Elfde Les.
Samengestelde Tijden.
Tot hiertoe hebben we geleerd de werkwoordelijke uitgangen as, is, os en us. Dit noemt men de uitgangen der enkelvoudige tijden.
Er zijn ook nog samengestelde tijden.
De samengestelde tijden worden gevormd door verbinding van het hulpwerkwoord esti in de enkelvoudige tijden, met de deelwoorden.
Aanmerking: Daar de Nederlandsche taal twee hulpwerkwoorden van tijd heeft, n.l. zijn = esti en hebben = havi, is men zeer dikwijls geneigd ook in ’t Esperanto havi als hulpwerkwoord te beschouwen. Wees dus op uw hoede en gebruik, ook al staat in het Nederl. het werkwoord hebben in verband met een ander werkwoord, steeds het hulpwerkwoord esti = zijn.
Zeg ik bijv.: ik eet = mi manĝas, dan ben ik bezig met eten, dus: ik ben etende = mi estas manĝanta.
Zeg ik: ik at of ik heb gegeten = mi manĝis, dan zegt dit, dat ik nu klaar ben met eten. Gebruikt men nu in ’t Nederlandsch het hulp w.w. zijn, dan wordt het: ik ben gegeten hebbende = mi estas manĝinta.
Zeg ik nu: ik had gegeten, dan zegt dit dat ik op zeker tijdstip, dat voorbij is, reeds klaar was met eten, dus: ik was gegeten hebbende = mi estis manĝinta.
In dit laatste geval hebben we dus feitelijk een dubbelen verleden tijd, want ik spreek over iets in ’t verleden, hetgeen toen al verleden was, zooals:
Toen hij gisteren bij mij kwam, had ik reeds gegeten = Kiam li hieraŭ venis ĉe mi, mi jam estis manĝinta.
Ik vertel dus heden, dat hij gisteren bij mij kwam, en dat ik toen reeds klaar was met eten.
Voor zulke gevallen (dus voor de voltooid verleden tijd) moet men in ’t Esperanto steeds de samengestelde tijden gebruiken.
De voltooid tegenwoordige tijd (ik heb gegeten = mi estas manĝinta) moet alleen dan in den samengestelden tijd gebruikt worden, wanneer men speciaal te kennen wil geven dat een handeling reeds gebeurd is, bijv.: Leeft hij nog? = Ĉu li vivas ankoraŭ? Neen, hij is gestorven = Ne, li estas mortinta.
Deze zelfde regel kan ook in ’t Nederl. toegepast worden. Ik kan evengoed zeggen: Ik at gisteren bij mijn oom, als: ik heb gisteren bij mijn oom gegeten. Hiervoor gebruikt men dus in ’t Esperanto zooveel mogelijk den enkelvoudigen tijd.
Hieronder volgen de samengestelde tijden van het werkw. laŭdi = prijzen.
Bedrijvenden vorm.
| mi estas | ik ben | ||
| vi estis | laŭdanta | gij waart | prijzende. |
| li estos | hij zal zijn | ||
| ŝi estus | zij zou zijn |
| mi estas | ik ben | ||
| vi estis | laŭdinta | gij waart | geprezen hebbende. |
| li estos | hij zal zijn | ||
| ŝi estus | zij zou zijn |
| mi estas | ik ben | ||
| vi estis | laŭdonta | gij waart | zullende prijzen of op ’t punt van te prijzen. |
| li estos | hij zal zijn | ||
| ŝi estus | zij zou zijn |
Lijdenden vorm.
| esti laŭdata | = | geprezen wordende. |
| esti laŭdita | = | geprezen zijn. |
| esti laŭdota | = | op ’t punt van geprezen te worden of |
| zullende geprezen worden. | ||
| estu laŭdata | = | word geprezen. |
| weest geprezen wordende. | ||
| estu laŭdita | = | wees geprezen. |
| weest geprezen geworden zijnde. | ||
| estu laŭdota | = | wees geprezen zullende worden. |
| wees op ’t punt van geprezen te worden. | ||
| estante laŭdata | = | wordende geprezen. |
| estante laŭdita | = | zijnde geprezen. |
| estante laŭdota | = | op ’t punt zijnde van geprezen te worden. |
| mi estas | ik word | ||
| vi estis | laŭdata | gij werd | geprezen. |
| li estos | hij zal worden | ||
| ŝi estus | zij zou worden |
| mi estas | ik ben | ||
| vi estis | laŭdita | gij waart | geprezen geworden. |
| li estos | hij zal zijn | ||
| ŝi estus | zij zou zijn |
| mi estas | ik ben | ||
| vi estis | laŭdota | gij waart | op ’t punt van geprezen te worden. |
| li estos | hij zal zijn | ||
| ŝi estus | zij zou zijn |
Daar de deelwoorden in de samengestelde tijden altijd bijvoeglijk gebruikt zijn, krijgen ze in het meervoud ook den meervoudsuitgang.
Het kan ook voorkomen, dat in ’t Nederlandsch de enkelvoudige tijd gebruikt wordt, waarvoor in ’t Esperanto de samengestelde tijd gebruikt moet worden.
Wanneer bijv. in één zin twee handelingen verricht worden, waarvan de eene reeds aan den gang was, toen de andere begon, dan moet de handeling, die reeds aan den gang was, in den samengestelden tijd gebruikt worden, bijv.:
Ik las een boek, toen hij mij riep = Mi estis leganta libron, kiam li vokis min.
Leer van buiten:
| asparago | asperge |
| brasiko | kool |
| salato | salade |
| lentoj | linzen |
| bulbo | ui |
| frukto | vrucht |
| citrono | citroen |
| kuko | koek |
| piro | peer |
| ĉerizo | kers |
| frago | aardbei |
| frambo | framboos |
| daktilo | dadel |
| nukso | noot (in’t algemeen) |
| juglando | noot (okkernoot) |
| avelo | hazelnoot |
| peco | stuk |
| mielo | honig |
| oleo | olie |
| vinagro | azijn |
| mustardo | mosterd |
| lakto | melk |
| servico | servies |
| fromaĝo | kaas |
| kafo | koffie |
| teo | thee |
| ĉokolado | chocolade |
| akvo | water |
| vino | wijn |
| biero | bier |
| brando | brandewijn |
| pipo | pijp |
| objekto | voorwerp |
| estonteco | toekomst |
| linio | lijn, linie |
| loterio | loterij |
| ondo | golf |
| tendo | tent |
| antaŭdiri | voorspellen |
| malfrui | laat komen |
| fabriki | vervaardigen |
| sveni | bezwijmen |
| sopiri | zuchten |
| heredi | erven |
| dika | dik |
| rekta | recht |
| sen | zonder |
| jen estas | hier is |
Vertaling:
Laktujo, laktejo, pirujo, peceto, pipego, antaŭdiro, senharulo, sopiro, heredaĵo, heredanto, kafejo, kafujo, kafopoto, ŝafido, malrekta, maldika.
Vertaal in Esperanto:
Koffiehuis, bierhuis, kerseboom, theebus, theepot, voortdurend zuchten, kaaspakhuis, sigarettenpijpje, ontbijt, middagmaal, avondmaal, iemand die altijd laat komt, iemand die dik is.
Vertaling:
La infano estas kisanta la patrinon. La infano estas kisata de la patrino. La knabo estis batanta la hundeton. La hundeto estis batata de la knabo. Li estos leganta mian leteron. Tiu letero estos legata de ŝi. La knabino estas skribinta leteron al sia avino. Mi estas skribonta. Mi estas amata de mia patrino. Vi estas vidita en la ĝardeno de mia najbaro. Tiu ĉi domo estas konstruata de mia frato. La fenestro estis fermita longe, sed mi malfermis ĝin. La tuta planko estis kovrita de malpuraĵoj. Mi estis skribonta longan leteron al vi, sed mi ne havis tempon. Kiam ni eliris la preĝejon, ni estis vidataj de nia najbaro. Mi estas balainta la malpuraĵojn sur la planko kaj nun mi lavos la manĝilaron. La policestro estis elironta, kiam malriĉa virino demandis por paroli kun li.
Vertaal in Esperanto:
Zoudt gij mij uw mes willen geven, want het is scherper dan het mijne. Water is de beste en gezondste drank. Het weêr was zoo slecht, dat ik niet komen kon. Uwe zuster zou niet zoo vroeg aangekomen zijn als gij, indien zij niet vroeger vertrokken was dan gij. In den tuin van mijn buurman staan vele appel- en pereboomen; zij dragen veel vruchten, welke spoedig rijp zullen zijn. Zeg aan de dienstbode, dat zij de theepot en het servies in den tuin brengt (portu). Wij kunnen met het schoone weêr thee drinken in den tuin. Indien gij hongerig zijt, hier is kalfsvleesch, groenten en aardappelen; eet zooveel (tiom, kiom) gij wilt. Mijn dorst is grooter dan mijn honger. Hebt gij dorst, hier is water, bier en wijn. Toen ik gisteren thuis kwam bemerkte ik, dat ik mijn geldbeurs had verloren. Hebt gij ook gehoord of (ĉu) ze gevonden is (geworden). Ik kan het u niet zeggen, maar ga naar het politiebureau en zeg het aan den politiebeambte, die daar is. Daar ik hard geloopen had, was ik zeer vermoeid.
Twaalfde Les.
Onpersoonlijke Werkwoorden.
Onpersoonlijke werkwoorden noemen een werking, die aan geen persoon of zaak wordt toegeschreven; zij geven alleen het bestaan, het plaats vinden van de werking te kennen, zonder te vermelden wie de werking verricht.
De woordjes het, ’t of er die er vóór staan, worden niet vertaald, bijv.: het regent = pluvas, ’t hagelt = hajlas, het stormt = ventegas.
Het deelwoord van onpers. w.w. neemt den bijwoordelijken vorm aan, bijv.: estis pluvinte = het had geregend.
Ook in andere volzinnen bezigt men den bijwoordelijken vorm, als het onpers. w.w. geen betrekking heeft op een zelfst. n.w., bijv.:
| Het is gevaarlijk | = estas danĝere. |
| het is noodig | = estas necese. |
| het is warm | = estas varme. |
Het woordje er in uitdrukkingen als: er is, er was, er zijn, er waren, enz., wordt niet vertaald en wordt dus alleen estas, estis enz.
Achtervoegsels ig en iĝ.
Ig(i) beteekent iets of iemand in den toestand brengen door het grondwoord uitgedrukt, bijv.:
| bruli = branden, bruligi = doen branden. |
| varma = warm, varmigi = warm maken. |
| granda = groot, grandigi = groot maken. |
| fali = vallen, faligi = laten of doen vallen. |
Aanmerking: Men zij voorzichtig met de vertaling van het werkwoord laten = lasi.
Laten heeft twee beteekenissen n.l. een waarin geen verandering in den toestand gebracht wordt en een waarin wel verandering in den toestand gebracht wordt.
In het eerste geval vertaalt men lasi en in het tweede geval wordt laten samengesmolten met het bijbehoorende werkwoord door hierbij het achtervoegsel ig te gebruiken.
Bijv.: Laat de dokter komen, wordt vertaald (zonder verandering van den toestand) Lasu veni la kuraciston, en (met verandering van den toestand) Venigu la kuraciston.
Verder wordt in de Ned. taal de aanvoegende wijs (welke de handeling voorstelt als gewenscht, uitgang u) veelvuldig uitgedrukt met het werkwoord laten. Dit laten mag nooit vertaald worden met het Esperanto werkwoord lasi daar n.l. een verandering in den toestand wordt gebracht, bijv.:
| laat ons leeren = ni lernu. |
| laat ons gaan = ni iru. |
| laat ons beginnen = ni komencu. |
Iĝ(i) beteekent worden, zich maken, of in den toestand komen, wat het grondwoord uitdrukt, bijv.:
| pala = bleek, paliĝi = bleek worden. |
| sidi = zitten, sidiĝi = zich nederzetten, gaan zitten. |
| fari = doen (maken), fariĝi = worden, ontstaan, zich tot .... maken. |
Wederkeerige of Terugwerkende Werkwoorden.
Dit zijn werkwoorden, die een wederkeerigheid of terugwerking aanduiden en waarbij het onderwerp van den zin tevens het voorwerp der handeling is.
Deze werkwoorden worden in ’t Esperanto in 3 groepen verdeeld, n.l.:
1e. Werkwoorden, die de wederkeerigheid in zich sluiten,
2e. Werkwoorden, die een handeling uitdrukken, die men zichzelf of een ander kan doen ondergaan, bijv.: lavi = wasschen (men kan zichzelf en een ander wasschen).
De wederkeerigheid wordt uitgedrukt door de pers. voornaamwoorden in den lijdenden vorm, dus met n, bijv.:
| mi lavas min = ik wasch mij. |
| li lavas sin = hij wascht zich (vergelijk 4e les). |
| ni lavas nin = wij wasschen ons. |
3e. Werkwoorden, waarbij het onderwerp door de werking, die het werkwoord voorstelt, in een bepaalden toestand komt, dat het wordt (iĝas) wat het grondwoord te kennen geeft. In dit geval gebruikt men het achtervoegsel iĝ, bijv.:
| zich nederzetten = sidiĝi (in zittenden toestand komen). |
| zich nederleggen = kuŝiĝi (in liggenden toestand komen). |
| zich buigen = kliniĝi (in gebogen toestand komen). |
Leer van buiten:
Vertaling:
Grandiĝi, pligrandiĝi, plibonigi, juniĝi, plijuniĝi, paliĝi, rapidiĝi, naskiĝi, devigi, fariĝi, purigi, dikiĝi, maldikiĝi, interesiĝi, sciigi.
Vertaal in Esperanto:
Neusdoek, grooter maken, tevreden stellen, geruststellen, ongerust worden, rijk worden, beleefdheid, schoenmaker, versiersel, verbruik, handschoenendoos, een dapper mensch, jong maken, jonger maken, oud maken, ouder maken.
Vertaling:
La belaj vestoj ne estas bonaj por vi, vi malpurigos ilin en unu tago. Matene, mi vekiĝas je la sepa. Tiu ĉapelo plijunigas vin kelkajn jarojn. Via kantado malsanigos min. Kiam mia amikino aŭdis, ke ŝia patrino estas tre malsana, ŝi paliĝis kaj rapidiĝis hejmen. Se vi ne estis devigita por eliri, mi kredas ke vi ĉiam restus hejme kaj vi bone scias, ke la kuracisto estas dirinta, ke vi devas eliri almenaŭ dum unu horo. Mi kredas ke la vivado sur la kampo sanigas vin, vi dikiĝas kaj via vizaĝo ne estas plu pala. Mia poŝhorloĝo estas pli bela ol la via, ĉar la mia estas pli nova ol la via, sed mi kredas ke la via estas pli forta ol la mia. Mi ĝojas pri via feliĉo. Mi lavas min en la lavvazo. Ŝi lavis sian infanon en la kuvo. Mi kutimis manĝi tre malmulte. Vi treege dikiĝas. Vi ne plu povas iri tra la pordo. Mi prenis mian surtuton kaj mi foriris. Mi sidiĝis sur la seĝon, starantan apud la pordo.
Vertaal in Esperanto:
De laarzenmaker maakt schoenen en laarzen. Hij wordt soldaat. In ons land bevinden zich geen bergen, maar slechts heuvels. In den zak van mijn broek draag ik een geldbeurs en in den zak van mijn overjas draag ik een portefeuille (paperujon). In mijn schrijftafel bevinden zich vier laden. In plaats van koffie gaf hij mij thee. De hoorders verlieten (forlasi) de zaal. Hij liet den geneesheer komen. De versiering van de kamer was zeer mooi. De kamer zal vergroot worden. Hij wascht zich zonder water. Mijn overjas heeft me rijk gemaakt. De gierigaard is rijk geworden door gierigheid. De geslagen kinderen weenen. Mijn broek is te lang. Ik breng mijn schoenen naar den schoenmaker. Een dapper mensch is een dappere. Hare handschoenen zijn vuil, zij moet ze wasschen. Een mantel is een kleedingstuk voor vrouwen en meisjes. Ik had mijn manchet verloren, maar ik heb ze gevonden in den kist met gereedschappen. Ik zag een zeer groote stad, waarin zich aanhangers van onze vijanden bevonden. De 20ste Februari is de een en vijftigste dag van het jaar. Hij las: “ten vierde, de vogel vloog over het veld”. Al sprekende ging hij zitten. Hij sprak over een nieuwe taal.
Dertiende Les.
Korelativoj.
De op achterin bijgevoegde tabel genoemde woordjes zijn verschillende soorten van voornaamwoorden of bijwoorden, die dienen als vragende v.n.w., bezittelijke v.n.w., vragende bijwoorden enz. Deze woordjes noemt men korelativoj.
De bovenste rij van de tabel, dus ia, io, iu, ie, ial, iam, iel, iom en ies noemt men de grondwoorden waarvan de andere gevormd worden. Ze worden in onbepaalde beteekenis gebruikt.
| Die welke beginnen met k | zijn vragend; |
| Die welke beginnen met t | zijn aanwijzend; |
| Die welke beginnen met ĉ | zijn alles omvattend; |
| Die welke beginnen met nen | zijn ontkennend. |
De korelativoj op ia en iu kunnen den meervoudsuitgang hebben, terwijl ia, iu, io en ie een n na zich kunnen krijgen.
Eenige korelativoj worden ook wel zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt, bijv.:
la kialo = het waarom; kioma = hoeveelste.
Korelativoj op ia en io.
Korelativoj op ia zijn bijvoeglijk en bepalen iets omtrent de hoedanigheid of de soort.
Ia = de een of andere, een zekere, eenigerlei, bijv.:
Ian tagon mi donos al vi la monon = De een of andere dag zal ik u het geld geven.
Li aĉetis iajn nuksojn = Hij kocht de een of andere soort noten.
Kia = welke, wat voor een, welke soort van, bijv.:
Kiajn nuksojn vi preferas? = Welke (soort van) noten verkiest gij?
Tia = zoodanig, dusdanig, dergelijk, zulk een, zulk een soort, bijv.:
Tia ĉapelo kostas kvin guldenojn = Zoo’n (zulk een) hoed kost vijf gulden.
Ĉia = elke soort van, iedere soort, elk, ieder, bijv.:
Ĉia persono bezonas monon = Elk mensch heeft geld noodig.
Nenia = geen enkele soort van, geen enkel, bijv.:
Li konas nenian floron = Hij kent geen enkele (soort van) bloem.
Korelativoj op io zijn zelfstandig en worden alleen voor zaken gebruikt. Ze hebben dan ook nooit een zelfst. n.w. achter zich.
Io = iets, het een of ander, bijv.:
Io kuŝis sur la tablo = Iets lag op de tafel.
Mi vidis ion = Ik zag iets.
Kio = wat? (vragend voornaamwoord) bijv.:
Kio povas manĝi? = Wat kan eten?
Kion vi vidas? = Wat ziet gij?
Tio = dat.
Tio estas bela = Dat is mooi.
Mi vidis tion = Ik zag dat.
Tio ĉi of ĉi tio = dit (in de nabijheid) bijv.:
Tio ĉi devas esti bona = Dit moet goed zijn.
Mi portos tion ĉi = Ik zal dit dragen.
Ĉio = alles, alle, elk ding, bijv.:
Ĉio estas en la butiko = Alles is in den winkel.
Li scias ĉion = Hij weet alles.
Nenio = niets, niet een enkel ding, bijv.:
Nenio falis = Niets viel.
Achtervoegsels em en ebl.
Em(a) vormt woorden, die de neiging uitdrukken tot hetgeen het grondwoord (meestal een werkwoord) uitdrukt, of de gewoonte van de hoedanigheid, in het grondwoord gelegen, bijv.:
| kredi = gelooven, kredema = lichtgeloovig. |
| mensogi = liegen, mensogema = leugenachtig. |
| babili = babbelen, babilema = babbelachtig. |
Ebl(a) drukt de mogelijkheid uit van hetgeen het grondwoord (altijd een werkwoord) beduidt, bijv.:
| vidi = zien, videbla = zichtbaar. |
| legi = lezen, legebla = leesbaar. |
| aŭdi = hooren, aŭdebla = hoorbaar. |
Leer van buiten:
| butono | knoop |
| broso | borstel |
| sapo | zeep |
| juvelo | juweel |
| rubando | lint |
| galono | boordsel |
| punto | kant |
| kotono | katoen |
| lano | wol |
| silko | zijde |
| veluro | fluweel |
| arĝento | zilver |
| oro | goud |
| bastono | stok |
| ombrelo | regenscherm |
| magazeno | magazijn |
| butiko | winkel |
| bazaro | bazar |
| lukso | pracht |
| truo | gat |
| speco | soort |
| elefanto | olifant |
| spongo | spons |
| broĉo | borstspeld |
| ringo | ring |
| ĉeno | ketting |
| galoŝo | overschoen |
| ĉifono | vod, lor |
| fadeno | draad |
| difekta | beschadigd |
| delikata | fijn, teeder |
| eleganta | sierlijk |
| simpla | eenvoudig |
| falsa | valsch, vervalscht |
| ebla | mogelijk |
| aminda | beminnelijk |
| sindona | dienstwillig |
| kompreni | begrijpen, verstaan |
| interesi | aanbelangen |
| intenci | voornemens zijn |
| preferi | verkiezen |
| ŝanĝi | ruilen, verwisselen |
| ĵuri | zweren, eed doen |
| alia | andere |
| cetera | overige |
| kelka, kelke da | eenige |
| multa, multe da | veel |
| malmulta, malmulte da | weinig |
| tuta | gansch |
| kiu ajn | wie het ook zij |
Vertaling:
Eble, juvelisto, ĉenero, ĉifonisto, ĉifonujo, lana, kombilo, levilo, ĝentilaĵo, edziĝo, poŝhorloĝo, falsisto, legebla, kredema, kredebla, dormema, trinkebla, drinkema, pagebla, uzebla, preferebla.
Vertaal in Esperanto:
Zilvergeld, eenvoudigheid, jonge olifant, knoopsgat, school, leerling, schoolhoofd, onderwijzer, portefeuille, inktkoker, leerboek, leesboek, verstaanbaar, leerzaam, schrijver, werkzaam.
Vertaling:
Ĉu vi aŭdis jam ion pri tia afero? Ne, mi aŭdis ankoraŭ nenion, sed se mi aŭdos ion, mi sciigos tion al vi. Mi donos al vi ĉion, kion mi havas. Kiam (toen) mi estis en la urbo, mi vidis en la butiko de la juvelisto tiajn belajn ĉirkaŭmanojn, ke mi eniris la butikon, kaj volis scii, kion ili kostis, sed mi povis aĉeti nenian. Io estas sub la tablo. Estas tempo por ĉio. Kio estas tio ĉi, kion mi vidos? Nenio estas preta; tio estas malagrabla. Estis ia truo en mia poŝo, ĉar mi perdis mian monujon. Kia lukso estas en la salono de la riĉulo. En la butiko mi aĉetis pluvombrelon. Mi sciigis tion al vi. Donu ian fadenon al mi. Mi havas nenian arĝentmonon ĉe mi. Apud la silko kuŝas la kotona rubando.
Vertaal in Esperanto:
Iets ligt op de tafel. Hij hoorde iets. Een kat liep in de kamer. Een of andere vogel zat op den toren. Wat schoon is moet eenvoudig zijn. Dat, wat gebeurde, was goed. De arme knapen konden niets geven aan den armen grijsaard. Welke (wat voor soort) kant hebt gij aan uwe japon? Wat zegt gij? Welk meisje is ongelukkig? Dat is niet waar. Welke noten eet gij? Hij kent geen enkele soort menschen. In allerlei (soort) steden bevinden zich dergelijke menschen. Welken ouderdom hebt gij? Ik had iets gezien, maar ik wist niet wat. Ik zou dit gelezen hebben, maar ik had geen tijd. Neem de zeep uit het zeepbakje en wasch uwe handen. De ketting was van goud en de borstspeld van zilver. De gouden borstspeld is mooier dan de zilveren. Leg de borstel in de kast en knoop je jas toe.
Veertiende Les.
Korelativoj op iu en ie.
Korelativoj op iu kunnen zoowel voor personen als voor zaken gebruikt worden. In het eerste geval kunnen ze bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt worden, en in het tweede geval alleen bijvoeglijk.
Iu = iemand, eenig, de een of andere persoon of zaak bijv.:
Iu estas en la ĉambro = Iemand is in de kamer.
Iu viro estas en la ĉambro = Een zekere man is in de kamer.
Mi vidis iun = Ik zag iemand.
Iu libro estas sur la tablo = Een zeker boek is op de tafel.
