WeRead Powered by ReaderPub
Het Esperanto in Twintig Lessen cover

Het Esperanto in Twintig Lessen

Chapter 17: Vertaling:
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een praktisch zelfstudie- en schoolleerboek in twintig lessen dat stapsgewijs Esperanto introduceert: het alfabet met speciale letters en tweeklanken, fonetische uitspraak en klemtoonregels, en de basisgrammatica — lidwoord, zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord, werkwoordsvormen en bijwoorden — met vaste uitgangen (o, a, i, e) en meervoudsregels. Het behandelt woordvorming met voor- en achtervoegsels, biedt oefeningen en korte leesoefeningen, en bevat toelichtingen en vergelijkingen met het Nederlands plus pedagogische opmerkingen om zelfstandig leren te ondersteunen.

Het Esperanto in twintig lessen.

Het Alphabet.

Vorm Naam Uitspraak.
A a a als de lange a in dagen.
B b bo als in ’t Nederlandsch.
C c co als ts in plaatsen.
Ĉ ĉ ĉo als tsj in ’t Nederlandsch.
D d do als in ’t Nederlandsch.
E e e als de lange e in beer.
F f fo als in ’t Nederlandsch.
G g go als een zachte k met keelgeluid in zakdoek.
Ĝ ĝ ĝo als dzj in ’t Nederlandsch.
H h ho als in ’t Nederlandsch.
Ĥ ĥ ĥo als ch in lachen.
I i i als de lange i in titel.
J j jo als in ’t Nederlandsch.
Ĵ ĵ ĵo als zj in ’t Nederlandsch.
K k ko als in ’t Nederlandsch.
L l lo idem.
M m mo idem.
N n no idem.
O o o als de lange o in oor.
P p po als in ’t Nederlandsch.
R r ro idem.
S s so idem.
Ŝ ŝ ŝo als sj in ’t Nederlandsch sjouwen.
T t to als in ’t Nederlandsch.
U u u als oe in koe, goed.
V v vo als w ongeveer in ’t Nederlandsch.
Z z zo als in ’t Nederlandsch.
Aŭ, tweeklank, als au in ’t Nederlandsch pauw.
Eŭ, idem als eeu idem spreeuw.

Zooals men ziet mist het Esperanto Alphabet de letters ij, q, w, x en y, welke niet gebruikt worden, doch heeft het méér de letters:

ĉ in ĉevalo, spreek uit tsjeewaaloo.
ĝ in ĝardeno, spreek uit dzjaardeenoo.
ĥ in ĥemio, spreek uit cheemieoo.
ĵ in ĵaŭdo, spreek uit zjaauwdoo.
ŝ in ŝerci spreek uit sjeertsie.

Esperanto is phonetisch, d.w.z. iedere letter heeft haar eigen bepaalde klank en wordt dus door slechts één letterteeken voorgesteld.

De klinkers a, e, i en o worden dus altijd uitgesproken met zachtlangen klank, bijv.: aglo, spreek uit aagloo = arend; eble, spreek uit eeblee = mogelijk; vintro, spreek uit wientroo = winter; ovo, spreek uit oowoo = ei; terwijl u den oe-klank heeft als bulo, spreek uit boeloo = bol.

Aanmerking: In ’t gebruik worden deze klanken in gesloten lettergrepen iets korter uitgesproken en komen dan overeen met de uitspraak in onze woorden pad, pet, pit en pot.

De klemtoon valt altijd op den vóórlaatsten lettergreep, bijv.: patro = vader; ĉevalo = paard; soifo = dorst; hodiaŭ = heden.

Bij samengestelde woorden valt de klemtoon op elken vóórlaatsten lettergreep van de samenstellende deelen, bijv. kuracistedzino = de vrouw van een geneesheer.

Het afbreken van woorden aan het eind van een regel kan naar willekeur geschieden, doch de ondervinding beveelt aan, de woorden alléén af te breken na’n woorddeel, dus bijv. na het stamwoord of na de samenstellende deelen, bijv.: esper-anto, pa-rol-an-ta, ferm-il-aro.

Eerste Les.

Het Lidwoord.

Het eenige lidwoord in ’t Esperanto is la, onverschillig voor welk geslacht of getal: la patro = de vader, la patrino = de moeder, la infano = het kind, la patroj = de vaders.

