anders, hoe meer Europeesch, de inlandsche maatschappij daar is. De Ambonees voelt zich, behalve door zijn Christendom, ook door zeden en gewoonten nader aan ons Nederlanders en zoekt gaarne onzen omgang. Door zijne goede geestvermogens en leergierigheid is het mogelijk hem goed te ontwikkelen en onder deugdelijke leiding tot een beter staatsburger (naar onze begrippen) op te kweeken, dan ooit mogelijk zal zijn bij Javanen of Sumatranen.
Doch evenzeer zal dit het geval zijn bij het stamverwante ras der Seranners, zoodat een doelmatig bestuur en een sneller beschavingsproces door het ontwikkelen van landbouw, handel en nijverheid, naast onderwijs en zending, van hem een waardevollen medeburger zal maken, die evenals de Ambonees ten zeerste aan Nederland verknocht is en op wien in tijden van gevaar vast gerekend kan worden.
Dat Seran zeer geschikt is voor de teelt van rijst, tabak, koffie, suikerriet, cacao, notemuskaat, kruidnagelen, katoen enz. staat vast;
dat kolen, ijzer, koper, zink en wellicht goud erop aanwezig zijn, is waarschijnlijk;
dat visscherij en handel er kunnen bloeien is te verwachten, terwijl het materiaal voor den huizenbouw er in bijna onbeperkte hoeveelheid aanwezig is.
Moge dit werkje ertoe bijdragen de aandacht van het Nederlandsche kapitaal op Seran te vestigen, doch in ieder geval geve de Nederlandsch-Indische Regeering het voorbeeld, door den bestuurszetel naar Wahaï te verplaatsen en, indien van het particulier kapitaal niets te verwachten is, door zelf de hand aan den ploeg te slaan en door immigratie van Javanen voor den rijstbouw, zoowel als door mijnexploitatie, Seran tot eene bron van welvaart te doen worden. Bij volharden in het status quo geeft men jaarlijks eene geldsom uit, die in de toekomst een allerbelangrijkst renteloos kapitaal zal vormen, vrijwel onnut uitgegeven, terwijl de geldsom, besteed aan ontwikkeling door immigratie, bij zekere kans van slagen, hare hooge renten zal afwerpen.
Maar hiertoe is noodig, dat de oude vlag met het Nederlandsche devies „penny wise and pound foolish” gestreken en in hare plaats geheschen worde de banier met de in waarheid oud-Hollandsche, doch wel eens wat vergeten zinspreuk: