WeRead Powered by ReaderPub
Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners cover

Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners

Chapter 12: Codering
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A compact regional study presents the island's physical geography—dune belts, shifting sandbanks, tidal channels, and a limited harbor—while mapping navigable routes and nearby sea-gates. It examines competing theories about the name's origin and recounts medieval and later storm floods that reshaped the coastline and separated neighboring islands. The author surveys former and current villages, notable buildings and infrastructure, population patterns and livelihoods, and offers practical proposals for dyking, land reclamation, and harbor improvement. The work closes with annotations and local observations contributed by island residents.

AANTEEKENINGEN.

I. De Hors is eene 3 à 4 uren lange zandbank, zonder eenige verhevenheid, welke echter door nu nog levende personen, voor het grootste gedeelte met duinen en vruchtbare valleijen bezet, gekend is, zelfs zoo, dat de Oost-Vlielanders in den zomer derwaarts gingen om hooi te winnen, waarvan zij iederen dag slechts één voer (wagenvracht) konden t’ huis halen, wegens den verren afstand en de ongebaanden wegen. (Vergelijk bladz. 10.)

II. De Vlielander zeegaten worden onderscheiden in:

a. Het Eijerlandsche Gat of West-Vlielander Diep.

Hier liggen de algemeen bekende, gevaarlijke Eijerlandsche Gronden1, op wier steenachtigen bodem vele zware rolsteenen of vleuten, benevens zware boomstammen gevonden worden. Naar men wil, zou er op de plaats waar thans de Eijerlandsche gronden liggen, een eilandje, met name de Buitengrind, gelegen hebben. Dit eiland of eilandje, zou oudtijds bewoond geweest zijn, en was de plaats waarop het Romeinsche legerhoofd Drusus een kasteel of sterkte bouwen liet, dat Flevum werd genoemd. In 1590 waren op de Buitengrind nog eenige, van zeer groote steenen gemetselde, putten aanwezig.

b. De Oost-Vlielander zeegaten, tusschen Vlieland en het eiland Terschelling, zijn die gaten, waardoor de vliestroom in de Noordzee vloeit. De voornaamste vaarwaters zijn de Hollepoort en het Nieuwe gat, welke door de Noordergronden van elkander worden gescheiden. (Vergelijk bladz. 10.)

III. De Monnikensloot. Deze liep omstreeks den jare 1285 van Harlingen, voorbij Dijkshorne naar Vlieland. De inwoners van Dijkshorne—sedert eeuwen is deze plaats verdwenen—lagen deze vaart, op last van de Konversen van Ludingakerk aan, ten behoeve van het vervoer hunner goederen, en tevens ten gemakke van de geestelijke broeders van Ludingakerk, die zich langs dezen waterweg naar hunne landerijen en toen reeds bestaande lusthoven of buitenplaatsen begaven. Ten tijde van de Ruiter was de Monnikensloot meermaals het winterverblijf der Nederlandsche oorlogsvloot. (Vergel. bladz. 10, en zie verder Aant. VI.)

IV. Oud-Stortemelk en Nieuw- of Noorder-Stortemelk, beide zeegaten tusschen Vlieland en Terschelling.

a. Eerstgenoemd zeegat, het gemakkelijkste vaarwater tusschen beide genoemde eilanden, werd omstreeks het midden der 18de eeuw voor het eerst betond. Het loopt in eene westelijke rigting, tusschen Vlielands noordkust en de zandbank de Schol.

b. Het andere zeegat, ook de Slenk of het Tweede zeegat geheeten, loopt tusschen de Hollepoort en Oud-Stortemelk door. Dit vaarwater vooral, eischt zeer bekwame loodsen. Het niet naauwkeurig waarnemen der watergetijden, zou een hier binnenvallend vaartuig ongetwijfeld in groot gevaar brengen van tegen de droogten aangezet te worden door den stroom, die bij voorvloed dwars over het gat valt. (Verg. bladz. 10.)

V. Grind, oudtijds Grijnde, en thans ook wel Griend genoemd, was in vorige eeuwen een eiland in de Zuiderzee, grenzende ten Noorden aan de West-Meep, ten Oosten aan de Oost-Meep, ten zuiden aan de Oude Jetting, en ten Westen van den Vliestroom en aan de Nieuwe Jetting.