Ons onbepaald lidwoord een (’n) blijft onvertaald, dus: een of ’n vader = patro, een of ’n kind = infano.

Aanmerking: In gedichten ter verkrijging van de dichtmaat en soms wel in de schrijftaal, wordt ook wel l’ gebruikt, doch in het laatste geval maar alléén na voorzetsels met een klinker op ’t eind.

Het Zelfstandig Naamwoord.

Een zelfstandig naamwoord (z.n.w.) is de naam van een werkelijke zelfstandigheid of van datgene, wat als een zelfstandigheid wordt voorgesteld.

Al zulke woorden eindigen in ’t Esperanto op o, als: tablo = tafel, patro = vader, rimedo = middel, espero = hoop.

Het meervoud wordt gevormd door toevoeging van j achter den uitgang o, als tabloj = tafels, patroj = vaders, rimedoj = middelen, infanoj = kinderen.

Het Bijvoeglijk Naamwoord.

Het bijvoeglijk naamwoord (bijv. n.w.) drukt een hoedanigheid of een kenmerk van een zelfstandigheid uit en gaat in ’t Esperanto altijd uit op a.

Het krijgt tevens dezelfde uitgangen als het z.n.w., bijv.: bona patro = een goed vader, bonaj patroj = goede vaders, bela arbo = een mooie boom, belaj arboj = mooie boomen.

Het Werkwoord.

Een werkwoord (w.w.) is een woord, dat ’n werking, handeling enz. uitdrukt, als: loopen, ontvangen, schrijven.

Wij liepen komt van loopen. Hij ontving komt van ontvangen. Hij had geschreven komt van schrijven.

Deze vormen loopen, ontvangen, schrijven, waarbij alleen de werking wordt uitgedrukt, zonder dat feitelijk eene werking verricht wordt, noemt men de onbepaalde wijs van ’n werkwoord. Deze onbepaalde wijs gaat in het Esperanto altijd uit op i.

De tegenwoordige tijd der aantoonende wijs (welke later zal verklaard worden) eindigt voor alle personen, zoowel enkel- als meervoud, op as, bijv.: la knabo batas = de knaap slaat, la knaboj batas = de knapen slaan.

Het Bijwoord.

Zooals een bijv. n.w. een bijzonderheid aanduidt van een zelfst. n.w., zoo duidt een bijwoord ’n bijzonderheid aan van ’n werkwoord en gaat altijd uit op e.

Het heeft niet, zooals een bijv. n.w., een meervoudsuitgang, bijv.: kanti = zingen, bele kanti = mooi zingen, kuri = loopen, rapide kuri = vlug loopen.

Een bijwoord kan ook een bepaling zijn van ’n bijv. n.w. of van een ander bijwoord, doch nooit van ’n zelfst. n.w., bijv.; even mooi zingen = same bele kanti.

Woordvorming.

Het Esperanto bestaat uit ± 2000 stamwoorden, welke voor het meerendeel zijn genomen uit de moderne talen, en waarvan de andere woorden gevormd worden.

Voor de woordvorming bedient men zich in ’t Esperanto van voor- en achtervoegsels. In iedere les zullen hiervan een paar behandeld worden. Als eersten volgen hier:

Het voorvoegsel mal- en het achtervoegsel -in.

Mal drukt uit het tegenovergestelde van wat het stamwoord zegt, bijv.: bona = goed, malbona = slecht; bela = mooi, malbela = leelijk; juna = jong, maljuna = oud; amiko = vriend, malamiko = vijand.

In(o) duidt het vrouwelijk geslacht aan van het stamwoord, bijv.: patro = vader, patrino = moeder, frato = broeder, fratino = zuster.

Leer de volgende woordjes van buiten:

familio familie
avo grootvader
patro vader
filo zoon
frato broeder
nepo kleinzoon
onklo oom
nevo neef (kind v. broer of zuster)
kuzo neef (kind v. oom of tante)
fianĉo verloofde
edzo echtgenoot
viro man
homo mensch
sinjoro mijnheer, heer
knabo knaap, jongen
fraŭlo jongman
infano kind
parenco bloedverwant
societo gezelschap
amiko vriend
najbaro buurman
servisto dienaar, bediende, knecht
azeno ezel
granda groot
bona goed
juna jong
gaja vroolijk
feliĉa gelukkig
kontenta tevreden
esti zijn
povi kunnen
legi lezen
skribi schrijven
devi moeten
veni komen
kanti zingen
ludi spelen
kuri loopen
al naar, aan
en in
sur op
sub onder
de van
kun met
dum gedurende, terwijl
kaj en

Vertaling:

Patrino, filino, fraŭlino, avino, nepino, onklino, edzino, virino, patroj, filoj, infanoj, patra, patrina, infana, malkontenta.

Vertaal in Esperanto:

Verloofde (vr.), oud, slecht, mevrouw, leelijk, nicht, juffrouw, droevig, tante, meisje, buurvrouw, ongelukkig, klein.

Vertaling:

La edzo legas, la edzino skribas. La infano ludas kaj kuras. La kuzino kantas bele. La bona patrino. La fraŭlino skribas al la amikino. La amikino estas malgaja. La juna fraŭlino ludas kun la infanoj de la najbaro. La knabo estas malkontenta. La avo skribas al la amiko. La avo kuras. La juna infano estas malgranda. La amiko skribas bele. La maljuna viro estas malfeliĉa. La malbona najbaro kuras kun la juna infano de la nevo. En la familio estas maljuna avo kaj juna knabino. La feliĉaj knaboj kantas, dum la malgajaj amikoj skribas.

Vertaal in Esperanto:

De knaap speelt. De jonge vriendin zingt. De goede tante leest. De juffrouw schrijft. Het kind is tevreden. De nicht speelt en de neef zingt. De vader schrijft aan den zoon. De zuster van de vriendin. De tante van den buurman. De goede grootmoeder van het jonge kind. De broeder van den jongen buurman is gelukkig. De familie is groot. De vader is gelukkig en tevreden. De vrouw zingt vroolijk, terwijl de man schrijft. De bloedverwanten komen. Het kleine meisje loopt naar de moeder. De dochter van den buurman is een tevreden en gelukkig kind. Een man en eene vrouw zijn menschen.

Tweede Les.

Persoonlijke Voornaamwoorden.

Persoonlijke Voornaamwoorden zijn die woorden, die in de plaats komen van persoons-, dier- of zaaknamen. Zij noemen de zelfstandigheden niet, doch duiden die slechts aan. Het zijn de volgende:

Enkelvoud 1e persoon mi = ik, mij.
2e persoon ci = jij, jou.
3e persoon li = hij, hem.
3e persoon ŝi = zij, haar.
3e persoon ĝi = het (alleen voor zaken en dieren of personen, waarvan het geslacht onbekend is).
Meervoud 1e persoon ni = wij, ons.
2e persoon vi = gij, u.
3e persoon ili = zij (voor alle geslachten).

Verder heeft men het onbepaalde en onveranderlijke voornaamwoord oni = men, en een wederkeerig voornaamwoord si = zich; beiden voor den 3en persoon.

Aanmerking: ci = jij wordt zelden gebruikt; meestal gebruikt men den beleefdheidsvorm vi ook in het enkelvoud.

De ontkenning.

Om een ontkenning uit te drukken gebruikt men in het Esperanto het woordje ne, dat neen of niet beteekent. Dit wordt altijd vóór het werkwoord geplaatst, dus niet zooals in ’t Nederlandsch, waar dit dikwijls achteraan komt, bijv.: ik loop niet = mi ne kuras; de knaap leert niet = la knabo ne lernas.

Vragende Zinnen.

Vragende zinnen worden gevormd, door het woordje ĉu vóór aan den bevestigenden zin te plaatsen, dus ook weer niet zooals in ’t Nederlandsch door omzetting van den bevestigenden zin, bijv.:

bevestigend: de vader komt = la patro venas.
vragend: komt de vader? = ĉu la patro venas?

Bij zinnen, welke reeds met een vragend woord beginnen, is ĉu natuurlijk overbodig; bijv. zinnen, die beginnen met de vragende woorden wie, wat, welke, hoe, wanneer, waar.

Bijv.: Wie loopt daar? = Kiu kuras tie?
Waar zijt gij? = Kie vi estas?

Voorvoegsels bo- en ge-.

Bo- duidt aan verwantschap door het huwelijk, bijv.: patro = vader, bopatro = schoonvader; frato = broeder, bofrato = schoonbroeder of zwager.

Ge- vereenigt de twee natuurlijke geslachten, bijv.: patro = vader, gepatroj = vader en moeder of ouders; frato = broeder, gefratoj = broeder en zuster. De j van gepatroj en gefratoj duidt het meervoud aan.

Leer van buiten:

hundo hond
kato kat
ĉevalo paard
bovo rund
birdo vogel
koko haan
floro bloem
arbo boom
ŝtono steen
sablo zand
ĝardeno tuin
kampo veld, land
vilaĝo dorp
provinco provincie
urbo stad
vetero weder (z.n.w.)
varma warm
kara lief, dierbaar, duur
afabla beminnelijk, vriendelijk
sola alleen
fari doen, maken
kreski groeien
flugi vliegen
tiu die, dat (aanw. v.n.w.)
tiu-ĉi deze, dit (aanw. v.n.w.)
tio dat (zelfst.)
kiu? wie?
kio? wat?
kia? welk?
kiel? hoe?
ĉe bij
sed maar
jes ja
ne neen, niet
nun nu
ĉiam altijd
ankoraŭ nog
ankaŭ ook
hodiaŭ heden, vandaag
baldaŭ spoedig
ho! o! oh!
ĉu duidt vragende zinnen aan; heeft geen bepaalde beteekenis.

Vertaling:

Bopatrino, bofilino, bofratino, geonkloj, geknaboj, geedzoj, gefianĉoj, gesinjoroj, gepatra, kokino, bovino, malkara, malafabla, malvarma.

Vertaal in Esperanto:

Schoonzoon, schoonvader, dienstbode, schoonbroeder, ontevreden, bloedverwanten, kleinkinderen, grootouders, jongens en meisjes, jongelieden.

Vertaling:

La onklinoj legas kaj la infanoj ludas kun la hundo kaj la kato. La urbo estas granda kaj bela. La vilaĝo estas malgranda. La ĝardeno ne estas granda kaj bela. En la ĝardeno kreskas belaj floroj kaj grandaj arboj. En la urbo estas ĝardeno. La birdoj flugas en la ĝardenoj kaj kantas sur la arboj. La vetero estas bela kaj varma. La ĉevalo estas sur la kampo. La kato kaj la hundo kuras en la ĝardeno. La vetero ne estas varma hodiaŭ. La knabo ne legas sed skribas. Me venas de la avo kaj mi kuras al la frato. Li estas en la ĝardeno. Vi ne estas granda sed vi estas malgranda. Tiu ĉi hundo estas granda. Tiu homo estas feliĉa. Kiu estas feliĉa? Kiu kuras en la ĝardeno? Kia infano ludas kontente? Kio estas sur la sablo? Kiel estas la vetero? Ĉu la infano ludas kaj kuras? Ĉu la familio estas granda?

Vertaal in Esperanto:

In de stad zijn groote tuinen. In den tuin van de stad groeien schoone bloemen en vliegen vroolijke vogels. Het kind speelt met den hond en de kat. De grootouders zijn gelukkig en tevreden. De kleinkinderen zijn nog jong. De lieve ooms en tantes. De verloofden zijn op het veld. De jongens en meisjes zijn niet droevig maar vroolijk. De dienstbode is niet gelukkig. De hond is een vriend van den mensch. De kat is niet groot maar klein. De paarden en de koeien loopen in het veld. De vogel vliegt. De haan kan ook vliegen1 maar niet zingen. Schoone bloemen en boomen groeien in den stadstuin. Het dorp is niet groot maar mooi. Het weder is heden koud en slecht. Is de moeder jong en schoon? Is het weder heden niet slecht? Zijn de kinderen van de buurvrouw lief? Is zij alleen in den tuin? Zingen wij mooi? Deze kat en die hond zijn van de buurvrouw. Dat kan niet. Wie is tevreden? Welke jongen speelt in den tuin? Wat is schoon? Hoe zingt de vogel?


1 Evenals in ’t Nederlandsch in hij kan vliegen, hij wil schrijven de tijdvorm in slechts één werkwoord wordt uitgedrukt, gebeurt dit ook in ’t Esperanto, dus li povas flugi, li volas skribi.

Derde Les.

Naamvallen.

In onze taal onderscheidt men 4 naamvallen. Naar gelang van den dienst, dien het woord in den zin verricht, zegt men dat het voorkomt in den 1en, 2en, 3en of 4en naamval.

Zoo staat het onderwerp, wat in een zin datgene is, dat de handeling verricht, in den 1en naamval en het lijdend voorwerp, wat datgene is, dat de handeling, door het onderwerp verricht, lijdt of ondergaat, in den 4en naamval.

Deze 1e en 4e naamvalsvorm worden in het Esperanto gebruikt; de 2e en 3e naamval kunnen steeds omschreven worden, de 2e naamval door het voorzetsel de en de 3e naamval door het voorzetsel al.

Ook in ’t Nederlandsch kan de 2e naamval omschreven worden met van en de 3e naamval met aan.

Verder heeft een zin altijd een werkwoord (het gezegde) en kan hij ook verschillende bepalingen (van tijd, plaats, wijze enz.) hebben.

De 4 naamvallen, welke dus een zelfst.n.w. kan hebben, noemt men de verbuiging der zelfst. n.w.

Hieronder volgt voor elk der Nederlandsche geslachten een verbuiging:

Mannelijk.

Enkelvoud. Meervoud.
1e. de vader la patro de vaders la patroj
2e. des vaders
of van den vader
de la patro der vaders
of van de vaders
de la patroj
3e. den vader
of aan den vader
al la patro den vaders
of aan de vaders
al la patroj
4e. den vader la patron de vaders la patrojn

Vrouwelijk.

Enkelvoud. Meervoud.
1e. de moeder la patrino de moeders la patrinoj
2e. der moeder
of van de moeder
de la patrino der moeders
of van de moeders
de la patrinoj
3e. den moeder
of aan de moeder
al la patrino den moeders
of aan de moeders
al la patrinoj
4e. de moeder la patrinon de moeders la patrinojn

Onzijdig.

Enkelvoud. Meervoud.
1e. het kind la infano de kinderen la infanoj
2e. des kinds
of van het kind
de la infano der kinderen
of van de kinderen
de la infanoj
3e. het kind
of aan het kind
al la infano den kinderen
of aan de kinderen
al la infanoj
4e. het kind la infanon de kinderen la infanojn

Men kan elken zin gaan verdeelen—wat men ontleden noemt—in de bovenstaande naamvallen en bepalingen, bijv.: De zoon des vaders geeft den jongen een appel = La filo de la patro donas al la knabo pomon.

Deze zin wordt aldus ontleed: de zoon = la filo = onderwerp of 1e naamval; des vaders (van den vader) = de la patro (duidt op bezit van iets) = 2e naamval; geeft = donas (tegenwoordige tijd van ’t werkwoord geven) = gezegde; den jongen (aan den jongen) = al la knabo (overgang van ’n handeling op ’n anderen persoon) = 3e naamval; een appel = pomon = lijdend voorwerp of 4e naamval.

Bijstellingen.

In ’t Esperanto hebben bijstellingen denzelfden naamval als het zelfst. n.w. waarbij ze behooren, bijv.: Ik ga naar mijn vriend, den dokter = Mi iras al mia amiko, la kuracisto. Ik zie mijn vriend, den dokter = Mi vidas mian amikon, la kuraciston.

Wanneer men iemand aanspreekt, blijft de bijstelling in den 1en naamval, bijv.: Kom, ik wacht u, mijn lieve jongen = Venu, mi atendas vin, mia kara knabo.

Het lijdend voorwerp.

Aangezien in ’t Esperanto veel vrijheid wordt gelaten in den zinsbouw en het lidwoord la altijd onveranderd blijft, zou het kunnen gebeuren, dat men tenslotte niet meer wist wat onderwerp en wat voorwerp in ’n Esperanto-zin was.

Ter vermijding hiervan krijgt het voorwerp (4e naamval) wat we lijdend voorwerp noemen, omdat het de handeling lijdt of ondergaat, als uitgang de letter n.

Vertaalt men dus: De man slaat den jongen, dan kan men dit op de volgende manieren doen:

La viro batas la knabon, óf La viro la knabon batas, La knabon batas la viro, óf La knabon la viro batas.

Men verliest in deze 4 vertalingen noch het onderwerp noch het voorwerp uit het oog.

Moest men evenwel vertalen: La viro batas la knabo, òf La knabo batas la viro, dan kon in beide vertalingen zoowel de jongen als de man slaan.

