Vierde Les.
Bezittelijke Voornaamwoorden.
De bezittelijke voornaamwoorden drukken, zooals de naam reeds aanduidt, een bepaling van een bezitting uit en worden gevormd van de persoonlijke voornaamwoorden door achtervoeging van a achter die v.n.w.
De uitgang a duidt tevens ook aan, dat ze een bijvoeglijk karakter hebben en dus bij zelfst. n.w. gebruikt worden. Het zijn: mia, cia, lia, ŝia, ĝia, nia, via en ilia.
Ze volgen ook, evenals de bijv. n.w., het zelfst. n.w. in meervouds- en voorwerpsuitgang.
Verder heeft men het bezittelijk bijv. v.n.w. sia, dat alleen dàn gebruikt wordt vóór het naamwoord, indien de bezitting aan het onderwerp van den zin toegekend wordt.
Voorbeelden:
De moeder vergeet haar boek (haar eigen) = La patrino forgesas sian libron.
De moeder vergeet haar boek (van haar dochter) = La patrino forgesas ŝian libron.
De man werkt in zijn tuin (zijn eigen) = La viro laboras en sia ĝardeno.
De man werkt in zijn tuin (van zijn zoon) = La viro laboras en lia ĝardeno.
De jongens spelen met hunne honden (hun eigen) = La knaboj ludas kun siaj hundoj.
De jongens spelen met hunne honden (van hun buren) = La knaboj ludas kun iliaj hundoj.
Zij ziet de kat en haar oogen (haar eigen) = Ŝi vidas la katon kaj siajn okulojn.
Zij ziet de kat en haar oogen (van de kat) = Ŝi vidas la katon kaj ĝiajn okulojn.
Men gebruikt dus sia alleen dàn, wanneer men in het Nederlandsch de woordjes zijn, haar, hun of hunne kan vervangen door zijn eigen, haar eigen, hun eigen of hunne eigene. In alle andere gevallen gebruikt men voor den 3en persoon:
lia voor mannelijk enkelv. persoonsnamen;
ŝia voor vrouwelijk enkelv. persoonsnamen;
ĝia voor dieren of zaken enkelvoud;
ilia voor alle gevallen voor het meervoud.
Men moet hierbij wel bedenken, dat sia steeds het onderwerp van denzelfden zin als bezitter aanwijst. Het mag dus niet gebruikt worden, als een deel van het onderwerp zelf of als het onderwerp van een anderen zin, bijv.:
De vader en zijn (eigen) zoon komen = La patro kaj lia filo venas. Hierbij is het een gedeelte van ’t onderwerp.
De vader is hier; zijn (eigen) zoon komt ook spoedig hier = La patro estas tie-ĉi; lia filo ankaŭ baldaŭ venos1 tie-ĉi. Hierbij is lia filo het onderwerp van een anderen zin en mag daarom niet met sia vertaald worden.
Vervolg voorwerps n.
Behalve het reeds genoemde lijdend voorwerp krijgen ook nog een n:
1e. De naam der plaats, naar welke de handeling gericht is, bijv.: Ik ga naar Brussel = Mi iras Bruselon.
2e. De bepaling van tijd en de datum, bijv.: Hij komt Donderdag = Li venos1 ĵaŭdon. Hij komt den 6en April = Li venos1 la sesan tagon de aprilo.
Aanmerking: Het woord tagon wordt meestal weggelaten. Is deze bepaling van tijd of datum het onderwerp van ’n zin, dan vervalt natuurlijk de n, bijv.: La sesa tago de aprilo estos1 bela tago.
3e. De bepaling, die den duur eener handeling aanduidt, bijv.: Ik blijf drie dagen = Mi restas tri tagojn.
4e. De bepaling van maat, prijs of gewicht, bijv.: Het boek kost drie gulden = La libro kostas 3 guldenojn. De toren is 50 meter hoog = La turo estas alta 50 metrojn. Dat brood weegt 2 pond = Tiu pano pezas 2 funtojn.