Dit eiland, dat eertijds aan het klooster van Lidlum behoorde, en van een door de kloosterbroeders gesticht vlek, met name Grind of Grijnd, zijnen naam ontleende, was vooral door eene hoogere ligging, langer dan het omgelegen land, bestand tegen de inbraken der Noordzee, doch moest eindelijk bij den geduchten stormvloed van 14 December 1287, gelijk bevorens reeds zooveel lands bewesten de Friesche kust, ook eene prooi der golven worden: het werd bijkans geheel verwoest. Het op dit eiland gestichte vlek, Grind, dat volgens de oude oorkonden, ten jare 1222 door Sijard Siersma, den vierden Abt van Lidlum, met wallen en grachten in eenen verdedigbaren staat werd gebragt, werd ten bovengenoemde tijde (14 Dec. 1287) grootendeels verwoest, zoodat er slechts een tiental woningen overbleven. De kerk stortte in; de school, welke door de kloosterbroeders van Lidlum gesticht was, om de jeugd in kunsten en wetenschappen, en zelfs in de godgeleerdheid, te onderwijzen, onderging hetzelfde lot; terwijl al de verdedigingswerken vernield werden.

Het eiland Grind, na den voormelden watervloed van 1287 wel weder boven komende, stond daarna echter zoo zeer bloot aan de schuring van de steeds meer en meer in kracht toenemende uitstroomende slenken of wateren, dat het, naar het schijnt, tot in de 16de eeuw liep, eer het ophield dien omvang te bezitten, welken noodig was om die belangrijke runder-kudde te voeden, van welke men de oudtijds zoo vermaarde Grindsche kaas bekwam. Bij den aanvang der 18de eeuw, stond op dit eiland, waarvan de tegenwoordige Grinderwaard het eenige overblijfsel is, nog een huis, en leverde het nog eenig hooi op. Thans is het reeds sedert lang onbewoond, doch bezit het nog steeds zoodanige hoogte, dat het bij dagelijkschen waterstand niet ondervloeit. Nog in deze eeuw verbleven er eenige konijnen op, van welke de laatsten bij den watervloed van 1825 verdronken zijn. Thans strekt Grind ten verblijve aan eene menigte zeevogels, wier eijeren door de hier omstreeks verkeerende schelpvisschers opgezocht worden. (Verg. bladz. 13.)

VI. Omtrent de veranderingen van het land in deze streken, lezen wij in de Friesche Cronijk het volgende:

„Anno 1222 was het nog Vant Vlie tot aan die Suijderzee geheel Landt; dan, vermits die groote vaerten die daerinne ghegraven worden, heeft die Noordzee sijn ganck en de inbrock daer inghenomen en ghecreghen, ende heeft veel Lands hier ende daer afghenomen, ’t welck alles in die Middelzee weder aengheslaghen is.

Van welke vaêrten men voorts, op 1234, het volgende leest:

„Daer ginck van dit stedeken (Harlingen) eenen schoonen diepen vaert tot aen Vlielant, recht voor Dicxhorne door, ende van daer voort aen het Texel, twelck die Luijnkerksche conversen met hulp van d’inwoonders van Dicxhorne ghemaeckt hadden, opdat se des te gerieffelicker tot malcanderen conden comen, ende hiervan hiet noch een diepte omtrent Vlielant Monckesloot. Want die van Luijnkerck dese tijt een cleijn cloosterken of te wthof op Vlielant hadden staen, daeromme dese vaert principaliek ghemaeckt worde, hoewel nochtans het Gerbrando de abt van Luijnkerck seer mishaeghde, vermits zij so na bij de Noortzee gheleghen was, want dese Gerbrandus doen ter tijt al vreesde, dat naemaels naeghecomen is....... (1395 of 1396) oorsaeke van desen zijn geweest die van Enckelhuijsen, Medemblick, en de principaliek die Sint Olofsche en Luijnkercksche Conversen, die op Wieringen ende Tessel ende op ’t Landt tusschen beijden woonden, want die veel slooten en diepe vaerten omtrent die Eijlanden ghemaakt hadden, terwijlen zij die Landen in haer macht en ghewelt pleghen te hebben, waerdoor die Noortzee zijn inganck ende cracht heeft ghecreghen, zoodat West-Vrieslandt (dat nu Noort-Hollant hiet) niet alleenich van den Hollantschen Graven, maer oock door die Noortzee van ’t andere Vrieslandt ghesepareert ende afgescheijden is”.......

Dese tijd (1395 of 1396) hadde die Noordzee de gaten van het Vlie en Tessel veel wijder ghemaeckt, als zij te voren pleghen te wesen, so datter nu een vrije vaert van die Noortsee voorbij Medemblick ende Enckelhuijsen al tot in de Suijderzee liep, daer te vooren eenen cleijnen sloot alleenich plach tusschen te wesen” (Verg. bladz. 14.)

VII. Van het verstuiven der duinen kan nog gezegd worden, dat o. a. het Oostersche Lid in betrekkelijk weinige jaren tijds, geheel van plaats is veranderd, zoodat van de lijken die in de vorige eeuw van een Engelsch oorlogschip, waarop de pest heerschte, en die voor of bij dat Lid waren begraven nu de beenderen in groote menigte aan de andere zijde, en zelfs reeds op eenigen afstand van dáár, te voorschijn komen. Ook vindt men aan den West-kant, op het Noorderstrand, de verveende of vergane stronken van zware boomstammen, zeker ook afkomstig van vroegere daar aanwezige bosschen. In het midden der duinen is het wrak van een schip blootgestoven. Ook vindt men in de duinen, op eenigen afstand van het strand, schelpen; zoodat men denkt, dat vroeger strand is geweest maar nu duinen zijn. (Verg. bladz. 14.)

VIII. Het Oude-Huizer-Lid, zoo genoemd naar eenige oude gebouwen, die dáár, misschien voor meer dan eene eeuw, gestaan hebben, waarvan tegenwoordig nog de steen en het puin gevonden wordt. „Ik heb,” dus deelde de Heer Kooij, op Vlieland, mij o. a. mede. „Ik heb wel eens hooren spreken van een dorp Opmeer op Vlieland, maar dit is bij de Vlielanders onbekend. Misschien is het deze buurt wel geweest, die naderhand de oude- of oud-huizen is genoemd.” (Verg. bladz. 15.)

IX. De Vallei van Malgom. Deze benaming is eene verbastering van Malaga. Op die plaats strandde een schip, dat van Malaga kwam, daarom Malaga’s vaarder genoemd werd, en aan de strengste quarantaine onderworpen was. De bemanning, welke geene vrijheid had om in het dorp te komen, bouwde daar ter plaatse, ongeveer 1½ uur bewesten Oost-Vlieland, een steenen huisje, dat na hun vertrek daar is blijven staan, en later door de eilanders werd gebezigd, om, als zij eens uit spelerijden gingen, in dat huisje te vertoeven, dat echter onbewoond was, zoodat men zich genoodzaakt zag, zich op zulk een rijtogt van al het noodige te voorzien. Tegenwoordig is ook van dit huisje niets meer over, zelfs de plaats niet meer, waar het plagt te staan, daar de Noordzee ook hier haren verslindenden invloed gelden deed; doch dit gedeelte der duinen heeft den verbasterden naam van Malgom behouden. (Verg. bl. 15).

X. In de laatstvoorgaande 3 jaren zijn hier ter aanwinning van strand en duinen, aan de Oost- en Noordzijde van het eiland hoofden van rijswerk of zinkstukken op het strand tot in zee uitgelegd, die goed effect doen. Aan de oostzijde is daardoor reeds eene vrij groote uitgestrektheid vasten grond aangewonnen, waardoor zelfs het vaarwater, de Sloot, van rigting is veranderd; ook is het Noorderstrand dáár waar de hoofden zijn uitgelegd, merkbaar hooger en breeder geworden. Te bejammeren is het, dat het op Vlieland aan lieden ontbreekt, die zich geheel aan de ontginning der valleijen in de duinen kunnen wijden: wie weet, hoevele bunders grond, die nu woest liggen, anders in vruchtbaar land zouden herschapen worden; immers, indien de verstuiving zooveel mogelijk belet, en er voor goede afwatering kan gezorgd worden. Met kleinere stukken gronds wordt het reeds met goed succes beproefd.

Dat ook hier de tijd eens rozen (vruchten) bare! (Verg. bladz. 15.)

XI. Dat het eiland Texel bij de Romeinen bekend geweest zij, is genoegzaam buiten twijfel; ja, het is zelfs meer dan waarschijnlijk, dat dit volk hier een gewoon verblijf heeft gehouden. De naam en ligging van de voornaamste plaats, op dat eiland, den Burg, schijnt zulks duidelijk aan te toonen, en men wil zelfs met zekerheid weten, dat de Romeinsche veldheer Drusus, de stichter van den oorspronkelijken Burg geweest zij. De tegenwoordige Hervormde Kerk aldaar, staat op een heuvel, vroeger omringd door eene gracht of sloot, de Burggracht geheeten, die eertijds veel breeder schijnt geweest te zijn, en welke heuvel dezelfde moet zijn, waarop Drusus zijne sterkte bouwde. Ook zijn in het begin der vorige eeuw aldaar eenige Romeinsche penningen gevonden, waarvan ik de afbeelding gezien heb; terwijl eene vroeger ontdekte tumulus of begraafplaats, mede als een overblijfsel van de Romeinen beschouwd moet worden; aangezien de daarin gevondene voorwerpen, de duidelijkste sporen van Romeinsche herkomst met zich voeren. Ook heeft men voor eenigen tijd, in eenen voormaligen heuvel op Texel, de Sommeltjesberg geheeten, doch die nu geslecht is, en op kleinen afstand oostwaarts van de Waal lag, eenige Romeinsche oudheden gevonden, bestaande in een aantal metalen huissieraden, waarbij een ketel, in welks binnenruimte een merk, en met kleine letters, de naam Mutufiof; als ook metalen, in elkander sluitende lepels, met den naam Adrianus F.2