Veelal wordt in ’t Esperanto de 3e naamval vertaald gelijk de 4e naamval en dus niet omschreven met het voorzetsel al, b.v.: Ik schrijf hem = Mi skribas lin of Mi skribas al li.

Dit is evenwel niet geoorloofd, wanneer er een lijdend voorwerp bij het werkwoord behoort. Alsdan moet de 3e naamval omschreven worden, b.v.: Ik schrijf hem een brief = Mi skribas al li leteron.

Achtervoegsels et en eg.

Et vormt verkleinwoorden, bijv.: knabo = jongen, knabeto = jongetje; filino = dochter, filineto = dochtertje; arbo = boom, arbeto = boompje; flugi = vliegen, flugeti = fladderen.

Eg vormt vergrootingen, bijv.: pluvo = regen, pluvego = stortregen; bela = schoon, belega = prachtig.

Het achtervoegsel eg bij zelfst. n.w. heeft ongeveer dezelfde beteekenis als in ’t Nederlandsch de uitdrukking zeer groot, bijv.: nazo = neus, nazego = zeer groote neus; kapo = hoofd, kapego = zeer groot hoofd.


N.B. In ’t Esperanto wordt de grootte in onderstaande volgorde en wijze uitgedrukt:

zeer groote boom = arbego, groote boom = granda arbo, boom = arbo;

kleine boom = malgranda arbo, zeer kleine boom of boompje = arbeto.


Leer van buiten:

korpo lichaam
haŭto huid (vel)
viando vleesch
parto deel
osto been (algem.)
sango bloed
kapo hoofd
haro haar
vizaĝo wezen (gelaat)
mieno gelaat (de trekken)
brovo wenkbrauw
frunto voorhoofd
okulo oog
orelo oor
vango wang
nazo neus
buŝo mond
lipo lip
dento tand
lango tong
rozo roos
rapida vlug
blanka wit
nigra zwart
bruna bruin
ruĝa rood
verda groen
flava geel
blua blauw
pala bleek
blinda blind
surda doof
havi hebben
rimarki bemerken
vidi zien
aŭdi hooren
aŭskulti luisteren
flari ruiken
gustumi proeven, smaken
iri gaan
diri zeggen
ke dat (voegw.)
se indien
of
nur slechts, maar
ofte dikwijls
tro te, te veel
zelfs (bijw.)
per door middel van, met


Vertaling:

Fileto, infaneto, hundego, birdeto, ĝardeneto, grandega, boneta, belega, malbelega, flugeti, oreleto, okulego.


Vertaal in Esperanto:

Dochtertje, hondje, zeer groote tuin, zeer goed, wimpers (oogharen), snor (lipharen), mondje, zeer groote tanden, zeer kleine tong, neusje.


Vertaling:

La avo estas surda. La vizaĝo de la fraŭlino estas pala; ŝi havas brunajn okulojn kaj ruĝajn harojn. La ĉevalo de la onklo estas granda kaj bruna, ĝi kuras tre bone. La vetero estas hodiaŭ malvarmega. Mi venas de la avo kaj mi nun iras al la frato. Kiu diras, ke la vetero estas bela? Kia birdo ne povas kanti? La bela birdeto, kiun la knabo havas, kantas belege. Mi aŭdas per la oreloj; mi flaras per la nazo. Malgrandaj infanoj havas nazetojn. Mi havas okulojn en la kapo.


Vertaal in Esperanto:

De oude grootvader en de jonge kleinzoon gaan naar de stad. De dochter van den buurman zingt prachtig. Het paard loopt zeer vlug. De kat en de hond zijn geen goede vrienden. Wij hebben prachtig witte, gele en roode rozen in den tuin. Wie loopt snel in den tuin? Het kleine meisje heeft bruine oogen en zwarte haren. Het kind bemerkt, dat het niet alleen is. De wangen van het meisje zijn rood. De zwarte oogen van dien man zijn leelijk. Wie heeft roode haren? Hij heeft bruine tanden in den mond. Hij is blind en kan ook niet loopen. De bek van het paard is zeer groot. Het bloed is in het lichaam en is rood. Op het gelaat ziet men de wenkbrauwen. Een deel van het lichaam bestaat uit (konsistas el) beenderen.