Aanmerking: In deze 4 bovengenoemde gevallen is men evenwel niet verplicht den uitgang n te gebruiken, omdat deze uitdrukkingen door een voorzetsel kunnen omschreven worden en men na een voorzetsel geen n plaatst. Men kan dus ook zeggen:
2. Li venos je ĵaŭdo. Li venos je la sesa de aprilo.
3. Mi restas dum tri tagoj.
4. La libro kostas po tri guldenoj. La turo estas alta je 50 metroj. Tiu pano pezas po 2 funtoj.
Alleen dàn voegt men na een voorzetsel een n achter het zelfst. n.w., als er in den zin eene beweging wordt aangeduid in de richting naar het doel en deze richting niet altijd dadelijk duidelijk is, bijv.: de kat springt op de tafel wordt vertaald: La kato saltas sur la tablo.
Nu heeft deze zin twee beteekenissen, n.l. dat de kat op de tafel is en daarop rondspringt, òf dat de kat van den grond op de tafel springt en dus in dezen zin een richting aanwezig is. Zonder de richtings n zou verwarring kunnen ontstaan en schrijft men dus voor het laatste geval: La kato saltas sur la tablon.
Alleen achter de voorzetsels al = naar en ĝis = tot wordt nimmer een richtings n geplaatst, aangezien deze voorzetsels reeds voldoende een richting aangeven.
Aangezien de voorzetsels de en el nooit eene richting náár iets kunnen aanduiden, worden zij ook nimmer door de richtings n gevolgd.
Achtervoegsels an en id.
An(o) duidt aan een bewoner, aanhanger, genoot of lid, bijv.: Parizo = Parijs, Parizano = Parijzenaar; Kristo = Christus, Kristano = Christen; domo = huis, domano = huisgenoot; klubo = klub, klubano = lid der klub.
Id(o) duidt den afstammeling of het jong aan, bijv.: reĝo = koning, reĝido = prins (vorstenzoon); ĉevalo = paard, ĉevalido = veulen; koko = haan, kokido = kuiken.
Leer van buiten:
Vertaling:
Urbano, provincano, varmega, malvarmega, kapego, nazego, manego, vilaĝano, malforta, fortega, malrapida, mallonga, malvera, mallaŭte, rideti, ridegi, bovido, reĝido.
Vertaal in Esperanto:
Handje, klauw, poot, spreken, rechtsche, linksche, weinig, baard (wangharen), kalf, kuiken, veulen, prinses.
Vertaling:
La maljuna virino estas blinda kaj iras kun sia nepo. La avo skribas al siaj parencoj, ke ili devas veni. La vilaĝano iras al la urbo. La patrino parolas gaje kun sia amikino, kaj la infanoj ludas kontente kun la hundo kaj la kato. Nia korpo konsistas el la kapo, la trunko (romp) kaj la membroj. Ni havas du okulojn por vidi, unu nazon por flari, unu buŝon por paroli kaj du orelojn por aŭdi. En nia buŝo ni havas dentojn kaj langon. La birdego havas ungegojn. Ni havas la koron en la brusto, maldekstre. Tiu malfeliĉa knabo estas kripla, li ne bone povas marŝi. La koloro de miaj haroj estas nigra. La ruĝa koloro de la haroj ne ĉiam estas malbela. Sur la verda kampo kuras multaj ĉevaloj. La knabineto kuras rapide al sia patrino kaj kisas ŝin. La infanoj de la najbaro iras ofte al la urbo. Viaj vangoj estas ruĝaj; ĉu tio estas pro la malvarmo? La ŝtono havas multajn belegajn kolorojn. Kiom estas du kaj kvin?