Kiu = wie of welk (vragend), bijv.:
Kiu kuras en la ĉambro? = Wie loopt in de kamer?
Kiu viro kuras en la ĉambro? = Welke man loopt in de kamer?
Kiun vi vidas? = Wien ziet gij?
Kiujn librojn li aĉetas? = Welke boeken koopt hij?
Kiu = die, welke, dat (betrekkelijk) bijv.:
La viro, kiu marŝas en la strato, estas maljuna = De man, die in de straat loopt, is oud.
La viro, kiun mi vidas, estas maljuna = De man, dien ik zie, is oud.
La libroj, kiujn mi legas, estas belaj = De boeken, welke ik lees, zijn mooi.
Tiu = die, dat, diegene, bijv.:
Tiu (viro) sidas sur la seĝo = Die (man) zit op de stoel.
Tiu libro kuŝas sur la seĝo = Dat boek ligt op de stoel.
Li legas tiujn librojn = Hij leest die boeken.
Tiu ĉi of Ĉi tiu = deze of dit (in de nabijheid) bijv.:
Tiu ĉi (virino) estas en la domo = Deze (vrouw) is in het huis.
Tiu ĉi krajono kuŝas sur la tablo = Dit potlood ligt op de tafel.
Mi aĉetas tiujn ĉi pomojn = Ik koop deze appelen.
Ĉiu = ieder, iedereen, elk een.
Ĉiu (infano) ludas = Elk (kind) speelt.
Ĉiun libron li havas = Elk boek heeft hij.
Mi vidis ĉiujn = Ik zag allen.
Neniu = niemand, geen, geen enkele, bijv.:
Neniu estas en la domo = Niemand is in het huis.
Li vidis neniun infanon = Hij zag geen enkel kind.
Vi legas neniun libron = Gij leest geen enkel boek.
Korelativoj op ie zijn plaats bepalende bijwoorden.
Ie = ergens, op de een of andere plaats, bijv.:
Li devas esti ie = Hij moet ergens zijn.
Ili marŝas ien = Zij loopen ergens heen.
Kie = waar, op welke plaats (vragend), bijv.:
Kie vi loĝas? = Waar woont gij?
Kien vi iras? = Waarheen gaat gij?
Kie = waar (betrekkelijk), bijv.:
Tie, kien ni iros, staras bela domo = Daar, waar wij heen gaan, staat een mooi huis.
Tie = daar, op die plaats, ginds, bijv.:
Tie staras ŝranko = Daar staat een kast.
Ĉu vi iras tien? = Gaat gij daarheen?
Tie ĉi of ĉi tie = hier, bijv.:
Ĉi tie kuŝas la libro = Hier ligt het boek.
Venu tien ĉi = Kom hier.
Ĉie = overal, op alle plaatsen, bijv.:
Ĉie mi aŭdis birdojn = Overal hoorde ik vogels.
Ni iras ĉien = Wij gaan overal heen.
Nenie = nergens, op geen enkele plaats, bijv.:
Nenie mi vidas seĝon = Nergens zie ik een stoel.
Ni iras nenien = Wij gaan nergens heen.
Achtervoegsel ind en voorvoegsel dis.
