Achtste Les.
Voorzetsels.
De voorzetsels drukken verschillende betrekkingen uit tusschen twee zelfstandigheden. Dit kunnen betrekkingen zijn van tijd, plaats, oorzaak, bezit, enz.
De voornaamste voorzetsels zijn:
Woorden door een voorzetsel vooraf gegaan, krijgen geen n zoo ze geen richting uitdrukken.
Indien het moeielijk valt het juist vereischte voorzetsel te kiezen, bezigt men het voorzetsel je, dat een onbepaalde beteekenis heeft. De voorzetsels worden in ’t Esperanto niet zooals in ’t Nederlandsch met onjuiste beteekenis gebruikt. ’t Esperanto gebruikt slechts de voorzetsels in de beteekenis welke ze werkelijk hebben.
De uitdrukking op Maandag mag dus niet vertaald worden door sur lundo, maar door je lundo. Evenzoo om zes uur wordt je la sesa horo.
Na een hoeveelheid gebruikt men het voorzetsel da, bijv.: botelo da vino = een flesch wijn; kilogramo da viando = een kilogram vleesch.
Men lette op het verschil tusschen botelo da vino en botelo de vino. Het eerste beteekent een flesch wijn en het tweede beteekent een wijnflesch.
Wanneer het Nederl. voorzetsel van de beteekenis heeft van uit, dan wordt dit in ’t Esperanto vertaald door el, bijv.: Eén van mijn broeders = Unu el miaj fratoj. Indien het aanduidt uit welke stof iets gemaakt is, of uit welke stof iets bestaat dan wordt het eveneens vertaald door el, bijv.: Het huis is van steen = La domo estas el ŝtono.
Achtervoegsels estr, ist en il.
Estr(o) duidt dengene aan die het hoofd, de chef of de leider is van hetgeen het grondwoord uitdrukt, bijv.:
| ŝipo = schip, ŝipestro = schipper of kapitein. |
| lernejo = school, lernejestro = hoofd der school. |
| urbo = stad, urbestro = burgemeester (van een stad). |
| vilaĝo = dorp, vilaĝestro = burgemeester (van een dorp). |
Ist(o) duidt den persoon aan, die het beroep, het ambacht of de dagelijksche bezigheid uitoefent, door het grondwoord bedoeld, bijv.:
| boto = laars, botisto = laarzenmaker. |
| instrui = onderwijzen, instruisto = onderwijzer. |
| pordo = deur, pordisto = portier. |
| porti = dragen, portisto = drager. |
Il(o) duidt het werktuig aan waarmede men datgene doet, wat het grondwoord uitdrukt, bijv.:
| haki = hakken, hakilo = hakmes, bijl. |
| tranĉi = snijden, tranĉilo = mes. |
| flugi = vliegen, flugilo = vleugel. |
Leer van buiten:
| objekto | voorwerp |
| afero | zaak |
| forno | oven, kachel, fornuis |
| poto | pot |
| pato | pan |
| kaldrono | ketel |
| kaserolo | stoofpan |
| kruĉo | kruik |
| pleto | schaal |
| plado | schotel |
| supujo | soepkom |
| telero | bord |
| forko | vork |
| kulero | lepel |
| kesto | kist |
| funto | pond |
| akra | scherp |
| plata | vlak, effen, plat |
| plena | vol |
| kapabla | bekwaam |
| utila | nuttig |
| resti | blijven |
| balai | vegen |
| ŝoveli | scheppen |
| tranĉi | snijden |
| tondi | knippen |
| haki | hakken |
| segi | zagen |
| falĉi | maaien |
| kudri | naaien |
| gladi | strijken |
| pezi | wegen (zwaar zijn) onoverg. |
| pesi | wegen (gewicht bepalen) overg. |
| pentri | schilderen |
| skulpti | beeldhouwen |
| desegni | teekenen |
| gliti | glijden |
| tiri | trekken |
| preni | nemen |
| lasi | laten |
| teni | houden |
| kovri | bedekken |
Vertaling:
Ĝardenisto, ludilo, flugilo, policestro, balailo, ŝovelilo, tranĉilo, tondilo, hakilo, glitiloj, malakra, malplena, malutila, utilaĵo, utileco, kapableco, manĝilaro, skribilaro, desegnaĵo, skulptaĵo, pentraĵo, florpoto, anstataŭi, balaaĵo.
Vertaal in Esperanto:
Burgemeester (hoofd eener stad), maatstok, geneesheer, kamermeisje, slotenmaker, meubelmaker, kok, keukenmeid, keukenbeheerder, zaag, zeis, naald, naaister, strijkijzer, strijkster, gewicht, zwaar (veel wegend), schilder, beeldhouwer, tang (om te nemen), heft (om te houden), deksel, ontblooten.
Vertaling:
La tranĉilo tranĉas bone, ĉar ĝi estas akra. Antaŭ du tagoj mi vizitis vian patrinon, kaj mia vizito faris al ŝi plezuron. Ĉu vi jam trovis vian teleron? Tiu afero ne tuŝas min. La birdo flugis en la ĉambron, kiam mi malfermis la pordon. Nun ĝi flugas en la ĉambro. Kien (waarheen) vi iras? Mi iras en la ĝardenon. Mi metis la manon sur la tablon. Mi volis havi dekduon da ovoj. La tranĉilo estis tre malakra, mi ne povis tranĉi per ĝi la viandon. La skribilaro estas sur la skribotablo. La servistino metis la manĝilaron antaŭ mi sur la tablon. Mi gratulis mian kuzinon je la naskiĝtago de ŝia patrino. La infanistino eniris kun la infanoj en la ĝardenon. Je malbela vetero oni povas facile malvarmumi. La hundo trakuris la straton. Kiam la ĝardenisto eniris la ĝardenon, li vidis grandan hundon, kiu ludis kun la infano de sia mastro. Tiu ludilo kostas du guldenojn. La birdoj flugas per la flugiloj. La malriĉa virino demandis por paroli kun li. Mi balais la malpuraĵojn sur la planko, kaj nun mi lavos la manĝilaron. La tondisto tondis miajn harojn per la tondilo. Kiam ni vizitis la urbon, ni vidis belajn pentraĵojn. La juna servistino anstataŭos la maljunan, kiu estas nun tro maljuna por labori.
Vertaal in Esperanto:
De burgemeester van onze stad gaat ’s zomers gedurende 3 weken naar het buitenland. De maatstok, welke ik u gegeven heb, heb ik niet meer gezien. De geneesheer zeide mij, dat mijn vader zeer ernstig ziek was (estas) en dat hij geen twee dagen meer zou leven (vivos). Het kamermeisje zal om 2 uur het middageten op de tafel zetten. De keukenmeid kookt het eten op het fornuis in de keuken. Het gewicht van deze koe is 500 pond. De schilder, die het landhuis van mijn oom wil schilderen, kwam gisteravond met den laatsten trein. De broeder van den schilder is een bekwaam beeldhouwer. De kat sprong op de tafel en at van het eten dat de meid daar plaatste. Morgen zullen wij met ons zessen uit de stad gaan. Wij zullen om 7 uur ontbijten en na het ontbijt naar mijn familie buiten gaan en daar den geheelen dag blijven. Indien het weêr niet goed zou zijn, zouden wij ook gedurende den nacht kunnen blijven. Ik hoop dat het weêr (of weder) goed blijft.
Negende Les.
Trappen van vergelijking.
Men kan personen, voorwerpen, enz. met elkaar vergelijken en dan kan men hebben:
1e. dat de personen enz. aan elkaar gelijk zijn. Men noemt dit de vergelijking van gelijkheid en drukt dit in ’t Esperanto uit door de woorden tiel ... kiel = (even) zoo ... als, bijv.: Li estas tiel granda kiel mi = Hij is (even) zoo groot als ik.
Verder kan men de volgende vergelijkingen nog hebben: Zulk een groot huis als dit is, heb ik nog nooit gezien = Tian grandan domon, kia estas tiu ĉi, mi ankoraŭ neniam vidis. Drink zooveel water als gij wilt = Trinku tiom da akvo, kiom vi volas.
2e. dat een persoon enz. een eigenschap in meerdere of mindere mate bezit dan een ander.
Men noemt dit de vergelijking van ongelijkheid of de vergrootende trap, welke wordt gevormd door de woorden pli ... ol = meer ... dan, en malpli ... ol = minder ... dan; bijv.; Hij is grooter (meer groot) dan ik = Li estas pli granda ol mi. Hij is minder groot dan ik = Li estas malpli granda ol mi. Zegt men evenwel: Hij is kleiner dan ik, dan vertaalt men: Hij is meer klein dan ik = Li estas pli malgranda ol mi.
3e. dat een persoon enz. onder een aantal een eigenschap in de hoogste mate bezit, of wel een eigenschap bezit, die de eigenschappen van een aantal anderen overtreft. Dit noemt men de overtreffende trap en wel de betrekkelijk overtreffende trap, omdat die slechts betrekking heeft op een bepaald aantal en wordt gevormd door de woordjes la plej ... el = het meest ... van, of la malplej ... el = het minst ... van; bijv.: Mijn broeder is de grootste van ons = Mia frato estas la plej granda el ni.
Zooals men ziet moeten hiervoor minstens 3 personen, voorwerpen enz. zijn, anders zou men kunnen volstaan met den vergrootenden trap. Wordt dus in ’t Hollandsch de overtreffende trap gebruikt en heeft de vergelijking plaats tusschen 2 personen of zaken, dan wordt in het Esperanto steeds de vergrootende trap gebruikt, bijv.:
Van mijn twee broeders is Piet de grootste = El miaj du fratoj Petro estas la pli granda.
Indien de overtreffende trap een bijwoordelijke beteekenis heeft, dan wordt ’t lidwoord het niet vertaald, bijv.:
Hij schrijft het mooist = Li skribas plej bele.
De volstrekt overtreffende trap wordt gevormd door middel van de woorden tre (zeer) en kiel eble plej = zoo ... mogelijk, bijv.: Mia fratino estas tre bela = Mijne zuster is zeer mooi. Mia frato kuras kiel eble plej rapide = Mijn broeder loopt zoo vlug mogelijk.
Achtervoegsels ing en uj.
Ing(o) duidt het voorwerp aan, waarin men gewoonlijk de zaak, door het grondwoord uitgedrukt, steekt of plaatst. Woorden op ingo vormen die voorwerpen, welke slechts één ding tegelijk, en dan nog maar voor een gedeelte, kunnen bevatten, bijv.: plumo = pen, plumingo = penhouder; kandelo = kaars, kandelingo = blaker, kandelaar; fingro = vinger, fingringo = vingerhoed.
Uj(o) duidt het voorwerp aan, dat datgene inhoudt of draagt, door het stamwoord uitgedrukt, bijv.: sukero = suiker, sukerujo = suikerpot; plumo = pen, plumujo = pennedoosje; pomo = appel, pomujo = appelboom; Belgo = Belg, Belgujo = België.
Aanmerking: Bij namen van boomen gebruikt men ook wel het woord arbo, bijv.: appelboom = pomujo of pomarbo; pereboom = pirujo of pirarbo.
Bij de vorming van landsnamen gebruikt men ook veel het woord lando, bijv.: België = Belgujo of Belglando; Frankrijk = Francujo of Franclando.
Alléén Holland, Groenland, IJsland en Finland moeten worden vertaald Holando, Grenlando, Islando en Finlando, en daarom ook Hollander, Groenlander, IJslander en Finlander door Holandano, Grenlandano, Islandano en Finlandano.
Leer van buiten:
Vertaling:
Karbujo, panujo, supujo, ovingo, ovujo, pirujo, bombonujo, sukerujo, salujo, piprujo, buterujo, cigaringo, cigarujo, malfreŝa, malsata, malavara, ovaĵo, ŝafaĵo, ŝafidaĵo, sukeraĵo, porkido, trinkaĵo, dolĉaĵo, nutraĵo, salero, korktirilo, lignejo, karbero, lerteco, mallerta, lavvazo, skatoleto.
Vertaal in Esperanto:
Varkenshok, kolenhok, kolenbak, houtloods, suikergoed, bakker, vaderland, kandelaar, vingerhoed, appelboom, sigarettenpijpje, honger, varkensvleesch, haardos, jager, stijgbeugel (voor den voet), geldbeurs.
Vertaling:
En la komenco de la printempo la tago estas tiel longa kiel la nokto. Somere la tago estas pli longa ol la nokto, do la nokto estas malpli longa ol la tago. La 21a de junio estas la plej longa tago. Vi estas granda, via frato estas pli granda ol vi, sed mi estas la plej granda el ni. Mi kuris rapide, mia frato kuris pli rapide kaj mia amiko kuris kiel eble plej rapide. Du homoj povas pli multe fari ol unu. Mi metis la panon en la panujon. La manĝilaro estas jam sur la tablo, ankaŭ la salujo, la piprujo kaj la buterujo. Ĉu vi havas vian cigarujon ĉe vi? Mi volis fumi sed mi vidas ke mi ne havas cigarojn ĉe mi. Ĉu ne estas ankoraŭ tempo por la tagmanĝo? Mi estas tre malsata, mi manĝos pli ol hieraŭ. Ni tagmanĝos hodiaŭ je duono de la sesa. La kuvo estas pli granda ol la sitelo. La domo de mia frato estas la plej alta el ĉiuj domoj en la strato.
Vertaal in Esperanto:
Zij zette de flesch en het glas op de tafel. Deze tafel is grooter dan die van mijn broeder. Dit gebouw is hoog, de kerk is hooger, maar de toren is het hoogst. Van mijne broeders ben ik de grootste. Wat loopt het snelst? Ik verlangde den hamer en hij gaf mij de tang. Zoudt gij mij uw mes willen geven, want het is scherper dan het mijne. Het weêr was zoo slecht, dat ik niet kon komen. Zij schrijft mooi, uw zuster schrijft minder mooi, maar uwe vriendin schrijft het minst mooi. Gij loopt vlugger dan uw zuster. De jager ging in den vroegen morgen het bosch in. Ik heb mijn geldbeurs verloren. Ik schroefde het deksel van de kist. Gisteren was het weder schooner dan nu. Geef mij dien vingerhoed. Ik heb hem niet gezien. Hij ging in de houtloods en nam hout mee om het fornuis aan te maken. Ik waschte mijn handen beter dan gij. Het paard loopt het vlugst. Wanneer hebben wij den laatsten dag van de maand?
Tiende Les.
Deelwoorden.
Deelwoorden zijn van werkwoorden afgeleid en stellen de werking voor als een voorbijgaande eigenschap of toestand.
De Nederlandsche taal heeft 2 deelwoorden en wel het tegenwoordig deelwoord, dat de werking of handeling voorstelt als nog voortdurende en het verleden deelwoord, dat de werking voorstelt als afgeloopen.
Het tegenw. deelwoord eindigt in ’t Nederlandsch op d en het verl. deelwoord begint meestal met ge, als: loopen, loopend, geloopen; leeren, leerend, geleerd; slaan, slaand, geslagen; zien, ziend, gezien; vernemen, vernemend, vernomen; begeeren, begeerend, begeerd.
’t Esperanto nu heeft, behalve een tegenw. en een verl. deelwoord, ook nog een toekomend deelwoord, wat wij omschrijven met het woord zullende vóór het werkwoord, bijv.: zullende loopen, zullende leeren, zullende slaan enz.
Verder worden deze 3 deelwoorden onderscheiden in bedrijvende en lijdende deelwoorden.
Bedrijvende deelwoorden hebben altijd betrekking op den persoon, die de werking verricht en worden gevormd van de werkwoorden, door achter den stam te voegen:
| voor den tegenw. tijd de uitgang anta; |
| voor den verl. tijd de uitgang inta; |
| voor den toek. tijd de uitgang onta. |
Lijdende deelwoorden hebben altijd betrekking op den persoon of de zaak, die de handeling lijdt of ondergaat en worden gevormd van de werkwoorden, door achter den stam te voegen:
| voor den tegenw. tijd de uitgang ata; |
| voor den verl. tijd de uitgang ita; |
| voor den toek. tijd de uitgang ota. |
Let wel op de overeenkomst van de uitgangen der deelwoorden met die van de reeds geleerde uitgangen der werkwoorden, n.l.:
| tegenw. tijd uitg. as, tegenw. deelw. uitg. anta of ata; |
| verl. tijd uitg. is, verl. deelw. uitg. inta of ita; |
| toek. tijd uitg. os, toek. deelw. uitg. onta of ota. |
Hieronder volgen de verschillende deelwoorden van het werkwoord bati met de Nederlandsche beteekenis:
| bati | = slaan; |
| batanta | = slaande; |
| batinta | = geslagen hebbende; |
| batonta | = zullende slaan; |
| batata | = geslagen wordende; |
| batita | = geslagen zijnde; |
| batota | = zullende geslagen worden. |
Deelwoorden hebben den bijvoeglijken uitgang a als ze op zelfst. n.w. of voornaamwoorden betrekking hebben, bijv.:
| la falanta ŝtono | = de vallende steen; |
| la falinta ŝtono | = de gevallen steen; |
| la falonta ŝtono | = de steen, die vallen zal; |
| la batata knabo | = de geslagen wordende jongen (de jongen, die geslagen wordt); |
| la batita knabo | = de geslagen zijnde jongen (de jongen, die geslagen werd); |
| la batota knabo | = de jongen, die geslagen zal worden. |
Deelwoorden kunnen ook zelfst n.w. worden en krijgen dan den uitgang o. Deze zelfst. n.w. duiden tevens aan of de persoon, die genoemd wordt, bezig is de handeling te verrichten (anto), of hij de handeling reeds verricht heeft (into) of dat hij deze nog verrichten moet (onto). Voor den lijdenden vorm zijn deze uitgangen resp. ato, ito en oto, bijv.:
| savanto | = iemand die redt, dus ’n redder; |
| savinto | = iemand die gered heeft; |
| savonto | = iemand die zal redden; |
| savato | = iemand die gered wordt; |
| savito | = iemand die gered is; |
| savoto | = iemand die gered zal worden. |
Aanmerking: Men verwarre de beteekenis van den uitgang anto niet met dien van het achtervoegsel isto. Waar isto een beroep of een ambacht te kennen geeft, duidt anto slechts een persoon aan, die een werking of handeling verricht, zonder daarvan een beroep te maken.