Vertaal in Esperanto:
De zoon is met zijn vrienden in den tuin van den buurman. Ik geloof niet, dat de zoon van den buurman gelukkig is. Hij is bleek en zijn gelaat is droevig. De moeder leest en het jonge meisje luistert naar haar lieve stem. Wij hebben 4 ledematen: 2 armen en 2 beenen. Wij zien met de oogen en ruiken met den neus. Deze jongen kan niet spreken, hij is stom. Menschen, die niet kunnen spreken en ook niet kunnen hooren, zijn doofstom. De kleur van zijn wenkbrauwen is zwart en van zijn snor wit. Hunne grootouders zijn zeer oud. In den tuin groeien vele bloemen. Wij gaan den tuin in. De tante kust haar nichtje en het kindje schaterlacht. De blinde menschen kunnen lezen door middel van het gevoel. Haar oom en zijn vrouw (echtgenoote) spreken met mijn grootvader en zijn vriend. Mijn vriend is in den tuin, maar ik zie hem niet. Mijne moeder is eene vriendin van uwe tante.
1 De uitgang os wordt later verklaard.
Vijfde Les.
De Telwoorden.
De telwoorden worden onderscheiden in:
1. Hoofdtelwoorden, welke zijn: nulo = 0, unu = 1, du = 2, tri = 3, kvar = 4, kvin = 5, ses = 6, sep = 7, ok = 8, naŭ = 9, dek = 10, cent = 100 en mil = 1000. Deze getallen zijn onveranderlijk.
Met deze hoofdtelwoorden worden alle andere gemaakt, bijv.: 11 = 10 en 1 = dek-unu, 15 = dek-kvin, 20 = 2 x 10 = dudek, 30 = tridek, 125 is 100 en 20 en 5 = cent dudek-kvin, 2345 = 2000 en 300 en 40 en 5 = dumil tricent kvardek-kvin.
Komt aan het eind van een getal ’n hoofdtelwoord te staan, dan wordt dit met het voorgaande verbonden door een streepje. Dit streepje kan weggelaten worden, doch de woorden mogen nimmer aaneen geschreven worden, bijv.: 25 = dudek-kvin òf dudek kvin.
Worden de hoofdtelwoorden als verzamelnamen gebruikt, dan krijgen ze den uitgang o, bijv.: eenheid = unuo, tweetal = duo, drietal = trio, dozijn = dekduo, duizendtal = milo.
Wanneer deze zelfstandig gebruikte hoofdtelwoorden aan een zelfstandig n.w. voorafgaan, dan worden ze steeds gevolgd door het woordje da, bijv.: een dozijn vorken = dekduo da forkoj.
2. Rangtelwoorden, welke bijvoeglijk gebruikt den uitgang a en bijwoordelijk gebruikt den uitgang e hebben.
Bijvoeglijk gebruikt duiden ze een volgorde van iets aan, bijv.: Januaro estas la unua monato kaj decembro la dekdua = Januari is de eerste maand en December de twaalfde.
Bijwoordelijk gebruikt geven ze een opsomming aan, bijv.: La libro ne plaĉas al mi, unue ĝi estas tro granda, due ĝi estas malbela kaj trie, ĝi ne estas Esperanta libro = Het boek bevalt mij niet, ten eerste is het te groot, ten tweede is het lelijk en ten derde is het geen Esperanto boek.
3. Breukgetallen, welke een gedeelte van een eenheid aangeven. Zij worden aangeduid door twee getallen naast elkander, gescheiden door een streepje. Het eerste getal noemt men teller en het tweede noemer. De noemer noemt het aantal gelijke deelen, waarin het geheel is verdeeld en de teller noemt het aantal dier deelen.
Ze worden in ’t Esperanto gevormd van de hoofdtelwoorden door toevoeging van het achtervoegsel on, met o als uitgang voor zelfst. n.w., a voor bijv. n.w. en e voor bijwoorden, bijv.: 1/2 = duono, 1/6 = sesono, 5/8 = kvin okonoj, 9/12 = naŭ dekduonoj.
Zooals men uit de voorbeelden ziet wordt de teller, wanneer hij 1 is, niet genoemd. Is de teller meer dan 1, dan krijgt de noemer den meervoudsuitgang.
4. Vermenigvuldiggetallen, welke gevormd worden door het achtervoegsel obl met den uitgang o, a of e, naar gelang ze zelfstandig, bijvoeglijk of bijwoordelijk gebruikt worden, bijv.: Het drievoud van twee is zes = La trioblo de du estas ses. Een dubbele tong = duobla lango. Ik moet driedubbel betalen = Mi devas pagi trioble.
Herhalingsgetallen maakt men met het woordje foje, wat maal of keer beteekent, bijv.: eenmaal = unufoje, tweemaal = dufoje, enz.
5. Verzamelende telwoorden, welke gemaakt worden met het achtervoegsel op, bijv.; met z’n vieren = kvarope; met z’n zessen = sesope; zij komen met z’n achten = ili venas okope.
Er bestaat verschil tusschen de zinnen: Zij loopen met z’n vieren en Zij loopen met vieren (vier aan vier). In het eerste geval zijn er slechts vier en vertaalt men volgens bovenstaande: Ili marŝas kvarope. In het tweede geval loopen ze bijv. in rijen van vier en gebruikt men bij de vertaling het woordje po: Ili marŝas po kvar.
Het woordje po, dat een voorzetsel is, wordt ook geplaatst vóór een bepaling van maat, prijs of gewicht en wil dan zeggen, dat die maat, prijs of gewicht slechts op één persoon of voorwerp betrekking heeft en kan in ’t Nederlandsch omschreven worden door de woordjes ieder, elk of per stuk, bijv.:
La pomoj kostas po du cendoj = De appels kosten 2 centen (per stuk).
La infanoj ricevas po du pomoj = De kinderen ontvangen 2 appels (elk of ieder).
La ĉevaloj havas po kvar piedoj = De paarden hebben vier pooten (elk).
Eenige voorbeelden van vermenigvuldiging, deeling, optelling en aftrekking.
| 2 × 3 = 6 | du foje tri estas ses. |
| duoble tri estas ses. | |
| du foje tri faras ses. | |
| duoble tri faras ses. |
| 1/2 × 1/3 = 1/6 | duono foje triono estas sesono. |
| duono foje triono faras sesonon. |
| 2/5 × 3/4 = 6/20 | du kvinonoj foje tri kvaronoj estas ses dudekonoj. |
| du kvinonoj foje tri kvaronoj faras ses dudekonojn. |
Men ziet hieruit dus, dat na het w.w. fari de 4e naamval volgt en na het w.w. esti de 1e naamval.
| 8 ÷ 2 = 4 | ok dividita per du faras kvar. |
| ok dividita per du estas kvar. |
| 3 + 4 = 7 | tri kaj kvar estas sep. |
| tri kaj kvar faras sep. |
| 6 - 3 = 3 | ses malpli tri estas tri òf |
| ses sen tri estas tri. |
Leer van buiten:
| vivo | leven |
| morto | dood |
| dormo | slaap |
| vekiĝo | ontwaking |
| sonĝo | droom |
| febro | koorts |
| doloro | pijn |
| mezo | midden |
| metro | meter |
| polico | politie |
| turo | toren |
| ĉirkaŭmano | armband |
| lasta | laatste |
| trankvila | rustig, gerust |
| alta | hoog |
| sana | gezond |
| eterna | eeuwig |
| nova | nieuw |
| doni | geven |
| meti | stellen, plaatsen |
| mezuri | meten |
| trovi | vinden |
| lacigi | vermoeien |
| naskiĝi | geboren worden |
| kuraci | heelen, genezen |
| farti | varen (welvaren) |
| interne | inwendig |
| ekstere | uitwendig |
| supre | boven |
| ĉirkaŭ | rond, rondom |
| almenaŭ | ten minste |
| tre | zeer |
| je | voorzetsel met onbepaalde beteekenis |
Vertaling:
Malsana, malsano, malsaneta, dormegi, kapdoloroj, dormeti, policano, naskiĝo, malalta, malnova, malsupre.
Vertaal in Esperanto:
Met z’n zessen, met z’n achten, met z’n vieren, vier aan vier, twee aan twee, ongesteldheid, 2/5, 3/7, 7/10, 9/20, 1/9, 3/100, 28/400.
Vertaling:
La homo havas dek fingrojn. Duoble tri faras ses. Mi havas du guldenojn, ŝi havas la duoblon. Ni venas okope. Kvardek-ses kaj kvindek-du faras naŭdek-ok. Hodiaŭ estas la naskiĝtago de mia patrino. La turo de nia urbo estas alta sesdek-kvar metrojn. Ŝi ne estas malsana sed ŝi havas ofte kapdolorojn. Ĉu vi diras la veron? La ĉevalo havas grandan ĉevalidon. Sesmil kvarcent kvindek-tri. Ducent sesdek-ok. Ili faras tion sesfoje. Sesoble ok faras kvardek-ok. Kvin naŭonoj kaj tri naŭonoj estas ok naŭonoj. Mi vidas tri arbojn, unue mi vidas grandan arbon, due mi vidas arbegon, kaj trie mi vidas arbeton.
Vertaal in Esperanto: (Alle cijfers in woorden schrijven.)
Hoeveel is 5 × 13? Dat is 65. 5 × 6 = 30; 25 is 1/4 van 100. Zij komen met hun zessen. Dit paard kost 300 gulden. Bij het ontwaken hoor ik de vogels op de boomen. De armband van uwe zuster is zeer mooi. 4258; 392; 8643; 928; 98. Ik zie vele menschen. Duizenden menschen spreken reeds het Esperanto. Het is vandaag (heden) koud. Nu zegt hij mij de waarheid. Zij droomt een schoone droom. De dienstbode plaatst de bloemen op de tafel. Hoe vaart u? Ik maak (het) zeer goed. 9 × 6 = 54; 12 is de helft van 24. Zij komen met z’n zessen. De kinderen loopen vier aan vier. Ik ben de eerste en hij is de derde. Hij moet dubbel betalen.
Zesde Les.
De Tijd, de Datum, de Ouderdom.
Ter aanduiding van den tijd heeft het Esperanto verschillende vormen.
De Nederlandsche zin Het is 3 uur, vertaalt men: Estas la tria horo. ’t Woordje het wordt niet vertaald, terwijl men het woord horo gewoonlijk weg laat en dus alleen schrijft: Estas la tria.
Om nu in ’t Esperanto te zeggen, dat het 3.15 uur is, kan men de volgende manieren volgen:
1e. kan men zeggen, dat reeds 15 minuten of een kwartier van het vierde uur zijn verloopen, dus: Estas kvarono de la kvara, wat woordelijk beteekent: Het is een vierde van het vierde;
2e. kan men zeggen, dat het is 3 uur en een kwartier, dus: Estas la tria kaj kvarono;
3e. kan men zeggen, dat het een kwartier over of na het derde uur is, dus: Estas kvarono post la tria;
4e. kan men zeggen, dat het is 3 kwartier vóór het vierde uur, dus: Estas tri kvaronoj antaŭ la kvara.
De manieren onder 1 en 3 worden meestal gebruikt.
Het voorzetsel om vóór het uur wordt vertaald door je, bijv.: om 2 uur = je la dua; om kwart over 2 = je kvarono de la tria.
Het is 2.20 n.m. (namiddag) zou volgens de 4 bovenstaande manieren vertaald worden:
| Estas dudek minutoj de la tria posttagmeze. |
| Estas la dua kaj dudek minutoj posttagmeze. |
| Estas dudek minutoj post la dua posttagmeze. |
| Estas kvardek minutoj antaŭ la tria posttagmeze. |
Den datum kan men op tweeërlei manier aanduiden. Vraagt men bijv.: Welke datum is het heden? dan kan men dit vertalen door: Kiu dato estas hodiaŭ en Kiun daton ni havas hodiaŭ.
In het eerste geval is kiu dato het onderwerp en in het tweede geval het lijdend voorwerp van den zin (zie de n).
Het antwoord op bovenstaande vraag kan dan zijn bijv.: Hodiaŭ estas la kvara de aŭgusto, òf Hodiaŭ ni havas la kvaran de aŭgusto.
Tusschen het getal en de maand krijgt men altijd het woordje de, wat als voorzetsel geen n na zich heeft.
Hoe oud zijt gij? wordt vertaald alsof er stond: Welken leeftijd hebt gij? en wordt dus: Kian aĝon vi havas?
Het antwoord kan ook weer op twee manieren gegeven worden, bijv.: Ik ben 10 jaar wordt vertaald door: Mi havas dek jarojn, wat woordelijk beteekent: Ik heb 10 jaren, of door: Mi estas dekjara, wat woordelijk beteekent: Ik ben 10-jarig.
Achtervoegsels aĵ en ec.
Aĵ(o) duidt concrete zaken aan, die de eigenschap bezitten door het grondwoord uitgedrukt.
Concreet is datgene wat door de zintuigen kan worden waargenomen, bijv.: mola = zacht, molaĵo = zachtheid (zachte deel van fruit bijv.); amiko = vriend, amikaĵo = vriendschapsbetuiging.
In ’t algemeen kan men dit achtervoegsel omschrijven door het Nederlandsche iets dat .... is, bijv.: bela = schoon, belaĵo = iets dat schoon is; kreski = groeien, kreskaĵo = iets dat gegroeid is (gewas, plant).
Ec(o) vormt abstracte woorden, die de eigenschap bedoelen door het grondwoord uitgedrukt.
Abstract is datgene, dat niet met de zintuigen kan worden waargenomen, bijv.: frato = broeder, frateco = broederschap; sana = gezond, saneco = gezondheid.
De meeste woorden op ec gaan in ’t Nederlandsch op heid of schap uit, doch geen enkele heeft een meervoudsvorm.
Leer van buiten:
Vertaling:
Tage, nokte, tagmezo, saneco, malsaneco, eterneco, novaĵo, matureco, malpura, malpuraĵo, centjaro, blankaĵo, vereco, infaneco, parenceco, amikaĵo, boneco, beleco, bovaĵo, kokaĵo, estaĵo.
Vertaal in Esperanto:
Mannelijkheid, vriendschap, iets schoons, gewas (iets dat groeit), geschrift, gezang, hoeveelste, kinderachtigheid, jonkheid, oudheid, slechtheid, koude, ontevredenheid, zwakheid, vlugheid, ongerust, zuiverheid, oppervlakte (wat van boven is), omstreken, broederschap, vroolijkheid, gerustheid, binnenste (wat waar te nemen is).
Vertaling:
La semajno havas 7 tagojn. Mia fratino havas 19 jarojn (aŭ Mia fratino estas 19 jara). Hodiaŭ estas merkredo. 100 jaroj estas centjaro aŭ jarcento. Kiun daton ni havas hodiaŭ? Kiu tago estos morgaŭ? Hodiaŭ ni havas la dekan (tagon) de la monato. Unu monato estas dekduono de jaro. Unu tago estas tricent sesdek kvinono de jaro. Kioma horo estas nun? Estas la dua; kvarono de la tria; kvarono post la dua; duono de la tria; tri kvaronoj de la tria; tri kvaronoj post la sesa; kvarono antaŭ la sepa. Kian aĝon vi havas? Bonan tagon, bonan vesperon. Januaro estas la unua monato de la jaro kaj decembro la dekdua. Nokte la policanoj en Parizo iras duope. Somere je la tagmezo estas ofte tre varma. La kiso estas amikaĵo. Mi amas la ĉirkaŭaĵojn de tiu urbo. Ni komparas la belecon de la printempo kun tiu de la aŭtuno.
Vertaal in Esperanto:
Een dag is het zevende deel van een week. Hoe laat (om welk uur) komt (venos) uw zuster? Den 13en Augustus kom (venos) ik bij u en blijf (restos) 3 dagen. Den hoeveelsten is het vandaag? (vertaal als: Welken datum hebben wij vandaag?) Hoe oud is uw broeder? Hij is 16 jaar. De vriendschapsbetuigingen van dien man zijn onwaar. De jonkheid is altijd gelukkig en vroolijk. De rustigheid van de omstreken van deze stad is zeer aangenaam in den zomer. De oppervlakte van dien steen is wit. Des daags moeten wij werken, ’s nachts kunnen wij slapen. ’s Zomers is het weder dikwijls zeer warm, in den winter zeer koud. Het is vandaag te koud voor (laŭ) het seizoen. In den zomer zijn de boomen groen. De 31e December is de laatste dag van het jaar. Een uur heeft 60 minuten en een minuut heeft 60 seconden.
Opmerking: Waar wij den tegenw. tijd van een werkwoord gebruiken, terwijl we over een handeling of werking in de toekomst spreken, gebruikt men in ’t Esperanto den toek. tijd, bijv: Ik kom morgen = Mi venos morgaŭ.
Zevende Les.
De Werkwoorden.
In de 1e les hebben we de onbepaalde wijs der werkwoorden reeds geleerd; deze gaat altijd uit op i.
Ook kennen, we reeds den tegenwoordigen tijd, welke uitgaat op as.
Dit noemen we de tegenwoordige tijd van de aantoonende wijs, omdat deze een handeling aanduidt, die werkelijk geschiedt. Is een handeling voorbij of afgeloopen, dan noemt men dit den verleden tijd en moet een handeling nog geschieden, dan heet dit de toekomende tijd.
De verleden tijd gaat in Esperanto altijd uit op is.
De tegenwoordig toekomende tijd gaat altijd uit op os.
De verleden toekomende tijd of voorwaardelijke wijs, welke een voorwaarde aanduidt, gaat uit op us.
De gebiedende wijs, welke een bevel, wensch, wil, begeerte, noodzakelijkheid, verdienste of verplichting uitdrukt, gaat uit op u.
Deze uitgangen zijn voor alle personen enkel- en meervoud altijd dezelfde.
Vervoegen we dus het werkwoord lerni = leeren, dan krijgen we de onderstaande vormen:
Onbepaalde wijs: lerni = leeren.
Aantoonende wijs, tegenwoordige tijd:
| mi lernas | = ik leer; |
| vi lernas | = gij leert; |
| li, ŝi, ĝi, oni lernas | = hij, zij, het, men leert; |
| ni lernas | = wij leeren; |
| vi lernas | = gij leert; |
| ili lernas | = zij leeren. |
Aantoonende wijs, verleden tijd:
| mi lernis | = ik leerde of ik heb geleerd; |
| vi lernis | = gij leerdet of gij hebt geleerd; |
| li, ŝi, ĝi, oni lernis | = hij, zij, het, men leerde of heeft geleerd; |
| ni lernis | = wij leerden of wij hebben geleerd; |
| vi lernis | = gij leerdet of gij hebt geleerd; |
| ili lernis | = zij leerden of zij hebben geleerd. |
Aantoonende wijs, tegenwoordig toekomende tijd:
| mi lernos | = ik zal leeren; |
| vi lernos | = gij zult leeren; |
| li, ŝi, ĝi, oni lernos | = hij, zij, het, men zal leeren; |
| ni lernos | = wij zullen leeren; |
| vi lernos | = gij zult leeren; |
| ili lernos | = zij zullen leeren. |
Verleden toekomende tijd, of voorwaardelijke wijs:
| mi lernus | = ik zou leeren; |
| vi lernus | = gij zoudt leeren; |
| li, ŝi, ĝi, oni lernus | = hij, zij, het, men zou leeren; |
| ni lernus | = wij zouden leeren; |
| vi lernus | = gij zoudt leeren; |
| ili lernus | = zij zouden leeren. |
Gebiedende wijs.
| lernu | = leer; |
| vi lernu | = leert; |
| ni lernu | = laten wij leeren. |
Zooals men bemerkt, kan de verleden tijd der aant. wijs ik heb geleerd, juist vertaald worden als ik leerde. Denk in ’t vervolg altijd hieraan, dat in ’t Esperanto het werkwoord hebben als hulpwerkwoord niet bestaat.
Het eenige hulpwerkwoord in ’t Esperanto is esti = zijn.
Achtervoegsels ar, er en ej.
Ar(o) vormt verzamelwoorden, d.w.z. woorden, die een verzameling uitdrukken van een aantal gelijknamige voorwerpen, die tezamen een nieuwe eenheid vormen, bijv.: arbo = boom, arbaro = woud, bosch; homo = mensch, homaro = menschdom, menigte; monto = berg, montaro = gebergte.
Er(o) duidt het kleinste samenstellende deel van een eenheid aan, bijv.: sablo = zand, sablero = zandkorrel; fajro = vuur, fajrero = vonk; polvo = stof, polvero = stofdeeltje.
Ej(o) duidt aan de plaats, die bestemd is voor datgene, wat door het grondwoord uitgedrukt wordt, bijv.: kuiri = koken, kuirejo = keuken (plaats waar gekookt wordt); baki = bakken, bakejo = bakkerij (plaats waar gebakken wordt); preĝi = bidden, preĝejo = kerk (plaats waar gebeden wordt); lerni = leeren, lernejo = school (plaats waar geleerd wordt).
Leer van buiten:
Vertaling:
Homaro, arbaro, ostaro, hundejo, meblaro, fajrero, tualetejo, monero, loĝejo, enirejo, elirejo, preĝejo, manĝaĵo, manĝejo, mallarĝa, malproksima, malriĉa, dometo, ĉambreto, skriboĉambro, dormoĉambro, kastelano, supro, necesaĵo, vasteco, oportuneco, pordego, ŝtonego, spegulego, dentdoloroj.
Vertaal in Esperanto:
Badkamer, hagelsteen, trap, gebit, zandkorrel, speelplaats, onderste verdieping, tusschenverdieping, ontsluiten, naar beneden gaan, wiegje, armstoel (groote stoel), waschgelegenheid.
Vertaling:
Hodiaŭ estas merkredo, hieraŭ estis mardo, morgaŭ estos ĵaŭdo. Hieraŭ mi vizitis vian patrinon kaj morgaŭ mi vizitos la mian. Via nevino diris, ke ŝi venus hieraŭ, sed mi ne vidis ŝin. Mi vidas la knabon, kiu ludas sur la sablo. La knabino kisis sian patrinon. Mia amikino venos morgaŭ. Iliaj geavoj loĝis en la dometo, kiun vi vidas tie. La enirejo de la domo ne estas tre larĝa. Mia frato konstruis tiun ĉi domon. Se la vetero estus bela, ni elirus. Kiu loĝas tie-ĉi? Morgaŭ ni havos la dekduan de februaro. Mi malfermis la fenestron. Mi volis ŝlosi la pordon, sed mi ne havis ŝlosilon. Mi vidis nek mian onklon nek mian onklinon. Metu la seĝon apud la tablon. Ŝlosu la pordon kaj fermu la fenestron. Mi skribus longan leteron al vi. Ni eniru la ĉambron. Kies estas tiu letero? Estas la mia. Sur la tegmentoj ni vidas kamentubojn. En la vilaĝo ne malproksime de mia urbo loĝas mia amikino; mi iros tien la postmorgaŭan tagon. Donu al mi nur unu monereton. La meblaro de tiu ĉi ĉambro estas malnova.
Vertaal in Esperanto:
De ouders en de bloedverwanten kwamen om 8 uur. Wij zullen morgen om tien uur bij u zijn. Wie woont hier? Van wien is dit huis? Van mijne zuster. Zij komen spoedig, zij zullen met hun vijven zijn. Geef den sleutel aan uw zuster, zij moet hedenavond de deur sluiten. Wascht uwe handen, ze zijn vuil. De trap van ons huis is zeer hoog en smal. Ons gebit bestaat uit 32 tanden. De kinderen speelden tot 10 uur op de speelplaats en gingen toen (tiam) naar binnen. Daar het heden zeer warm is, zal ik de vensters openen. Er stond een groote stoel voor (antaŭ) het venster. Indien ik kan, zal ik u morgen om half zes bezoeken. Zullen uw zuster en haar vriendin ook komen? Ja, zij zullen reeds om 5 uur komen. Indien ik om half zes nog niet bij u ben, dan zal ik ook niet meer komen. Dr. Zamenhof werd geboren in het jaar 1859.