Ind(a) beteekent waardig van wat het grondwoord uitdrukt, bijv.:
| kredi = gelooven, | kredinda = geloofwaardig. |
| bedaŭri = beklagen, | bedaŭrinda = beklagenswaardig. |
Dis- beduidt verdeeling of verspreiding, bijv.:
| semi = zaaien, | dissemi = rondzaaien (naar alle kanten zaaien.) |
| kuri = loopen, | diskuri = uiteenloopen. |
Leer van buiten:
| laboro | werk |
| klaso | klasse |
| kajero | schrijfboek |
| papero | papier |
| folio | blad |
| plumo | pen |
| inko | inkt |
| krajono | potlood |
| libro | boek |
| paĝo | bladzijde |
| leciono | les |
| progreso | vooruitgang |
| apatio | onverschilligheid |
| fervoro | ijver |
| piedpilko | voetbal |
| muso | muis |
| energio | karaktersterkte |
| ordo | orde |
| babili | babbelen |
| lingvo | taal |
| litero | letter |
| letero | brief |
| bileto | briefje |
| adreso | adres |
| justa | oprecht, rechtvaardig, juist |
| partia | partijdig |
| facila | gemakkelijk |
| korekta | nauwkeurig |
| atenta | aandachtig |
| inteligenta | vernuftig |
| severa | streng |
| naĝi | zwemmen |
| forveturi | vertrekken (van treinen) |
| renkonti | ontmoeten |
| koni | kennen |
| lerni | leeren |
| instrui | onderwijzen |
| elparoli | uitspreken |
| indulgi | toegeven, ontzien, voorzichtig zijn met |
| memori | zich herinneren |
| forgesi | vergeten |
| pensi | denken |
| opinii | van meening zijn, denken |
| imagi | zich inbeelden |
| ŝanceli | wankelen |
| obei | gehoorzamen |
| klopodi | trachten |
| peni | pogen |
| erari | zich vergissen, missen |
| petoli | stoeien |
| presi | drukken |
| bindi | binden |
| observi | waarnemen |
| veturi | rijden |
| taŭgi | deugen |
| boji | blaffen |
| depost | sinds |
Vertaling:
Vidinda, akceptebla, dezirinda, respektinda, respektebla, aĉetebla, aĉetema, preferinda, observebla, malfacila, malatenta, malobei, malfervoro, atenteco, skribaĵo, adresaro, bindisto, presilo, memorinda, disiri, disdoni, diskuri, dissendi, dissemi.
Vertaal in Esperanto:
Vergeetachtig, vergetenswaardig, onvergetelijk, denker, leugenachtig, wetenswaardig, adresseeren, werkman, penhouder, de onderwezen wordende, papiermand, inktkoker, gemakkelijkheid, iets gemakkelijks, uitstrooien.
Vertaling:
Ĉu iu el vi scias la vojon? Iu persono devas scii tion. Prenu iun libron kaj legu. Li vidis iun en la ĝardeno de nia najbaro. Kiu loĝas en Roterdamo? Kiu birdo ne povas kanti? Kiu estas tiu granda monumento? Glaso de vino estas glaso en kiu antaŭe sin trovis vino, aŭ kiun oni uzas por vino; glaso da vino estas glaso plena je vino. La domo en kiu ni troviĝas, estas konstruita en 1750. Ie en la arbaro loĝis maljunulo. Kie via frato loĝas? Antaŭe li loĝis tie sed nun li loĝas tie ĉi. Kien vi metis la ŝlosilon? Ŝi diris al mi kiu kaj kie li estas. Kiu estas la monto, kiun mi vidas tie? Tie, kie vi loĝas, mi ankaŭ volus loĝi. Kia estas la nomo de tiu, kiu vin sendis tien? Ĉiu homo povas erari. Ĉiu mezuras la aliajn per sia mezurilo. Ĉiu por si, Dio por ĉiuj. Ĉie kaj ĉiam esperantistoj estas amikoj. Dum la leciono ne estas permesate al vi rigardi ĉien. Neniu estis vidinta la infanon. Neniuj homoj estis ankoraŭ sur la strato. Nenie mi vidis mian plumingon. Ĉu vi memoras ke mi diris al vi: “iru nenien”?
Vertaal in Esperanto:
Heeft iemand mijn potlood gezien? Niemand zag het sinds gisteren. Vandaag ga ik nergens heen. Mijn hoed ligt ergens. Wie kent niet het schoone boek? Hij, die tevreden is, is gelukkig. Die jongens, welke deze appels stalen, gingen daarheen. Een blad papier uit dit schrijfboek. Vandaag ontmoet ik u overal. Kan iemand mij zeggen, hoe laat de laatste trein naar Z. vertrekt? Iedereen kan u dat zeggen. Daar ik niets van uw bezoek wist, zult gij u tevreden moeten stellen met ons eenvoudig middagmaal. Wat schoon is moet eenvoudig zijn. Daar het avond werd en mijne zuster nog niet thuis was, werden wij ongerust. De salon in het huis van mijn rijken buurman was prachtig versierd ter gelegenheid van (okaze de) het huwelijk van zijn dochter. De een zei dit, de andere zei dat. Waar woont hij? Waarheen brengt gij dat boek? Wij gaan daarheen. Wij gaan overal heen. Wij gaan nergens heen.