Vergelijk: skribisto = beroepsschrijver, skribanto = iemand die schrijft; kantisto = beroepszanger, kantanto = iemand die zingt; hakisto = (hout)hakker van beroep, hakanto = iemand die hakt.
Verder kunnen deelwoorden bijwoordelijk gebruikt worden (met uitgang e) als ze te kennen moeten geven, dat de handeling, die ze uitdrukken, een andere handeling vergezelde, voorafging of volgde, bijv.:
La virino laboras kantante = de vrouw werkt (al) zingende (terwijl zij zingt).
Trovinte pomon, mi ĝin manĝis = Een appel gevonden hebbend, at ik hem op.
Skribonte mi prenis mian plumingon = Zullende schrijven nam ik mijn penhouder.
Vokate, la knabo estis en la ĝardeno = De knaap, geroepen wordende, was in den tuin. (Toen de knaap geroepen werd, was hij in den tuin).
Vokite, la knabo tuj venis = geroepen geworden zijnde, kwam de knaap dadelijk. (Toen de knaap geroepen geworden was, kwam hij dadelijk).
Vokote, la knabo estis jam en la ĉambro = Geroepen zullende worden, was de knaap reeds in de kamer. (Toen de knaap geroepen zou worden, was hij reeds in de kamer).
Wanneer achter de w.w. zien, hooren, voelen, vinden enz. (waarnemingswerkwoorden) in denzelfden volzin een ander werkwoord volgt, dat in den Nederl. zin in de onbepaalde wijs staat, moet dit in ’t Esperanto als deelwoord gebruikt worden, bijv.:
| Ik zag het paard vallen | = Mi vidis la ĉevalon falantan. |
| Wij hoorden hem spreken | = Ni aŭdis lin parolantan. |
| Ik voel den regen vallen | = Mi sentas la pluvon falantan. |
Het brengt eenige moeilijkheid mede of achter dit deelwoord een n geplaatst moet worden of niet.
Neemt men nu eens het voorbeeld:
Ik zag het paard vallen.
Legt men nu den klemtoon op zàg, dan wil het zeggen:
Ik zàg het paard, dat viel.
Legt men den klemtoon op vàllen, dan wil het zeggen:
Ik zag dat het paard viél.
In de eerste beteekenis wordt het vertaald met een n, dus: Mi vidis la ĉevalon falantan, in de tweede beteekenis zonder n, dus: Mi vidis la ĉevalon falanta.
Zooals men dus ziet, wordt het deelwoord gebruikt met een n, wanneer het aangeeft den toestand, waarin, of de omstandigheid, waaronder de persoon of zaak verkeert. Zonder n, wanneer men speciaal de werking aan wil duiden, die de persoon of zaak verricht. Inplaats van het deelwoord zonder n mag men ook de onbepaalde wijs gebruiken. Bijv.: Ik zag hem loopen = Mi vidis lin kuranta, of Mi vidis lin kuri.
De beteekenis is dan dus: ik zag, dat hij liép.
Achtervoegsels ul en ad.
Ul(o) duidt personen aan die het kenmerk bezitten door het grondwoord uitgedrukt, bijv.:
| juna = jong, junulo = jongeling. |
| maljuna = oud, maljunulo = grijsaard, |
| kontraŭ = tegen, kontraŭulo = tegenstander. |
Somtijds heeft ulo ook betrekking op dieren en heel zelden op voorwerpen, bijv.:
| piedo = voet, kvarpiedulo = viervoetig dier. |
| korno = hoorn, kornulo = hoorndier. |
| masto = mast, dumastulo = tweemaster. |
Ad(i of o) drukt uit dat de werking niet als een voorbijgaande, maar als een voortdurende handeling of als een toestand moet worden gedacht, bijv.: paroli = spreken, paroladi = voortdurend spreken (redeneeren), parolado = redevoering; movi = bewegen, movadi = voortdurend bewegen, movado = beweging; progresi = vorderen, progresadi = voortdurend vorderen, progresado = vooruitgang.