Zoo ook worden de Romeinen de stichters genoemd van eene stad welke tusschen de eilanden Texel en Wieringen lag, en Grebbe heette. Wanneer die stad te niet zij gegaan, kan met geene zekerheid bepaald worden: alleen weet men, dat zij in een der groote watervloeden, die er, naar luid der kronijken, in de jaren 350, 533, 695 en 733 hebben plaats gehad, verwoest is.

Deze stad lag ongeveer een half uur gaans Noordwaarts van het eiland Wieringen, aan het tegenwoordige Amsteldiep.

In 1710 was er nog eene groote hoeveelheid muurwerk overig. Omstreeks het midden der 17de eeuw is van daar veel duifsteen opgevischt, en naar Amsterdam gevoerd, tot fabricering van cement.

De beroemde Nicolaas Witsen was onderrigt dat daarbij veel beeldwerk was gevonden; doch, aangezien er bij de vroegere ontdekking daarvan, niemand tegenwoordig schijnt geweest te zijn, die dit muurwerk met kennis van zaken zoude hebben kunnen beschouwen, ter afleiding van den tijd wanneer, of van de personen door wier bemoeijingen Grebbe gesticht zoude zijn, zoo heeft hij dienaangaande geene nadere inlichtingen kunnen bekomen.

Volgens de nasporingen door Witsen in het werk gesteld, bleek het, dat Grebbe met eenen muur omringd was geweest die aan den Noordkant geheel, en aan de West- en Oostzijden ten deele onder het zand bedolven was; terwijl er aan de zuidzijde der stad sporen ontdekt werden van eene gracht, vóór den muur, waarin twee openingen (welligt uitwateringen) bespeurd werden. Ook ontdekte Witsen nog de grondslagen van een groot gebouw, met eenen voorhof, die door eenen 300 voet langen muur omringd was. (Verg. bladz. 19.3)

XII. Nog heden ten dage kunnen de visschers, ter plaatse waar vroeger West-Vlieland lag, hunne netten niet uitwerpen, zonder eene menigte steenen op te halen, die daar ter plaatse nog liggen als de onderzeesche overblijfselen van het dorp, dat eens eene haven had die vele groote Groenlandsvaarders en andere zeeschepen bevatte. Vele landerijen, om en bij West-Vlieland gelegen, bragten aan de kerk jaarlijks ƒ 364 aan huur of pacht op; behalve nog van de Grie, een ander stuk lands, waarvan jaarlijks ƒ 15 werd ontvangen.

Vele bewoners van West-Vlieland zijn van tijd tot tijd naar Texel vertrokken, voornamelijk naar Oosterend en Oost; misschien ook naar de Koog. Anderen vestigden zich te Oost-Vlieland. Tegenwoordig zijn hier nog namen die vroeger door West-Vlielanders gedragen zijn.

De zoogenaamde Jeneverbuurt, bij het Oude Schild op Texel, is ook gebouwd van de steenen van West-Vlieland, en heeft dien naam ontvangen van het overmatig gebruik van dat vocht, door de werklieden, die daar de steenen aanbragten en verbouwden. Vroeger bestond het uit meer huizen dan thans. Deze mededeeling gewerd mij van den Edel Achtb. Heer Zunderdorp, Burgemeester van Vlieland, door tusschenkomst van den Heer Kooij, aldaar. De Heer Zunderdorp vernam deze bijzonderheid van eenen man, van omstreeks negentigjarigen leeftijd, die nog aan het Oude Schild woont, en wiens moeder eene West-Vlielandsche was. Deze deelde het haren zoon weder bij overlevering mede. (Verg. bladz. 22 onder aan de noot.)