Wanneer de onbepaalde wijs van een werkwoord in ’t Nederl. als een zelfst. n.w. gebruikt wordt, dan wordt dit gewoonlijk in ’t Esperanto vertaald door achter den stam van het werkwoord ado te plaatsen, bijv.: Het drinken van zuiver water is gezond = La trinkado de pura akvo estas saniga.
Leer van buiten:
| pano | brood |
| bulko | broodje, kadetje |
| tritiko | tarwe |
| faruno | meel (bloem) |
| pasto | deeg |
| supo | soep |
| kapro | geit |
| ŝinko | ham |
| lardo | spek |
| ansero | gans |
| anaso | eend |
| meleagro | kalkoen |
| kuniklo | konijn |
| leporo | haas |
| fiŝo | visch |
| besto | dier, beest |
| haringo | haring |
| salmo | zalm |
| sardelo | sardine |
| ezoko | snoek |
| legomo | groente |
| ŝanco | kans |
| freŝa | versch |
| ranca | rans |
| franca | fransch |
| flandra | vlaamsch |
| mordi | bijten |
| sorbi | slorpen |
| soifi | dorst hebben |
| drinki | overmatig drinken |
| fumi | rooken |
| baki | bakken |
| boli | koken |
| friti | bakken (braden) |
| rosti | roosteren |
| ĉasi | jagen |
| ŝteli | stelen |
| diferenci | verschillen |
| tamen | nochtans, evenwel |
| uzi | gebruiken |
| tremi | beven |
| verki | schrijven (v. boeken) |
Vertaling:
Junulo, maljunulo, junulino, belulino, feliĉulo, malfeliĉulo, blindulo, riĉulo, malriĉulo, avarulo, ĉasaĵo, terpomo, drinkejo, panisto, ŝtelisto, policejo, kantado, ridado, dormado, parolado, uzado.
Vertaal in Esperanto:
Lieveling, een doove, een slechtaard, jager, drank, drinkebroer, zoetigheid (iets zoets), een rooker, een schrijver, zanger, redder, dief, tarwekorrel, varkensvleesch.
Vertaling:
Mi manĝis la rostitan panon. El la junuloj de mia vilaĝo, la filo de la meblisto estas la plej bela. La maljunulo ekglitis, falis teren, kaj bela knabino helpis lin. La blindulo trovas la vojon per la palpo. Mi trovis lin dormantan sur la kanapo. Mi vidis sitelon starantan en la kuirejo. Mi vidis lin parolantan en la ĉambro. Salutante li foriris. Kiam mi skribas leteron, mi estas skribanto kaj kiam mi verkas libron, mi estas verkisto. Mi ne povis legi la skribitan leteron. La batota knabo estis en la ĝardeno. Mia en Roterdamo loĝanta amiko vizitos min morgaŭ. La konstruita domo estas tre bela. La konstruota domo estos tre alta. La seĝo staris antaŭ la fermita fenestro. Oni povas diri: “mi soifas” kaj ankaŭ “mi havas soifon”. Knabineto, tremanta pro malvarmo, kuris sur la strato. La parolonto venos en la urbon morgaŭ je la sepa vespere.
Vertaal in Esperanto:
Ik hoorde haar zingen (vertaal zingende) in den salon van mijne tante. Ik zie het kind spelen (vertaal spelende). De redder loopt met den geredde. Het brood in de broodbak is niet versch, het is oudbakken. Etende menschen spreken niet veel, slapende menschen spreken nog minder. Op de straat gekomen zijnde, zag ik een vrouw, weenende van de koude. Een bijtende hond. De beminnende moeder loopt met het beminde kind. Groetende kwam hij binnen. De jonge man en de jonge vrouw zijn op het veld, spelende met de kinderen. De ooms en tantes waren in den tuin en spraken over het mooie weder. Zingende kinderen zijn vroolijke kinderen. Brood is een voedsel voor mensch en dier. Hij zal veel geld geven aan de arme kinderen van de groote stad. Wie heeft den man zien loopen? Wie hoorde den jongen lachen? De redevoering was kort maar krachtig. Het voortdurend gezang van mijn buurman, den geheelen dag van den morgen tot den avond, is niet zeer aangenaam voor den hoorder.