XIII. Zoo dikwijls als de Hollandsche oorlogsvloot bij of onder Vlieland ten anker lag, verbleef de Ruiter aldaar in een groot ruim dubbel heerenhuis, dat voor slechts weinige jaren gesloopt is; naast hetzelve stond een ander groot ouderwetsch gebouw; beiden toonden duidelijk wat dit dorp eenmaal was, voor het door zoovele lotwisselingen tot het verval is geraakt, waarin het thans verkeert. Mogt eenmaal het plan in overweging genomen en ten uitvoer gebragt worden, om, door eene doorgraving van den zoogenaamden Rigchel, eene doorloopende haven te maken, welke de Vliereede met de tegenwoordige haven of met de Sloot vereenigt: Wie weet welke gevolgen dit voor Vlieland’s welvaart zoude opleveren; en zeker zou het voor de menigvuldige koopvaardijschepen eene meer veilige legplaats opleveren, dan de Reede hun tegenwoordig aanbiedt. (Verg. bladz. 25.)

XIV. Ten opzigte van de pogingen tot opdelving der schatten, welke bij het vergaan van the Lutine verloren geraakt zijn, lazen wij dezer dagen, in de Amsterdamsche Courant, de volgende mededeeling:

(Harlingen 19 Julij 1857). „In het jaar 1799 strandde bij Terschelling (?) het Engelsche schip the Lutine, met eene rijke lading, waaronder zich bevonden eene menigte zilveren en gouden munten en staven. Eenige malen werd beproefd uit het wrak, dat diep onder water in het zand was gezonken, iets van de kostbare lading te bergen. Sedert 1843 werd dit niet weder ondernomen, ofschoon men voorzeker houdt, dat er zich nog zeer veel aan waarde in het wrak bevindt. Thans evenwel (zoo schrijft de kommissie uit de deelhebbers in de onderneming op de Lutine aan die deelhebbers) schijnt het regte tijdstip daar te zijn om met vrucht iets op het wrak te beproeven. De bijzondere diepte toch bij en de verlegging der banken waartusschen, het wrak gezonken ligt doet vermoeden, dat het van zand ontbloot is. Wat dit vermoeden versterkt is, dat in het voorjaar zich eene zeeton aan het wrak hechtte die door den visscherman C. Wever met een stuk van het voorschip opgehaald werd.

Nu vernemen wij, dat onlangs den Heer L. Taurel, natuurkundige te Kampen, aangeboden heeft om, tegen aandeel in de bergloonen, te beproeven wat er in dezen mogelijk zij, indien de Kommissie de onkosten voor opdrijving en aanwijzing voor zich neemt. De Kommissie heeft dit aanbod aangenomen, en den Heer Taurel ⅕ in het bergloon toegezegd. Zoodra nu de benoodigde gelden daarvoor gestort zijn, door de deelhebbers, zien wij de hervatting dier onderneming te gemoet. (Vergel. bladz. 27.)

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Scans voor dit boek zijn beschikbaar via de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

  • 2013-11-03 Begonnen.

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
10 strijdt strijd
13 het [Verwijderd]
13 dezit bezit
14 ) ,
14, 15 [Niet in bron] ,
14 West-vlieland West-Vlieland
16 westersche Westersche
n.v.t. [Niet in bron] .
23 huize huizen
25 Presidenf President
26 Eijerlandsbe Eijerlandsche
27 aan [Verwijderd]
27 , .
27 2 3
28 3 4
28 5 6
29 6 7
30 7 8
30 22° 43′ 23″ 5° 3′ 19″
31 [Niet in bron] dag
32, 41 [Niet in bron] )
32 bekende bekenden
32 geeft [Verwijderd]
37 Harlngen Harlingen
37 . ,
38 Mallaga Malaga
38 plaaste plaatse
40 ) [Verwijderd]
42 [Niet in bron]

1 De Noordelijkste uithoek van Eijerland, dat vóór ruim twee eeuwen een eiland op zich zelven was, doch sedert met Texel is vereenigd, draagt den naam van het Engelsche Kerkhof. Het erlangde dien naam vanwege het groot aantal schipbreukelingen dat hier den dood vond en begraven werd. Geen wonder, voorwaar! zoo men van Engelsche zeelieden, over Eijerland sprekende, meermaals hoort zeggen: „Damm Egg Island!

2 Zie onze beschrijving van het eiland Texel en zijne Bewoners, bladz. 41. Een paar jaar geleden vond men elders op Texel Spaansch geld.

3 Zie: Het Eiland Wieringen en zijne Bewoners, door F. Allan, Amsterdam, Weijting (bladz. 9–11.)